VII.

Op zekeren avond nam ik mijn aanteekeningboekje en begon hem

te ondervragen over zijne reizen. Zonder eenige aarzeling toonde

hij zich bereid op mijne vragen te antwoorden, en gaf hij mij een

volledig overzicht van hetgeen hij in de laatste zes jaren had gedaan

en ondervonden. Voorzeker zullen mijne lezers met belangstelling eene

korte schets van dit verhaal ontvangen.

Livingstone verliet Zanzibar in Maart 1866; den 7den der volgende

maand vertrok hij van de baai van Mikindiny, om het binnenland van

Afrika te gaan bezoeken. Zijn gevolg bestond uit twaalf cipayers,

negen Anjoehanneezen, zeven vrijgelatenen, en twee inboorlingen van de

oevers van den Zambese. Verder behoorden tot de karavaan zes kameelen,

drie buffels, twee muilezels en drie ezels.

Aanvankelijk volgde het gezelschap den linkeroever van de Rovoema,

een der moeilijkste en bezwaarlijkste wegen, die men zich kan denken:

een pad, zich midden door het dichtste en ondoordringbaarste bosch

heenslingerende, zonder zich in het minst te bekommeren over de

richting, die het volgt. De dragers konden hier met eenige moeite nog

voortkomen; maar de kameelen konden geen stap doen, wanneer niet eerst

de baan met de bijl was geopend. Deze manier van reizen, op zich zelf

reeds tamelijk langzaam, werd dit nog te meer omdat de cipayers en de

Anjoehanneezen telkens stilhielden en weigerden een hand uit te steken.

Weldra werd het nog erger, en schroomden zij niet tot vijandelijkheden

over te gaan. Hopende Livingstone tot den terugkeer te dwingen,

mishandelden zij de lastdieren op zoo gruwelijke wijze, dat zij na

verloop van eenige dagen allen waren bezweken. Toen dit middel niet

hielp, trachtten zij de inboorlingen tegen den doctor op te zetten, en

verspreidden het gerucht dat hij over geheime krachten beschikken kon

en een toovenaar was. Deze beschuldiging was een zeer bedenkelijken

aard, en kon ernstige gevolgen hebben: Livingstone besloot daarom,

zonder verwijl de cipayers terug te zenden. Hij voorzag hen evenwel

van het noodige, om de kust te kunnen bereiken.

Den 18den Juli bevond zich de karavaan, nu zonder de twaalf soldaten,

in een dorp van Voëahihyou, acht dagreizen ten zuiden van de

Rovoema. Tusschen deze rivier en het dorp ligt eene woeste, onbewoonde

landstreek, waar de reizigers veel van den honger hadden te lijden,

en nog ettelijke lieden wegliepen. In het begin van Augustus kwam de

karavaan bij Mponda, die dicht bij de Nyassa woonde. Wederom waren

twee mannen gedeserteerd.

Zij trok daarop naar den oever van het meer, naar een dorp, aan welks

hoofd een Babisa stond. Daar ontmoette Livingstone een arabischen

mulat, die van den westelijken oever kwam, en verhaalde dat hij

door eene bende van Mazitoes was aangevallen en uitgeplunderd

geworden. Moeza, de aanvoerder der Anjoehanneezen, wist zeergoed

dat er van deze zoogenaamde bende niets te duchten was; bovendien

verklaarde het dorpshoofd en Livingstone beiden, dat het gansche

verhaal van dien aanval een fabeltje was. Toch greep Moeza dit als

een voorwendsel aan, om met al zijne lieden te kunnen vertrekken. Het

waren deze Anjoehanneezen, die na hunne terugkomst te Zanzibar het

gerucht verspreidden van Livingstone's dood, om daardoor hunne desertie

te verontschuldigen.

