IV.

Den 4den Mei sloegen wij ons kamp op te Rehenneko, het eerste dorp

in Oesagara, waar wij den nacht doorbrachten. Het was eigenlijk

meer een vlek dan een dorp, aan den voet van een berg, in eene zeer

gezonde luchtstreek gelegen. Hooge, vierkante, van leem opgetrokken

muren omringden eene menigte kegelvormige hutten met spits toeloopende

daken, waarin ongeveer een duizendtal menschen huisden. In den omtrek

lagen nog onderscheidene andere, even welvarende en volkrijke dorpen,

wier inwoners zich door zekere onafhankelijkheid en vrijheid van

manieren kenmerkten.

Na vier dagen in deze liefelijke streek te hebben vertoefd, begonnen

wij de eerste steile hellingen van den berg te beklimmen. Op den top

gekomen, overzagen wij, als in een prachtig panorama, de gansche vallei

van de Makata, met hare heldere, snelvlietende wateren, als zilveren

snoeren door de vlakte kronkelend; hare palmbosschen, hare heuvelen

en bergen, in grootsche lijnen zich aansluitende aan de bergen van

Oeroegoeroe en Oesoeapanga, wier hooge toppen zich schemerend aan den

horizon afteekenden. Het was een heerlijk grootsch tafereel, dat ons

al de ellende en jammeren van den moeilijken tocht deed vergeten.

Onze weg voerde ons nu dwars door eene bergachtige streek, naar het

armoedige, smerige dorp Kiora, met niet veelmeer dan twintig huizen,

maar eene ongeloofelijke menigte kinderen en nog veelmeer insecten

van allerlei soort, bekend en onbekend. Hier vond ik Farquhar, den

chef mijner derde karavaan: maar in welken toestand! Nooit zou ik

mijn Farquhar hebben herkend in dien bleeken man, met vreeselijk

gezwollen beenen, die zich met groote moeite voortsleepte. Ik liet

ons kamp op een luchtigen, frisschen heuvel opslaan, en den zieke

daarheen brengen. Verder wist ik niets te doen, want ik kon zelfs niet

gissen wat hem eigenlijk scheelde. Hij was zeer gelukkig dat ik hem

gevonden had: maar wat zou ik nu met hem aanvangen? Ik kon hem niet

te Kiora achterlaten; en hoe zou ik het aanleggen om hem verder te

vervoeren? De kleine kar was onbruikbaar geworden; er was groot gebrek

aan ezels. Eindelijk stond ik hem den mijnen af, en wij begaven ons

op weg met de derde karavaan, die zich nu met de onze vereenigd had.

Na een tocht van acht mijlen, bereikten wij den oever van

de Moekoedokoea, de samenvloeiing van de beide Makata's en een

paar andere rivieren; en na dezen stroom te zijn overgetrokken,

bevonden wij ons in eene naakte wildernis, ontbloot van bosschen,

alleen hier en daar door struikgewas en cactussen verlevendigd,

en voorts eene opeenvolging van grijsachtig witte, door de zon

geblakerde rotsen. Vijf dagen lang moesten wij door deze gloeiende

woestijn voorttrekken, tot wij eindelijk den noordelijken oever van

het meer Oegombo bereikten, in de nabijheid van de berg van gelijken

naam. De oever van dit meer bestaat, over eene breedte van minstens

zestien ellen, uit een ongenaakbaar moeras, geheel met rietbosschen

en waterplanten bedekt, waartusschen het rivierpaard zich met zijn

log lichaam een weg baant. Hier komen giraffen, buffels, zebra's,

wilde zwijnen en kudden van antilopen, tegen het vallen van den avond,

hun dorst lesschen. Gansche zwermen van vogels drijven en dartelen en

spelen en zweven over de oppervlakte van het water. Vischarenden en

andere roofvogels beschrijven groote kringen in de lucht, loerende

op hunne prooi; uit het hooge struikgewas in den omtrek weerklinken

de kreten van het parelhoen en den toucan, het gekir der duiven, het

geschreeuw van den uil, en de stemmen van een aantal andere vogels,

in de dichte biezen verscholen.

