II.

„Van den heer T. S. Dawkins, aan den hoog welgeboren heer A. P.

Deuceace.

„De heer Thomas Smith Dawkins is hoogst gevoelig voor het kostbare

geschenk van den heer Deuceace, en hij verzekert aan zijn hoog

welgeboren, dat hij het, met de meeste dankbaarheid, heeft

aangenomen.

„Het zoude een der gelukkigste dagen zijn uit het leven van den

heer Dawkins, indien de heer Deuceace het van zijne edelmoedigheid

kon verkrijgen, om met zijne tegenwoordigheid den maaltijd te

vereeren, dien de heer Dawkins aan zijner hoog welgeboren mildheid

heeft te danken.

„Het Temple, Dingsdag.”

Menigmaal heb ik over deze twee brieven gelagchen, welke ik van de

oorspronkelijken, door den klerk van den heer Bruffy, heb doen

afschrijven. De list van Deuceace, betreffende Prins Talleyrand werd

met den besten uitslag bekroond. Ik zag den jongen Dawkins van vreugde

bloozen, toen hij het briefje doorlas. Hij verscheurde vier of vijf

vellen postpapier, eer hij het antwoord gereed had, dat ik boven heb

medegedeeld, en dat met eene van vreugde bevende hand geschreven werd.

Men had maar den zegevierenden blik in de booze, zwarte oogen van

Deuceace moeten lezen, toen hij dezen brief ontving! Ik heb nooit een

echten duivel gezien, maar ik kan er mij best een verbeelden, hoe hij

eene ongelukkige, gepijnigde ziel tusschen zijne klaauwen houdt, en

glimlacht even als de heer Deuceace. Deze trok echter zijne beste

kleederen aan en ging den gang over, naar den heer Dawkins, bij wien

hij mij vooraf had gezonden, om te zeggen, dat hij zijne beleefde

uitnoodiging zeer gaarne aannam.

De pastei werd aangesneden, en er begon een zeer, vriendelijk gesprek

tusschen de beide heeren. Deuceace was betooverend. Hij sprak tegen den

heer Dawkins op de meest eerbiedige en vleijende wijze – hij stemde

alles toe, wat deze zeide – hij roemde zijn smaak, zijne meubels, zijn

rok, zijne klassieke geleerdheid en zijn fluitspelen; als men hem

gehoord had, zoude men zich verbeeld hebben, dat zulk een voorbeeld van

voortreffelijkheid, als de heer Dawkins was, niet meer op deze aarde

bestond, en dat zulk een bescheiden, opregt, eerlijk man als Deuceace,

nergens dan in Pump-court te vinden was. De arme Dawkins was geheel en

al ingepakt. Mijnheer beloofde hem bekend te maken met den hertog van

Doncaster, en de Hemel weet hoe veel dergelijke groote heeren meer,

zoodat Dawkins buiten zich zelven van vreugde was. Ik weet zeker (en

deze daadzaak verschaft eenen diepen blik in het karakter van den

jongen heer), dat hij op denzelfden dag twee nieuwe rokken bestelde,

ten einde gekleed te zijn, als hij kennis met de hooge personaadjen

ging maken.

Maar het beste volgde nog. – Zingende, schreeuwende en vloekende komt

de heer Richard Blewitt op eens den trap op. – Hij stiet de deur bij

den heer Dawkins open, hem toeroepende: „Dawkins, mijn jongen, hoe gaat

het?” toen hij plotseling den heer Deuceace ontwaarde. Zijn gezigt werd

lang; hij werd wit als krijt, en dan weder vuur rood; hij zag er uit,

alsof men hem met eene veêr zoude kunnen omverstooten.

„Waarde heer,” zeide Deuceace, hem met een glimlach de hand gevende,

„wat doet het mij pleizier, u te zien. Mijnheer Dawkins en ik waren

juist aan het praten over uw hit – ga maar zitten, als het u belieft.”

Dat deed ook de heer Blewitt, en nu was de vraag, wie bet langst zou

blijven zitten. Maar mijn Hemel! Blewitt kon mijn meester niet aan.