"Gelukkig", vervolgde Livingstone, "bevond ik mij in eene landstreek,

waar de slavenhandelaar nog niet was doorgedrongen; en, zooals

altijd in dergelijke gevallen, werd ik door de bewoners met groote

gastvrijheid en vriendelijkheid ontvangen. Voor een bagatel waren

zij steeds bereid mijne bagage van het eene dorp naar het andere

te dragen."

In het begin van December verliet hij deze gastvrije streek, en

kwam nu in een gewest, dat door de rooftochten en invallen der

Mazitoes schrikkelijk geleden had. Al het vee, de gansche voorraad

van mondbehoeften was verloren; de inwoners waren gevlucht, en hadden

gepoogd zich in verwijderde streken tegen de aanvallen dezer woeste

roovers te beveiligen. Wederom had de karavaan met honger en gebrek

te kampen: men moest zich tevreden stellen met de wilde vruchten,

die men hier en daar aantrof. Andermaal liepen er eenigen van het volk

weg, sommigen met het linnengoed en andere voorwerpen van waarde van

Livingstone zelf: de toestand begon hoogst moeilijk te worden.

Voortdurend met allerlei bezwaren en tegenspoeden worstelende,

trok de doctor door Babisa, Lobemba, Maroengoe, Ba-Oeloengoe en

Loenda. In dit laatste land woont Cazembé, wiens naam het eerst in

Europa bekend werd door den portugeeschen reiziger Lacerda. Cazembé is

een zeer verlicht vorst. Hij ontving Livingstone met groote staatsie:

gekleed in een korten jurk van rood mousseline met groote bloemen,

die zijn galakostuum scheen te zijn, en omringd door zijne voornaamste

hovelingen en zijne lijfwachten. Een opperhoofd, die van den koning

den last had ontvangen om zooveel mogelijk inlichtingen omtrent den

reiziger in te winnen, was bij de audiëntie tegenwoordig, en deed met

luider stemme verslag van zijne bevinding. Hij had vernomen dat de

blanke man in het land gekomen was, om de beken, de rivieren en de

meren te onderzoeken. Hoewel hij niet kon begrijpen, welk belang de

blanke man er bij hebben kon om zich bekend te maken met wateren die

hem vreemd waren, twijfelde hij er toch niet aan of dit geschiedde

met goede bedoelingen.

Cazembé vroeg daarop aan den reiziger wat eigenlijk zijn doel was,

en waarheen hij zich dacht te begeven.

Livingstone antwoordde, dat het zijn wensch was naar het zuiden te

gaan, aangezien hij vernomen had dat daar meren en rivieren waren.

"Het is niet noodig daarvoor naar het zuiden te gaan," hervatte

Cazembé; "er is hier in den omtrek water in overvloed." Hij beval

daarop, dat men den blanken man overal in zijne staten ongehinderd zou

laten reizen en onderzoeken, zonder hem iets in den weg te leggen. "Dit

is de eerste Engelschman, dien ik ooit heb gezien, zeide hij; en ik

wil zijn vriend zijn."

Al spoedig na de opening der audiëntie, was de koningin binnengetreden,

gevolgd door een aantal amazonen, met lansen gewapend. Jong, schoon

en rijzig van gestalte, had zij het er blijkbaar op gezet op den

blanken man indruk te maken, want zij had zich in al haar koninklijk

prachtgewaad uitgedost, en hield eene groote lans in de hand. Maar

hare onverwachte verschijning en haar wonderlijke opschik deden

Livingstone in een luid gelach uitbarsten, waardoor de gehoopte

uitwerking verloren ging. Doch, wel verre van zich daarover boos te

maken, begon de vorstin zelf te lachen, welk voorbeeld straks door hare

amazonen en het gansche hof gevolgd werd. Door al deze vroolijkheid

zelf van haar stuk gebracht, liep de koningin eensklaps weg, gevolgd

door hare vrouwelijke lijfwacht.

