Ik werd in het jaar 1 van de tegenwoordige eeuw der christelijke
jaartelling geboren. Mijne mama noemde mij Karel Eduard Harrington
Fitzroy Yellowplush, uit beleefdheid jegens vele adellijke familiën en
jegens een beroemden koetsier wien zij kende, die eene gele liverei
droeg en in dienst was van den Lord Mayor van Londen. Het is moeijelijk
te zeggen, waarom zij mij den naam gaf van dezen heer, of liever den
naam van een gedeelte zijner kleeding – hoe het zij, hij is mij mijn
geheel leven door bijgebleven, en ik werd knecht, als het ware reeds
door mijne geboorte.
Misschien was hij mijn vader, – maar ik kan het niet met zekerheid
zeggen, want mama hield mijne afkomst steeds geheim. – Misschien ben ik
een onechte zoon, misschien heeft mijne min mij verruild, maar ik heb
altijd iets fatsoenlijks in mij gevoeld en zonder twijfel ben ik ook
van fatsoenlijke afkomst. Hoe minder ik van mijne moeder zeg, hoe
beter; want hoewel de lieve vrouw voor mij zeer goed was, vrees ik, dat
zij jegens anderen niet veel goeds aan den dag legde. Ik weet niet
waarom, maar ik ging altijd door voor haren neef. Wij leidden een raar
leven: nu eens was mama in satijn gedost en had blanketsel op de
wangen, dan weder was zij in lompen gehuld en met vuil bedekt; ik werd
beurtelings gekust en geschopt; den eenen dag kreeg ik jenever, den
anderen champagne. – ’t Was gek! – Zij vloekte tegen mij en liefkoosde
mij, – wij hadden twist met elkander en werden weder verzoend. Wij
waren dronken of nuchter, wij leden honger of vierden feest,
beurtelings – naarmate mama geld verdiende en het weder uitgaf.
Maar ik zal een sluijer voor het tooneel laten vallen – voor den lezer
is het genoeg te vernemen, dat mijne moeder mejufvrouw De Montmorency
werd genoemd, en dat wij in de Newcut woonden.
Op zekeren morgen stierf mijne moeder – de Hemel zegene haar! – en ik
bleef alleen over in deze booze wereld, zonder geld genoeg op zak, om
een stuivers broodje voor mijn ontbijt te koopen.
Evenwel waren er onder onze buurvrouwen (en ik moet verklaren, dat er
meer liefdadigheid onder deze arme verachte schepselen gevonden wordt,
dan onder een half dozijn baronnen en jonkheeren), die medelijden
hadden met het kind van het arme Saartje, (want zij proestten het uit
van lagchen als ik haar mejufvrouw De Montmorency noemde,) en bij deze
vond ik kost en huisvesting. Ik vrees, niettegenstaande hare
vriendelijkheid, dat mijne zeden niet zouden verbeterd zijn, zoo ik
lang bij haar gebleven ware. Maar een weldadig heer ontmoette mij op
zekeren dag en zond mij plotseling naar school. – De akademie, die ik
bezocht, werd de armenschool van St. Bartholomeus genoemd. De jonge
heeren droegen groene baaijen rokken, gele lederen broeken, eene
blikken plaat op den linker arm, en een pet, omstreeks zoo groot als
een beschuitsbol. Ik bleef er zes jaren, van mijn zesde tot mijn
twaalfde jaar; gedurende drie jaren van dezen tijd onderscheidde ik mij
als toonkunstenaar, want ik was orgeltrapper in de kerk, en wij
speelden kostelijke stukken.
Het is echter de moeite niet waard, mijne jeugdige streken te verhalen.
(Wat hebben wij de appelvrouw geplaagd! en wat hebben wij dikwijls
snuif in den bijbel van den koster gedaan – mijn Hemel!) Maar op
zekeren dag trad een heer in het schoolvertrek – het was juist op den
dag dat ik aan het aftrekken begon – en vroeg den schoolmeester om een
jongen, die tot knecht geschikt was.
