Het is den 10den November 1871, de tweehonderd-zes-en-dertigste dag
sedert ons vertrek van de kust: wij hebben een marsch van zes uur
voor ons, eer wij Oedsjidsji zullen bereiken. Het is prachtig weer:
een heerlijke morgen; eene frissche lucht; een heldere hemel; een
fraai landschap. Wij allen gevoelen ons zoo opgewekt, zoo welgemoed,
als op den morgen--hoe lang is dat al geleden!--toen wij van Zanzibar
opbraken.
"Voorwaarts, kameraden!"--"Ja, bij Allah! meester!" en wij gaan snel
vooruit. Met fikschen stap vervolgen wij onzen weg, heuvel op, heuvel
af, twee, drie uren achtereen. Eindelijk, na een hoogen, steilen
heuvel bestegen te hebben, wat schemert daar in de verte? "Hoezee,
Tanganjika!" Daar ligt het voor ons, in al zijne uitgestrektheid,
het groote meer, schitterende als een metalen spiegel, met zijn krans
van groenende bergen.--Haastig dalen wij den heuvel af, en bereiken
omstreeks elf uur in den voormiddag den zoom der rivier Lioeké, die
in het meer uitloopt. Wij doorwaden den stroom, en bevinden ons nu te
midden van een weelderig landschap, een groot park, vol bosschages
en tuinen, waartusschen een aantal dorpjes verscholen liggen. Nog
een steilen rotsachtigen heuvel, den laatsten, bestegen, en aan onze
voeten ligt het dorp Oedsjidsji, aan den oever van het meer.
"Ontplooi de vlag, en laadt uwe geweren!--Een, twee, drie!"--Een salvo
uit meer dan vijftig geweren begroet het vlek, waar zich de man bevond,
dien wij zochten. De salvo's werden een en andermaal herhaald, om de
aankomst eener karavaan te melden; en de dorpelingen kwamen weldra
in grooten getale toeloopen. Spoedig zagen wij ons door eene dichte
menigte omgeven: Zanzibariten, inboorlingen en Arabieren roepen ons
het welkom toe. Te midden der luide kreten van _Yambo bana!_ die ons
van alle kanten tegenklinken, hoor ik eensklaps aan mijne rechterhand
de bekende woorden: "Good morning sir."--Ik keer haastig het hoofd om,
om te zien wie daar gesproken heeft; en ik ontdek een vroolijk lachend,
maar pikzwart gezicht, gedekt door een katoenen tulband.
"Wie duivel zijt gij?" vraag ik.
"Souzi, de bediende van Livingstone," antwoordt hij lachende, zoodat
zijne witte tanden mij tegen blinken.
"Is de doctor hier?"
"Ja, mijnheer."
"Weet ge dat wel zeker?"
"Ik heb hem zooeven verlaten."
"Good morning sir," zegt nu eene andere stem.
"Nog al een!" roep ik verbaasd uit.
"Ja, mijnheer."
"Uw naam?"
"Ik heet Shoumah."
"De vriend van Vouékotani, die met Livingstone vertrokken was?"
"Ja, mijnheer."
"Maakt de doctor het goed?"
"Neen, mijnheer."
"Nu, Souzi, ga uw meester bericht geven van mijne aankomst."
Souzi verdwijnt als een pijl van den boog, maar komt weldra terug
om mijn naam te vragen. De doctor, die hem niet had willen gelooven,
had hem daarnaar gevraagd, en hij had geen antwoord kunnen geven. Maar
inmiddels had zich reeds het gerucht verspreid dat de karavaan van een
blanke was aangekomen; de voornaamste Arabieren hadden zich voor de
woning van Livingstone vereenigd, en deze had zich bij hen gevoegd
om te vernemen wat er gaande was. De karavaan hield stil. "Ik zie
den doctor," zeide Selim tot mij; "hij is zeer oud."