Kort nadat hij de grenzen van Londa had overschreden, en nog voor hij

het gebied van Cazembé had bereikt, was Livingstone eene groote rivier

overgestoken, die men de Chambezi noemde. De gelijkheid van naam had

hem aanvankelijk in den waan gebracht, dat hij den Zambèse voor zich

had, en dat deze rivier dus in geene betrekking hoegenaamd stond met

den Nijl, waarvan hij de bronnen opspoorde. Hij werd nog te meer in

die opvatting versterkt, omdat de Portugeezen hem herhaaldelijk gezegd

hadden: "De Tsjambesi is onze rivier;--als men van de Nyassa naar

Cazembé gaat, moet men den Zambèse oversteken." Niet alleen hadden

zij hem dit gezegd, maar ook hunne boeken en kaarten stemden daarmede

overeen.--Deze verkeerde opgave heeft Livingstone veel moeite en

tijdverlies veroorzaakt. Van het begin van 1867, toen hij bij Cazembé

kwam, tot in Maart 1869, toen hij te Oedsjidsji verscheen, is hij

bijna onophoudelijk bezig geweest met het ophelderen en herstellen

van deze dwaling.

Toen hij den strijd ontdekte tusschen de berichten zijner voorgangers

en wat zijne eigene aanschouwing hem leerde, keerde hij op zijne

schreden terug. Ten einde volkomen zekerheid te erlangen, doorkruiste

hij in alle richtingen de uitgestrekte landstreek, waardoor deze

rivieren, die een zoo zonderling ingewikkeld stelsel vormen, haar

loop nemen; voortdurend heen en weder trekkende als een boeteling;

overal dezelfde vragen doende, en iedereen aansprekende, tot hij op

het gelaat zijner toehoorders de gedachte kon lezen: "Die man is gek;

de wateren hebben hem het hoofd op hol gebracht."

Deze, voor de aardrijkskundige wetenschap zoo uiterst belangrijke

en vruchtbare nasporingen, brachten Livingstone ook aan den oever

van een meer, ten noordoosten van het gebied van Cazembé, en waaraan

de inboorlingen den naam geven van Liemba, naar de landstreek, die

ten zuiden en ten oosten aan het meer grenst. Onze reiziger volgde

den oever, zijn weg nemende naar het noorden, en nu kwam hij tot

de ontdekking dat dit meer hetzelfde was als het meer Tanganjika,

waarvan de zuidelijke punt op op ongeveer 8°42' zuiderbreedte ligt:

de groote waterplas heeft mitsdien van het noorden naar het zuiden

eene uitgestrektheid van driehonderd-zestig geographische mijlen.

Zich van het meer Tanganjika verwijderende, trok Livingstone door

Maroengoe, en bereikte het meer Moéro, dat in de lengte ongeveer zestig

mijlen beslaat. Aan het zuidelijk uiteinde van dit meer bevindt zich

de mond eener rivier, die van het zuiden komt en de Loeäpoela heet. De

doctor voer de rivier op, tot waar zij uit het groote meer Bangouéolo

komt, dat in uitgestrektheid weinig voor dat van Tanganjika onderdoet.

Eene nauwkeurige studie van dit meer en de daarin uitloopende

rivieren schonk Livingstone de overtuiging, dat de Chambezi daarvan

verreweg de voornaamste was. Hij bevond nu, dat de Chambezi, die hij

van haar oorsprong gevolgd was, tot aan het meer Bangouéolo, aan de

noordelijke punt van dit meer weder daaruit te voorschijn trad, en

onder den naam van de Loeäpoela zich in het meer Moéro uitstortte. Hij

keerde daarop naar Cazembé terug, nu bij ondervinding wetende wat de

portugeesche berichten en kaarten waard waren, en met steeds klimmende

belangstelling den loop dezer rivier volgende, die zich tot dusver

onafgebroken naar het noorden richtte.