Zij zochten mij daarvoor uit – blijde genoeg om zij kwijt te worden –
en den volgenden dag sliep ik in het waschhuis onder den gootsteen, op
het buitenverblijf van den heer Bago te Pentonville.
Bago had een kruidenierswinkel met razend veel klandizie, op de
Smithfield-markt. Ik heb hem hooren zeggen, dat hij niet minder dan
vijftig pond ’s jaars verdiende door zijne voorkamer te verhuren als er
gehangen werd – zijne vensters waren vlak tegenover Newgate, en menigen
knappen vent heeft hij daar zien opknoopen.
Wetten waren nog wetten in het jaar tien, en men werd voor eene
kleinigheid met eenen naauwsluitenden das beloond. Maar mijne
bezigheden werden op zijn buiten verrigt, waar ik mijne eerste intrede
in de fatsoenlijke wereld deed. Ik moest de messen slijpen en was
tegelijk huis- en stalknecht in dien tijd – ik schaam mij niet, dit te
bekennen; want mijne eigene verdiensten hebben mij tot mijn
tegenwoordig hoog standpunt verheven – elk jaar twee nieuwe livereijen,
veertig pond ’s jaars, bier, bewassching, zijden kousen en waskaarsen,
behalve fooijen, die in ons huis van belang zijn, dat kan ik
verzekeren.
Ik bleef niet lang in dit huis; er gebeurde iets, waardoor ik eene
geheele andere soort van dienst kreeg.
Een knap jong mensch, die een eigen cabriolet hield en een rijpaard
huurde, had een jongen noodig. – Ik deed oogenblikkelijk moeite om de
dienst, en daar ik een vlugge, nette jongen was, kreeg ik die ook.
Bago gaf gunstige getuigenis van mij, en mijn nieuwe meester gaf mij
mijne eerste liverei: men kan zich verbeelden, hoe trotsch ik er op
was.
Mijn nieuwe meester had iets in de City te doen, want hij ging er elken
morgen heen om tien uur; hij steeg uit zijn cabriolet op den City-road
en ik moest hem om zes uur daar afwachten. Des zomers reed hij van daar
naar het Park – zijn rijtuig was een der schoonste die er te zien
waren. Ik gevoelde mij ook niet weinig trotsch op mijn grijzen rok, met
goudomzoomden hoed en rood vest, als ik naast hem zat, terwijl hij
reed.
Reeds toen begon ik verliefde blikken te werpen op de dames in de
rijtuigen, en die zucht te gevoelen naar eene fatsoenlijke leefwijze,
welke mij sedert dien tijd steeds heeft bezield. Terwijl hij in de
opera zat, ging ik kegelen, of naar de White-Conduit’s-tuinen, en de
jongen van mijnheer Altamont had daar heel wat te beteekenen, dat is
zeker; want daar de bevolking te Pentonville meestal uit werkmeiden
bestond, waren daar weinige heerenknechts, en om die reden, hoewel
slechts veertien jaren oud, was ik er evenzeer man, als of ik de hooge
jaren van Jeruzalem [2] had bereikt.
Maar het wonderlijkste was, dat mijnheer, die zulk een fatsoenlijk man
was, in zulk een gat wilde wonen. Hij had niets meer dan eene
benedenste verdieping in de John’s-straat, bestaande uit eene
spreekkamer en een slaapvertrek.
Ik sliep in een huis aan den overkant, en trok elken morgen met zijne
laarzen en zijn ontbijt over de straat.
Het huis, in hetwelk hij woonde, behoorde aan mijnheer en mevrouw Shum,
een arm maar vruchtbaar paar, die het huis voor een zeker aantal jaren
hadden gehuurd. Zij en hunne familie hadden er niet te veel ruimte in:
dat is buiten kijf.