Wat had ik niet willen geven voor een afgezonderd plekje, om aan
de aandoeningen, die mij overstelpten den vrijen teugel te kunnen
vieren! Maar hoewel mijn hart hoorbaar bonsde, moest ik toch, om mijner
waardigheids wille, zorgen, dat geen enkele trek op mijn gelaat mijne
innerlijke ontroering verried. Ik hield mij dan zoo kalm mogelijk, en
trad tusschen twee rijen nieuwsgierigen, naar de in een halven kring
geschaarde Arabieren, in wier midden de man met den grijzen baard
stond. Terwijl ik langzaam voortschreed, trof mij zijne bleekheid
en de vermoeide uitdrukking van zijn gelaat. Hij droeg een grijzen
pantalon, een kort rood jasje en een blauwen pet met verschoten gouden
band. Ik had naar hem toe willen vliegen, maar moest mij bedwingen om
de schare. Ik had hem willen omhelzen: maar hij was een Engelschman,
en ik wist niet hoe ik ontvangen zou worden. Ik handelde dus naar de
ingevingen van valsche schaamte en verkeerd geplaatsten hoogmoed: ik
trad langzaam vooruit, nam mijn hoed af, en sprak: "Doctor Livingstone,
naar ik meen?"
"Ja," antwoordde hij, zijn pet afnemende, met een vriendelijken
lach. Wij dekten ons weder, en drukten elkander de hand.
"Ik dank God," hernam ik met luider stem, "dat Hij mij vergund heeft,
u hier te ontmoeten."
"Het doet mij genoegen," sprak hij, "hier te zijn, om u te kunnen
ontvangen."
Ik groette daarna de Arabieren, die de doctor mij nu allen bij name
voorstelde. Toen vergat ik de omstanders, mijn reisgezelschap en alles,
en volgde Livingstone. Hij geleidde mij onder zijne veranda en deed mij
nevens hem nederzitten. Ons gesprek begon. Wat wij spraken?--ik weet
het niet. Stellig begonnen wij elkander wederkeerig te ondervragen:
maar noch van zijne antwoorden, noch van de mijne weet ik mij iets te
herinneren: de indruk van het oogenblik had mij geheel overweldigd. Ik
kon den blik niet van dien merkwaardigen man afwenden: iedere trek van
dat bleeke, vermoeide gelaat, waarop eene gansche geschiedenis te lezen
stond, prentte zich onuitwischbaar diep in mijn gemoed. Tegelijkertijd
luisterde ik naar zijne mededeelingen. Hij had zooveel te vertellen,
dat hij met het laatste begon, niet bedenkende dat hij verslag had
te doen over vijf of zes jaar. Maar gaandeweg breidde het verhaal
zich uit, en de gansche wondervolle geschiedenis ontrolde zich voor
mijn oog.
De Arabieren verlieten ons: met fijnen takt begrepen zij, dat wij
behoefte hadden alleen te zijn. Ik zond Bombay tot hen, om hun de
nieuwstijdingen mede te deelen, waarbij zij rechtstreeksch belang
hadden; ik beval dat mijne manschappen van het noodige zouden worden
voorzien; toen riep ik Kaïf-Halek, een der soldaten van de karavaan
van Livingstone, dien ik van Koeïhara had medegenomen, opdat hij zelf
de depêches zou overgeven, die hem waren toevertrouwd.
Livingstone nam den zak, die reeds meer dan een jaar geleden van
Zanzibar was verzonden. Hij zag de brieven na, die er in waren, en
opende er twee, door zijne kinderen geschreven; zijn gelaat helderde
op. Toen hij ze gelezen had, vroeg hij mij naar berichten.
"Uw brieven gaan voor, doctor; gij moet wel verlangend wezen ze
te lezen."
"Och," hernam hij, "ik heb jaren lang op brieven gewacht; ik kan best
nog wat geduld oefenen. Verhaal mij nu eens, wat er alzoo in de wereld
is gebeurd."
"Weet ge dat het kanaal van Suez is geopend, en daardoor een geregelde
stoomvaart bestaat tusschen Europa en Azië?"
