V.

Koeïkoeroe, de hoofdstad van Oenyanyembi, was de residentie

van Mkasihoua, het opperhoofd der Voeanyamoeësi van dit

gewest. Seïd-ben-Selim, de gouverneur der arabische kolonie, hield

mede daar zijn verblijf, en noodigde mij uit, hem naar zijne woning

te vergezellen. Eene dichte menigte stond langs onzen weg geschaard;

maar geen enkele kreet liet zich hooren: alleen het oude opperhoofd

en de Arabieren spraken tot mij.

Het huis van Ben-Selim stond op den hoek van een ruim plein, door een

staketsel afgesloten. Men schonk ons thee uit een zilveren trekpot;

in een overdekte schotel van hetzelfde metaal werden heete koekjes

gepresenteerd. Ik had nog niets gebruikt, en daarbij grooten trek;

de gouverneur zal zich waarschijnlijk wel verwonderd hebben over het

gemak, waarmede ik elf kopjes van zijne keurige thee uitdronk en eene

geduchte bres in zijn stapel gebakjes maakte. Nadat ik hem van harte

mijn dank had betuigd, haalde ik mijne pijp voor den dag.

"Vriend sheik, wilt gij rooken?" vroeg ik mijn gastheer.

"Dank u; de Arabieren rooken niet."

"Vergunt ge mij, dat ik na den eten, om de spijsvertering te

bevorderen....."

"O, zeker; ga gerust uw gang."

Nu begon het vragen over en weder. Nieuws van de reis; nieuws van

Zanzibar, van Maskate, van de oude kennissen: alles kwam te berde.

"Waar is tegenwoordig," vroeg Seïd-ben-Selim, "die Hadji Abdallah,

die hier zoowat twaalf jaar geleden geweest is met Spiki?"

"Die Abdallah heet bij ons Burton; hij is tegenwoordig consul te

Damaskus; Speke is op de jacht omgekomen."

"Ouallah! Is Spiki dood? jammer! jammer! het was zoo'n goede man."

"Maar," hernam ik, "zeg mij eens, waar ligt Kazeh?"

"Dat weet ik niet."

"Hoe nu! en gij waart zelf daar met Burton, met Speke, en later

met Grant. Hebben Burton en Speke hun intrek niet genomen bij

Moura-Mzouri?"

"Ja wel; maar te Tabora."

"Maar waar ligt dan toch Kazeh? Ik vraag dat aan iedereen, en niemand

kan het mij zeggen. Toch noemen de drie reizigers de plaats, waar

gij ze ontmoet hebt, met dien naam."

"Ik heb dien naam nooit gehoord. Maar, wacht eens: in de landtaal

beteekent Kazeh koninkrijk; misschien hebben zij de plaats, waar

zij bij hunne komst stilhielden, aldus genoemd. Zeker is het, dat ik

hen meermalen bezocht heb, en dat de beide huizen, waarin zij toen

verblijf hielden, te Tabora stonden. Maar ik zal u uwe woning toonen;

zij ligt te Koeïhara, en niet meer dan een uur gaans van Tabora."

Wij begaven ons op weg en bereikten weldra Koeïhara, in eene tamelijk

eentonige vallei gelegen. Voor de deur mijner woning, vond ik mijne

pagazis, nevens hun bagage op den grond gezeten.

"Treedt binnen," zeide Ben-Selim; "deze woning behoort aan u. Ziehier

het verblijf voor uwe manschappen; daar zijn de magazijnen, de keuken,

de gevangenis. Hier kunt ge de Arabieren ontvangen. Deze vertrekken

zijn voor uw reismakker. En deze hier zijn kamers voor u zelf:

slaapkamer, badkamer, wapenkamer, enz."

Ik moest nu in de eerste plaats zorgen voor het bergen der koopwaren,

en de betaling der pagazis, wier diensttijd verstreken was. Toen

dit alles was afgeloopen, en al de balen en pakken eene behoorlijke

plaats hadden gekregen, zette ik mij aan den maaltijd, die door slaven

voor mij was gereed gemaakt. Na den maaltijd verschenen weder eenige

slaven, die mij vijf vette ossen, acht schapen en tien geiten ten

geschenke brachten; van eene andere zijde ontving ik twaalf kippen

en een dozijn eieren. Zulk eene vorstelijke gastvrijheid had ik bijna

nog nooit ondervonden.