Shum vertelde, dat hij officier was geweest, en dat was ook waar. Hij
was een plaats-vervangend-hulp-vice-commissaris of zoo iets geweest,
gelijk ik naderhand gehoord heb, en hij had zijn ontslag moeten nemen
om reden van zijne zenuwachtigheid. De waarheid is, dat hij zulk een
lafaard was, dat men hem als gevaarlijk beschouwde voor het leger, en
hem daarom weder naar huis zond. Hij was met eene weduwe Buckmaster
getrouwd, eene geboren Slamcoe. Zij was van Bristol, en daar haar
vader, een kaarsenmaker, bankroet ging, erfde zij natuurlijk een heel
aardig sommetje van hem. Zij kreeg duizend pond en had niet
hoogmoediger en trotscher kunnen zijn, zoo het een millioen geweest
was.
Buckmaster stierf en liet zijne vrouw niets anders na dan vier leelijke
dochters en veertig pond ’s jaars. ’t Was een eenigzins bekrompen
inkomen voor iemand met haren eetlust en hare aanspraken. Ter kwader
ure voor Shum, ontmoette zij hem. Hij was weduwenaar met een dochtertje
dat drie jaren oud was; hij had ook een huisje te Pentonville, en een
klein inkomen, omstreeks zoo groot als dat van mevrouw Buckmaster. Ik
geloof, dat zij hem zóó onder de plak kreeg, dat hij niet durfde
weigeren haar te trouwen; en zij kwamen overeen, dat zij de benedenste
verdieping van zijn huis in de John’s-straat zouden verhuren, om
daarmede hun inkomen eenigzins te vergrooten.
Zij trouwden, en de weduwe Buckmaster bleef baas, zonder eenigen
twijfel.
Zij praatte en blufte altijd over hare familie, over de beroemdheid van
de Buckmasters en de oudheid van het geslacht der Slamcoes. Zij bezaten
een huis met zes kamers (behalve keuken- en waschhuis), en op den tijd,
waarvan ik spreek, bezaten zij daarenboven twaalf dochters, te weten:
vier jonge jufvrouwen Buckmaster, mejufvr. Betsy, mejufvr. Doortje,
mejufvr. Biddy en mejufvr. Winny – een jongejufvrouw Shum, met name
Mary – de dochter van Shum, en zeven andere, die ik niet zal opnoemen.
Mevrouw Shum was eene dikke vrouw met rood haar, ten minste een voet
langer dan Shum, die niet meer dan anderhalf el lang was, met een bleek
gelaat, een rooden neus, kromme beenen en een kale kruin, – de top van
zijn neus en zijn hemd waren altijd bruin van het snuiven.
Voor het huis was een kleine tuin, waar het linnengoed van de familie
altijd te droogen hing. Het huisgezin was zoo talrijk, dat dit steeds
om beurten geschiedde. Er waren zes palen aan het hek, en op elken paal
hing een kous, en er waren vier kleine kruisbessen struikjes, waarop
altijd het een of ander kleedingstuk ten toon gespreid was.
De gang was altijd vol water; natte vaagdoeken waaiden de menschen in
het gezigt; ingezeepte, dampende flanellen lappen hingen gereed om de
voorbijgangers te bedwelmen; als men omhoog keek om het gevaar te
ontgaan van zich te verhangen aan de droog-touwen, die dwars over den
gang en in de lengte gespannen waren, dan stootte men zich de beenen
tegen den rand van een’ emmer, dat men razend werd van de pijn.
De groote, slordige, luije meisjes waren altijd op den trap met akelige
bloempotten aan het morsen, of bezig met iets te koken, of zij lagen in
de vensterbanken met smerige papillotten in het haar, en smerige boeken
in de handen. Eene akelige piano rammelde van den morgen tot den avond;
de twee oudste jufvrouwen Buckmaster speelden „the Battle of Prague”,
en de zes jongste jufvrouwen Shum speelden „In my cottage”, tot dat ik
elke noot van het eene stuk van buiten kende, en den dag vervloekte,
dat het andere gecomponeerd werd.
De jongste meisjes liepen en draafden den geheelen dag door het huis,
met gescheurde voorspelders en half versletene grammaires en groote
sneden brood met stroop daarop. Ik heb van mijn leven zoo’n huishouden
niet meer gezien.
