Koeïkoeroe, de hoofdstad van Oenyanyembi, was de residentie
van Mkasihoua, het opperhoofd der Voeanyamoeësi van dit
gewest. Seïd-ben-Selim, de gouverneur der arabische kolonie, hield
mede daar zijn verblijf, en noodigde mij uit, hem naar zijne woning
te vergezellen. Eene dichte menigte stond langs onzen weg geschaard;
maar geen enkele kreet liet zich hooren: alleen het oude opperhoofd
en de Arabieren spraken tot mij.
Het huis van Ben-Selim stond op den hoek van een ruim plein, door een
staketsel afgesloten. Men schonk ons thee uit een zilveren trekpot;
in een overdekte schotel van hetzelfde metaal werden heete koekjes
gepresenteerd. Ik had nog niets gebruikt, en daarbij grooten trek;
de gouverneur zal zich waarschijnlijk wel verwonderd hebben over het
gemak, waarmede ik elf kopjes van zijne keurige thee uitdronk en eene
geduchte bres in zijn stapel gebakjes maakte. Nadat ik hem van harte
mijn dank had betuigd, haalde ik mijne pijp voor den dag.
"Vriend sheik, wilt gij rooken?" vroeg ik mijn gastheer.
"Dank u; de Arabieren rooken niet."
"Vergunt ge mij, dat ik na den eten, om de spijsvertering te
bevorderen....."
"O, zeker; ga gerust uw gang."
Nu begon het vragen over en weder. Nieuws van de reis; nieuws van
Zanzibar, van Maskate, van de oude kennissen: alles kwam te berde.
"Waar is tegenwoordig," vroeg Seïd-ben-Selim, "die Hadji Abdallah,
die hier zoowat twaalf jaar geleden geweest is met Spiki?"
"Die Abdallah heet bij ons Burton; hij is tegenwoordig consul te
Damaskus; Speke is op de jacht omgekomen."
"Ouallah! Is Spiki dood? jammer! jammer! het was zoo'n goede man."
"Maar," hernam ik, "zeg mij eens, waar ligt Kazeh?"
"Dat weet ik niet."
"Hoe nu! en gij waart zelf daar met Burton, met Speke, en later
met Grant. Hebben Burton en Speke hun intrek niet genomen bij
Moura-Mzouri?"
"Ja wel; maar te Tabora."
"Maar waar ligt dan toch Kazeh? Ik vraag dat aan iedereen, en niemand
kan het mij zeggen. Toch noemen de drie reizigers de plaats, waar
gij ze ontmoet hebt, met dien naam."
"Ik heb dien naam nooit gehoord. Maar, wacht eens: in de landtaal
beteekent Kazeh koninkrijk; misschien hebben zij de plaats, waar
zij bij hunne komst stilhielden, aldus genoemd. Zeker is het, dat ik
hen meermalen bezocht heb, en dat de beide huizen, waarin zij toen
verblijf hielden, te Tabora stonden. Maar ik zal u uwe woning toonen;
zij ligt te Koeïhara, en niet meer dan een uur gaans van Tabora."
Wij begaven ons op weg en bereikten weldra Koeïhara, in eene tamelijk
eentonige vallei gelegen. Voor de deur mijner woning, vond ik mijne
pagazis, nevens hun bagage op den grond gezeten.
"Treedt binnen," zeide Ben-Selim; "deze woning behoort aan u. Ziehier
het verblijf voor uwe manschappen; daar zijn de magazijnen, de keuken,
de gevangenis. Hier kunt ge de Arabieren ontvangen. Deze vertrekken
zijn voor uw reismakker. En deze hier zijn kamers voor u zelf:
slaapkamer, badkamer, wapenkamer, enz."
Ik moest nu in de eerste plaats zorgen voor het bergen der koopwaren,
en de betaling der pagazis, wier diensttijd verstreken was. Toen
dit alles was afgeloopen, en al de balen en pakken eene behoorlijke
plaats hadden gekregen, zette ik mij aan den maaltijd, die door slaven
voor mij was gereed gemaakt. Na den maaltijd verschenen weder eenige
slaven, die mij vijf vette ossen, acht schapen en tien geiten ten
geschenke brachten; van eene andere zijde ontving ik twaalf kippen
en een dozijn eieren. Zulk eene vorstelijke gastvrijheid had ik bijna
nog nooit ondervonden.