Gedurende den geheelen tijd was hij onrustig, en stil, en knorrig:

mijnheer integendeel was allerliefst. Ik heb nooit iemand zoo

spraakzaam, of zoo geestig gezien. Eindelijk, geheel en al uit het veld

geslagen, stond de heer Blewitt op, om afscheid te nemen; mijn heer

volgde hem oogenblikkelijk, en, den heer Richard bij den arm vattende,

bragt hij hem naar onze kamers, en begon met hem op de vriendelijkste,

liefste wijze te praten, die mogelijk was.

Maar Richard was te knorrig om te luisteren, en eindelijk, terwijl

mijnheer bezig was, hem een of ander lang verhaal op te disschen

aangaande den hertog van Doncaster, barstte Blewitt uit, met:

„De drommel haal den hertog van Doncaster! kom, kom, mijnheer Deuceace,

blijf maar t’ huis met uwe gekheden; ik ben geen man om gefopt te

worden door langdradige vertelseltjes van hertogen en hertoginnen. Gij

gelooft, dat ik u niet ken – maar iedereen kent u en uwe manier van

leven. Ja wel! – gij loopt dien jongen Dawkins na, en denkt hem te

plukken; maar dat zal niet gebeuren – zoo waar ik leef, daarvan zal

niets komen!”

(De lezer herinnere zich, dat ik de vloeken, waarmede de heer Blewitt

aan zijne woorden klem bijzette, weggelaten heb.) Nadat hij er dan eene

menigte had geuit, antwoordde hem de heer Deuceace, met de meest

mogelijke koelbloedigheid:

„Hoor eens, Blewitt, ik weet, dat gij een der vervloektste gaauwdieven

en schurken zijt, die nog niet gehangen zijn. Indien gij het waagt, mij

bang te willen maken, zal ik mijn stok op uwe schouders stuk slaan; als

dat niet voldoende is, zal ik u door den kop schieten; als gij durft te

treden tusschen mij en Dawkins, doe ik beiden. Uw geheel leven is mij

bekend, ellendige bedrieger en lafaard! Ik weet, dat gij reeds twee

honderd pond van dezen jongen hebt gewonnen, en dat gij gaarne alles

zoudt hebben. Ik voor mij wil de helft hebben, of gij voor u zult er

nooit éénen cent van zien,”

Wáár is het, dat mijnheer al deze dingen wist; maar hoe? Daar zat de

knoop.

Ik kon het gezigt van den heer Blewitt gedurende dit gesprek niet zien,

omdat ik aan den verkeerden kant van de deur stond; maar er volgde een

langdurig stilzwijgen na deze wederzijdsche complimenten tusschen de

twee heeren – de een wandelde snel op en neder door de kamer, terwijl

de ander, knorrig en verlegen, stil bleef zitten, en van tijd tot tijd

met den voet stampte.

„Nu luister eens verder, mijnheer Blewitt,” zeide eindelijk mijn heer,

„zoo gij bedaard zijt, zult gij de helft hebben van het geld van dezen

mensch; maar als gij het waagt, om éénen cent van hem te winnen als ik

er niet bij ben, of zonder mijne toestemming, dan moet gij zelf voor de

gevolgen instaan.”

„Ja, maar, mijnheer Deuceace,” riep Richard uit, „ik moet zeggen, dat

het zeer hard voor mij, en niet mooi van u is; het wild heb ik

opgejaagd, en gij hebt geen regt, u met mijn vriend te bemoeijen.”

„Mijnheer Blewitt, gij zijt niet bij uw verstand! gisteren verklaardet

gij, dat gij dezen mensch niet kendet, en ik was genoodzaakt, hem zelf

op te sporen. Ik zoude nu wel eens willen weten, door welke wet van eer

ik verpligt ben, hem aan u over te leveren?”

Het was alleraardigst, die twee schurken over de eer te hooren spreken.