Den volgenden morgen kwamen de aanzienlijken van Tabora mij

begroeten. Tabora, door Burton, Speke en Grant Kazeh genoemd, is de

voornaamste arabische nederzetting in het binnenland van Afrika. De

stad telde toen meer dan duizend huizen; het getal der inwoners,

Arabieren, Zanzibariten en inboorlingen, kon veilig op vijf duizend

worden geschat.

Het was inderdaad een lust, mijne bezoekers te zien: bijna zonder

uitzondering waren het mannen met een schoon, edel voorkomen, vol

waardigheid en innemende bevalligheid tevens. De meesten waren van

het eiland Omar of Arabië afkomstig; sommigen waren van de kust van

Afrika geboortig. Aan hunne edelmoedigheid dankte ik de schitterende

geschenken, die mij den vorigen avond waren geworden. Zij waren

allen zeer vermogend, en leefden op grooten voet. De vlakte van

Tabora, hoewel arm aan boomen, is bij uitnemendheid vruchtbaar;

overal ziet men weilanden met vee, of akkers met rijst, sorgho,

maïs, gerst, sesam of andere vruchten bebouwd. Rondom hunne tembés

laten deze Arabieren rogge telen, en hebben zij vruchtboomen geplant,

die zeergoed opgroeien. Eens in het jaar ontvangen zij van de kust

den noodigen voorraad specerijen, ingelegde vruchten, wijn on andere

dranken: in een woord, alles waaraan zij behoefte hebben.

Het bezoek van deze groote heeren was niet meer dan eene beleefdheid;

ons gesprek was nietsbeduidend: eenige vragen naar mijne gezondheid

van hun kant, dankbetuigingen van mijne zijde; daarmede was alles

afgeloopen, en keerde mijne bezoekers naar hunne woning terug.

Drie dagen later begaf ik mij, met een gevolg van achttien personen,

op weg, om tegenbezoeken af te leggen. Ik begaf mij eerst naar de

woning van Ben-Ali: een dorp in het klein, eene verzameling van tembés

en hutten, in gedaante aan bijenkorven gelijk. Na een uur wandelens,

zat ik onder de veranda van dezen vermogenden man.

Na de moka-koffie en de sorbet, die mij werden aangeboden, te hebben

gebruikt, begaf ik mij naar de woning van Khamis-ben-Abdallah,

waar ik een groot gezelschap bijeen vond. Ik kwam juist op het

oogenblik, dat er een soort van krijgsraad zou gehouden worden,

en men noodigde mij uit, daaraan deel te nemen. Zekere Mirambo, zoo

vernam ik nu, lag sedert geruimen tijd overhoop met al de hoofden uit

den omtrek. Deze man, aanvankelijk een eenvoudige pagazi, had zich,

door allerlei middelen en streken, tot den hoogsten rang weten te

verheffen. Eenige gelukkige ondernemingen, waarbij zijne volgelingen

zich hadden verrijkt, hadden zijn gezag bevestigd; en sedert kende

zijne vermetelheid geene grenzen meer. Hij had zijne vernielende

strooptochten uitgestrekt tot aan Oevinza en Oekonoego; laatstelijk

had hij twist gezocht met Mkasihoua, vorst van Oenyanyembi, en nam

het nu den Arabieren kwalijk, dat zij weigerden hem in zijn oorlog

tegen hun ouden vriend te helpen. Als bewijs zijner ontevredenheid,

had hij van eene karavaan, die zich naar Oedsjidsji begaf, eene

schatting gevorderd van vijf vaatjes kruit, vijf geweren en vijf balen

katoen. Toen, na lange onderhandeling, deze buitensporige schatting

was betaald geworden, had hij de karavaan gelast terug te keeren,

met de verzekering, dat voortaan geen enkele karavaan zijn gebied

zou mogen doortrekken.