Den volgenden morgen kwamen de aanzienlijken van Tabora mij
begroeten. Tabora, door Burton, Speke en Grant Kazeh genoemd, is de
voornaamste arabische nederzetting in het binnenland van Afrika. De
stad telde toen meer dan duizend huizen; het getal der inwoners,
Arabieren, Zanzibariten en inboorlingen, kon veilig op vijf duizend
worden geschat.
Het was inderdaad een lust, mijne bezoekers te zien: bijna zonder
uitzondering waren het mannen met een schoon, edel voorkomen, vol
waardigheid en innemende bevalligheid tevens. De meesten waren van
het eiland Omar of Arabië afkomstig; sommigen waren van de kust van
Afrika geboortig. Aan hunne edelmoedigheid dankte ik de schitterende
geschenken, die mij den vorigen avond waren geworden. Zij waren
allen zeer vermogend, en leefden op grooten voet. De vlakte van
Tabora, hoewel arm aan boomen, is bij uitnemendheid vruchtbaar;
overal ziet men weilanden met vee, of akkers met rijst, sorgho,
maïs, gerst, sesam of andere vruchten bebouwd. Rondom hunne tembés
laten deze Arabieren rogge telen, en hebben zij vruchtboomen geplant,
die zeergoed opgroeien. Eens in het jaar ontvangen zij van de kust
den noodigen voorraad specerijen, ingelegde vruchten, wijn on andere
dranken: in een woord, alles waaraan zij behoefte hebben.
Het bezoek van deze groote heeren was niet meer dan eene beleefdheid;
ons gesprek was nietsbeduidend: eenige vragen naar mijne gezondheid
van hun kant, dankbetuigingen van mijne zijde; daarmede was alles
afgeloopen, en keerde mijne bezoekers naar hunne woning terug.
Drie dagen later begaf ik mij, met een gevolg van achttien personen,
op weg, om tegenbezoeken af te leggen. Ik begaf mij eerst naar de
woning van Ben-Ali: een dorp in het klein, eene verzameling van tembés
en hutten, in gedaante aan bijenkorven gelijk. Na een uur wandelens,
zat ik onder de veranda van dezen vermogenden man.
Na de moka-koffie en de sorbet, die mij werden aangeboden, te hebben
gebruikt, begaf ik mij naar de woning van Khamis-ben-Abdallah,
waar ik een groot gezelschap bijeen vond. Ik kwam juist op het
oogenblik, dat er een soort van krijgsraad zou gehouden worden,
en men noodigde mij uit, daaraan deel te nemen. Zekere Mirambo, zoo
vernam ik nu, lag sedert geruimen tijd overhoop met al de hoofden uit
den omtrek. Deze man, aanvankelijk een eenvoudige pagazi, had zich,
door allerlei middelen en streken, tot den hoogsten rang weten te
verheffen. Eenige gelukkige ondernemingen, waarbij zijne volgelingen
zich hadden verrijkt, hadden zijn gezag bevestigd; en sedert kende
zijne vermetelheid geene grenzen meer. Hij had zijne vernielende
strooptochten uitgestrekt tot aan Oevinza en Oekonoego; laatstelijk
had hij twist gezocht met Mkasihoua, vorst van Oenyanyembi, en nam
het nu den Arabieren kwalijk, dat zij weigerden hem in zijn oorlog
tegen hun ouden vriend te helpen. Als bewijs zijner ontevredenheid,
had hij van eene karavaan, die zich naar Oedsjidsji begaf, eene
schatting gevorderd van vijf vaatjes kruit, vijf geweren en vijf balen
katoen. Toen, na lange onderhandeling, deze buitensporige schatting
was betaald geworden, had hij de karavaan gelast terug te keeren,
met de verzekering, dat voortaan geen enkele karavaan zijn gebied
zou mogen doortrekken.
