„Van den heer T. S. Dawkins, aan den hoog welgeboren heer A. P.
Deuceace.
„De heer Thomas Smith Dawkins is hoogst gevoelig voor het kostbare
geschenk van den heer Deuceace, en hij verzekert aan zijn hoog
welgeboren, dat hij het, met de meeste dankbaarheid, heeft
aangenomen.
„Het zoude een der gelukkigste dagen zijn uit het leven van den
heer Dawkins, indien de heer Deuceace het van zijne edelmoedigheid
kon verkrijgen, om met zijne tegenwoordigheid den maaltijd te
vereeren, dien de heer Dawkins aan zijner hoog welgeboren mildheid
heeft te danken.
„Het Temple, Dingsdag.”
Menigmaal heb ik over deze twee brieven gelagchen, welke ik van de
oorspronkelijken, door den klerk van den heer Bruffy, heb doen
afschrijven. De list van Deuceace, betreffende Prins Talleyrand werd
met den besten uitslag bekroond. Ik zag den jongen Dawkins van vreugde
bloozen, toen hij het briefje doorlas. Hij verscheurde vier of vijf
vellen postpapier, eer hij het antwoord gereed had, dat ik boven heb
medegedeeld, en dat met eene van vreugde bevende hand geschreven werd.
Men had maar den zegevierenden blik in de booze, zwarte oogen van
Deuceace moeten lezen, toen hij dezen brief ontving! Ik heb nooit een
echten duivel gezien, maar ik kan er mij best een verbeelden, hoe hij
eene ongelukkige, gepijnigde ziel tusschen zijne klaauwen houdt, en
glimlacht even als de heer Deuceace. Deze trok echter zijne beste
kleederen aan en ging den gang over, naar den heer Dawkins, bij wien
hij mij vooraf had gezonden, om te zeggen, dat hij zijne beleefde
uitnoodiging zeer gaarne aannam.
De pastei werd aangesneden, en er begon een zeer, vriendelijk gesprek
tusschen de beide heeren. Deuceace was betooverend. Hij sprak tegen den
heer Dawkins op de meest eerbiedige en vleijende wijze – hij stemde
alles toe, wat deze zeide – hij roemde zijn smaak, zijne meubels, zijn
rok, zijne klassieke geleerdheid en zijn fluitspelen; als men hem
gehoord had, zoude men zich verbeeld hebben, dat zulk een voorbeeld van
voortreffelijkheid, als de heer Dawkins was, niet meer op deze aarde
bestond, en dat zulk een bescheiden, opregt, eerlijk man als Deuceace,
nergens dan in Pump-court te vinden was. De arme Dawkins was geheel en
al ingepakt. Mijnheer beloofde hem bekend te maken met den hertog van
Doncaster, en de Hemel weet hoe veel dergelijke groote heeren meer,
zoodat Dawkins buiten zich zelven van vreugde was. Ik weet zeker (en
deze daadzaak verschaft eenen diepen blik in het karakter van den
jongen heer), dat hij op denzelfden dag twee nieuwe rokken bestelde,
ten einde gekleed te zijn, als hij kennis met de hooge personaadjen
ging maken.
Maar het beste volgde nog. – Zingende, schreeuwende en vloekende komt
de heer Richard Blewitt op eens den trap op. – Hij stiet de deur bij
den heer Dawkins open, hem toeroepende: „Dawkins, mijn jongen, hoe gaat
het?” toen hij plotseling den heer Deuceace ontwaarde. Zijn gezigt werd
lang; hij werd wit als krijt, en dan weder vuur rood; hij zag er uit,
alsof men hem met eene veêr zoude kunnen omverstooten.
„Waarde heer,” zeide Deuceace, hem met een glimlach de hand gevende,
„wat doet het mij pleizier, u te zien. Mijnheer Dawkins en ik waren
juist aan het praten over uw hit – ga maar zitten, als het u belieft.”
Dat deed ook de heer Blewitt, en nu was de vraag, wie bet langst zou
blijven zitten. Maar mijn Hemel! Blewitt kon mijn meester niet aan.