Seïd-ben-Selim, gouverneur der kolonie, had zijn uiterste best gedaan

om den tiran tot andere gedachten te brengen; maar Mirambo had naar

geen reden willen luisteren, en zeer duidelijk te verstaan gegeven,

dat hij de Arabieren zou verjagen en Oenyanyembi veroveren. Het gold

nu de vraag, wat men doen zou. Hoewel een enkele nog tot verzoening

ried, was toch de overgroote meerderheid van oordeel, dat aan deze

onbeschaamdheid een einde moest worden gemaakt; er werd dan ook tot

den oorlog besloten.

Volgens de Arabieren zou de zaak spoedig afgeloopen zijn en hoogstens

een veertien dagen duren. Ik bood mijne hulp aan; mijne bagage zou te

Mfoeto achterblijven, onder de hoede van enkelen mijner manschappen;

de anderen zouden met mij aan den krijgstocht deelnemen; was eenmaal

de weg vrijgemaakt, dan zou ik mijne reis vervolgen.

Den 18den Juli brak ik met mijne manschappen van Koeïhara

op. Aanvankelijk hadden zij zeer weinig ingenomenheid getoond met het

denkbeeld, hun lui en vroolijk leven vaarwel te moeten zeggen om te

gaan vechten, en misschien den dood op het slagveld te vinden. Maar

nu zij eenmaal op marsch waren, kwam hun strijdlustige natuur weer

boven; met geestdrift volgden zij het wapperende vaandel, en deden

de lucht weergalmen van hun eentonig gezang, dat uren lang achtereen

werd voortgezet.

In den morgen van den vierden dag kwamen wij te Mfoeto,

waar wij de Arabieren zouden vinden. Kort daarop waren hier

tweeduizend-tweehonderd-vijftig manschappen bijeen, waarvan

vijftienhonderd van vuurwapenen waren voorzien. Ook was er ammunitie

in overvloed. Wij vormden dus een niet onaanzienlijk leger.

Twee dagen later hielden wij halt voor Zimbiso, eene versterkte

plaats, waar een der schatplichtige leenmannen van den vorst van

Oehyohoué verblijf hield. Terwijl onze manschappen de hun aangewezen

posten bezetten, werden wij uit het woud met geweerschoten begroet,

waarop ons leger dapper antwoordde. Het was een wonderlijk gezicht,

die schutters met onbegrijpelijke vlugheid als kikvorschen heen en

weer te zien springen, nu ter zijde, dan naar voren, straks weder

naar achtereen. Toch was het gevecht ernstig gemeend; en nadat het

vuur des vijands tot zwijgen was gebracht, bestormden onze lieden de

vesting, braken de poorten open, en klauterden tegen de palissaden op,

terwijl de inwoners zich door eene haastige vlucht in het gebergte

poogden te redden.

Wij lieten in Zimbiso eene bezetting achter, en vervolgden

onzen tocht. Een uur later waren nog twee vijandelijke dorpen

in onze handen gevallen, geplunderd en in brand gestoken.--Den

volgenden dag verspreidden zich zevenhonderd soldaten door geheel de

omliggende streek, tot aan Voeïlyankoeroe, alles te vuur en te zwaard

verwoestende. Saoud-ben-Seïd en twintig andere jonge Arabieren sloegen,

aan het hoofd van vijfhonderd man, het beleg voor deze laatste plaats,

waar zij meenden dat Mirambo zich ophield. Reeds des morgens vroeg

was ik naar Ben-Selim gegaan, om hem onder het oog te brengen, dat

hij het hooge gras en de struiken in brand moest steken, waarin de

vijand zich zoo gemakkelijk kon verschuilen. Toen ik in mijne tent

terugkwam, werd ik op nieuw door de koorts aangetast, en het ongeluk

wilde dat men mijn raad in den wind sloeg.