Seïd-ben-Selim, gouverneur der kolonie, had zijn uiterste best gedaan
om den tiran tot andere gedachten te brengen; maar Mirambo had naar
geen reden willen luisteren, en zeer duidelijk te verstaan gegeven,
dat hij de Arabieren zou verjagen en Oenyanyembi veroveren. Het gold
nu de vraag, wat men doen zou. Hoewel een enkele nog tot verzoening
ried, was toch de overgroote meerderheid van oordeel, dat aan deze
onbeschaamdheid een einde moest worden gemaakt; er werd dan ook tot
den oorlog besloten.
Volgens de Arabieren zou de zaak spoedig afgeloopen zijn en hoogstens
een veertien dagen duren. Ik bood mijne hulp aan; mijne bagage zou te
Mfoeto achterblijven, onder de hoede van enkelen mijner manschappen;
de anderen zouden met mij aan den krijgstocht deelnemen; was eenmaal
de weg vrijgemaakt, dan zou ik mijne reis vervolgen.
Den 18den Juli brak ik met mijne manschappen van Koeïhara
op. Aanvankelijk hadden zij zeer weinig ingenomenheid getoond met het
denkbeeld, hun lui en vroolijk leven vaarwel te moeten zeggen om te
gaan vechten, en misschien den dood op het slagveld te vinden. Maar
nu zij eenmaal op marsch waren, kwam hun strijdlustige natuur weer
boven; met geestdrift volgden zij het wapperende vaandel, en deden
de lucht weergalmen van hun eentonig gezang, dat uren lang achtereen
werd voortgezet.
In den morgen van den vierden dag kwamen wij te Mfoeto,
waar wij de Arabieren zouden vinden. Kort daarop waren hier
tweeduizend-tweehonderd-vijftig manschappen bijeen, waarvan
vijftienhonderd van vuurwapenen waren voorzien. Ook was er ammunitie
in overvloed. Wij vormden dus een niet onaanzienlijk leger.
Twee dagen later hielden wij halt voor Zimbiso, eene versterkte
plaats, waar een der schatplichtige leenmannen van den vorst van
Oehyohoué verblijf hield. Terwijl onze manschappen de hun aangewezen
posten bezetten, werden wij uit het woud met geweerschoten begroet,
waarop ons leger dapper antwoordde. Het was een wonderlijk gezicht,
die schutters met onbegrijpelijke vlugheid als kikvorschen heen en
weer te zien springen, nu ter zijde, dan naar voren, straks weder
naar achtereen. Toch was het gevecht ernstig gemeend; en nadat het
vuur des vijands tot zwijgen was gebracht, bestormden onze lieden de
vesting, braken de poorten open, en klauterden tegen de palissaden op,
terwijl de inwoners zich door eene haastige vlucht in het gebergte
poogden te redden.
Wij lieten in Zimbiso eene bezetting achter, en vervolgden
onzen tocht. Een uur later waren nog twee vijandelijke dorpen
in onze handen gevallen, geplunderd en in brand gestoken.--Den
volgenden dag verspreidden zich zevenhonderd soldaten door geheel de
omliggende streek, tot aan Voeïlyankoeroe, alles te vuur en te zwaard
verwoestende. Saoud-ben-Seïd en twintig andere jonge Arabieren sloegen,
aan het hoofd van vijfhonderd man, het beleg voor deze laatste plaats,
waar zij meenden dat Mirambo zich ophield. Reeds des morgens vroeg
was ik naar Ben-Selim gegaan, om hem onder het oog te brengen, dat
hij het hooge gras en de struiken in brand moest steken, waarin de
vijand zich zoo gemakkelijk kon verschuilen. Toen ik in mijne tent
terugkwam, werd ik op nieuw door de koorts aangetast, en het ongeluk
wilde dat men mijn raad in den wind sloeg.