Gedurende den geheelen tijd was hij onrustig, en stil, en knorrig:
mijnheer integendeel was allerliefst. Ik heb nooit iemand zoo
spraakzaam, of zoo geestig gezien. Eindelijk, geheel en al uit het veld
geslagen, stond de heer Blewitt op, om afscheid te nemen; mijn heer
volgde hem oogenblikkelijk, en, den heer Richard bij den arm vattende,
bragt hij hem naar onze kamers, en begon met hem op de vriendelijkste,
liefste wijze te praten, die mogelijk was.
Maar Richard was te knorrig om te luisteren, en eindelijk, terwijl
mijnheer bezig was, hem een of ander lang verhaal op te disschen
aangaande den hertog van Doncaster, barstte Blewitt uit, met:
„De drommel haal den hertog van Doncaster! kom, kom, mijnheer Deuceace,
blijf maar t’ huis met uwe gekheden; ik ben geen man om gefopt te
worden door langdradige vertelseltjes van hertogen en hertoginnen. Gij
gelooft, dat ik u niet ken – maar iedereen kent u en uwe manier van
leven. Ja wel! – gij loopt dien jongen Dawkins na, en denkt hem te
plukken; maar dat zal niet gebeuren – zoo waar ik leef, daarvan zal
niets komen!”
(De lezer herinnere zich, dat ik de vloeken, waarmede de heer Blewitt
aan zijne woorden klem bijzette, weggelaten heb.) Nadat hij er dan eene
menigte had geuit, antwoordde hem de heer Deuceace, met de meest
mogelijke koelbloedigheid:
„Hoor eens, Blewitt, ik weet, dat gij een der vervloektste gaauwdieven
en schurken zijt, die nog niet gehangen zijn. Indien gij het waagt, mij
bang te willen maken, zal ik mijn stok op uwe schouders stuk slaan; als
dat niet voldoende is, zal ik u door den kop schieten; als gij durft te
treden tusschen mij en Dawkins, doe ik beiden. Uw geheel leven is mij
bekend, ellendige bedrieger en lafaard! Ik weet, dat gij reeds twee
honderd pond van dezen jongen hebt gewonnen, en dat gij gaarne alles
zoudt hebben. Ik voor mij wil de helft hebben, of gij voor u zult er
nooit éénen cent van zien,”
Wáár is het, dat mijnheer al deze dingen wist; maar hoe? Daar zat de
knoop.
Ik kon het gezigt van den heer Blewitt gedurende dit gesprek niet zien,
omdat ik aan den verkeerden kant van de deur stond; maar er volgde een
langdurig stilzwijgen na deze wederzijdsche complimenten tusschen de
twee heeren – de een wandelde snel op en neder door de kamer, terwijl
de ander, knorrig en verlegen, stil bleef zitten, en van tijd tot tijd
met den voet stampte.
„Nu luister eens verder, mijnheer Blewitt,” zeide eindelijk mijn heer,
„zoo gij bedaard zijt, zult gij de helft hebben van het geld van dezen
mensch; maar als gij het waagt, om éénen cent van hem te winnen als ik
er niet bij ben, of zonder mijne toestemming, dan moet gij zelf voor de
gevolgen instaan.”
„Ja, maar, mijnheer Deuceace,” riep Richard uit, „ik moet zeggen, dat
het zeer hard voor mij, en niet mooi van u is; het wild heb ik
opgejaagd, en gij hebt geen regt, u met mijn vriend te bemoeijen.”
„Mijnheer Blewitt, gij zijt niet bij uw verstand! gisteren verklaardet
gij, dat gij dezen mensch niet kendet, en ik was genoodzaakt, hem zelf
op te sporen. Ik zoude nu wel eens willen weten, door welke wet van eer
ik verpligt ben, hem aan u over te leveren?”
Het was alleraardigst, die twee schurken over de eer te hooren spreken.