Tegen zes uur in den avond vernam men te Zimbiso de noodlottige

tijding dat al de Arabieren, die Saoud gevolgd waren, waren

gesneuveld, benevens de grootste helft hunner soldaten. De meesten

mijner manschappen waren mede in den strijd getogen, vijf hunner,

waaronder de voormalige bediende van Grant, hadden den dood op het

slagveld gevonden. Latere tijdingen meldden ons, hoe de zaak zich had

toegedragen. De Arabieren hadden zich, na korten tegenstand, al spoedig

van Voeïlyankoeroe meester gemaakt. Zij waren reeds op den terugtocht,

honderd olifantstanden, twee- à driehonderd slaven en zestig balen

katoen als buit medevoerende, toen Mirambo en zijne krijgslieden, in

het hooge gras weggedoken, plotseling waren opgerezen, en de verraste,

met hun buit beladen, soldaten met een regen van kogels en pijlen

hadden begroet. De dappere Saoud had twee hunner aanvallers in het

zand doen tuimelen; hij was juist bezig zijn geweer voor de derde

maal te laden, toen een werpspies hem doorboorde. Al zijne vrienden

ondergingen hetzelfde lot.

Den volgenden morgen sprak men over den terugtocht; ik liet aan de

Arabieren zeggen, dat zij daardoor Mirambo gelegenheid zouden geven,

hen in hun eigen land aan te vallen; dat onze strijdkrachten nog ruim

voldoende waren, en dat de oorlog moest worden voortgezet; maar de

koorts dwong mij op mijn leger te blijven, en beroofde mij weldra van

alle bewustzijn. In den namiddag kwam mijn bediende Selim mij wekken:

"Sta op, mijnheer," zeide hij, "zij vluchten allen!"--Ik sleepte mij

met moeite naar de deur, en zag een Arabier, die doodelijk ontsteld,

mij toeriep: "Haast u! Mirambo is in aantocht!"

Zij waren inderdaad allen gevloden. Van mijne manschappen waren er

slechts zeven bij mij gebleven: al de anderen waren verdwenen. Ik zette

mij op mijn ezel, en draafde heen. Zoodra ik de Arabieren wederzag,

verweet ik hun hun lafhartig gedrag, en kondigde hen tevens aan,

dat ik verder geene gemeene zaak meer met hen maken kon, maar mijne

reis zou vervolgen.

Doch welken weg moest ik inslaan? De gewone weg was door den oorlog

afgesloten. Noordwaarts omtrekken? Daar viel niet aan te denken:

daar woonden de Voeasoehi, en de Voeatoeta, bekend vanwege hunne

roofzucht en bondgenooten van Mirambo. De zuidelijke richting was

verkieselijker; maar weinig lieden kenden dien weg, en de weinigen,

die er mede bekend waren, wezen op het gebrek aan water en op de

vijandelijke Voeazavira, door wier land deze weg voerde.--Maar

eer ik mijne keus op dezen of eenigen anderen weg vestigen kon,

moest ik nieuwe dragers vinden: want mijne tegenwoordige pagazis

beschouwden hun diensttijd als geëindigd, en de dood van vijf hunner

had hun ijver merkelijk doen bekoelen. Mijn toestand was inderdaad

moeilijk geworden, want de Voeanyamoeësi willen in oorlogstijd nooit

op reis gaan. Toch wilde ik de zaak nog niet opgeven: te minder daar

ik begreep, dat indien Livingstone zich nog in Oedsjidsji bevond, hij

dat land evenmin kon verlaten als ik Oenyanyembi: de oorlog sneed hem

den weg naar Zanzibar af; gebrek aan beschikbare middelen moest hem

beletten den Nijl af te zakken. Men had mij bericht, dat Livingstone,

bij het oversteken van het meer Liemba, door het omslaan van een zijner

booten, zijn ganschen voorraad katoen verloren had. De koopwaren,

die men hem sedert gezonden had, waren nog altijd onderweg met mijne

eigene bagage: het moest hem dus aan alles ontbreken.

Den 13den Augustus kreeg ik bericht dat Farquhar overleden was, even

als de bediende, dien ik bij hem gelaten had om hem op te passen. Hij

was de eerste van ons drieën, die weggenomen werd: wie zou nu volgen?