Tegen zes uur in den avond vernam men te Zimbiso de noodlottige
tijding dat al de Arabieren, die Saoud gevolgd waren, waren
gesneuveld, benevens de grootste helft hunner soldaten. De meesten
mijner manschappen waren mede in den strijd getogen, vijf hunner,
waaronder de voormalige bediende van Grant, hadden den dood op het
slagveld gevonden. Latere tijdingen meldden ons, hoe de zaak zich had
toegedragen. De Arabieren hadden zich, na korten tegenstand, al spoedig
van Voeïlyankoeroe meester gemaakt. Zij waren reeds op den terugtocht,
honderd olifantstanden, twee- à driehonderd slaven en zestig balen
katoen als buit medevoerende, toen Mirambo en zijne krijgslieden, in
het hooge gras weggedoken, plotseling waren opgerezen, en de verraste,
met hun buit beladen, soldaten met een regen van kogels en pijlen
hadden begroet. De dappere Saoud had twee hunner aanvallers in het
zand doen tuimelen; hij was juist bezig zijn geweer voor de derde
maal te laden, toen een werpspies hem doorboorde. Al zijne vrienden
ondergingen hetzelfde lot.
Den volgenden morgen sprak men over den terugtocht; ik liet aan de
Arabieren zeggen, dat zij daardoor Mirambo gelegenheid zouden geven,
hen in hun eigen land aan te vallen; dat onze strijdkrachten nog ruim
voldoende waren, en dat de oorlog moest worden voortgezet; maar de
koorts dwong mij op mijn leger te blijven, en beroofde mij weldra van
alle bewustzijn. In den namiddag kwam mijn bediende Selim mij wekken:
"Sta op, mijnheer," zeide hij, "zij vluchten allen!"--Ik sleepte mij
met moeite naar de deur, en zag een Arabier, die doodelijk ontsteld,
mij toeriep: "Haast u! Mirambo is in aantocht!"
Zij waren inderdaad allen gevloden. Van mijne manschappen waren er
slechts zeven bij mij gebleven: al de anderen waren verdwenen. Ik zette
mij op mijn ezel, en draafde heen. Zoodra ik de Arabieren wederzag,
verweet ik hun hun lafhartig gedrag, en kondigde hen tevens aan,
dat ik verder geene gemeene zaak meer met hen maken kon, maar mijne
reis zou vervolgen.
Doch welken weg moest ik inslaan? De gewone weg was door den oorlog
afgesloten. Noordwaarts omtrekken? Daar viel niet aan te denken:
daar woonden de Voeasoehi, en de Voeatoeta, bekend vanwege hunne
roofzucht en bondgenooten van Mirambo. De zuidelijke richting was
verkieselijker; maar weinig lieden kenden dien weg, en de weinigen,
die er mede bekend waren, wezen op het gebrek aan water en op de
vijandelijke Voeazavira, door wier land deze weg voerde.--Maar
eer ik mijne keus op dezen of eenigen anderen weg vestigen kon,
moest ik nieuwe dragers vinden: want mijne tegenwoordige pagazis
beschouwden hun diensttijd als geëindigd, en de dood van vijf hunner
had hun ijver merkelijk doen bekoelen. Mijn toestand was inderdaad
moeilijk geworden, want de Voeanyamoeësi willen in oorlogstijd nooit
op reis gaan. Toch wilde ik de zaak nog niet opgeven: te minder daar
ik begreep, dat indien Livingstone zich nog in Oedsjidsji bevond, hij
dat land evenmin kon verlaten als ik Oenyanyembi: de oorlog sneed hem
den weg naar Zanzibar af; gebrek aan beschikbare middelen moest hem
beletten den Nijl af te zakken. Men had mij bericht, dat Livingstone,
bij het oversteken van het meer Liemba, door het omslaan van een zijner
booten, zijn ganschen voorraad katoen verloren had. De koopwaren,
die men hem sedert gezonden had, waren nog altijd onderweg met mijne
eigene bagage: het moest hem dus aan alles ontbreken.
Den 13den Augustus kreeg ik bericht dat Farquhar overleden was, even
als de bediende, dien ik bij hem gelaten had om hem op te passen. Hij
was de eerste van ons drieën, die weggenomen werd: wie zou nu volgen?
