De stad Zanzibar, die ik in alle richtingen heb doorkruist, heeft in
mijne herinnering een verward en onbevallig beeld achtergelaten. De
voorname, aanzienlijke wijk is eene warreling van nauwe bochtige
stegen, met witte huizen en met kalk bepleisterde straten; in de
wijk der Banyans is het eene opeenvolging van smalle, diepe, duistere
winkels, aan bedsteden gelijk: op den voorgrond eenige bronskleurige
mannen met roode tulbanden, en daarachter stapels van gemeene katoenen
stoffen: wit katoen, ongebleekt katoen, geruit, gestreept, gebloemd
katoen, katoen zonder einde; dan planken, zwoegende onder zware
olifantstanden; donkere hoeken, waar ge, in de schemering, hoopen
ruwe katoen, aardewerk, spijkers, gereedschappen en allerlei andere
artikelen, in bonte wanorde door elkander, ontdekt.--De negerwijk
laat de herinnering achter aan wollige kroeskoppen boven donkergele
of zwarte lichamen, meestal dampende van zweet: onbevallige gedaanten,
neergehurkt voor de deuren van ellendige krotten, lachende, babbelende,
twistende, schacherende, te midden van eene bedompte, stinkende,
bedorven lucht: een mengsel van allerlei uitwasemingen, van teer,
huiden, leer, verrottende planten en alle denkbare, niet te noemen
onreinheden en afval.
Ik herinner mij groote, stevig gebouwde huizen, met platte
daken en hooge gebeeldhouwde deuren, van zware ijzeren kloppers
voorzien; voor de deur zit eene of andere donkerkleurige gestalte,
met gekruiste beenen, nauwlettend den ingang van de woning des
meesters bewakende. Voorts, een tamelijk ondiepen zeearm, met booten,
sloepen, schuiten, arabische daous, en een vreemde stoomsleepboot,
half verzonken in het slib, dat de eb heeft achtergelaten. Eindelijk,
een plein, Nazi-Moya genaamd, waar de Europeanen, des avonds, met
loome schreden op en neder drentelen, om de frissche zeelucht in te
ademen; eenige graftomben van zeelieden, die hier den laatsten adem
hebben uitgeblazen; een groot gebouw, bewoond door den heer Doctor
Tozer, bisschop van Centraal-Afrika, de bisschoppelijke school,
en duizende andere dingen.... Al te gader verwarde en onbestemde
beelden, waarin ik ter nauwernood de Arabieren van de Afrikanen,
de Afrikanen van de Banyans, de Banyans van de Hindi, de Hindi van
de Europeanen kan onderscheiden....
Zanzibar is zoowel het Bagdad als het Stamboel van oostelijk Afrika:
het is de groote markt- en stapelplaats voor den handel in ivoor:
kopalhars, verfmos, huiden, kostbare houtsoorten en slaven; daar
worden, diep uit het binnenland, de zwarte dochteren van Oehiyoe,
van Oegindo, Oegogo en het land der Gallas aangevoerd, om in het
openbaar verkocht te worden. Zanzibar drijft bovendien handel in
kruidnagelen, peper, sesam, schelpen en kokosolie. De waarde van den
uitvoer wordt op zeven millioen gulden, die van den invoer op ruim
acht millioen geschat.
Deze geheele handel wordt door drie verschillende klassen van
lieden gedreven: door de Arabieren van Maskate, door de Banyans
en door de mohammedaansche Hindoes, die te zamen den hoogen en
den middelstand vormen. Zij zijn de grondeigenaars; zij bezitten
magazijnen en schepen; het geld en daarmede ook de macht, is in hunne
handen. De werkende klasse bestaat uit Afrikanen, hetzij dan slaven
of vrijen. Waarschijnlijk maken zij twee derde der bevolking uit,
die op tweehonderd-duizend zielen geschat wordt, waarvan omstreeks
de helft in de stad zelve woont.
