Maar wie was deze heer met den mooijen naam; – deze mijnheer Frederik
Altamont? En wat was hij? Hij was de geheimzinnigste heer, dien ik ooit
gekend heb. Eens zeide ik tot hem op een bijzonder regenachtigen dag:
„Mijnheer, zal ik de cabriolet maar naar het kantoor brengen?” en hij
antwoordde mij met een zijner donkerste blikken en een zijner hardste
vloeken, en zeide, dat ik mij met mijne eigene zaken moest bemoeijen en
op zijne orders letten. Op een ander maal – op den dag toen jufvrouw
Mary aan jufvrouw Betsy de oorvijg had gegeven – deed jufvrouw Mary,
die, gelijk ik gezegd heb, hem aanbad, herhaalde vragen over zijne
afkomst en opvoeding. „Lieve Frederik,” zeì zij „waarom zoo
geheimzinnig omtrent u zelven en uwe bezigheden? Waarom verbergt gij
voor uwe kleine Mary” – zoo ver waren zij al gekomen – „uwe geboorte en
uw beroep?” Ik veronderstel, dat mijnheer Frederik haar een donkeren
blik toewierp, want ik was maar aan het luisteren, en hoorde hem met
eene ontroerde stem zeggen:
„Mary,” zei hij, „zoo gij mij bemint, vraag mij dat nooit weêr; het zij
u genoeg, te weten, dat ik een eerlijk man ben, en dat een geheim,
welks ontsluijering u ongelukkig zoude maken, al mijne handelingen moet
bedekken, dat wil zeggen tusschen tien en zes uur.”
Zij gingen voort, op deze aandoenlijke en geheimzinnige wijze met
elkaâr te praten, en ik miste geen woord van hetgeen gezegd werd, want
de huizen te Pentonville hebben maar muren van stroo, zoodat men buiten
de kamer even goed kan hooren, als wanneer men er in is.
Maar hoewel hij, op dien dag, zijn geheim bewaarde, bekende hij haar,
zonder omwegen, op nieuw zijne liefde. Niets zoude hem verhinderen,
zeide hij, haar naar het altaar te leiden, en tot zijne aangebedene
echtgenoote te maken. Daarop volgde een kort stilzwijgen.
„Liefste Frederik,” stamelde toen de jonge jufvrouw, met eene stem als
of zij stikte, „ik ben de uwe – eeuwig de uwe!” Het werd weder stil, en
dan volgde een geluid als van een kus. Op dit oogenblik achtte ik het
geraden, aan het slot van de deur te rammelen, want, zoo waar ik leef,
daar kwam de oude mevrouw Shum den trap af.
Het bleek, dat een van de jongere meisjes, die uit het venster van de
slaapkamer keek, mijnheer had zien binnenkomen, en toen zij, een half
uur later, naar beneden ging, om thee te drinken, het toevallig verteld
had.
De oude mevrouw Shum, die een monster van deugd was, stoof den trap af
naar beneden, hijgende en brommende, zoo vet en zoo kwaadaardig als een
oud varken op etenstijd.
„Waar is je baas, jongen?” riep zij mij toe.
Ik antwoordde zoo hard, dat men mij aan het einde van de straat had
kunnen hooren:
„Indien gij mijn meester bedoelt, mevrouw, den weledelen heer Frederik
Altamont, die is pas naar huis gekomen; Z. E. is in zijne slaapkamer,
om drooge schoenen aan te trekken.”
Zij gaf mij geen antwoord, maar vloog mij voorbij, en de deur van de
zitkamer openende, ontdekte zij mijnheer, die eenigzins verlegen
scheen, en jufvrouw Mary, die het hoofd liet hangen als eene geknakte
lelie.
„Zijt gij in mijn huis gekomen,” begon zij, „om mijne dochters te
verleiden, en de onschuld van dat schandelijke schepsel te bevlekken?
Zijt gij onder dit dak gekomen als verleider, of als huurder van
kamers? Spreek, mijnheer, spreek!” en zij kruiste de armen en zag er
even verontwaardigd uit, als mevrouw Siddons in de rol van de Muze van
het Treurspel.