"Ik wist niet dat het kanaal voltooid was; dat is belangrijk nieuws;
en wat verder?"
Ik had groote dingen te vertellen: er was zooveel en zooveel
wonderlijks gebeurd in de laatste jaren! De spoorweg naar den
Stillen-Oceaan, de opstand op Kreta, de omwenteling in Spanje, de moord
van Prim, de oorlog tegen Denemarken met zijne onberekenbare gevolgen,
Sadowa en de vestiging van den noord-duitschen bond; dan de oorlog met
Frankrijk, het pruissische leger te Parijs, Napoleon op Wilhelmshöhe,
Frankrijk overwonnen en aan de uiterste verwarring ten prooi!..... Wat
overstelpende reeks van aangrijpende gebeurtenissen voor iemand, die
zoo pas de ongerepte wouden van Manyema verlaten heeft! Met ingespannen
aandacht luisterde Livingstone naar mijn verhaal; blijkbaar doorleefde
hij in zijne gedachten deze ontzaglijke episode in het groote drama
der wereldgeschiedenis.
Korten tijd nadat zij ons verlaten hadden, zonden de Arabieren ons
hunne geschenken, en wel in den vorm van spijzen: vleeschpasteitjes,
kippen, rijst, vruchten en zoo voorts. De gaven waren ons welkom. Ik
had een kolossalen eetlust, nu nog door de vermoeienissen der reis
geprikkeld: het was dus niet meer dan natuurlijk dat ik mij te goed
deed. Maar ook Livingstone, die zich beklaagd had dat hij allen eetlust
had verloren en slechts van tijd tot tijd een kop thee kon gebruiken,
at, tot mijne groote voldoening, zoogoed als de beste.--"Gauw, Selim,
ga de flesch halen: ge weet wel welke. En breng meteen de zilveren
bekers mede."--Selim kwam weldra terug met een flesch Silléry,
die ik voor deze gelegenheid had medegebracht. Ik vulde den beker
van Livingstone tot den rand, en goot in den mijne iets van den
tintelenden, opwekkenden wijn.
"Op uwe gezondheid, doctor!"
"Op de uwe, mijnheer Stanley!"
Zelden werden bij de champagne hartelijker gemeende toasten
uitgebracht. En voortdurend droeg men nieuwe schotels aan, en
wij bleven maar eten. Halimah, de huishoudster van den doctor,
was buiten zich zelf van verbazing. Elk oogenblik stak zij haar
hoofd buiten de keuken om haar heer te zien eten. Zij kon er niet
van zwijgen, en vertelde dit ongehoorde feit aan allen die het maar
wilden hooren. Terwijl de trouwe ziel dus aan hare vreugde lucht gaf,
weidde de doctor uit over hare goede en belangelooze diensten: hij
verhaalde mij, hoe de tijding dat er een karavaan van een blanke
was aangekomen haar had ontsteld, en hoe zij het onmogelijke had
beproefd om althans een eenigszins voldoenden maaltijd te bereiden:
"Want, meester, het is toch een der onzen." Dan hare vreugde toen
zij mijne dragers gewaar werd: "Een rijk man, mijnheer. Spreek mij
niet van die Arabieren! Wat zijn zij, vergeleken met de blanken!"
"Wie kon die rijke man zijn", vervolgde Livingstone: "ik was zeer
benieuwd dit te weten. Eerst dacht ik dat het een Franschman zou zijn,
door zijne regeering gezonden ter vervanging van den luitenant Le
Saint. Maar de vlag der Vereenigde-Staten hielp mij uit den droom;
en dit deed mij genoegen, want ik zou den Franschman niet in zijne
taal hebben kunnen aanspreken, en als hij geen engelsch had verstaan,
zouden wij een dwaas figuur hebben gemaakt; want tolken staan hier
niet tot onze dienst."