De Banyan is een geboren handelaar, een schacheraar van nature; het
geld stroomt even natuurlijk in zijne zakken, als het water eene steile
helling afloopt; in slimheid, oneerlijkheid en doortrapte bedriegerij
wint hij het zelfs van den Jood, en kent geen mededinger dan den
Parsi; bij hem vergeleken, is de Arabier een onbedreven knaap. Toch
zou ik bijna durven beweren, dat de Hindi, waar het op geslepenheid
en boosaardige roofzucht aankomt, niet voor den Banyan onderdoet. Ik
heb mij zelf dikwijls afgevraagd, aan wie van beiden de palm toekwam:
en ik heb lang geaarzeld, eer ik die den Banyan toekende. Met zulk
soort van lieden zou ik thans te doen krijgen.
In de eerste plaats wenschte ik kennis te maken met den heer Kirk,
den consul en diplomatieken vertegenwoordiger van Groot-Brittanje. Hij
was de reisgezel van Livingstone geweest; en ik verbeeldde mij dat hij,
meer dan iemand anders, de man was, tot wien ik mij te wenden had om
eenige inlichtingen omtrent den beroemden reiziger, zijn vriend en
landgenoot, te bekomen.--De heer Webb stelde mij aan Dr. Kirk voor:
een schraal manneke, zeer eenvoudig gekleed, met eenigszins gebogen
rug, een mager gelaat, zwart haar en dito baard. Op het hooren van
mijn naam, trok hij zijne wenkbrauwen in de hoogte, en zag mij met
verbazing aan. Het gesprek liep over allerlei zaken; alleen als hij
over zijne jachtavonturen sprak, kwam er leven en beweging in zijne
stroeve trekken. Er werd geen woord gerept van hetgeen mij bovenal
ter harte ging; en ik moest den volgenden dinsdag afwachten, toen er
receptie was aan het britsche consulaat, om daarover met den consul
te kunnen spreken.
Ik had mij naar het consulaat begeven, en verveelde mij daar
schrikkelijk, toen de heer Kirk eindelijk medelijden met mij kreeg. Hij
kwam naar mij toe, liet mij een kostbaar geweer voor de olifantenjacht
zien, en begon mij iets te vertellen van zijne vroegere reizen met
Livingstone. Ik haastte mij, van de gelegenheid gebruik te maken.
"Waar denkt gij wel, dat Livingstone zich nu zou bevinden?" vroeg
ik hem.
"Dat is moeilijk te zeggen; misschien is hij wel dood; er zijn
reeds twee jaar verloopen, sedert wij het laatst tijding van
hem ontvingen. Telkens zenden wij hem allerlei zaken. Op dit
oogenblik staat weer eene kleine karavaan te Bagamoyo gereed om te
vertrekken. Hij moest nu terugkeeren; hij wordt oud; en als hij
kwam te sterven, zouden al zijne ontdekkingen verloren zijn. Hij
houdt geen dagboek, en maakt weinig of geene aanteekeningen; hij
schrijft vluchtig iets op eene kaart, of maakt daarop een teeken,
waaruit niemand wijs kan worden. Hij moest nu waarlijk terugkeeren,
en de taak aan jongere overlaten."
"Wat is het voor een man?" vroeg ik met levendige belangstelling.
"Iemand met wien het niet gemakkelijk is om te gaan. Persoonlijk
heb ik mij nooit over hem te beklagen gehad; maar hoe dikwijls heb
ik hem tegen anderen zich driftig zien maken! Dat komt, geloof ik,
omdat hij geen reismakkers nevens zich dulden kan."
"Maar stel eens, dat ik hem op mijne tochten ontmoet, wat zeer licht
gebeuren kan: hoe zou hij zich dan wel tegenover mij gedragen?"
"Om u de waarheid te zeggen, geloof ik niet dat hem dit aangenaam zou
zijn. Ik weet wel, dat wanneer Burton, of Grant, of Baker hem wilden
gaan opzoeken, en hij daarvan de lucht kreeg, hij dadelijk zou zorgen
dat een afstand van een paar honderd mijlen ondoordringbare wildernis,
moerassen en poelen hen van hem scheidde. Ik houd mij overtuigd,
dat hij het zou doen."