Ik verklaar, dat ik het over mij had kunnen verkrijgen, om den jongen
Dawkins te waarschuwen voor de mooije plannen, welke deze menschen
omtrent hem hadden gesmeed. Maar hoewel zij geen eergevoel hadden, ik
bezat het zelf, en nooit heb ik iets van mijne heeren verklapt, zoolang
ik in hunne dienst was – nadat ik hen verlaten had, bestond de
verpligting natuurlijk niet meer.
Den volgenden dag was er een groot diné op onze kamers. Witte soep,
tarbot en kreeftensaus, Schotsch lamsvleesch en macaroni, wijn in
overvloed; Champagne, Rijnwijn, Madera, eene flesch port, en de Hemel
weet, hoe vele flesschen Bordeaux. Het gezelschap bestond uit drie
personen, namelijk: de hoog welgeboren heer Deuceace, en de heeren
Blewitt en Dawkins. Wat hadden wij heeren in de keuken er genot van! De
knecht van den heer Blewitt at zoo veel wild (nadat het van binnen was
gehaald), dat ik waarachtig voor zijne gezondheid bezorgd werd; de
jongen van den heer Dawkins, die slechts dertien jaren oud was, werd
zoo misselijk van de macaroni en den plum-pudding, dat hij genoodzaakt
werd verscheidene van de pillen van den heer Dawkins in te nemen, die
hem half dood maakten. Maar dit is eene afwijking; ik spreek nu niet
van de knechten, maar van hunne meesters.
Zoude men het willen gelooven? Na het eten (en na misschien acht
flesschen wijn onder hen drieën gedronken te hebben) zetten zich de
heeren neder, om écarté te spelen. Het is een spel, dat slechts door
twee menschen kan gespeeld worden; natuurlijk dus, dat, als er drie bij
elkaâr zijn, één altijd moet toekijken.
In den beginne speelden zij maar vijf shillings de partij, met
weddingschappen tusschen beiden van één pond. Bij dit spel was het
geluk buitengewoon regtvaardig; en tegen het avondeten (toen gebraden
ham, nog meer Champagne, devilled biscuits en meer van dien aard op
tafel werd gezet) stond de rekening aldus: de heer Dawkins had twee
pond gewonnen; de heer Blewitt een pond tien shillings; terwijl de heer
Deuceace drie pond tien shillings verloren had. Na het souper en den
Champagne, speelde men een weinig hooger – de partij om één pond,
weddingschappen vijf pond. Ik dacht zeker, na de complimenten, die des
morgens tusschen Blewitt en mijn heer gewisseld waren, dat het uur van
den armen Dawkins geslagen had.
Maar dit was het geval niet. Dawkins won maar altijd door; de heer
Blewitt wedde op zijn spel en gaf hem steeds den besten raad. Tegen het
einde van den avond (omstreeks vijf uur ’s morgens) scheidden zij.
Mijnheer telde de rekening na, op eene kaart.
„Blewitt,” zeide hij, „ik hen ongelukkig geweest. Gij moet van mij
hebben – laat ik eens zien – ja – vijf en veertig pond?”
„Vijf en veertig,” antwoordde Blewitt – „juist!”
„Ik zal het oogenblikkelijk afdoen,” zeide mijn zeer eerlijke meester.
„O!! spreek er niet van, waarde heer!”
Maar mijn heer nam een groot vel papier en gaf hem dadelijk een wissel
op zigt, op de heeren Pump, Aldgate en Comp, die niet bestonden en
zijne bankiers waren.
„Nu,” zeide mijn heer, „moet ik met u afrekenen, waarde heer Dawkins.
Indien gij iets meer had gewaagd, dan was ik u eene aardige som
schuldig geweest. Voyons: dertien partijen, elk om één pond – dat is
gemakkelijk te berekenen;” en zijne beurs trekkende, liet hij dertien
goudstukken op tafel blinken; zij schitterden zóó, dat mij de oogen er
van zeer deden.
De arme Dawkins ontstelde ook, toen hij zijne bevende hand uitstrekte,
om ze op te steken.