Aan het hof van Cazembé ontmoette onze reiziger een grijsaard,

Mohammed-ben-Selim geheeten, een arabischen kleurling, dien de koning

gevangen hield, omdat hij zijne gangen wantrouwde. Livingstone maakte

van zijn invloed op den vorst gebruik, om Mohammed in vrijheid te

doen stellen; en daar zij beiden denzelfden weg volgden, nam hij het

voorstel van den Arabier aan, om te zamen te reizen. De oude kleurling

toonde zijn dankbaarheid op zeer zonderlinge wijze: hij ontzag geene

middelen, om de bedienden en reisgenooten van den doctor tot ontrouw

en desertie te bewegen, en plaagde hem zelf op alle mogelijke wijzen

tot hunne komst te Oedsjidsji. In dit vlek, waar Livingstone in Maart

1869 aankwam, schreef hij de brieven, die het gerucht van zijn dood,

door de Anjoehanneezen zijner eerste karavaan verspreid, logenstraften.

De doctor bracht drie maanden te Oedsjidsji door. Gedurende zijn

verblijf aldaar, wilde hij het noordelijk gedeelte van het meer

onderzoeken; hij meende dat vandaar een rivier moest uitgaan, die

met den Nijl in verbinding stond. Maar de tegenwerking, die hij van

de Arabieren en de inboorlingen ondervond, en de afpersingen, waaraan

hij bloot stond, dwongen Livingstone dit plan op te geven. Hij hoopte

later eene gunstige gelegenheid te vinden, en stak het meer Tanganjika

over, om naar Oegoehha te gaan, een dorp op den westelijken oever.

Toen Burton en Speke zich te Oedsjidsji ophielden, was het land,

waarheen de docter zijne schreden richtte, volkomen onbekend; zelfs

de Arabieren wisten nauwelijks den naam. De moedigsten hunner, die in

het binnenland den ivoorhandel dreven, gingen toch niet verder dan de

grenzen van Roeha. Omstreeks het einde van Juni, brak de doctor van

den oever van het meer op, en richtte zich naar laatstgenoemde plaats,

in gezelschap van eenige kooplieden. Een marsch van vijftien dagen,

in westelijke richting, bracht hen te Bambarre, de eerste ivoormarkt

in Manyema of Manyoeëma, zooals de inboorlingen zeggen. Hier werd hij

zes maanden lang opgehouden door eene verzwering aan zijne voeten,

die door de vermoeienissen der reis zeer verergerd was.

Zoodra hij genezen was, vertrok onze reiziger in de richting

van het noorden. Na verloop van eenige dagen bereikte hij eene

ontzaglijk breede rivier, die met tragen stroom en in de zonderlingste

slingeringen, nu eens naar het noorden, dan naar het westen, enkele

malen zelfs naar het zuiden, liep. Met onbezweken volharding volgde

hij die rivier in haar kronkelenden loop, en bevond dat zij zich in

een smal en langwerpig meer, Kamolondo genaamd, uitstortte. Toen

wendde hij zich ten zuiden, volgde de rivier opwaarts, en kwam

eindelijk aan de plek, waar de Loëapoela in het meer Moéro treedt,

waaruit zij weder onder den naam van Loeäloeba te voorschijn komt.

Het was een lust, hem dit prachtige landschap te hooren

beschrijven. Hooge bergen omgeven aan alle zijden het meer Moéro, en

hunne breede hellingen, met den weelderigsten tropischen plantengroei

bedekt, dalen tot den oever af. Het overtollige water van het meer

baant zich een uitweg door eene diepe spleet; schuimend en kokend

stort het zich met donderend geweld door de nauwe opening, om straks

bedaard en rustig te worden opgenomen in de breede bedding van de

Loeäloeba. Om dit gedeelte der rivier te onderscheiden van andere

wateren, die bij de inboorlingen denzelfden naam dragen, heeft de

doctor haar de rivier Webb genoemd, ter eere van een zijner oudste

en beste vrienden, den eigenaar van Newstead-Abbey.