De oorlog woedde nog altijd voort, hoewel de Arabieren meer praatten

dan handelden. Den 22sten werden wij des morgens plotseling verrast

door kanongebulder in de richting van Tabora. Wij spoedden ons naar de

deur: het schieten hield nog steeds aan. Mirambo had, met tweeduizend

man, Tabora van de eene zijde aangetast; terwijl een duizendtal

Voeatoeta, door de hoop op buit aangelokt, de stad op andere punten

bestormden. Tegen den middag kwamen gansche scharen van vluchtelingen

naar Koeïhara, en brachten ons de tijding dat vijf der voornaamste

Arabieren gedood waren, en daaronder de dappere Khamis. Tabora was

een prooi der vlammen geworden; de inwoners verspreidden zich naar

alle kanten.

Ik liet in de dikke muren van onzen tembé behoorlijke schietgaten

boren, en alles in orde brengen voor mogelijken tegenweer. Dit gaf

mijnen lieden nieuwen moed; onderscheidene inboorlingen meldden

zich aan om ons te helpen; en des avonds had ik honderd-vijftig man

bijeen, die ik op de verschillende punten verdeelde, waar een aanval

te duchten was. Maar ook de volgende dag ging voorbij, zonder dat

wij iets van Mirambo gewaar werden; hij was naar Kazima getrokken,

een vlek twee mijlen ten noordwesten van Tabora gelegen. Den 27sten

trokken de Arabieren op, om het dorp aan te vallen; toen zij er kwamen,

was Mirambo reeds weder vertrokken. Zij bleven praten en redeneeren,

en opperden reeds het denkbeeld om naar Zanzibar terug te keeren,

daar het land nu toch verwoest was.

Daar het onmogelijk was Voeanyamoeësi in mijne dienst te krijgen,

huurde ik renegaten van Zanzibar, tegen driemaal het gewone loon. Maar

ik had niet genoeg soldaten, en ik zag geen kans er meer aan te

werven: want niemand toont hier den minsten lust om iets te doen of

te ondernemen. Shaw deed niets meer: hij zat letterlijk roerloos,

als een beeld, onbestemd voor zich heen te staren, zonder een hand

uit te steken. Ik bad en smeekte en dreigde en vleide: niets hielp,

hij bleef in dezelfde werkeloosheid verzonken. En toch was hij eens

zoo vlug en zoo handig, en in alles de eerste geweest! Bovendien slonk

het getal mijner oude soldaten: de een was blind geworden; een ander

leed aan eene afschuwelijke wond. Den 4den September stierf Barati aan

de pokken: hij was het zevende slachtoffer na ons vertrek van Zanzibar.

Den 15den September was mijne karavaan eindelijk voltallig: sedert

mijne komst in Oenyanyembi waren juist drie maanden verloopen. In de

hoop dat onze marsch daardoor zou worden versneld, had ik de vracht

van ieder man tot op vijftig pond verminderd. Te Koeïhara liet ik de

goederen achter, die ik eerst op onze terugreis zou noodig hebben;

en alle toebereidselen volbracht hebbende, gaf ik mijn manschappen

een paar dagen vrij, om zich met hunne vrienden en bloedverwanten op

mijne kosten te onthalen.

Den 20sten September vertrokken wij. Onze karavaan bestond uit

vier-en-vijftig personen: dragers, soldaten en anderen. Het had

moeite gekost ze bijeen te krijgen, en niet minder moeite hen zoover

te brengen, dat zij voor de reis gereed waren: maar eindelijk waren

wij dan toch op weg. Vier dagen later, na een tocht door eene fraaie,

heuvelachtige streek, kwamen wij te Kigandoe, waar wij onzen intrek

namen in een oud, verlaten kamp. Bij den ingang der palissade,

liet Shaw, die de gansche reis over geklaagd had, zich op den grond

nedervallen, en bleef onbewegelijk zitten. Toen ik hem aansprak,

antwoordde hij schreiende, dat hij naar Koeïhara wilde terugkeeren. Ik

trachtte hem van dat denkbeeld terug te brengen; ik wees er op dat hij

daar niemand zou vinden om hem op te passen: niets mocht baten. Ik

liet eenige levensmiddelen en een draagbaar voor hem gereed maken,

en huurde in het dorp vier krachtige mannen om hem te vervoeren. Den

volgenden morgen sloeg hij den weg in naar het noorden, terwijl ik

mij zuidwaarts richtte.