En nu vraag ik, wat ter wereld kon den heer Frederik Altamont genoopt
hebben, in zulk eene plaats te gaan wonen? De reden is duidelijk: hij
aanbad de oudste jufvrouw Shum.
En daarin toonde hij geen slechten smaak, want hoewel de andere
dochters even leelijk als hare afschuwelijke mama waren, was Mary Shum
een mooi, lief, bedeesd klein ding, met glanzig zwart haar en zachte
blaauwe oogen en een hals zoo wit als krijt. Zij droeg gewoonlijk eene
oude, versletene, zwarte japon, die te kort en te naauw voor haar was
geworden; maar dit diende slechts om hare fijne enkeltjes en slanke
leest te meer te doen uitkomen. Mijn meester had, dat is waar, niet
zeer hoog gezien toen hij eene beminde zocht, maar hij was voorzeker
aan het goede kantoor gekomen. Nooit is er een aardiger en mooijer
meisje geweest. Ik gaf haar altijd het geroosterde brood, dat van ons
ontbijt overbleef, en een kopje thee of chocolaad, naarmate Altamont
het een of ander gebruikte, en het arme kind was er zeer dankbaar voor,
want boven werden de kinderen kort gehouden, en zij kreeg het minst van
allen.
Het scheen waarachtig, als of de geheele familie Shum haar best deed om
het lieve kind te plagen. De vier meisjes van Buckmaster liepen haar
altijd achter na. Het was:
„Mary, haal eens wat steenkolen”, of „Mary, ga eens gaauw wat bier
halen”, of „Mary, ik ga uwe schoone kousen aantrekken op de wandeling”,
of „ik zal eventjes uwen nieuwen hoed opzetten om naar de kerk te
gaan.” Haar vader alleen, de oude suffert, hield van baar, doch zijne
liefde hielp haar niet veel. Mary verdroeg al het knorren gelijk een
engel, want dat was zij, en had zij eene gouden trompet en een paar
vleugelen gehad, zij was er niet engelachtiger om geweest.
Ik zal nooit één tooneel vergeten, dat er plaats vond. Het gebeurde
toen mijnheer in de City was, en daar ik niets ter wereld te doen had,
stond ik op den trap te luisteren.
Het gewone knorren, was aan den gang en ook de oude dreun van de
„Battle of Prague.” De oude Shum zeide iets, en de oudste jufvrouw
Buckmaster riep uit: „Och, pa, wat is dat dom van je!”
Al de meisjes begonnen te lagchen en mevrouw Shum ook, allen, behalve
Mary, die rood als vuur werd, en, op mejufvrouw Betsy Buckmaster
toegaande, haar twee zulke flinke oorvijgen gaf, dat hare groote roode
ooren er van tintelden.
De oude mevrouw Shum gilde het uit, en viel haar aan als eene tijgerin.
Hare dikke armen vlogen in het rond als molenwieken, en zij sloeg en
ranselde de arme Mary, omdat zij haren sukkel van een vader had willen
verdedigen. Mary Shum, die anders altijd huilde, stortte nu geen
enkelen traan. „Ik zou het nog eens doen,” zeide zij „als Betsy papa
beleedigde,” waarop weêr stompen en gillen volgden als te voren, en de
oude heks ging voort met het arme meisje te slaan, tot dat zij niet
meer kon en blazende als een walvisch op de sofa nederzeeg.
Nu begon de oude Shum: „Schaam je wat, Mary,” zeide hij, „schaam je
wat, jou ondeugende meid, dat gij je mama zoo weinig ontziet en je
lieve zuster zoo slaat.”
„Ik deed het alleen, omdat zij zeide dat gij zoo d...”
„En als het haar beliefde, dat te zeggen,” zeide Shum met eene deftige
houding, „gij onbeschaamde meid, ik had haar daarvoor kunnen straffen
en gij niet.”
„Gij mij straffen?” zeide mejufvrouw Betsy, den neus zoo hoog mogelijk
ophalende: „ik zou wel eens willen zien dat gij mij bestraftet,
leelijkert!” En zij begonnen allen weder hard op te lagchen.