Deze gelukkige dag ging, als ieder ander, ten einde. Al pratende,
zagen wij de avondschemering de palmbosschen omhullen en langzaam
opstijgen tegen de berghellingen, die welhaast onzichtbaar werden. Met
een van dankbaarheid overvloeiend hart zagen wij de sterren flikkeren
aan den helderen hemel en luisterden naar het kabbelen der golven
van het groote meer....
"Maar, doctor," zeide ik, "denk aan uwe brieven."
"Dat is waar," antwoordde hij: "ik ga ze lezen. Het is laat geworden;
goeden nacht. God zegene u."
Met welke gewaarwordingen ontwaakte ik den volgenden morgen. Bevond ik
mij werkelijk in eene kamer, in een bed? Eene eenvoudige legerstede,
wel is waar: vier houten planken, palmbladen, een met haar gevulde
zak en mijn beerevel; maar toch is het een bed. In waarheid, ik heb
Livingstone gevonden en ben in zijn huis.
Wat zullen wij nu doen? Ik zal hem mededeelen wie mij gezonden heeft,
en waarom ik gekomen ben; want dat weet hij nog niet. Dan zal ik hem
verzoeken, aan den heer Bennett te schrijven, al was het maar alleen om
te bewijzen, dat ik hem ontmoet heb. Zal hij dat doen? Waarom niet? Hij
is volstrekt niet de sombere, menschenschuwe man, dien men van hem
gemaakt heeft. In weerwil van mijne koele begroeting en van zijn
lakoniek antwoord, heeft hij mij toch met aandoening de hand gedrukt.
Ik kleedde mij stil aan, om, in afwachting dat mijn gastheer zou
ontwaken, langs het meer te gaan wandelen. De deur mijner kamer knarst
afschuwelijk; ik treed in de veranda.--"Hoe nu, doctor, reeds op?"
"Goeden morgen, mijnheer Stanley; ik hoop dat gij goed geslapen
hebt? Ik ben eerst laat naar bed gegaan; ik heb al mijne brieven
gelezen. Gij hebt mij goede en slechte tijdingen gebracht. Maar
ga zitten."
Ik nam plaats aan zijne zijde. Hij scheen volstrekt niet van plan,
zich uit de voeten te maken, waarvoor ik den ganschen weg over
gevreesd had.--"Nu zult ge wel willen weten, zeide ik, waarom ik
eigenlijk hier ben."
"Ja, gaarne," antwoordde hij.
"Wel nu--schrik niet, doctor--ik zocht u op."
"Mij?"
"Ja u. Kent gij de _New-York Herald_?"--En nu vertelde ik hem welke
zending mij was opgedragen.
"Ik ben den heer Bennett zeer dankbaar," zeide Livingstone; "ik ben er
waarlijk trotsch op, dat gij, Amerikanen, zooveel belang in mij stelt."
Kalm en rustig gingen nu de dagen voorbij. Mijn vriend nam telkens
in beterschap toe, en naarmate zijne krachten bijkwamen, herleefde
ook weder de lust naar werkzaamheid en beweging; maar wat kon hij
uitrichten met vijf manschappen en dertig of veertig el katoen?
"Kent gij de landstreek ten noorden van het meer?" vroeg ik hem op
zekeren avond.
"Neen," antwoordde hij; "ik heb getracht daarheen te gaan; maar de
Vouadsjidsji hebben mij op dezelfde manier als Burton en Speke willen
behandelen, dat wil zeggen mij zooveel mogelijk afzetten; en ik was
niet rijk. Als ik die reis gemaakt had, zou ik niet naar Manyema hebben
kunnen gaan, dat toch van veelmeer belang was. Toch houd ik het er
voor, dat een rivier, van dit meer, dat ik de Boven-Tanganjika noem,
uitgaande, zich in de Albert-Nyanza, die dan de Beneden-Tanganjika
zou zijn, uitstort. Deze meening berust op de berichten der Arabieren
en op de waarnemingen, die ik, met behulp van waterplanten, omtrent
den stroom gemaakt heb. Toch, om tot zekerheid te komen zijn er meer
waarnemingen en studiën noodig."
