Indien ooit een jong paar uit den middelstand het leven begon met een
vooruitzigt op geluk, dan waren het mevrouw en mijnheer Frederik
Altamont. Hun huis, in de Cannon-Row te Islington, was zoo gemakkelijk
mogelijk ingerigt: van boven tot beneden lagen kleeden op den vloer; de
belastingen waren gering; de meubels prachtig, en zij hadden drie
dienstboden, onder welke natuurlijk ook ik geteld werd.
Ik had niet meer zulk een gemakkelijk leven, als in de dagen toen de
heer Altamont nog ongehuwd was; maar wat deed er dat toe? Ik heb altijd
van de drie W’s gehouden: werk genoeg, wijn genoeg, en winst in
overvloed,
Altamont hield geen cabriolet meer, maar hij reed elken morgen naar de
stad met den omnibus.
Men zou zich verbeelden, dat mevrouw Altamont – met zulk een
liefdevollen man zoo gelukkig had moeten zijn, als de koningin zelve,
gelijk ik gezegd heb. Er was niets van aan. Gedurende de eerste zes
maanden ging alles goed, maar daarop werd zij van dag tot dag
droefgeestiger, hoewel Altamont al het mogelijke deed om aan haar te
behagen.
De oude Shum kwam geregeld viermaal in de week naar de Cannon-Row, waar
hij zijn tweede ontbijt gebruikte, des middags at en thee bleef
drinken, en des avonds soupeerde. De arme sukkel hield een weinig te
veel van wijn en sterken drank; en meer dan eenmaal heb ik hem naar
huis moeten brengen. Men kan zich ook verzekerd houden, dat jufvrouw
Betsy hare zuster nu niet verliet; zij was bij ons ’s morgens, ’s
middags en ’s avonds; wel niet naar den zin van mijnheer, maar hij was
te goedaardig om zijne vrouw over kleinigheden te kwellen.
Maar Betsy had de herinnering van vorige dagen niet uit haren geest
gezet, en zij haatte Altamont gelijk den boozen. Zij bragt de arme,
onschuldige mevrouw allerhande verkeerdheden in het hoofd, die nu, in
plaats van vrolijk en opgeruimd te zijn, droefgeestig, bleek en
ellendig werd, als of zij de beklagenswaardigste vrouw der wereld ware
geweest. Nog drie maanden en er kwam een kind, dat spreekt, en met het
kind kwam ook mevrouw Shum, die aan de zijde van mevrouw Altamont als
een vampijr bleef hangen, en haar met elken dag ongelukkiger maakte.
Als Altamont te huis kwam, barstte zijn vrouw in tranen uit; dan zat
zij te zuchten en te huilen bij het kind, en zeide: „Kind, kind, uw
vader bedriegt mij,” – of „uw vader is een verrader” – of „wat zult gij
beginnen, als uwe arme moeder er niet meer is?” en diergelijken
aandoenlijken onzin meer.
Dit was alles toe te schrijven aan moeder Shum en hare kunstjes: dat
had ik al spoedig ontdekt. De waarheid is, dat als er een geheim van
dien aard in een huisgezin bestaat, het de pligt der dienstboden is,
het af te luisteren. Dit deed ik dan ook, op zekeren dag toen mevrouw
zat te snikken, en de dikke mevrouw Shum bij haar zat, om haar te
troosten, gelijk zij het noemde, hoewel de Hemel weet, dat zij door al
dat troosten maar erger en erger werd.
Nu dan, ik was aan het luisteren; mevrouw Shum wiegde het kindje, en
mevrouw snikte als gewoonlijk.
„Arm, onnoozel wichtje!” zei mevrouw Shum, met een zwaren zucht, „gij
zijt het kind van eenen onbekenden vader en van eene ongelukkige
moeder!”
„Spreek geen kwaad van Frederik, mama,” zei mevrouw, „hij is de
goedheid zelve voor mij.”