Ik verklaar, dat ik het over mij had kunnen verkrijgen, om den jongen

Dawkins te waarschuwen voor de mooije plannen, welke deze menschen

omtrent hem hadden gesmeed. Maar hoewel zij geen eergevoel hadden, ik

bezat het zelf, en nooit heb ik iets van mijne heeren verklapt, zoolang

ik in hunne dienst was – nadat ik hen verlaten had, bestond de

verpligting natuurlijk niet meer.

Den volgenden dag was er een groot diné op onze kamers. Witte soep,

tarbot en kreeftensaus, Schotsch lamsvleesch en macaroni, wijn in

overvloed; Champagne, Rijnwijn, Madera, eene flesch port, en de Hemel

weet, hoe vele flesschen Bordeaux. Het gezelschap bestond uit drie

personen, namelijk: de hoog welgeboren heer Deuceace, en de heeren

Blewitt en Dawkins. Wat hadden wij heeren in de keuken er genot van! De

knecht van den heer Blewitt at zoo veel wild (nadat het van binnen was

gehaald), dat ik waarachtig voor zijne gezondheid bezorgd werd; de

jongen van den heer Dawkins, die slechts dertien jaren oud was, werd

zoo misselijk van de macaroni en den plum-pudding, dat hij genoodzaakt

werd verscheidene van de pillen van den heer Dawkins in te nemen, die

hem half dood maakten. Maar dit is eene afwijking; ik spreek nu niet

van de knechten, maar van hunne meesters.

Zoude men het willen gelooven? Na het eten (en na misschien acht

flesschen wijn onder hen drieën gedronken te hebben) zetten zich de

heeren neder, om écarté te spelen. Het is een spel, dat slechts door

twee menschen kan gespeeld worden; natuurlijk dus, dat, als er drie bij

elkaâr zijn, één altijd moet toekijken.

In den beginne speelden zij maar vijf shillings de partij, met

weddingschappen tusschen beiden van één pond. Bij dit spel was het

geluk buitengewoon regtvaardig; en tegen het avondeten (toen gebraden

ham, nog meer Champagne, devilled biscuits en meer van dien aard op

tafel werd gezet) stond de rekening aldus: de heer Dawkins had twee

pond gewonnen; de heer Blewitt een pond tien shillings; terwijl de heer

Deuceace drie pond tien shillings verloren had. Na het souper en den

Champagne, speelde men een weinig hooger – de partij om één pond,

weddingschappen vijf pond. Ik dacht zeker, na de complimenten, die des

morgens tusschen Blewitt en mijn heer gewisseld waren, dat het uur van

den armen Dawkins geslagen had.

Maar dit was het geval niet. Dawkins won maar altijd door; de heer

Blewitt wedde op zijn spel en gaf hem steeds den besten raad. Tegen het

einde van den avond (omstreeks vijf uur ’s morgens) scheidden zij.

Mijnheer telde de rekening na, op eene kaart.

„Blewitt,” zeide hij, „ik hen ongelukkig geweest. Gij moet van mij

hebben – laat ik eens zien – ja – vijf en veertig pond?”

„Vijf en veertig,” antwoordde Blewitt – „juist!”

„Ik zal het oogenblikkelijk afdoen,” zeide mijn zeer eerlijke meester.

„O!! spreek er niet van, waarde heer!”

Maar mijn heer nam een groot vel papier en gaf hem dadelijk een wissel

op zigt, op de heeren Pump, Aldgate en Comp, die niet bestonden en

zijne bankiers waren.

„Nu,” zeide mijn heer, „moet ik met u afrekenen, waarde heer Dawkins.

Indien gij iets meer had gewaagd, dan was ik u eene aardige som

schuldig geweest. Voyons: dertien partijen, elk om één pond – dat is

gemakkelijk te berekenen;” en zijne beurs trekkende, liet hij dertien

goudstukken op tafel blinken; zij schitterden zóó, dat mij de oogen er

van zeer deden.

De arme Dawkins ontstelde ook, toen hij zijne bevende hand uitstrekte,

om ze op te steken.

„Vergun mij, u te verzekeren,” zeide mijnheer, „vergun mij, u te

verzekeren, en ik heb een weinig ondervinding gehad, dat gij de beste

écarté speler zijt, tegen wien ik ooit mijn geluk heb beproefd.”