Ten zuidwesten van het meer Kamolondo, waarin de Webb uitloopt,

bevindt zich een ander groot meer, dat mede met eene rivier in

verbinding staat door middel van een belangrijken stroom, de Loéki of

Lomame. Dit groote meer, bij de inboorlingen als het meer Tsjeboego

bekend, ontving van Livingstone den naam van Lincoln, ter herinnering

aan den president der Vereenigde-Staten. Een weinig noordwaarts van de

plaats waar de Webb het meer Komolondo verlaat, neemt zij de Loefira

op, eene aanzienlijke rivier, die van het zuid-zuid-westen komt. Het

aantal harer andere nevenstroomen is zoo groot, dat de doctor voor

allen geene plaats had op zijne kaart.

Altijd door de eindelooze kronkelingen en wendingen van de Webb

volgende, bereikte Livingstone den vierden graad zuiderbreedte, waar

hij nog van een ander meer hoorde spreken, meer noordwaarts gelegen,

en waarin de Webb uitliep.

Ook had men hem gesproken van vier bronnen, waarvan de wateren zich

deels in de Loeäloeba, dat wil zeggen de Webb, en deels in den Zambèse

stortten. Bij herhaling hadden de inboorlingen hem over deze bronnen

gesproken, menigmaal was hij zelf ze tot op honderd mijlen genaderd;

maar telkens was er iets in den weg gekomen, dat hem verhinderde ze

te bereiken. Naar de berichten van lieden, die deze fonteinen hadden

gezien, kwamen zij te voorschijn uit een kleinen heuvel van aarde, dien

sommigen een mierenhoop noemden. Een dezer bronnen of bekkens was, naar

het zeggen, zoo breed, dat men te nauwernood de overzijde kon zien.

Livingstone zegt dat deze bronnen niet zuidelijker liggen dan die van

het meer Bangoeëlo; in den brief, door hem aan den _New-York Herald_

geschreven, merkt hij op, dat deze vier vijvers, waaruit het water

te voorschijn treedt en zich in vier groote rivieren splitst, die

van hetzelfde punt uitgaan, tot op zekere hoogte overeenkomen met de

beschrijving der bronnen van den Nijl, zooals wij die bij Herodotus

vinden en die hij te Saïs had opgeteekend uit den mond der egyptische

priesters.

In ieder geval, sprak Livingstone tot mij, moeten deze bronnen en

hare ligging nauwkeurig opgenomen worden. Dat meer, ten noorden

van den vierden graad gelegen, en waarin de Webb uitliep, met

welk water stond dat in gemeenschap? Juist toen hij hieromtrent

zekerheid hoopte te erlangen, zag Livingstone zich gedwongen naar

Oedsjidsji terug te keeren: eene lange en treurige reis, vol gevaren

en ontberingen, en die hem met iederen stap verder verwijderde van

het doel, dat hij bijna bereikt had. In plaats van de blijde hoop,

den opgewekten moed, die bij den tocht voorwaarts, over alle bezwaren

en hinderpalen doet triomfeeren--de moedeloosheid van den eentonigen

terugtocht; in plaats van de spanning, die de aanstaande ontdekking

als vooruitgrijpt--de teleurstelling der bedrogen verwachting, de

terugkeer na een nederlaag.--Wat wonder dat de oude reiziger bijkans

den moed liet zinken, dat zijne krachten hem bijna begaven?

Den 16den October kwam hij te Oedsjidsji, doodkrank en

uitgeput. Gedurende de reis trachtte hij zich zelf moed in te

spreken. "Het is slechts, zoo sprak hij bij zich zelf, een uitstel

van vijf of zes maanden: dat beteekent niet veel. Te Oedsjidsji

vind ik mijne goederen; daar zal ik manschappen in dienst nemen,

en onmiddellijk weder op reis gaan." Men verbeelde zich zijne

teleurstelling, toen hij vernam dat de persoon, die hem zijne goederen

ter hand moest stellen, daarover op andere wijze had beschikt!