„Vergun mij, u te verzekeren,” zeide mijnheer, „vergun mij, u te
verzekeren, en ik heb een weinig ondervinding gehad, dat gij de beste
écarté speler zijt, tegen wien ik ooit mijn geluk heb beproefd.”
De oogen van Dawkins glinsterden, terwijl hij het geld in den zak deed,
en hij zeide:
„Kom, Deuceace, gij vleit mij!”
Vleijen! Ja wel – dat was juist mijnheers bedoeling; die ging nu voort:
„Maar let er op, Dawkins, ik moet revanche hebben; want waarachtig gij
hebt mij arm gemaakt – totaal arm – door uw geluk.”
„Nu, nu,” zeide de heer Thomas Smith Dawkins, even tevreden alsof hij
een millioen had gewonnen – „wilt gij het morgen hebben? Blewitt, hoe
denkt gij er over?”
Den heer Blewitt was dit natuurlijk zeer aangenaam. Na zich een weinig
bedacht te hebben, stemde mijn heer ook toe.
„Wij zullen op uwe kamers bij elkander komen,” zeide hij, „maar niet te
veel wijn, denk er aan; ik kan er nooit goed tegen, en vooral niet als
ik met u écarté moet spelen.”
De arme Dawkins verliet onze kamers zoo gelukkig als een vorst.
„Daar Karel!” riep hij, mij een goud tientje toe werpende. Arme jongen!
arme jongen! Ik wist maar al te goed, wat volgen zoude.
Maar het beste van de grap was, dat die dertien pond, welke Dawkins
gewonnen had, door mijnheer van den heer Blewitt geleend waren! Ik had
ze, tegelijk met zeven pond er bij, denzelfden morgen van hem
afgehaald; want sedert zijne ontmoeting met mijnheer durfde Blewitt hem
niets ter wereld weigeren.
Zal ik nu mijn verhaal voortzetten? Indien de heer Dawkins de minste
wijsheid ter wereld had bezeten, dan zoude hij zes maanden noodig gehad
hebben, om al zijn geld te verliezen; hij was echter zoo
allerbespottelijkst onverstandig, dat maar zeer korte tijd vereischt
werd, om dat doel te bereiken.
Den volgenden dag (het was een donderdag, en de kennismaking met den
heer Deuceace dagteekende van dingsdag), gaf de heer Dawkins zijne
partij, – een diné om zeven uur. Tegenwoordig waren de heer Blewitt en
de beide heeren D., gelijk te voren. Het spel begon om elf uur. Nu
begreep ik, dat de zaak ernstig was gemeend; want om twee uur werden
wij heeren knechten naar bed gezonden. Op vrijdag ging ik naar onze
kamers – mijnheer was niet te huis – tegen twaalf uur kwam hij, voor
een minuut of vijf, eventjes binnenloopen, bestelde meer eten en
soda-water, en ging weder terug naar den heer Dawkins.
Dáár dineerden zij ook weder om zeven uur, maar niemand gebruikte iets;
want al het eten kwam naar beneden, bij ons; zij dronken echter meer
wijn, op zijn minst twee dozijn flesschen in zes en dertig uren.
Om tien uur evenwel, ’s vrijdags avonds, kwam mijnheer naar zijne
kamers terug. Ik zag hem toen, zoo als ik hem nooit te voren had gezien
– geheel en al dronken. Hij rolde over de kamer – danste – had den hik
– vloekte – wierp mij een handvol zilvergeld toe, en eindelijk viel
hij, geheel en al uitgeput, op zijn bed neder. Ik trok hem de laarzen
en kleederen uit, en maakte hem alles gemakkelijk.
Toen ik zijne kleederen had weggenomen, deed ik hetgeen de pligt is van
elken bediende. Ik ledigde al zijne zakken, en keek zijne portefeuille
en brieven door: vele ongelukken werden op deze wijze voorgekomen. Ik
vond eene menigte zaken bij elkander, en daaronder het volgende mooije
stuk:
Goed voor 4700 p. st.
Op zigt betaal ik vier duizend zeven honderd
pond sterling aan den heer A. P. Deuceace
of order.