Naar het zich laat aanzien is thans aan Khiwa, betrekkelijk het
kleinste en onaanzienlijkste der khanaten of vorstendommen van
Turkestan, de beurt gekomen om door de steeds meer naar het zuiden
voortdringende russische macht te worden verzwolgen, en zijne
eeuwenoude onafhankelijkheid te verliezen. Aan de oevers van den
Oxus (Amoe-Darja) gelegen, waar deze rivier zich noordwestelijk
naar het meer Aral richt, bedraagt de geheele lengte van het khanaat
ternauwernood vijftig geographische mijlen; de grootste breedte van het
meestal aan den linkeroever gelegen bebouwde land zal in de omstreken
van Koektshek, niet veelmeer dan zes mijlen bedragen. De voor bebouwing
vatbare streek is niet groot: het eigenlijke Khiwa strekt zich niet
verder uit, dan het water van den Oxus, hetzij door natuurlijke, hetzij
door kunstmatig aangelegde kanalen, in het binnenland kan doordringen
en den grond vruchtbaar maken. Verder op begint de woestijn.
De rechteroever van den Oxus ligt veel hooger dan de linker, en
grenst onmiddellijk aan een onafzienbaar steppenland, eene onbeheerde
wildernis; vandaar dat, voor zoover wij weten, aan dien rechteroever
nooit beschaafde bevolkingen hebben gewoond, en dat land ook nu alleen
door nomaden wordt bezocht, die er hunne kudden laten weiden. Als
wij van Khiwa spreken, denken wij daarbij altijd aan den linkeroever,
waar landbouw, welvaart en ontwikkeling in de eerste plaats afhankelijk
zijn van den ijver en de kunst, waarmede de bewoners de levenbrengende
wateren door het land weten te verspreiden. In de middeleeuwen moet
Khiwa of Kharesm, zooals het toen heette, een veel uitgebreider en
beter onderhouden net van kanalen en waterleidingen hebben gehad dan
tegenwoordig: want niet alleen bezat het destijds eene driemaal sterker
bevolking, maar het was ook wegens zijne hooge beschaving door geheel
het Oosten beroemd. Nog vroeger, in de vóór-islamitische tijden, was
het oude Kharesm een brandpunt van geestelijk leven en ontwikkeling.
Nadat de landen aan den Beneden-Oxus met geweld tot den islam waren
bekeerd geworden, openbaarde zich met den triomf der vreemden,
weldra de innerlijke tweespalt. De Tahiriden, die tot het einde der
negende eeuw als vreemde dynastie den troon bekleedden, hadden maar
al te dikwijls het welzijn des lands aan hunne eigene heersch- en
hebzuchtige plannen opgeofferd; onder de opvolgende vorstenhuizen werd
dit nog erger. Weldra begon eene onafzienbare reeks van oorlogen. De
horden der Mongolen overstroomden het land, alles te vuur en te zwaard
verwoestende, overal dood en verderf verspreidende. En ook nadat
de wateren van dezen zondvloed waren afgetrokken, keerde de vrede
niet. Nu eens kwamen de verwoestende oorlogen van buiten, zooals van
Bokhara, toen dit machtig genoeg geworden was om de verovering van den
westelijken nabuur te beproeven; of wel innerlijke verdeeldheden en
burgerkrijgen verscheurden het ongelukkige land. Waar eene landbouwende
bevolking, aan bijna alle zijden, door talrijke roof- en krijgslustige
nomaden is ingesloten, daar kan eigenlijk van rust en vrede geen sprake
zijn. De nomaad, die huis noch hof bezit, geen arbeid of bestendige
bezigheid kent, is uit den aard der zaak hebzuchtiger dan de vreedzame
landbouwer; en daar hij zich voor de ontberingen van zijn werkeloos
leven schadeloos tracht te stellen met de vruchten van den arbeid
zijns buurmans, zoo zijn rooftochten, plunderingen en veroveringen
van gansche landstreken telkens voorkomende zaken. Niet zelden is het
den roofzieken nomaden gelukt, de gezeten bevolking geheel aan zich
te onderwerpen: en zoo zien wij dan ook, gedurende de drie laatste
eeuwen, de stammen der Kalmukken, Kasaken, Karakalpaken, Jomoeten en
Oezbeken achtereenvolgens den schepter over Khiwa zwaaien.
Het thans heerschende ras, de Oezbeken, is een eenvoudig, werkzaam,
verstandig volk, dat zich in menig opzicht gunstig van zijne naburen
onderscheidt. Hunne gelaatskleur is zeer blank, vooral bij de vrouwen,
die, de ovale oogen uitgezonderd, wel eenigszins op hare zusters uit
zuidelijk Duitschland gelijken. De mannen zijn krachtig en gespierd,
met een groot hoofd, een breed voorhoofd en dunnen baard. In
hun voorkomen hebben zij iets plomps en slaperigs, waartoe ook de
kleeding--een groote pelsmuts, een dik gewatteerde lange jas of kaftan,
en een paar groote hooge laarzen, met linnen of stroo opgevuld--veel
bijdraagt. Eene zekere deftigheid, een onverstoorbare ernst en kalme
waardigheid kenmerkt de Oezbeken in den omgang, vooral met vreemden;
in denk- en spreekwijze openbaren zij het echte oostersche karakter,
hier te sterker uitkomende, daar deze stammen in het hart van Azië tot
dusverre nooit den invloed der europeesche beschaving, van westersche
begrippen en zeden, ondervonden.
Waarschijnlijk is de dag niet meer verre, dat het Westen, door Rusland
vertegenwoordigd, hier zijne heerschappij zal vestigen. En wanneer de
Tartaren van Khiwa voor het verlies hunner onafhankelijkheid schadeloos
worden gesteld door de vestiging eener rechtvaardige en verlichte
regeering, in de plaats van het grenzenloos willekeurig despotisme,
dat thans het land ten geesel is:--wie zal zeggen, dat het volk bij
dien ruil verloren heeft?