Des avonds na zijne terugkomst ontmoette hij Shouma en Sousi, die

bitterlijk weenden; toen hij hen naar de reden hunner droefheid

vroeg, ontving hij het antwoord: "Er is niets meer, mijnheer. Sherif

heeft alles verkocht!"--Een oogenblik later verscheen Sherif zelf,

en had de onbeschaamdheid, Livingstone de hand te reiken. Deze wees

hem af, zeggende dat hij geen dief de hand gaf; waarop Sherif ter

verontschuldiging aanvoerde dat hij den Koran had geraadpleegd, en

daaruit vernomen had dat de doctor dood was. Aangezien nu de goederen

heerloos waren geworden, had hij ze tegen ivoor ingeruild. Dat ivoor

had hij weder verkocht, en het daarvoor ontvangen geld verbruikt:--in

één woord, Livingstone had niets meer.

Ook dit zeer beknopte overzicht van Livingstone's laatste ontdekkingen

zal eenigermate doen beseffen van hoe groot gewicht zij voor de

wetenschap zijn. Livingstone houdt zich overtuigd dat die rivier, die,

onder verschillende namen, van het eene meer naar het ander loopt,

steeds hare richting noordwaarts nemende, de Boven-Nijl is. De groote

bochten, die deze stroom naar het westen en zuidwesten maakt, hadden

hem aanvankelijk aan het twijfelen gebracht. Eerst dacht hij dat het de

Congo was; maar later heeft hij ontdekt dat deze stroom wordt gevormd

door de samenvloeiing van de Kassaï en de Koeango, twee rivieren,

die aan de westelijke helling ontspringen van den hoogen rug, welke de

beide bekkens scheidt. Na herhaalde en nauwkeurige onderzoekingen der

streek, na de overtuiging verkregen te hebben dat de Webb, ondanks hare

afwijkingen, toch haar loop naar het noorden richtte, en wel door een

dal, ter wederzijde door hooge bergen ingesloten, meende Livingstone

te mogen vaststellen dat deze rivier de zuidelijke tak van den Nijl

was. De aloude heilige rivier van Egypte zou daardoor eene lengte

verkrijgen van twee-en-veertig graden, en dus, na den Mississippi,

de grootste rivier der wereld zijn.

Het spreekt van zelf, dat latere nasporingen de juistheid dezer meening

zullen moeten staven; Livingstone zelf heeft zich ten taak gesteld,

dit punt tot zekerheid te brengen.

De twee gewesten, waardoor de Webb stroomt en een aantal meren vormt,

heeten Roêa en Manyoeëma. In deze uitgestrekte landstreek--tusschen

het meer Tanganjika en de gewaande bronnen van den Congo--leven

millioenen menschen, die niets wisten van het bestaan der blanken,

en waarvan ook de Europeanen nooit hadden hooren spreken, voor

Livingstone deze onbekende streken bezocht. Deze onmetelijke landen,

wier uitgestrektheid nog zelfs niet bij benadering kan worden bepaald,

zijn niet in eenige groote staten of koninkrijken gesplitst: ieder dorp

staat geheel op zich zelf en gehoorzaamt aan een eigen opperhoofd. Ook

de meest ontwikkelden van deze dorpshoofden zijn volslagen onbekend

met hetgeen dertig mijlen buiten hunne grenzen ligt: eene onwetendheid,

die de taak van Livingstone oneindig verzwaarde. In dat opzicht mochten

de volksstammen, die hij elders ontmoet had, vergelijkenderwijze zeer

beschaafd worden genoemd; maar wat het persoonlijk karakter betrof,

stonden de inboorlingen van Manyoeëma hooger dan hunne broeders van

elders. Zij hebben het tamelijk ver gebracht in de kunst van wapens

te vervaardigen, en weven uit zeer fijn gras eene soort van stof, die

met indische weefsels van gelijken aard wedijveren kan; deze stoffen

verwen zij met verschillende kleuren, zooals zwart, geel, donkerblauw.