"In uwe plaats," hernam ik, "zou ik Oedsjidsji niet willen verlaten,
alvorens ik daaromtrent zekerheid had verkregen. De geographische
Maatschappij te Londen stelt groot belang in de oplossing dezer
vraag. Indien ik u in dit opzicht van eenige dienst kan zijn, hebt
ge slechts te spreken. Ik zou gaarne de bestaande onzekerheid zien
opgeheven, en ben volgaarne bereid met u te gaan. Ik heb twintig man
bij mij, die zeer goed kunnen roeien. Wij hebben geweren, katoen,
koralen; zoo gij van de Arabieren eene boot kunt krijgen, is de
zaak gevonden."
"Wij zullen er een krijgen," antwoordde de doctor, "een van
Seïd-ben-Medjid, die altijd hoogst welwillend en dienstvaardig voor
mij geweest is, en zich een echt gentleman heeft getoond."
"Wij zullen dus den tocht ondernemen?"
"Wanneer gij maar wilt."
"Ik ben geheel tot uwe dienst; aan u, den tijd te bepalen."
Van dat oogenblik kende ik Livingstone geheel. Trouwens, het is
onmogelijk eenigen tijd met hem samen te zijn, zonder hem te leeren
kennen; want alle veinzerij en gemaaktheid is hem vreemd: zooals hij
zich voordoet, zoo is hij ook inderdaad. Ik beschrijf hem, zooals ik
hem gezien heb; het portret, dat men mij van hem had opgehangen, kwam
volstrekt niet met het origineel overeen. Van den 10den November 1871
tot den 14den Maart 1872 ben ik onafgebroken bij hem geweest; ik heb
hem in al zijne gedragingen nauwkeurig gadegeslagen, zoowel in het kamp
als op reis: en mijne bewondering voor hem is er slechts te grooter
om geworden. En nu is er geen beter gelegenheid om iemand in den
grond te leeren kennen, dan het kamp van den zwervenden voetreiziger;
nergens zullen de zwakke zijden van iemands karakter, zijne luimen en
grillen, zijne eigenaardige hebbelijkheden sterker uitkomen, dan juist
daar. Die deze proef doorstaat, heeft zijne innerlijke gehalte bewezen.
Livingstone is ongeveer zestig jaar oud; zoodra hij evenwel weder
geheel hersteld was, zou men hem niet meer dan vijftig hebben
gegeven. Zijn haar, hoewel hier en daar grijzende, is nog altijd
bruin. De knevel en de bakkebaarden zijn bijna wit; maar de lichtbruine
oogen hebben nog niets van hunne helderheid en levendigheid verloren;
zij zien u aan met al de doordringende kracht van den valkenblik. Toen
hij in Londa was, moest hij van rauwe maïs leven; dientengevolge
zijn zijne tanden losgeraakt: dit is ook het eenige in zijn voorkomen
dat aan een grijsaard denken doet. Zijne gestalte is iets boven het
middelmatige; hij is stevig en forsch gebouwd; de schouders zijn een
weinig gewelfd. Hij heeft den eigenaardigen zwaren gang van iemand,
die veel vermoeienissen heeft ondergaan; maar zijn stap is vast. Hij
draagt steeds een uniformpet van een engelsch zee-officier; aan dit
hoofddeksel is hij overal kenbaar. De kleederen die hij aan had,
toen ik hem voor het eerst zag, droegen de sporen van herhaaldelijk
hersteld en gelapt te zijn, maar waren onberispelijk netjes.
Naar sommige berichten te oordeelen, moest ik hem voor een
menschenhater houden, althans voor iemand van een somber,
teruggetrokken karakter. Anderen hadden mij verhaald, dat hij niet wel
meer bij het hoofd was, en in niets meer geleek op den Livingstone
van weleer. Zijne tochten hadden alle belang verloren; hij maakte
geene aanteekeningen meer, deed geene waarnemingen, althans geene,
die iets beteekenden. Zelfs had men mij verteld, dat hij met eene
afrikaansche prinses in het huwelijk was getreden.