Den 16den trokken wij door de vlakte, die zich ten westen van den

berg Oegombo uitstrekt, en waar baobabs, reusachtige tamarinden

en mimosas eene welkome schaduw verspreidden. Wij hadden vijf uren

gemarcheerd, toen de bergketen, waar langs wij voorttrokken, zich naar

het noordoosten wendde. Onze weg liep in noordwestelijke richting

en voerde ons naar de khambi van Mpoepoea, waar wij den sheik Thani

aantroffen, dien braven Arabier, wiens tusschenkomst bij de dochter

van Kisabengo ons zoo nuttig was geweest. Hij had zijne tent opgeslagen

onder een reusachtigen, wilden vijgeboom, en onthaalde zich sedert twee

dagen op schapen- en ossenvleesch en melkspijs. Hij scheen nog niet

van voornemen om spoedig de moeielijke reis te aanvaarden, die wij

zoo pas hadden afgelegd, en deed zijn best om ook mij over te halen,

hier te toeven en mijn manschappen en mijn beesten een paar dagen te

laten uitrusten. Het was aanvankelijk mijn plan geweest, zoo spoedig

mogelijk Oegogo te bereiken, dat mij als het beloofde land verscheen,

waar ik mijne uitgeputte krachten zou kunnen herstellen; maar toen

ik vernam, dat deze plaats niet minder gezegend en welvarend was,

gaf ik aan den raad van den Arabier gehoor. Weldra stroomden ons

van alle kanten eieren, melk, boter, honig, schapenvleesch, meel en

boonen, toe, en konden wij ons een heerlijken maaltijd bereiden, die

ons te beter smaakte, nadat wij twee maanden lang hoofdzakelijk van

een aftreksel van sorgho en half bedorven geitenvleesch hadden geleefd.

Intusschen was Farquhar zoo zwak geworden, dat hij de reis niet verder

kon voortzetten, te minder daar er op nieuw twee ezels gestorven waren,

zoodat het onmogelijk was geworden, hem een rijdier te bezorgen. Ik

vond voor hem eene zeer geschikte verblijfplaats in een der vele

dorpen van deze liefelijke landstreek. Leucolé, het opperhoofd van dat

dorp, een man, wiens gunstig uiterlijk mij dadelijk voor hem innam,

belastte zich met de zorg voor onzen zieke; hij beloofde mij, dat

hij Farquhar met eene goede karavaan naar de kust zou terugzenden,

zoodra de staat van zijne gezondheid dit zou toelaten.

Den 22ste Mei ontmoetten drie karavanen--die van Thani, die van

Hamed, een Arabier, die een paar dagen te voren was aangekomen,

en de mijne--elkander te Koenyo, een station, ruim drie-en-een-half

uur van Mpoeapoea verwijderd. Een voorsprong van den berg beschermt

het dorp tegen de hevige rukwinden, die uit de naburige kloven en

bergpassen schieten; maar het water is hier afschuwelijk. Aan deze

omstandigheid ontleent de vlakte, die Oesagara van Oegogo scheidt,

haren naam van Marenga-Mkali, dat wil zeggen, bitter water. Ondanks

den afschuwelijken smaak, drinken de Arabieren en de inboorlingen dit

water, zonder daarvan eenigen hinder te ondervinden; maar zij dragen

wel zorg dat hunne ezels daar niet van gebruiken. Hiermede onbekend,

liet ik mijne beesten vrij drinken, zooals zij dat altijd na een marsch

deden; maar weldra ondervond ik daarvan de noodlottige gevolgen:

weinige dagen later had ik vijf van mijne beste ezels verloren;

er bleven nu nog slechts vier over.

Toch maakte onze karavaan, bij ons vertrek van Koenyo, een waarlijk

indrukwekkende vertooning: ongeveer vierhonderd mannen, met een aantal

geweren, vlaggen, trommen en trompetten. Onder luid gerucht van muziek

en gezang en geschreeuw, toog men op weg. Die opwekking was wel noodig:

want om Oegogo te bereiken moesten wij twee dagreizen afleggen door

eene wildernis, waar geen enkele droppel water is te vinden.