Intusschen was mevrouw Shum weder uitgerust van hare hevige
ligchaamsbeweging, en zij begon nu vuur te geven. In de eerste plaats
schold zij Mary uit, en daarna Shum.
„O, waarom,” huilde zij, „waarom heb ik ooit mijne deftige familie
verlaten, bij wie ik in gemak en weelde leefde, om zulk een schepsel,
als dit is, te trouwen? Hij is niet waard, dat men hem man noemt, hij
is niet waard dat hij eene fatsoenlijke vrouw heeft getrouwd. En wat
die heks daar aangaat: ik verloochen haar. Den hemel zij dank, zij is
geene Slamcoe, zij is maar eene Shum.”
„Dat is waar, mama,” antwoordden al de meisjes, want mevrouw Shum had
haar deze beleefdheid geleerd, en zij verachtten haren vader van
ganscher harte. Inderdaad, ik heb altijd opgemerkt, dat in families,
waar de vrouw onophoudelijk praat van de verdiensten van hare familie,
de man maar een sukkel is.
Nu dan – toen mevrouw Shum op nieuw uitgeput was, wierp zij zich weder
op de sofa; en hare dagelijksche kunstjes begonnen: zij gilde en kreeg
het op de zenuwen, en wilde niet bedaren eer Shum haar een maatje van
haar gewone geneesmiddel uit den „Blaauwen Leeuw” over de deur had
gehaald. Zij kwam langzaam bij, toen zij den jenever binnen had, maar
Mary werd uit de kamer gezonden, en kreeg bevel om den geheelen dag
niet weder binnen te komen.
„Jufvrouw Mary!” zei ik, want ik had diep medelijden met het arme
meisje, toen zij snikkende en ellendig naar beneden kwam. „Jufvrouw
Mary,” zei ik, „indien ik zoo vrij mag wezen, de kamer van mijnheer is
ledig, en ik weet, waar het koude vleesch en het zuur staat.”
„O Karel,” antwoordde zij, bedroefd het hoofd schuddende, „ik ben veel
te ongelukkig om eetlust te hebben.” En zij wierp zich op een stoel, en
begon te huilen als of haar het hart zou breken.
Juist op dit oogenblik kwam mijnheer de kamer binnen. Ik weet niet, hoe
het gebeurd was, maar ik had mejufvrouw Mary bij de hand genomen, en ik
geloof waarachtig dat ik op het punt was om die te kussen, toen, gelijk
gezegd is, mijnheer de kamer binnentrad.
„Wat heeft dit te beteekenen?” riep hij uit, mij zoo zwart als een
donderbui aanziende, met den donkeren blik van mijnheer Philips,
wanneer hij den rol van Hecate speelt in de nieuwe tragedie van
Macbeth.
„’t Is maar jufvrouw Mary,” antwoordde ik.
„Scheer je weg, vlegel,” brulde hij woedend, en ìk gevoelde iets (ik
geloof haast, dat het de punt van zijn toon was), dat mij van achteren
aanraakte, en een oogenblik later lag ik, zoo lang als ik was,
uitgestrekt onder de natte flanellen lappen en de emmers en andere
zaken in den gang. De menschen van boven kwamen zien wat er gebeurd
was, terwijl ik lei te brullen en te vloeken.
„’t Is Karel maar, ma!” schreeuwde jufvrouw Betsy.
„Waar is Mary gebleven?” vroeg mevrouw Shum van de sofa.
„Zij is in de kamer van mijnheer, jufvrouw,” antwoordde ik.
„Zij is in de kamer van mijnheer, ma,” schreeuwde jufvrouw Betsy, als
of zij mijne echo ware.
„Best, laat zij daar maar blijven, tot dat hij weder naar huis komt.”
En mejufvrouw Betsy vloog de trappen op, zonder te vermoeden dat
Altamont reeds te huis was.
Ik had al lang gemerkt, dat mijn meester Mary Shum beminde, en, gelijk
ik verteld heb, was het alleen om haar, dat hij kamers te Pentonville
gehuurd had.