Van al deze geruchten is er, naar mijne overtuiging, geen enkel dat
geloof verdient.
Wat zijne werkzaamheid aangaat: het zeer lijvige en uitvoerige dagboek,
dat ik aan zijne dochter ter hand heb gesteld, is het beste antwoord
op de beweringen van hen, die zeggen dat hij geene aanteekeningen
houdt, geene waarnemingen doet. Ik zelf heb gezien, hoe hij iederen
avond zorgvuldig zijne aanteekeningen schikte en bijeen verzamelde;
en ik weet dat hij in een blikken trommel eene menigte zakboekjes
bewaart, waarvan de inhoud te zijner tijd het licht zal zien. Ook
zijne kaarten getuigen van veel studie en oplettendheid.
Zijn karakter heb ik, door langdurigen omgang, leeren kennen als boven
allen blaam verheven. De Arabieren en de inboorlingen, die hem eerst
met groot wantrouwen gadesloegen, hadden hem aanvankelijk op alle
mogelijke wijzen tegengewerkt en zich op een afstand gehouden. Maar
zijne rechtschapenheid en welwillendheid hadden eindelijk al deze
vooroordeelen overwonnen, en aller harten tot hem getrokken. Telkens
werd ik getroffen door de bewijzen van achting en eerbied, die hem van
alle zijden ten deel vielen; de strengste en ijverigste Mohamedanen
gingen zelfs nooit zijne woning voorbij, zonder hem te groeten en
den zegen van Allah toe te wenschen. Dat hij nu juist niet Jan en
alleman als reisgenoot verlangt, is hem niet kwalijk te nemen: dat
overkomt ieder onzer. Er zijn menschen, wier geheele karakter en
aanleg zoozeer van de onze verschillen, dat wij niet anders kunnen,
dan hen zooveel mogelijk op een afstand houden; maar zoo Livingstone
ooit zulke lieden op zijn weg ontmoet heeft, hebben die ontmoetingen
toch zijn gemoed niet verbitterd, noch hem tot kwaadspreken verleid.
Men heeft er hem een verwijt van gemaakt dat hij niet best twijfelingen
en kritiek kan verdragen, en daar boos om wordt: maar dat is bij een
man als hij lichtelijk te verklaren. Wie zijn het toch in den regel,
die zijne opgaven in twijfel trekken en zijne berichten aan hunne
kritiek onderwerpen? Voor zoover ik weet, geen wetenschappelijke,
degelijke reizigers; ik herinner mij niet dat mannen als Burton of
Winwood Read tegen zijne berichten zijn opgekomen. En zoudt ge nu
meenen, dat het pleizierig is voor een man, die zich zooveel moeite en
opoffering getroost heeft, te zien hoe zijne kaarten en waarnemingen
worden verknoeid en bedorven door lieden, op wie hij geen vat heeft,
of die ze opzettelijk vervalschen ter wille hunner eigene theoriën? Het
is zeerwel mogelijk dat hij zich op sommige punten vergist; maar als
hij ziet, hoe men eene gansche bergketen van niet minder dan drie
graden lengte uitvindt, alleen om het bewijs te leveren dat hem de
weg versperd is:--ja, dan heeft hij wel een weinig het recht, zich
boos te maken.
Toch laat hij zich ook door zulke miskenning en kleingeestigen naijver
niet ontmoedigen; rustig gaat hij zijn gang, onvermoeid de vrijwillig
aanvaarde taak volbrengende.
"Voelt ge geen behoefte aan rust? Wenscht ge uwe betrekkingen niet
weder te zien?" vroeg ik hem eens; "er zijn nu toch reeds zes jaren
verloopen sinds gij Engeland verliet."