Behoef ik te zeggen, welken indruk die mededeelingen op mij maakten? Ik
was geheel uit het veld geslagen, en zou gaarne van mijn voornemen
hebben afgezien, indien de plicht mij niet ware opgelegd. Trouwens,
toen ik de taak op mij nam, Livingstone te gaan zoeken, wist ik heel
goed, dat mijn pad niet met rozen bestrooid zou zijn. De last was
stellig; ik had de verplichting op mij genomen; en al had ik nu zeker
geweten, dat ik als een indringer, als een ongeroepen mededinger,
als iemand die zich bemoeit met dingen, die hem niet aangaan, zou
worden afgewezen--toch moest ik Livingstone opzoeken, hem vinden zoo
hij nog in leven was, of anders mij de bewijzen verschaffen dat hij
was overleden. Dit was mijn plicht, en dus ook mijn vaste wil.
Ik wist volstrekt niet, wat er al zoo voor eene expeditie naar het
binnenland van Afrika noodig was; en den ganschen nacht tobde ik
over vragen als deze:--Hoeveel geld moet ik medenemen?--Hoeveel
dragers?--Hoeveel soldaten? (Daarmede bedoelde ik de vrije negers,
van Zanzibar geboortig, of de vrijgelaten slaven, die de reizigers
vergezellen, en zich zelf _Askari_ noemen, een hindoesch woord dat
soldaat beteekent).--Hoeveel katoen, glaswerk, koperdraad en andere
snuisterijen?--Welke soorten van stoffen?--En op al die vragen
zocht ik te vergeefs een antwoord. Ik bedekte gansche vellen papier
met eindelooze reeksen van cijfers, om uit te rekenen hoeveel het
onderhoud van honderd man mij per jaar wel kosten zou: en ik kwam
tot geen resultaat. Ik bestudeerde Burton, Speke en Grant: ik vond
heel veel geographische, ethnographische en andere geleerdheid, maar
geen enkel woord omtrent de inrichting eener karavaan. De europeanen,
die ik daarover sprak, waren op dat punt al even wijs als ik; het
was ook trouwens hun zaak niet.
Eindelijk wendde ik mij tot een Arabier, een vermogend en deftig
man, die juist uit het binnenland was teruggekeerd, en die de eerste
kooplui der stad in zijn huis ontving. Van hem vernam ik, dat voor
het onderhoud van honderd manschappen, tien doti of veertig ellen
katoen per dag voldoende waren; mijne reis op twee jaren rekenende,
had ik dus vijftigduizend el katoenen stof noodig, die ik nu verder
moest uitzoeken.--Dan, het glaswerk, of liever de glazen koralen,
die in vele streken de eenige munt zijn. Het lastige hierbij was,
dat de smaak bij de verschillende stammen zeer uiteenloopt: de eene
wil witte kralen, een andere bruine of groene; in Oenyamoeëzi bij
voorbeeld, zijn de roode kralen zeer in trek, met uitsluiting van
alle anderen; in Oegogo daarentegen verlangt men alleen de zwarte,
die nergens anders gangbaar zijn. Burton moest eenige duizende
kralensnoeren weggooien, die niemand hebben wilde.
Ik moest dus, hoe ongaarne ook, aan dit punt al mijne aandacht
wijden, en zooveel mogelijk trachten te berekenen, hoeveel tijd
ik in elke landstreek waarschijnlijk zou doorbrengen. Dat was een
vermoeiende arbeid. Telkens en telkens herhaalde ik bij mij zelf
de namen van dingen en maten en gewichten: barbaarsche namen, die
ik maar niet kon onthouden, en die mijn geduld op eene zware proef
stelden. Eindelijk, na allerlei berekeningen, kwam ik tot het besluit,
dat vijf-en-twintigduizend snoeren voldoende zouden zijn, en dat ik
mij tot elf verschillende soorten kon bepalen.
Maar ik was nog niet klaar: na de glaskoralen, het koperdraad. In
de landstreek, die ik ging doortrekken, vervangen de glaskoralen
het kopergeld; de katoenen stoffen, het zilvergeld; en aan gene
zijde van het meer Tanganjika, bekleedt het koperdraad de plaats van
gouden munt. Met groote moeite, kwam ik eindelijk tot de wetenschap,
dat draden van ongeveer de dikte onzer telegraafdraden, de meest
gezochte waren, en dat ik aan driehonderd-vijftig pond koperdraad
meer dan genoeg zou hebben.