Ware het niet uit liefde geweest, die niet op een stuivertje ziet, dan
waren veertien shillings in de week een klein beetje te veel geweest
voor de twee ellendige hokken die hij bewoonde. Ik geloof waarachtig,
dat de geheele familie niets had om van te leven, dan mijnheer. Zij
ontbeten met zijn theepot, zij hakten geheele ponden van het vleesch
weg (hij at altijd te huis), en zijne bakkersrekening was hoog genoeg
voor zes menschen. Maar dat ging mij niet aan. Ik zag hem wel eens
grijnzen als ik ’s morgens het koud vleesch op tafel zette en hij dan
ontdekte hoe weinig van de rib van den vorigen dag was overgebleven,
maar hij zeide er nooit een woord van, want de ware liefde bekommert
zich niet om een pond of wat vleesch meer of minder.
In den beginne was hij zeer vriendelijk en oplettend jegens al de
meisjes. Jufvrouw Betsy vooral had zeer veel met hem op; zij zaten
geheele avonden bij elkaâr te smousjassen; hij rookte zijne pijp en
dronk tusschen beiden een slokje; zij kreeg een kopje thee en een
krentenbol; daar het echter niet betaamde, dat zij alleen bij hem kwam,
bragt zij altijd eene van hare zusters mede, gewoonlijk Mary – want
haar noodigde hij bepaaldelijk mede – en op zekeren avond, toen eene
van de andere zusters in hare plaats kwam, zeide hij zeer bedaard, dat
hij die niet gevraagd had, en jufvrouw Betsy hield te veel van
krentenbollen, om zulke kunstjes weder te vertoonen. Bovendien was zij
jaloersch op hare drie volwassene zusters, en beschouwde Mary slechts
als een kind. Hemel! wat wierp zij hem teedere blikken toe; wat
declameerde zij vele gedichten en wat speelde zij de bekende romance
„Ontmoet mij bij het licht der maan” op een oude guitarre! Zij wierp
zich hem als het ware in den arm, maar hij gaf er niets om, dewijl hij
zijn oog reeds elders en beter had gevestigd.
Op zekeren avond kwam hij te huis en bragt op de fatsoenlijkste wijze
loodjes mede voor den Astley’s schouwburg, en sloeg voor, om de twee
jonge dames – jufvrouw Betsy en jufvrouw Mary natuurlijk – mede te
nemen. Ik herinner mij, dat hij denzelfden namiddag mij ter zijde had
geroepen, met eene indrukwekkende en geheimzinnige houding, en dat hij
mij in het oor fluisterde: „Karel, kun je oppassen?”
„Mijnheer,” antwoordde ik, „het is de algemeene meening, dat ik zoo
tamelijk bij de hand ben.”
„Wel,” hernam hij, „ik zal je een goud vijfje geven, als je nu met mij
ééne lijn trekt; ik heb opzettelijk een regenachtigen avond afgewacht.
Als de komedie uit is, moet gij mij aan de deur met twee parapluies
afwachten. Eene daarvan geeft gij mij, de andere houdt gij over
mejufvrouw Buckmaster, en, pas nu goed op, als wij weg gaan, dan slaat
gij regts den hoek om, en zegt aan jufrouw Buckmaster, dat het rijtuig
ons een eindje verder op wacht, om uit het gewoel te wezen.”
Wij gingen er naar toe in eene vigilante, door den heer Altamont
besteld, en ik zal het spelen dáár niet ligt vergeten. Men prate mij
niet van Kemble! men vertel mij niet van Macready. – Ik ga oneindig
liever naar Astley’s theater. Maar dit is eene afwijking van mijn
verhaal. Toen het stuk uit was, stond ik aan de deur met de parapluies.
Het regende dat het goot!
Mijnheer Altamont kwam naar buiten; hij had jufvrouw Mary aan den arm
en mejufvrouw Betsy volgde, eenigzins uit haar humeur.