Naarmate wij de grenzen van Oegogo naderden, begon de naakte bodem

zich met gras, straks met kreupelhout en geboomte te bedekken;

eindelijk zagen wij weder akkers en bebouwde velden: wij waren in

Oegogo. Gaandeweg nam nu het landschap een ander karakter aan: de

heuvelen waren met statige bosschen getooid; in de vlakte verhieven

zich overal, te midden der bebouwde velden, reusachtige baobabs. Wij

naderden een dorp; een man van zekeren leeftijd hoedde in het veld

eene kudde runderen, maar zag plotseling verbaasd op, toen hij mij

gewaar werd. Hij staarde mij een oogenblik aan, en riep toen met eene

luide stem, die ver in het ronde weerklonk: "_Yambo moussoungou,

yambo bana, bana!_" Nauwelijks was dit woord moussoungou vernomen,

of van alle kanten kwamen mannen, vrouwen en kinderen aanloopen,

om den vreemdeling te zien. De menigte groeide voortdurend aan, en

volgde ons op den weg, dringende en vechtende en joelende, als ware

ik een of ander monster geweest, dat ieder wilde zien. Ook toen wij

ons kamp hadden opgeslagen, bleef een nieuwsgierige volkshoop rondom

de doornige palissade geschaard; zich alles getroostende, om slechts

een blik te kunnen werpen op den moussoungou.

Den volgenden morgen trokken wij naar Mvoemi, waar het opperhoofd

dezer landstreek woonde. Hier vooral bleek het ons, dat de roem van

rijkdom, en vruchtbaarheid, die van dit gewest uitgaat, ten volle

verdiend is. Melk, maïs, sorgho, gerst, boonen, boter, vruchten:

alles werd ons in overvloed aangeboden, zonder dat wij noodig hadden

ons eenige moeite te geven. De aandrang der verkoopers was zoo groot,

dat zij bijna met de geringste betaling tevreden waren; zij namen

zelfs kleine lapjes katoen en versleten gordels aan.

Wij mochten niet van hier gaan, zonder de verschuldigde

schatting te betalen: dit te verzuimen zou gelijkstaan met eene

oorlogsverklaring. Twee slaven van Thani, slim en welbespraakt en

daarbij goed bekend met de hoofden en met de gewoonten des lands,

gingen van onzentwege den sultan vier-en-twintig el van verschillende

stof aanbieden. Dit geschenk werd onvoldoende geoordeeld, en ondanks

de welsprekendheid onzer gezanten, niet eenmaal aangenomen. De

sultan verlangde meer. Ik wilde eerst weigeren, maar Thani bracht

mij tot andere gedachten. "Ik moet toegeven," zoo sprak hij,

"anders zal de oorlog uitbarsten, uwe pagazis zullen wegloopen,

en u en uwe bagage in de macht laten der Vouagogo. Geloof mij: laat

ons den sultan niet verbitteren."--De slaven vertrokken weder, en

namen honderd-twintig el mede. Een uur later kwamen zij terug: het

geschenk was ditmaal aangenomen, maar nog niet voldoende geoordeeld:

het opperhoofd verlangde bovendien twee-en-zeventig el calicot en

twaalf snoeren zwarte kralen. Zij werden hem gezonden. De sultan nam

ze aan, maar merkte toen op dat de stof van den moussoungou te kort en

die der Arabieren van slechte kwaliteit was: hij verlangde mitsdien

nog twee-en-dertig el katoen. Mijn aandeel in die nieuwe schatting

bedroeg twaalf el; ik liet die zoo ruim mogelijk uitmeten, en zond ze

den sultan door Bombay. Maar de Arabieren spartelden tegen en leverden

maar acht el, in plaats van twintig. De sultan eischte nu dat de twaalf

ontbrekende ellen van kostbaarder stof zouden worden geleverd: en onzen

Arabieren schoot niets anders over, dan dien roover zijn zin te geven.

Den volgenden morgen verlieten wij deze koninklijke residentie,

en vervolgden onzen weg door een vruchtbaar, uitnemend bebouwd en

dichtbevolkt land, met welvarende dorpen bezaaid. Aan het volgende

station, te Matamboeroe, gekomen, vonden wij daar denzelfden toevloed

van nieuwsgierigen, en dezelfde verbazende begeerte om ons te zien. Het

opperhoofd, een man van eene herkulische gestalte, toonde zich vrij wat

handelbaarder dan zijn buurman. Hoewel hij gezag voerde over veertig

dorpen en dus eene vrij aanzienlijke macht tot zijne beschikking had,

stelde hij zich tevreden met twintig el katoen.