De oorlog woedde nog altijd voort, hoewel de Arabieren meer praatten
dan handelden. Den 22sten werden wij des morgens plotseling verrast
door kanongebulder in de richting van Tabora. Wij spoedden ons naar de
deur: het schieten hield nog steeds aan. Mirambo had, met tweeduizend
man, Tabora van de eene zijde aangetast; terwijl een duizendtal
Voeatoeta, door de hoop op buit aangelokt, de stad op andere punten
bestormden. Tegen den middag kwamen gansche scharen van vluchtelingen
naar Koeïhara, en brachten ons de tijding dat vijf der voornaamste
Arabieren gedood waren, en daaronder de dappere Khamis. Tabora was
een prooi der vlammen geworden; de inwoners verspreidden zich naar
alle kanten.
Ik liet in de dikke muren van onzen tembé behoorlijke schietgaten
boren, en alles in orde brengen voor mogelijken tegenweer. Dit gaf
mijnen lieden nieuwen moed; onderscheidene inboorlingen meldden
zich aan om ons te helpen; en des avonds had ik honderd-vijftig man
bijeen, die ik op de verschillende punten verdeelde, waar een aanval
te duchten was. Maar ook de volgende dag ging voorbij, zonder dat
wij iets van Mirambo gewaar werden; hij was naar Kazima getrokken,
een vlek twee mijlen ten noordwesten van Tabora gelegen. Den 27sten
trokken de Arabieren op, om het dorp aan te vallen; toen zij er kwamen,
was Mirambo reeds weder vertrokken. Zij bleven praten en redeneeren,
en opperden reeds het denkbeeld om naar Zanzibar terug te keeren,
daar het land nu toch verwoest was.
Daar het onmogelijk was Voeanyamoeësi in mijne dienst te krijgen,
huurde ik renegaten van Zanzibar, tegen driemaal het gewone loon. Maar
ik had niet genoeg soldaten, en ik zag geen kans er meer aan te
werven: want niemand toont hier den minsten lust om iets te doen of
te ondernemen. Shaw deed niets meer: hij zat letterlijk roerloos,
als een beeld, onbestemd voor zich heen te staren, zonder een hand
uit te steken. Ik bad en smeekte en dreigde en vleide: niets hielp,
hij bleef in dezelfde werkeloosheid verzonken. En toch was hij eens
zoo vlug en zoo handig, en in alles de eerste geweest! Bovendien slonk
het getal mijner oude soldaten: de een was blind geworden; een ander
leed aan eene afschuwelijke wond. Den 4den September stierf Barati aan
de pokken: hij was het zevende slachtoffer na ons vertrek van Zanzibar.
Den 15den September was mijne karavaan eindelijk voltallig: sedert
mijne komst in Oenyanyembi waren juist drie maanden verloopen. In de
hoop dat onze marsch daardoor zou worden versneld, had ik de vracht
van ieder man tot op vijftig pond verminderd. Te Koeïhara liet ik de
goederen achter, die ik eerst op onze terugreis zou noodig hebben;
en alle toebereidselen volbracht hebbende, gaf ik mijn manschappen
een paar dagen vrij, om zich met hunne vrienden en bloedverwanten op
mijne kosten te onthalen.
Den 20sten September vertrokken wij. Onze karavaan bestond uit
vier-en-vijftig personen: dragers, soldaten en anderen. Het had
moeite gekost ze bijeen te krijgen, en niet minder moeite hen zoover
te brengen, dat zij voor de reis gereed waren: maar eindelijk waren
wij dan toch op weg. Vier dagen later, na een tocht door eene fraaie,
heuvelachtige streek, kwamen wij te Kigandoe, waar wij onzen intrek
namen in een oud, verlaten kamp. Bij den ingang der palissade,
liet Shaw, die de gansche reis over geklaagd had, zich op den grond
nedervallen, en bleef onbewegelijk zitten. Toen ik hem aansprak,
antwoordde hij schreiende, dat hij naar Koeïhara wilde terugkeeren. Ik
trachtte hem van dat denkbeeld terug te brengen; ik wees er op dat hij
daar niemand zou vinden om hem op te passen: niets mocht baten. Ik
liet eenige levensmiddelen en een draagbaar voor hem gereed maken,
en huurde in het dorp vier krachtige mannen om hem te vervoeren. Den
volgenden morgen sloeg hij den weg in naar het noorden, terwijl ik
mij zuidwaarts richtte.