Toen deze inkoopen volbracht waren, kon ik niet nalaten met zekere
zelfvoldoening een blik te werpen op mijne balen, netjes in de ruime
magazijnen van het consulaat gerangschikt. Toch was mijne taak
nog op verre na niet afgeloopen: nog ontbraken er mondbehoeften,
keukengereedschap, zakken, tenten, tuigen voor de ezels, teer,
zeildoek, naalden, gereedschappen, wapenen, ammunitie, geneesmiddelen,
dekens: in een woord, honderde artikelen die nog allen gekocht moesten
worden. En dan--het loven en bieden met die doortrapte, schraapzuchtige
kooplui! Voor de ezels, waarvan ik er twee-en-twintig noodig had,
vroeg men mij honderd tot honderd-vijf-en-twintig gulden het stuk;
ik kreeg ze eindelijk voor tusschen de veertig en vijftig gulden;
maar wat had ik daarvoor niet moeten redeneeren en pleiten, als gold
het eene halszaak! Ik kon geen kaart spelden koopen, zonder dat er
over den prijs getwist werd, hetgeen natuurlijk eindeloos veel tijd
kostte en mij soms buiten mij zelven bracht.
Toen ik de ezels gekocht had, ontdekte ik dat er in de gansche stad
geen pakzadel te krijgen was. Er schoot niet anders over, dan ze
zelf te maken. Farquhar en ik togen aan het werk, en slaagden er in
de noodige pakzakels te vervaardigen van touwen, zeildoek en katoen;
wij volgden daarbij hetzelfde model, waarvan het engelsche leger bij
den veldtocht in Abessinië had gebruik gemaakt.
Omstreeks dezen tijd kwam John William Shaw, te Londen geboren, en
derde stuurman op een amerikaansch koopvaardijschip, mij zijne diensten
aanbieden. Hoewel zijn vertrek van zijn schip een weinig verdacht was,
vond ik daarin toch geen reden om hem af te wijzen. Hij was vlug en
behendig, kon goed met de naald en schaar omgaan, had verstand van
varen, was werkzaam en voorkomend; ik nam hem dus in mijne dienst,
tegen een loon van zevenhonderd gulden per jaar. Mijn andere bediende,
Farquhar, was een zeer bekwaam zeeman, en een knap mathematicus; hij
was krachtig gebouwd, vol energie en had een goed karakter; jammer
genoeg was hij aan den drank verslaafd, en het losbandige leven,
dat hij te Zanzibar leidde, zou hem weldra noodlottig worden.
Toen ik met mijne inkoopen klaar was, moest ik nog twintig man
aanwerven, die mij tot geleide moesten dienen, en hen wapenen en
uitrusten. Johari, de tolk van het consulaat, sprak mij over enkele
inlanders, die Speke op zijne reis hadden vergezeld. Het scheen mij
een groot voorrecht toe, indien het mij mocht gelukken, menschen in
mijne dienst te krijgen, die met de europeesche gewoonten en manieren
bekend waren, en die misschien andere geschikte personen zouden
overhalen om met hen te gaan. Vooral had ik aan Bombay gedacht, den
trouwen hoofdman van het geleide van Speke. Met behulp van Johari,
slaagde ik er in weinige uren in mij te verzekeren van Oeledi, den
voormaligen bediende van Grant; van Oelimengo, Barati, Mabroeki,
den bediende van Burton, en van Ambari, die alle vijf deel hadden
uitgemaakt van het gevolg van Speke. Bombay, de aanvoerder van het
geleide, bezorgde mij bovendien achttien vrijwilligers, die, zooals hij
verzekerde niet zouden wegloopen, en voor wier trouw hij instond. Het
waren mooie, welgevormde mannen, die er veel verstandiger uitzagen,
dan ik ooit van wilde Afrikanen had verwacht. Hunne maandelijksche
bezoldiging werd op drie dollars bepaald; ieder van hen ontving een
musket, een kruidhoorn, een zak met kogels, een bijl, een mes, en de
noodige ammunitie voor tweehonderd schoten.