„Deze weg, mijnheer,” riep ik, naar hem toeschietende, en ik wierp een’
grooten mantel over Jufvrouw Betsy, als of ik haar smooren wilde.
Mijnheer en jufvrouw Mary gingen verder, en toen jufvrouw Betsy den
mantel in orde had, waren beiden niet meer te zien.
„Zij zijn al naar het rijtuig gegaan, jufvrouw, een eindje de straat
op, om uit het gewoel te zijn,” en wij gingen regts den hoek om,
natuurlijk.
Nadat wij een eindje door slijk en modder geplast hadden, riep ik uit,
met het onschuldigste gezigt van de wereld:
„Heeft niemand de vigilante van Cox gezien?”
„De vigilante van Cox?” schreeuwde iemand. – „Gij meent een vrachtkar
misschien?” zeide een tweede.
„Ik ben een vuilniskar te gemoet gekomen,” riep een derde heer, en ik
heb van mijn leven zooveel complimenten niet gehoord als men ons toen
maakte. Ik zal ze evenwel niet herhalen, omdat er enkele onder waren,
die niet al te fatsoenlijk klonken.
„Hemel, jufvrouw,” zeide ik, „wat zal ik nu beginnen? mijnheer zal het
mij nooit vergeven, dat is zeker; en ik heb geen stuiver bìj mij om een
koets te betalen.”
Toen ik dit zeide, was Jufvrouw Betsy op het punt om eene vigilante te
roepen, maar de voerman kon het voor dien prijs niet doen, gelijk hij
verzekerde, en ik wist wel dat zij geene vier of vijf shillings had om
een rijtuig te betalen. Alzoo te midden van eenen stortregen, om twaalf
uur ’s nachts, moesten wij anderhalf uur loopen, van de Westminsterbrug
naar Pentonville, en, wat nog als een ongeluk daar bij kwam, bij toeval
raakte ik aan het dwalen. Ja, het was al eene heel lieve wandeling,
zonder twijfel.
Om half twee uur kwamen wij veilig in de John’s-straat aan. Mijnheer
was aan het hek van den tuin. Jufvrouw Mary drukte jufvrouw Betsy aan
haar hart, en mijnheer begon te vloeken en te razen omdat ik regts in
plaats van links den hoek om was gegaan! Waarachtig, zijne woede en
zijn toorn waren even natuurlijk, als die van den eersten held in het
stuk. Zij hadden, gelijk hij vertelde, een half uur gewacht, in de
vigilante, in de steeg links van den schouwburg; zij hadden op en neêr
gereden in den grootst mogelijken angst; en eindelijk waren zij naar
huis gereden, omdat zij begrepen dat het te vergeefs was langer te
wachten. Zij gaven jufvrouw Betsy warme rhum met water en gestoofde
oesters voor dat zij naar bed ging, hetgeen haar eenigzins troostte.
Ik hoop, dat niemand jufvrouw Mary beschuldigen zal van medepligtigheid
aan deze gebeurtenis; want zij was het opregtste schepseltje dat ooit
leefde, en ik geloof waarachtig, dat zij tot heden van onze kleine list
niets weet.
Bovendien staat alles vrij aan de liefde, en mijnheer kon haar anders
nooit alleen te spreken krijgen, uit hoofde van hare elf leelijke
zusters en hare mama: daarom maakte hij van deze gelegenheid gebruik,
om haar zijne liefde te betuigen.
Indien hij haar vroeger beminde, kan men er op aan, dat zij het hem nu
vergold. Sedert dien avond in de komedie waren ze zoo teêr voor elkaâr
als tortelduifjes – hetgeen zeer natuurlijk verklaart, waarom ik de
kamer uitgeschopt werd; en om die reden nam ik dat ook niet kwalijk.
Ik weet niet, of jufvrouw Betsy zich verbeeldde, dat mijnheer op haar
verliefd was, maar zij bleef steeds gehecht aan krentebollen met thee,
en kwam even druk bij hem, als te voren.
Nu volgt het merkwaardige gedeelte van mijn verhaal.