Wij beklommen eene hoogte, met reusachtige blokken van syeniet bezaaid,
die hoog boven het lage hout uitstaken. Vandaar overzagen wij een
landschap, dat voor ons niets verrassends had. Het grenzenlooze woud
strekte zich voor onze blikken uit; met bosch bedekte heuvelreeksen
verhieven zich in onafzienbare lijnen boven en achter elkander,
allengs wegsmeltende in de doorgloeide, trillende atmosfeer, die,
op zekeren afstand, alle voorwerpen als met een blauwachtigen sluier
omhulde. Dagen en weken achtereen ging onze tocht nu door eene
eindelooze opeenvolging van wouden, hier en daar afgebroken door
enkele dorpen, verloren te midden dezer groene wildernis; afgebroken
ook nu en dan door lage, moerassige gronden, met hooge jungles bedekt:
kweekplaatsen van de koorts.
Het was een treurige, moeilijke tocht. Mijn volk, door vermoeienis
uitgeput, dreigde zelfs een enkele maal in openbaar verzet te komen,
en werd alleen door mijne kalmte en tegenwoordigheid van geest in
bedwang gehouden. Selim, mijn getrouwe Selim, die mij van Jeruzalem
had vergezeld, en mij de uitnemendste diensten bewezen, werd zoo ziek,
dat wij in een der dorpen eenige dagen halt moesten houden, om hem
althans eenigszins tot zijne krachten te laten komen. Daar kwam bij,
dat overal in de omliggende streek, de stammen met elkander in oorlog
waren, waardoor onze reis zeer werd bemoeielijkt, en wij telkens van
den naasten weg moesten afwijken.
In de eerste dagen van November bereikten wij de oevers van den
Malagarazi, die zijne wateren in het meer Tanganjika uitstort. Daar
ontmoetten wij eene kleine karavaan, die uit Oedsjidsji kwam, en
ons belangrijke tijdingen bracht. "Een moussoungou is van Manyema
gekomen.--Een blanke?--Ja.--Hoe is hij gekleed?--Zooals gij.--Is
hij jong?--Neen, het is een oud man, met een grijzen baard.--Is hij
nog te Oedsjidsji?--Geen acht dagen geleden hebben wij hem daar
nog gezien.--"--Hoezee, dat was Livingstone! Nu haastig vooruit,
anders mocht hij ons ontsnappen! Ik beloof mijn manschappen ieder
acht ellen katoen, indien zij, zonder verder halt te houden, naar
Oedsjidsji zullen doormarscheeren. Allen namen mijn aanbod aan;
zij waren bijna even verheugd als ik zelf.
Aanstonds hervatten wij den tocht. Toch hadden wij nog met tegenspoed
te worstelen. Wij moesten, alvorens Oedsjidsji te bereiken, door
Oehha trekken, en den doortocht door dat land moesten wij van de
schraapzuchtige en bedriegelijke hoofden koopen door het betalen van
buitensporige schattingen, waaraan ik mij zeker niet zou onderworpen
hebben, ware het niet geweest dat elke bedenking moest wijken voor
de vurige begeerte om zoo spoedig mogelijk de lang gewenschte plaats
onzer bestemming, het einddoel onzer reis, te bereiken.
Eindelijk, na een nachtelijken tocht om ons aan verdere afzetterijen
te onttrekken, kwamen wij te Nyantaga, het eerste dorp in Oedsjidsji,
waar wij met groote vriendelijkheid ontvangen werden. Wij slaan ons
kamp op. "Haal mijne nieuwe kleederen uit den koffer," zeg ik tegen
Selim, "opdat ik in behoorlijk gewaad kunne verschijnen voor den man,
dien wij morgen zullen zien."