„O ja, de goedheid zelve! hij geeft een goed huis en een mooije japon,
en gij kunt in eene vigilante uit gaan rijden, wanneer gij verkiest;
dat is waar, maar waar haalt hij het geld van daan? Wie is hij – wat is
hij? Wie verzekert u, dat hij geen moordenaar, geen dief, geen
vervaardiger van valsche banknoten is? Hoe zou hij bij mogelijkheid
zijn geld eerlijk kunnen verdienen, daar hij niet zeggen wil, waar hij
het krijgt? Waarom verlaat hij u acht uren lang elken dag, zonder u te
willen zeggen, waar hij heen gaat? O Mary, Mary! nooit is er eene vrouw
geweest, die zoo schandelijk mishandeld wordt als gij!”
En daarop begon mevrouw Shum te snikken, en mejufvrouw Betsy te huilen
als eene kat in de klem; en mevrouwlief begon ook te huilen; – tranen
zijn zoo aanstekelijk.
„Misschien, mama,” snikte zij, „is Frederik een winkelbediende, en
wenscht hij dat ik het niet weet, uit vrees dat ik hem niet meer voor
een fatsoenlijk man mogt houden.”
„Een winkelbediende!” schreeuwde Betsy, „hij een winkelbediende! O!
neen – neen – neen! – ’t is veel waarschijnlijker, dat hij een
verachtelijke moordenaar is, die den geheelen dag aan het doodslaan en
het plunderen is, en u onderhoudt met de vruchten van zijne misdadig
verkregene winsten!”
En nu begonnen zij op nieuw te huilen en te schreeuwen, en het kindje
deed ook mede, waardoor natuurlijk een allerliefst concert ontstond.
„Hij kan geen struikroover zijn,” riep mevrouw uit, „daarvoor is hij te
goed, te lief; bovendien gebeuren de moorden altijd ’s nachts, en
Frederik komt nooit later dan om acht uur te huis.”
„Maar dat verhindert niet, dat hij een valsche munter kan zijn,” hernam
Betsy: „ik zeg u een valsche munter, een schurk. Waarom gaat hij elken
dag weg? Natuurlijk om valsche banknoten te maken. Waarom gaat hij
altijd naar de City? Om in de nabijheid te zijn van de Bank en
diergelijke plaatsen, waar hij dat op zijn gemak kan doen.”
„Maar des avonds brengt hij steeds baar geld naar huis – omstreeks
dertig shillings – somtijds vijftig; en dan lacht hij en zegt, dat hij
eenen goeden dag heeft gehad. „Dat gelijkt niet op een valschen
munter,” zei de arme mevrouw Altamont.
„Ik heb het gevonden! – ik heb het gevonden!” gilde nu mevrouw Shum.
„De ellendeling – de geheimzinnige – verraderlijke Jonas! Hij is met
iemand anders getrouwd, en daarom verlaat hij u, de bigamist!”
Op deze woorden raakte mevrouw Altamont geheel en al van haar stuk –
zij viel flaauw. Het was eene leelijke historie – zij had het op de
zenuwen, en mevrouw Shum kreeg het natuurlijk ook op de zenuwen; zij
trokken aan de bel, het kind schreeuwde en de dienstboden vlogen den
trap op en af, om water te halen.
Ik ken waarachtig niets akeligers, dan een huis waar de menschen
aanhoudend flaauw vallen. Ik zou er niet willen dienen, al kon ik er
eerste knecht zijn en twee honderd pond ’s jaars verdienen.
Het was om acht uur ’s avonds dat deze verwarring plaats greep, en het
was zulk een warboel, dat niemand, behalve ik, mijnheer hoorde te huis
komen. Hij trad binnen, en vernam het gekerm en geschreeuw en gehuil.
In den beginne schrikte hij zeer en zeide: „Wat is er toch gebeurd?”
„Mevrouw Shum is hier,” zei ik, „en onze mevrouw heeft het op de
zenuwen.”
Altamont werd verschrikkelijk kwaad, en gebruikte eene uitdrukking, die
ik hier liefst niet wil herhalen – genoeg,
indien ik zeg, dat het met bl- begon en op m eindigde; en hij liep den
trap op als of hij razend was.