Ik ontveinsde mij geene enkele der vele moeilijkheden en bezwaren,
aan mijne onderneming verbonden, en beijverde mij zooveel mogelijk,
maatregelen te nemen om die moeilijkheden en bezwaren, die ik kon
vermoeden dat mij wachtten, te overwinnen. Als ik, aan den oever van
het meer Tanganjika gekomen en den overkant voor mij ziende, eens werd
opgehouden door den onwil van een of ander opperhoofd of de luimen van
een Arabier? Moest ik daarvan afhankelijk zijn? Om dit te voorkomen
kocht ik twee booten; de eene, waarvoor ik tachtig dollars betaalde,
kon twintig personen bevatten, met de noodige koopwaren; in de andere
konden zes personen met hunne bagage gemakkelijk plaats vinden. Ik
nam die vaartuigen uit elkander, en behield alleen het geraamte;
de rest verdeelde ik in pakken, die niet meer dan acht-en-zestig
pond wogen. De houten bekleeding werd vervangen door een bekleedsel
van stevig, geteerd, dubbel zeildoek: eene uitvinding van John Shaw,
die bij dit werk eene groote handigheid aan den dag legde.
Ik verbeeldde mij dat een kleine kar, geschikt voor de bijkans
onbegaanbare wegen des lands, ons heel goed te pas zou kunnen
komen. Zoo een ezel honderd-veertig pond kon dragen, was het toch
waarschijnlijk, dat hij het dubbele van dien last zou kunnen trekken:
zoo doende zouden vier mannen zijn uitgewonnen. Of ik goed gezien had,
zal later blijken.
Toen ik, nadat al deze voorbereidende werkzaamheden waren afgeloopen,
die lange reeksen van balen en zakken, van kisten en valiezen, die
tenten, die stapels van goederen van allerlei aard overzag, stond ik
een oogenblik versteld over mijne eigene stoutmoedigheid. Hoe zou ik
deze gansche massa door de woestijn vervoerd krijgen, die zich van de
kust tot aan de groote binnenlandsche meren uitstrekt?--Komaan! zeide
ik bij mij zelf, geen moed verloren! Handen uit de mouwen en aan
het werk! Iedere dag heeft genoeg aan zijn eigen kwaad; loopen wij
niet vooruit op den morgen. Het maximum van vracht voor een drager is
zeventig pond; aangenomen dat die rommel daar elfduizend pond weegt,
dan heb ik zoo wat honderd-zestig dragers noodig. Ik moet zien die
te krijgen. Te Bagamoyo zijn ze te vinden: alzoo naar Bagamoyo.
Eene laatste onaangenaamheid wachtte mij nog bij de betaling mijner
rekeningen. Laat ieder, die te Zanzibar komt, zorgen dat hij baar
geld bij zich heeft. Credietbrieven, wissels, banknoten, mandaten,
wat ook, niets wordt hier aangenomen, zonder eene korting van twintig
tot dertig percent per dollar; en dan nog kost het de grootste moeite
uw papier kwijt te raken. Eindelijk was toch ook dit afgeloopen. Mij
restte nu nog slechts de Europeanen te bedanken, die mij hunne hulp en
medewerking hadden verleend, en afscheid te nemen van zijne hoogheid
den sultan, die mij een arabisch paard ten geschenke had gegeven en mij
ook op andere wijze zijne goede gezindheid had betoond. Hij gaf mij nu
aanbevelingsbrieven mede voor zijne ambtenaren langs de kust, en ook
een firman gericht aan alle Arabieren, die ik onder weg zou ontmoeten.
Mijn laatste bezoek was aan den heer Goodhen, een amerikaansch
koopman, sedert geruimen tijd te Zanzibar gevestigd, en die mij,
bij het afscheid nemen, een bruinen vos ten geschenke gaf, een echt
raspaard, van de Kaap afkomstig, en dat minstens vijftienhonderd
gulden waard was.
Den volgenden dag, 5 Februari, negen-en-twintig dagen na onze komst
op het eiland, lagen vier daous, arabische barken, ten anker voor
het consulaat der Vereenigde-Staten. Alles was ingescheept, alle
man was aan boord: John Shaw en Farquhar verschenen niet. Eindelijk,
na lang zoeken, vond men ze bij een drankverkooper.
"Een slecht begin," zeide ik tot hen.
"Denkt ge niet, mijnheer, dat ik verkeerd gedaan heb, toen ik beloofde
met u te gaan?" vroeg Shaw.
"Hebt gij het contract niet geteekend?" vroeg ik op mijn beurt. "En
nu, spoedig aan boord. Wat ons ook te wachten sta, niemand mag zijn
plicht verzaken!"