„Ik ben hier gekomen, mevrouw Shum, omdat ik uwe dochter beminde;
anders zou ik mij nooit verwaardigd hebben, in zulk een ellendig hok te
wonen. Ik heb in alle opzigten als fatsoenlijk man jegens haar
gehandeld, en op dit oogenblik, mevrouw, is zij even onschuldig, als op
het uur harer geboorte. Indien zij mij tot echtgenoot wil aannemen, ben
ik gereed; indien zij u wil verlaten, zal zij een tehuis hebben, waar
zij noch geplaagd noch uitgehongerd zal worden; waar noch kwaadaardige
leelijke zusters zijn, noch zwartgallige stiefmoeders; – maar waar zij
een minnend echtgenoot zal vinden en al de onschuldige genoegens van
het huwelijk smaken.”
Mary wierp zich in zijne armen. „Lieve, beste Frederik!” zeide zij, „ik
zal u nooit, nooit verlaten!”
„Mejufvrouw,” zeide daarop mevrouw Shum, „ik dank den Hemel, dat gij
noch eene Slamcoe, noch eene Buckmaster zijt. Wat mij betreft, kunt gij
dezen mensch trouwen, zoo uw pa dat verkiest; en uw beminde kan mij
beleedigen, mij trotseren, mij in mijn eigen huis vertrappen, als het
hem goed dunkt; want er is nie... niemand hier om mij te verdedigen!”
Ik wist wel, wat nu volgen zou. Zij kreeg het natuurlijk weder op de
zenuwen, en begon te schreeuwen en te brullen als eene razende.
Het spreekt, dat daarop de elf overige dochters en de oude Shum naar
beneden vlogen.
Het was een raar spektakel.
„Ziedaar, mijnheer!” zeide mevrouw, „hoe dat gemeen schepseltje, uwe
dochter, zich gedraagt – alleen met dezen mensch – aan het kussen en
het vrijen, en de Hemel weet, wat nog meer.”
„Wat – hij?” riep jufvrouw Betsy uit – „hij verliefd op Mary! O, de
ellendeling! monster! bedrieger!” En ook zij viel ter aarde, even luid
schreeuwende als hare mama; want het onzinnig schepsel verbeeldde zich
waarachtig, dat Altamont háár bedoeld had.
„Laat die vrouwen zwijgen!” bulderde Altamont, met donderende stem.
„Mijnheer Shum, ik bemin uwe dochter. Ik wil haar zonder een stuiver
nemen, en ik kan haar onderhouden. Zoo gij uwe toestemming niet wilt
geven, dan neem ik haar zonder die. – Is dat voldoende – mag ik haar
tot vrouw hebben?”
„Wij zullen nader over de zaak spreken, mijnheer!” zei de oude Shum,
die zoo deftig keek als een burgemeester. „Meisjes, gaat naar boven met
uwe lieve mama.”
Zij trokken allen weder den trap op, en hiermede eindigde de slag. Men
kan er op aan, dat het den ouden Shum niet zeer ergerde, een man te
vinden voor zijne dochter Mary, want de oude vent hield meer van haar,
dan van de geheele troep, die mevrouw Buckmaster medegebragt, of hem in
het huwelijk geschonken had. Maar vreemd bleef het, dat, toen hij begon
te spreken van schikkingen en diergelijke, mijn meester geen woord er
van wilde hooren. Hij beweerde, dat hij geregeld alle jaar vier honderd
pond verdiende – hoe, verkoos hij niet te zeggen – dat, indien Mary met
hem trouwde, zij alles met hem deelen moest, en geene vragen doen; maar
hij herhaalde, wat hij reeds had gezegd, dat hij een eerlijk man was.
Zij trouwden dan ook, binnen weinige dagen, en huurden een zeer deftig
huis te Islington; maar elken morgen ging mijnheer uit, om zijne zaken
te doen, en niemand wist waarheen.
Wie kon hij zijn?