Hij stiet de deur van het slaapvertrek open; mevrouw lag bleek en stijf
op de sofa; het kind schreeuwde in de wieg; jufvrouw Betsy was over
mevrouw uitgestrekt; en mevrouw Shum half op het bed en half op den
grond; allen aan het huilen en schreeuwen, zonder ophouden, net als een
hond blaft tegen de maan. Toen Altamont binnen kwam bedaarden moeder en
dochter oogenblikkelijk. Zij hadden al verscheidene malen hooge woorden
met elkander gehad, en zij vreesden hem als den duivel.
„Wat beteekent dit akelig gehuil en geschreeuw?” vroeg hij.
„O, mijnheer Altamont!” schreeuwde de oude vrouw, „gij weet het maar al
te goed; het is uwe schuld, dat dit lieve kind ongelukkig is!”
„Mijne schuld, mevrouw – en hoe dat?”
„Wat, mijnheer, gij durft nog waarom te vragen? Omdat gij haar
bedriegt, mijnheer, omdat gij een valsche, lafhartige verrader zijt,
mijnheer; omdat gij op eene derde plaats eene andere vrouw hebt,
mijnheer!” En de oude mevrouw en jufvrouw Betsy begonnen even hard als
te voren te schreeuwen.
Altamont bedacht zich een oogenblik; toen trok hij de deur open; daarop
greep hij jufvrouw Betsy en draaide haar de kamer uit, naderde toen
mevrouw Shum.
„Sta op,” brulde hij, „gij lage, nietsdeugende, kwaadsprekende, valsche
zottin! Sta op en verlaat dit huis! Gij hebt mijn geluk verstoord,
sedert het oogenblik dat gij den voet over mijn drempel hebt gezet. Met
uwe vervloekte leugens, en romanlectuur, en zenuwachtigheid, hebt gij
Mary bedorven, en haar bijna even gek gemaakt, als gij zelve zijt.”
„Mijn kind! mijn kind!” gilde mevrouw Shum en klemde zich aan mevrouw
vast.
Maar Altamont plaatste zich tusschen beiden, en de oude dame bij den
arm vattende, sleepte hij haar naar de deur. „Volg uwe dochter,
mevrouw,” zeide hij, en zij ging naar beneden. „Karel,” riep hij, „wijs
deze dames de deur en laat haar nooit weder binnen komen.”
Wij gingen allen met elkaâr den trap af, en zij vertrokken naar huis;
mijnheer sloot en grendelde de deur van de slaapkamer, natuurlijk met
het voornemen om een tête à tête, gelijk men het noemt, met mevrouw te
hebben.
Men begrijpt wel, dat ik, zoo spoedig mogelijk, den trap opsnelde, om
den afloop van hun gesprek te hooren. Gelijk men te St. Stephen’s [3]
zegt, liepen de debatten nog al hoog.
„Mary,” zeide mijnheer, „gij zijt niet meer het opgeruimde dankbare
meisje, dat ik te Pentonville leerde kennen en beminnen; het een of
ander geheim drukt u op het hart; gij verwelkomt mij niet meer met een
glimlach, gelijk vroeger! Uwe moeder en stiefzuster hebben u bedorven,
Mary, en daarom heb ik haar uit mijn huis weggezonden, en zij zullen,
zoo lang ik leef, nooit den voet weder over den drempel zetten.”
„O Frederik! gij zijt de oorzaak van mijne droefheid, en niet ik.
Waarom hebt gij geheimen voor mij? Waar brengt gij den dag door? Waarom
verliet gij mij, zelfs op onzen trouwdag, gedurende acht uren, en
waarom doet gij het nog alle dagen?”
„Omdat ik,” zei hij, „den kost daarmede verdien. Ik verlaat u daarom,
en ik zeg niet, hoe ik het verdien, want gij zoudt daardoor niet
gelukkiger worden.”