"Ja," hernam hij: "het zou mij een groot geluk zijn, indien ik mijn
vaderland mocht wederzien en mijne kinderen aan het hart drukken;
maar ik mag mijne taak niet opgeven, juist nu zij bijna ten einde
gaat. Ik heb nog maar vijf of zes maanden noodig om de rivier, die
ik ontdekt heb, tot aan de Albert Nyanza of den tak van Petherick te
vervolgen. Waarom zou ik tot later uitstellen, hetgeen gevoegelijk
nu kan geschieden?"
"Maar waarom hebt ge dan niet dadelijk uw plan volvoerd, alvorens
hier terug te komen?"
"Daar was ik toe gedwongen: mijn volk wilde het land in opstand
brengen, en van de verwarring gebruik maken om mij te verlaten. In dat
geval zou ik onvermijdelijk zijn omgekomen.--Bovendien had ik geen
katoen meer. Ik heb een afstand van zevenhonderd mijlen afgelegd om
herwaarts te komen, ten einde hier de goederen in ontvang te nemen, die
ik vast vertrouwde er te zullen vinden, en om eene nieuwe karavaan te
vormen. Maar ik vond niets, en ik bleef verstoken van alles, ziek naar
lichaam en geest, hard ziek, bijna tot stervens toe. Ik begon wel weder
te herstellen; maar ik werd er niet rijker op: integendeel.--Voorwaar,
gij zijt te rechter tijd gekomen; ik had anders misschien welhaast
moeten bedelen om niet van gebrek om te komen."
Eene ontdekkingsreis van zes jaren was hem nog niet voldoende; hij
wilde tot den einde volhouden, en niet terugkeeren, dan na zijn taak
volkomen te hebben volvoerd. Veeleer scheen het of de geestdrift
voor zijn werk met den dag klom. Zijne opgeruimdheid is trouwens
onuitputtelijk; aanvankelijk dacht ik dat die vroolijke, blijmoedige
stemming het gevolg was onzer ontmoeting: maar weldra kwam ik tot
de ontdekking dat zij bij hem gewoon was en in zijne natuur lag. Als
hij eene of andere anecdote of vermakelijke ontmoeting vertelde,--en
hij had, zooals licht te begrijpen valt, over een rijken voorraad te
beschikken--dan kon hij zoo hartelijk lachen, dat ge onwederstaanbaar
medelachen moest. Zijn eenigszins vervallen en verouderd voorkomen
verborg een uiterst levendigen, opgewekten geest: deze zooveel
beproefde man had eene frischheid, een schat van jeugd overgehouden,
die menigeen hem benijden mocht. Wat mij bijkans het meest verwonderde,
was zijn wonderbaarlijk geheugen: hij kende gansche gedichten van
Byron, Burns, Tennyson, Longfellow en anderen van buiten: en dat,
na zooveel jaren in Afrika te hebben doorgebracht, en zonder boeken.
Maar wie van Livingstone spreekt en van zijne vroomheid zwijgt,
teekent een zeer onvolkomen beeld van dezen merkwaardigen man. Hij is
zendeling: maar zijne godsdienst is hem geen stelsel; hij loopt niet
met haar te koop, dringt haar niet op; zijn gedrag en wandel getuigt
voortdurend en ieder oogenblik van en voor haar; zij openbaart zich
door weldadigheid, door liefde en toewijding. De vroomheid vertoont
zich bij hem in hare ware, aanminnigste gedaante: zij heeft deze
vurige, hartstochtelijke natuur veredeld en verfijnd, deze ontembare
wilskracht gelouterd en aan hooger ondergeschikt gemaakt; zij heeft
dezen man van eene alles overwinnende, niets ontziende energie,
gemaakt tot een welwillenden, toegevenden, geduldigen meester
voor zijne onderhoorigen, tot een innemend vriend voor zijne
bekenden. Iederen zondag roept hij zijne kleine gemeente bijeen,
leest de voorgeschreven gebeden en een hoofdstuk uit den Bijbel voor,
en houdt dan, op den meest natuurlijken toon, eene korte, eenvoudige
toespraak naar aanleiding van het gelezene. Blijkbaar worden zijne
woorden met aandacht, en eerbied aangehoord.