Deze landstreken zijn overrijk aan ivoor, waarvan de inboorlingen

de waarde volstrekt niet kenden, en dat zij voor allerlei huiselijk

gebruik aanwenden. Nu ongeveer vier jaar geleden, ontdekte een Arabier

voor het eerst dezen schat, en sedert dien tijd stroomen de kooplieden

naar Manyoeëma, om ivoor machtig te worden. De komst der Arabieren deed

de inboorlingen begrijpen, welk eene waarde dit bij hen zoo weinig

geachte artikel had, en weldra steeg de prijs dan ook aanmerkelijk,

hoezeer nog altijd laag genoeg blijvende om den kooplieden eene enorme

winst te verzekeren.

Jammer slechts dat de vredelievende bevolking dezer streken door de

gruweldaden der slavenhandelaars verwilderd, en tot haat en weerwraak

geprikkeld wordt. De slaven uit Manyoeëma worden, om hun schoonen

lichaamsbouw en hun zachtaardig karakter, boven de anderen geschat;

de vrouwen vooral zijn zeer schoon; heur haar uitgezonderd, hebben zij

zeer weinig van het negerras; de kleur van haar huid is zeer licht,

dikwijls niet veel donkerder dan die van eene portugeesche. Deze

schoone vrouwen vinden veel aftrek bij de mestiezen langs de kust,

en zelfs bij de Turken en Arabieren, die ze gaarne in hunne harems

opnemen. De handel in slaven en slavinnen is dan ook nog wel zoo

winstgevend als die in ivoor: want de eersten worden eenvoudig met

geweld weggevoerd. Wie zou het beletten? De arme inboorlingen, die

geen vuurwapenen bezitten, zijn weerloos tegenover de slavenhalers,

die de dorpen overvallen, onder de machtelooze bewoners een bloedbad

aanrichten en eenige honderde gevangenen medevoeren. Geen wonder

voorwaar, dat de Arabieren hier overal zoo gehaat zijn; dat door

hunne schuld de naam van blanken een vervloeking is geworden; en

dat van tijd tot tijd de getergde stammen, zich vereenigende of bij

hunne meer ontwikkelde en beter gewapende broeders aansluitende,

eene vreeselijke weerwraak oefenen. Livingstone zelf, hoezeer hij,

eenmaal bekend zijnde, over geene kwade bejegening te klagen had,

liep meer dan eens gevaar vermoord te worden, omdat men hem voor een

Arabier hield.

Het ligt buiten ons bestek, verder den heer Stanley te volgen op

den tocht, dien hij met Livingstone op het meer Tanganjika en

door een deel der aangrenzende landstreek ondernam. Wij hebben

hem alleen willen vergezellen op zijn weg, tot hij den beroemden

reiziger had gevonden en het groote vraagstuk omtrent diens leven of

dood opgelost. Want dat hij dit werkelijk gedaan heeft, is wel aan

geen redelijken twijfel onderhevig, al moge de waarheid der verdere

beweringen van den heer Stanley en de juistheid zijner mededeelingen

omtrent zijne ontdekkingen, van zeer ernstige zijde tegenspraak

hebben uitgelokt. Trouwens, indien er geen goed deel _humbug_ onder

zijne verhalen en mededeelingen liep, zou hij zeker zijn karakter

als Amerikaan, en nog wel als amerikaansch journalist, geheel hebben

moeten verloochenen. Het is ook uit dien hoofde veiliger, de berichten

van Livingstone zelf, wanneer deze van zijne nog niet geëindigde reis

zal zijn teruggekeerd, af te wachten.

Stanley's tocht ter opsporing van Livingstone De Aarde en haar Volken, 1873 · 第 8 / 9 题