Wij beklommen eene hoogte, met reusachtige blokken van syeniet bezaaid,

die hoog boven het lage hout uitstaken. Vandaar overzagen wij een

landschap, dat voor ons niets verrassends had. Het grenzenlooze woud

strekte zich voor onze blikken uit; met bosch bedekte heuvelreeksen

verhieven zich in onafzienbare lijnen boven en achter elkander,

allengs wegsmeltende in de doorgloeide, trillende atmosfeer, die,

op zekeren afstand, alle voorwerpen als met een blauwachtigen sluier

omhulde. Dagen en weken achtereen ging onze tocht nu door eene

eindelooze opeenvolging van wouden, hier en daar afgebroken door

enkele dorpen, verloren te midden dezer groene wildernis; afgebroken

ook nu en dan door lage, moerassige gronden, met hooge jungles bedekt:

kweekplaatsen van de koorts.

Het was een treurige, moeilijke tocht. Mijn volk, door vermoeienis

uitgeput, dreigde zelfs een enkele maal in openbaar verzet te komen,

en werd alleen door mijne kalmte en tegenwoordigheid van geest in

bedwang gehouden. Selim, mijn getrouwe Selim, die mij van Jeruzalem

had vergezeld, en mij de uitnemendste diensten bewezen, werd zoo ziek,

dat wij in een der dorpen eenige dagen halt moesten houden, om hem

althans eenigszins tot zijne krachten te laten komen. Daar kwam bij,

dat overal in de omliggende streek, de stammen met elkander in oorlog

waren, waardoor onze reis zeer werd bemoeielijkt, en wij telkens van

den naasten weg moesten afwijken.

In de eerste dagen van November bereikten wij de oevers van den

Malagarazi, die zijne wateren in het meer Tanganjika uitstort. Daar

ontmoetten wij eene kleine karavaan, die uit Oedsjidsji kwam, en

ons belangrijke tijdingen bracht. "Een moussoungou is van Manyema

gekomen.--Een blanke?--Ja.--Hoe is hij gekleed?--Zooals gij.--Is

hij jong?--Neen, het is een oud man, met een grijzen baard.--Is hij

nog te Oedsjidsji?--Geen acht dagen geleden hebben wij hem daar

nog gezien.--"--Hoezee, dat was Livingstone! Nu haastig vooruit,

anders mocht hij ons ontsnappen! Ik beloof mijn manschappen ieder

acht ellen katoen, indien zij, zonder verder halt te houden, naar

Oedsjidsji zullen doormarscheeren. Allen namen mijn aanbod aan;

zij waren bijna even verheugd als ik zelf.

Aanstonds hervatten wij den tocht. Toch hadden wij nog met tegenspoed

te worstelen. Wij moesten, alvorens Oedsjidsji te bereiken, door

Oehha trekken, en den doortocht door dat land moesten wij van de

schraapzuchtige en bedriegelijke hoofden koopen door het betalen van

buitensporige schattingen, waaraan ik mij zeker niet zou onderworpen

hebben, ware het niet geweest dat elke bedenking moest wijken voor

de vurige begeerte om zoo spoedig mogelijk de lang gewenschte plaats

onzer bestemming, het einddoel onzer reis, te bereiken.

Eindelijk, na een nachtelijken tocht om ons aan verdere afzetterijen

te onttrekken, kwamen wij te Nyantaga, het eerste dorp in Oedsjidsji,

waar wij met groote vriendelijkheid ontvangen werden. Wij slaan ons

kamp op. "Haal mijne nieuwe kleederen uit den koffer," zeg ik tegen

Selim, "opdat ik in behoorlijk gewaad kunne verschijnen voor den man,

dien wij morgen zullen zien."

Stanley's tocht ter opsporing van Livingstone De Aarde en haar Volken, 1873 · 第 6 / 9 题