De oogen van Dawkins glinsterden, terwijl hij het geld in den zak deed,

en hij zeide:

„Kom, Deuceace, gij vleit mij!”

Vleijen! Ja wel – dat was juist mijnheers bedoeling; die ging nu voort:

„Maar let er op, Dawkins, ik moet revanche hebben; want waarachtig gij

hebt mij arm gemaakt – totaal arm – door uw geluk.”

„Nu, nu,” zeide de heer Thomas Smith Dawkins, even tevreden alsof hij

een millioen had gewonnen – „wilt gij het morgen hebben? Blewitt, hoe

denkt gij er over?”

Den heer Blewitt was dit natuurlijk zeer aangenaam. Na zich een weinig

bedacht te hebben, stemde mijn heer ook toe.

„Wij zullen op uwe kamers bij elkander komen,” zeide hij, „maar niet te

veel wijn, denk er aan; ik kan er nooit goed tegen, en vooral niet als

ik met u écarté moet spelen.”

De arme Dawkins verliet onze kamers zoo gelukkig als een vorst.

„Daar Karel!” riep hij, mij een goud tientje toe werpende. Arme jongen!

arme jongen! Ik wist maar al te goed, wat volgen zoude.

Maar het beste van de grap was, dat die dertien pond, welke Dawkins

gewonnen had, door mijnheer van den heer Blewitt geleend waren! Ik had

ze, tegelijk met zeven pond er bij, denzelfden morgen van hem

afgehaald; want sedert zijne ontmoeting met mijnheer durfde Blewitt hem

niets ter wereld weigeren.

Zal ik nu mijn verhaal voortzetten? Indien de heer Dawkins de minste

wijsheid ter wereld had bezeten, dan zoude hij zes maanden noodig gehad

hebben, om al zijn geld te verliezen; hij was echter zoo

allerbespottelijkst onverstandig, dat maar zeer korte tijd vereischt

werd, om dat doel te bereiken.

Den volgenden dag (het was een donderdag, en de kennismaking met den

heer Deuceace dagteekende van dingsdag), gaf de heer Dawkins zijne

partij, – een diné om zeven uur. Tegenwoordig waren de heer Blewitt en

de beide heeren D., gelijk te voren. Het spel begon om elf uur. Nu

begreep ik, dat de zaak ernstig was gemeend; want om twee uur werden

wij heeren knechten naar bed gezonden. Op vrijdag ging ik naar onze

kamers – mijnheer was niet te huis – tegen twaalf uur kwam hij, voor

een minuut of vijf, eventjes binnenloopen, bestelde meer eten en

soda-water, en ging weder terug naar den heer Dawkins.

Dáár dineerden zij ook weder om zeven uur, maar niemand gebruikte iets;

want al het eten kwam naar beneden, bij ons; zij dronken echter meer

wijn, op zijn minst twee dozijn flesschen in zes en dertig uren.

Om tien uur evenwel, ’s vrijdags avonds, kwam mijnheer naar zijne

kamers terug. Ik zag hem toen, zoo als ik hem nooit te voren had gezien

– geheel en al dronken. Hij rolde over de kamer – danste – had den hik

– vloekte – wierp mij een handvol zilvergeld toe, en eindelijk viel

hij, geheel en al uitgeput, op zijn bed neder. Ik trok hem de laarzen

en kleederen uit, en maakte hem alles gemakkelijk.

Toen ik zijne kleederen had weggenomen, deed ik hetgeen de pligt is van

elken bediende. Ik ledigde al zijne zakken, en keek zijne portefeuille

en brieven door: vele ongelukken werden op deze wijze voorgekomen. Ik

vond eene menigte zaken bij elkander, en daaronder het volgende mooije

stuk:

Goed voor 4700 p. st.

Op zigt betaal ik vier duizend zeven honderd

pond sterling aan den heer A. P. Deuceace

of order.

Gedenkschriften van den heer Yellowplush · 第 12 / 42 题