Toen ik den volgenden morgen de talrijke groepen gadesloeg, die

zich langs den weg hadden geschaard om den moussoungou te zien

voorbijgaan, kwamen mij de hooge eischen der opperhoofden minder

ergerlijk voor. Blijkbaar behoefde het hun niet de minste moeite

te kosten, om ons te berooven van alles wat wij hadden. Ik begon

zekeren eerbied te gevoelen voor een volk, dat, zich zijner kracht

bewust, daarvan toch geen misbruik maakt, en dat, ondanks de sterke

verzoeking, toch de karavanen ongehinderd zijn land liet doortrekken,

zonder iets anders te vorderen dan een zeker transito-recht.

Zoowel uit een physiek als uit een moreel oogpunt, staan de Vouagogo

hooger dan een der andere stammen, waarmede wij tot dusver kennis

hebben gemaakt. Hun voorhoofd doet u eenigszins aan dat van den

leeuw denken; hun gelaat heeft eene uitdrukking van verstand en

scherpzinnigheid; hunne oogen zijn groot en wijd geopend. Hun neus

is plat en hunne lippen zijn dik, maar toch niet in die mate, als bij

andere negers het geval is. Ondanks zijne heftigheid en opvliegendheid,

die hem, eenmaal in drift ontstoken, tot alles in staat doet zijn,

maakt de Mgogo een gunstigen indruk op ons. Hij is trotsch op zijn

opperhoofd, trotsch op zijn land, trotsch op zich zelf, op zijne

heldendaden, op zijne wapenen, op alles wat hem toebehoort. Hij is

ijdel, pralend, zelfzuchtig, heerschzuchtig, maar ook tot groote liefde

en toewijding bekwaam. Hij zal geen moeite ontzien, om iemand, dien

hij bemint, een dienst of een genoegen te doen; de hoofdfout van zijn

karakter, die hem vooral bij den vreemdeling van eene ongunstige zijde

doet kennen, is zijn hebzucht. Ondanks zijn krachtvol, indrukwekkend

voorkomen, ondanks zijne heftigheid, zijn prikkelbaren trots, zijn

twistzieken aard, wordt deze halve wilde toch een kind tegenover den

hooger beschaafde, die hem tracht te begrijpen, en, zonder hem te

kwetsen of te krenken, zijn karakter tracht te doorgronden.

De wapenen van een Mgogo zijn met veel kunst vervaardigd. Zij bestaan

uit een boog en scherpe pijlen; uit een paar assagaaien of werpspiesen;

uit een lans, waarvan de meer dan twee voet lange punt op het lemmer

van een sabel gelijkt; uit een bijl en een kleinen knots, roungou

genaamd. Van zijne kindsheid in de behandeling dezer wapenen geoefend,

weet hij, er op vijftienjarigen leeftijd volkomen mede om te gaan.

Moet er gevochten worden, dan gaat de bode van het opperhoofd van

het eene dorp naar het andere, uit alle macht op zijn ossenhoorn

blazende. Zoodra de Mgogo dit signaal verneemt, neemt hij zijn

spade op den schouder, spoedt zich naar zijne woning, en komt eenige

oogenblikken later weder te voorschijn in vollen krijgsdos: zijn hoofd

is versierd met struis-, arend- of valkenvederen; van zijne schouders

golft een lange roode mantel naar beneden. Aan zijn linkerarm hangt

een schild van olifants-, rhinoceros- of buffelhuid, met zwarte en

witte figuren beschilderd; in de eene hand houdt hij zijne lans,

in de andere zijne werpspiesen. Zijn lichaam is met rood geverfd;

aan de knieën en aan de enkels draagt hij belletjes, en om de polsen

een aantal ivoren ringen, waarmede hij van tijd tot tijd rammelt. Hij

heeft met de spade ook het voorkomen van den boer afgelegd; hij is

nu een krijgsman, vol moed en geestdrift, den tijger in kracht en

vlugheid gelijk en hunkerende naar het slagveld.

