Thomas Smith Dawkins.
Er was nog één stuk papier van denzelfden aard, voor eene som van vier
honderd pond, geteekend „Richard Blewitt”; maar dit was natuurlijk van
geene beteekenis.
Den volgenden morgen om negen uur was mijnheer al op; hij had zijn roes
geheel uitgeslapen. Hij kleedde zich, en ging weder naar den heer
Dawkins. Om tien uur bestelde hij eene vigilante, en de twee heeren
stegen met elkander in het rijtuig.
„Waar naar toe, mijnheer?” zeide ik.
„O! – ja – zeg den voerman maar, dat hij naar de Bank moet rijden.”
Die arme Dawkins! zijne oogen waren rood van berouw en slapelooze
dronkenschap – hij gaf een snik, en eene huivering overviel hem als hij
zich in het rijtuig achterover wierp toen zij weg reden.
Op dien dag moest hij alles verkoopen wat hij bezat, op vijf honderd
pond na.
Tegen twaalf uur keerde mijnheer naar huis terug, en de heer Richard
Blewitt kwam den trap op met eene plegtige en indrukwekkende
deftigheid.
„Is mijnheer te huis?” zeide hij.
„Ja wel, mijnheer!” zeide ik, en hij trad binnen. Ik hield mijn oor
natuurlijk zoo digt mogelijk bij het sleutelgat, en luisterde zoo goed,
als ik maar eenigzins kon.
„Wel,” zeide Blewitt, „wij hebben nog al een goeden avond gehad,
mijnheer Deuceace. Gij hebt al afgerekend met Dawkins, niet waar?”
„Afgerekend?” zeide mijn heer – „o! ja wel – ja – ik heb met hem
afgerekend.”
„Vier duizend zeven honderd pond, niet waar?”
„Omtrent dat – ja.”
„Dat maakt voor mijn aandeel – laat ik zien – twee duizend drie honderd
en vijftig pond; die gij de vriendelijkheid zult hebben, mij dadelijk
te overhandigen.”
„Op mijn woord – mijnheer Blewitt!” riep mijn heer uit, „waarachtig –
ik begrijp u niet!”
„Gij begrijpt mij niet?” schreeuwde Blewitt met eene verschrikkelijke
stem. „Gij begrijpt mij niet! Hebt gij mij niet beloofd, dat wij
eerlijk deelen zouden? Leende ik u dien avond niet twintig pond, om
onze verliezen aan Dawkins te betalen! Hebt gij mij niet uw woord van
eer, als fatsoenlijk man, gegeven, om mij de helft uit te keeren van
alles, wat bij deze zaak te verdienen was?”
„Dat stem ik u toe, mijnheer,” zeide Deuceace, – „dat is waar.”
„Wel, mijnheer! en wat hebt gij er nu tegen in te brengen?”
„Niets anders, dan dat ik niet voornemens ben mijne belofte te houden!
Ellendige, dwaze deugniet! gelooft gij, dat ik voor u heb gewerkt?
Verbeeldt gij u, dat ik mij op kosten joeg, om een diné te geven aan
dien gek, ten einde u het voordeel te bezorgen? Pak u weg van hier,
mijnheer! Verlaat deze kamer, mijnheer! Maar wacht eens – hier – ik zal
u vier honderd pond geven – uwe eigene acceptatie voor die som,
mijnheer, indien gij maar alles, wat tusschen ons is voorgevallen, wilt
vergeten, en ook dat gij ooit den heer Algernon Deuceace hebt gekend!”
Ik heb in mijn tijd vele razende menschen gezien, maar nooit iemand die
Blewitt evenaarde. Hij woedde – hij brulde – hij steunde en vloekte!
Eindelijk begon hij te snikken; daarbij nu eens vloekende en op de
tanden knarsende, dan weder den goeden, besten heer Deuceace smeekende,
genade met hem te hebben.
Eindelijk wierp mijnheer de deur open – jongen, jongen! het was een
groot geluk, dat ik niet, hals over kop, de kamer binnen viel! – en hij
zeide: „Karel, breng dien heer naar beneden!”
Mijnheer keek hem daarbij strak in ’t gezigt. Blewitt sloop den trap
af, in den ellendigsten toestand, dien men zich denken kan. Wat Dawkins
betreft; de Hemel weet, waar hij gebleven was!
„Karel,” zeide mijnheer tot mij, ongeveer een uur later: „ik ga naar
Parijs; als gij verkiest kunt gij mede gaan.”