Op deze wijze werd het gesprek voortgezet: hoe meer tranen en vragen
van mevrouw, des te meer ontevredenheid en stilzwijgen van den kant van
mijnheer; het eindigde, voor de eerste maal na hun huwelijk, met
ernstige oneenigheid. Het was geheel anders dan al het vrijen en malen,
dat hun trouwen voorafging: dat is zeker.
Mijnheer ging uit en sloeg de deur met woede achter zich digt, en hij
had gelijk. Hij zeide: „Indien ik geen aangenaam leven kan hebben, dan
wil ik ten minste vrolijk zijn,” en hij ging naar de voornaamste
herberg van de buurt, en kwam dien avond vreesselijk dronken naar huis.
Als hooge woorden in een huisgezin plaats hebben, dan ziet men
gewoonlijk, dat mijnheer, op den duur, aan den drank raakt; en dan is
het met het huwelijksgeluk gedaan. Deze twee menschen, die elkaâr zoo
zeer bemind hadden, waren nu knorrig en stil en vol ontevredenheid.
Mijnheer ging vroeger uit en kwam later te huis; mevrouw weende meer en
zag er bleeker uit, dan te voren.
De zaken gingen op deze akelige wijze voort, mijnheer steeds in kwaden
luim, mevrouw steeds door jaloerschheid en nieuwsgierigheid geplaagd,
toen een zonderling toeval de handelingen van den heer Altamont aan het
licht bragt. Het was op den tienden Januarij; ik herinner mij zeer goed
den dag, want de oude Shum gaf mij een rijksdaalder (het eerste en
laatste stuk geld, dat ik ooit van hem kreeg): hij was aan tafel met
mijnheer, en zij waren aan het feestvieren met elkaâr. Mijnheer zeide,
terwijl hij zijn vijfde glas punch klaar maakte, en de kleine Shum zijn
twaalfde glas, of daaromtrent: „Ik zag u heden twee maal in de City,
mijnheer Shum.”
„Wel, dat is vreemd,” zei Shum, „ik ben dezen dag in de City geweest;
dat is waar. Heden werden de renten van de fondsen, de Hemel zegene ze,
betaald, en ik en mevrouw Shum gingen er naar toe, om de helft van onze
jaarlijksche inkomsten te halen. Maar wij zijn tegenover de Bank
slechts even uit den omnibus gegaan, om ons geld te ontvangen, en zijn
er dadelijk weder in gestapt. Hoe is het mogelijk, dat gij mij twee
keer kondt zien?”
Altamont stamelde en stotterde, en kuchte en proestte.
„O!” zei hij, „ik ging juist voorbij, toen gij er uit en in kwaamt”; en
dadelijk gaf hij eene andere wending aan het gesprek, en begon over
staatkunde en het weder en diergelijke gekheden te babbelen.
„Ja wel, manlief?” zeide mevrouw, „maar hoe kwam het toch, dat gij papa
tweemaal hebt gezien?”
Mijnheer antwoordde niet, maar rammelde steeds door over de staatkunde.
Evenwel hield zij niet op met: „maar waar waart gij toch, mannetje,
toen gij pa ontmoettet? Wat deedt gij toch, lieve Frederik, om pa twee
keer te zien?” en zoo voort. Mijnheer keek hoe langer hoe knorriger, en
zijne vrouw plaagde hem hoe langer hoe meer.
Dit gebeurde, gelijk ik zeide, terwijl de kleine Shum bezig was met
zijn twaalfde glas, en ik wist zeer goed, dat hij het niet veel verder
kon brengen; want bij het dertiende glas was hij altijd dronken. Het
dertiende glas kwam met de gewone gevolgen. Ik was genoodzaakt, hem
naar de St. John’s-straat naar huis te brengen, waar ik hem in de armen
van de vertoornde mevrouw Shum achterliet.
„Wat weêrga!” stamelde hij herhaaldelijk onderweg, „wat weêrga! hoe is
het mo-mo-mogelijk, dat hij mij heden twe-twee maal kon zien?”