Evenals in het westen van Oesagara, zijn ook in Oegogo de woningen

nevens elkander langs de vier zijden van een veld of perk gebouwd,

dat daardoor geheel is ingesloten en waarop alle deuren uitkomen:

dit plein is de zoogenaamde _tembé_, dien wij tot aan het groote

meer overal zullen aantreffen. Het doorloopend platte dak der

woningen dient tot bergplaats voor het koren, het hooi, de tabak

en andere voortbrengselen van den landbouw. In den buitenmuur zijn

kleine openingen aangebracht, die tegelijk tot kijk- en schietgaten

dienen. In Oegogo is deze muur slechts van klei en aarde opgetrokken,

met drie of vier palen, waarop de balken rusten, die het platte dak

schragen. Een geweerkogel dringt zonder moeite door deze zwakke muren

heen, die daarentegen in Ochyanzi veel steviger zijn en inderdaad

eene soort van vesting mogen heeten. In ieder vertrek, dat door een

beschot van het aangrenzende wordt afgescheiden, woont een huisgezin,

waarvan de kinderen op beestenvellen op den grond slapen. De ouders

slapen op een soort van bed, bestaande uit een ossenhuid of de schors

van den myombo, op een raam uitgespannen. Onder de huisdieren mogen

alleen de katten, de koeien, en de schapen binnen de woning komen:

de honden en de ossen zijn buitengesloten.

Den 7den Juni, des morgens ten zeven uur, trokken wij over de grenzen

van Oegogo, waar onze manschappen, vanwege den zeer prikkelbaren

aard der inwoners, zich niet recht op hun gemak hadden gevoeld. Te

negen uur hielden wij halt aan den oever van de Maboengoeroe, nu eene

uitgedroogde beek, die Oegogo van Magoenda-Mkali scheidt; wij sloegen

ons kamp op ter hoogte van vierduizend-vijfhonderd voeten boven de zee.

De twee Arabieren, Thani en sheik Hamed, waren nog altijd bij ons;

die titel van sheik wordt hier beleefdheidshalve aan iederen Arabier

van middelbaren leeftijd en van zekeren stand gegeven. Hamed, aan wien

wij het bevel over de drie karavanen hadden opgedragen, was een klein

mager manneke, maar die het weinig indrukwekkende van zijn voorkomen

vergoedde door eene buitengewone levendigheid en bewegelijkheid. Hij

had nooit rust; zelfs in het kamp was hij onophoudelijk op de been,

heen en weder loopende, alles nasnuffelende, zich met alles bemoeiende

en allen voortdurend last en moeite veroorzakende. Wij hadden dien dag

twintig mijlen afgelegd, en verlangden dus hartelijk naar rust. Om

één uur na middernacht, bij helderen maneschijn, blies Hamed op den

hoorn, en gaf bevel tot opbreken. Zwijgend ging de karavaan op weg:

de thermometer teekende geen twaalf graden; de dauw was koud als

ijzel. De dragers, die bijkans geheel naakt waren, liepen zoo hard

zij konden om zich te verwarmen; velen hunner verwondden zich de

voeten door tegen de rotsen te stooten of in de doornen te loopen.

Te Oenyambogi aangekomen, gingen wij op den grond liggen, en weldra

waren allen in diepen slaap gedompeld. Toen ik ontwaakte was het

helder dag; de zon scheen mij in de oogen. Hamed was twee uren geleden

vertrokken; hij had Thani willen medenemen, die evenwel geweigerd

en hem zijn onverstand verweten had. Op het volgende station vonden

wij hem weder driftiger en onrustiger dan ooit. Zijne geliefkoosde

slavin was gestorven, en drie zijner dragers waren weggeloopen,

hunne bagage medenemende, waartoe ook de fraaie staatsiekleederen

behoorden, die sheik Hamed in Oenyanyembi hoopte aan te trekken,

om behoorlijk voor den dag te komen. Hamed trachtte vergeefs de

deserteurs op te sporen, en voegde zich weder bij ons. Toch verliet

hij ons eenige dagen later, toen wij te Koesoeri, aan de grenzen van

Magoenda-Mkali, waren gekomen. Daar moest ik ook Thani achterlaten,

wiens dragers voor het meerendeel door de pokken waren aangetast.

Na een tocht van enkele dagen bereikten wij Koeïkoeroe, ongeveer

twee mijlen ten zuiden van Tabora, de hoofdplaats der arabische

nederzettingen. Al mijne manschappen hebben hunne beste kleederen

aangetrokken; met ontplooide vaandels, slaande trom en schetterende

trompetten hielden wij onzen intocht in de stad, waarnaar wij weken

achtereen zoo verlangend hadden uitgezien.

Stanley's tocht ter opsporing van Livingstone De Aarde en haar Volken, 1873 · 第 5 / 9 题