Altamont had zich geweldig vergist, toen hij gezegd had, dat hij den
heer Shum had gezien, want den volgenden dag, zoodra mijnheer uitging,
verliet ook mevrouw het huis.
Zij vloog de straat uit en hield niet op eer zij haar papa’s huis te
Pentonville had bereikt. Gedurende een uur was zij met mama opgesloten,
en toen zij deze verliet reed zij regtstreeks naar de City. Zij
wandelde voor de Bank, achter de Bank en om de Bank, en kwam ontmoedigd
te huis, omdat zij niets had ontdekt.
Het viel nu bijzonder in het oog, dat de volgende tien dagen geregeld
togten ondernomen werden van Shums huis naar de City. Mevrouw Shum,
hoewel hare waterachtige beenen haar nooit te voren zoo ver hadden
gedragen, was gedurig op het qui vive, gelijk de Franschen zeggen.
Indien zij zelve er niet heen ging, dan trok jufvrouw Betsy daar naar
toe, of mevrouw Altamont; zij schenen iets aantrekkelijks in de Bank te
zien, en gingen er even natuurlijk heen als een omnibus.
Eindelijk op zekeren dag kwam de oude mevrouw Shum naar ons huis – (men
liet haar niet binnen als mijnheer te huis was, maar als hij uit was
kwam zij er nog). – Zij had een zegepralenden blik toen zij binnentrad.
„Mary,” zei ze, „waar is het geld, dat uw man gisteren naar huis
bragt?” Mijnheer was altijd gewoon, het aan mevrouw te geven als hij
naar huis kwam.
„Het geld, ma?” zeì Mary, „daar is het!” en hare beurs trekkende toonde
zij een goud tientje, een hoop zilver en een raar, ouderwetsch klein
geldstukje.
„Dat is het! Dat is het!” riep mevrouw Shum uit, „Een halve schelling
van den tijd van koningin Anna – geslagen in zeventien honderd drie,
niet waar?”
Zoo was het zonder twijfel: een halve schelling van den tijd van
koningin Anna, juist in dat jaar geslagen.
„Wel, lieve,” zei mevrouw Shum, „nu heb ik hem ontsluijerd! Ga morgen
met mij en gij zult alles vernemen!”
Nu volgt het einde van mijn verhaal.
Den volgenden morgen gingen de dames naar de City, en ik volgde haar op
den voet, zoo als dat bij fatsoenlijke leden behoort, met een bouquet
en een rotting met vergulden knop.
Wij gingen den New-road af, wij sloegen den City-road in – wij kwamen
tot aan de Bank. Wij gingen over de straat, – van het gebouw naar
Cornhill, – toen plotseling mevrouw een luiden gil gaf en daarop flaauw
viel.
Ik liep naar haar toe, ondersteunde haar in mijne armen, en bedierf
daardoor een nieuw vest en een vuur rooden korten broek. – Evenwel –
zoo als gezegd is – ik liep op haar toe, in de haast, bijna den ouden
straatveger omver stootende, die zoo snel mogelijk uit den weg
sukkelde. Wij droegen haar in den suikerbakkerswinkel van Birch; wij
bezorgden haar eene vigilante en elke mogelijke verligting, en bragten
haar te huis naar Islington.
Mijnheer kwam dien avond niet te huis. Den volgenden avond kwam hij ook
niet – en even min den derden avond. Op den vierden dag kwam er een
vendumeester; hij maakte eene lijst op van de meubels en plaatste eene
aankondiging van den verkoop op het venster.
Op het einde van de week verscheen Altamont. Hij was bleek en
verstoord; evenwel was hij niet zoo bleek als zijne ongelukkige
echtgenoote.
Hij zag haar zeer teeder aan. (Ik wil wel bekennen, dat ik zijn blik
nabootste bij eene zekere jufvrouw, die ik niet noemen wil. –) Hij zag
haar, zeg ik, zeer teeder aan, en strekte zijne armen uit. Zij uitte
een hartverscheurenden gil en viel hem om den hals.
„Mary,” zeide hij, „gij weet nu alles. Ik heb mijne plaats verkocht; ik
heb er drie duizend pond voor gekregen, en twee duizend pond heb ik
opgespaard. Mijn huis en mijne meubels heb ik verkocht, en daarvan nog
duizend pond gekregen. Wij zullen buiten ’s lands gaan wonen en
elkander als van ouds beminnen.”
En nu vraagt men mij, wie hij was? Ik huiver, het uit te brengen. – De
heer Altamont – veegde de straat tusschen de Bank en Cornhill!!
Natuurlijk verliet ik zijne dienst. Eenige jaren later ontmoette ik hem
te Baden-Baden, waar hij en mevrouw Altamont zeer gezien waren, en voor
vermogende menschen doorgingen.