II.

De afstand van het eiland Zanzibar naar Bagamoyo op den vasten wal

bedraagt niet veel meer dan vijf-en-twintig mijlen: toch had onze

luie daou niet minder dan tien uren voor die reis noodig.

Eene bonte volksmenigte; uit Arabieren, Banyans en inlanders bestaande,

stond ons op het strand op te wachten; onder hen merkte ik een der

geestelijken op van de missie, die de Jezuïeten te Bagamoyo hebben

gesticht. De eerwaarde pater bood ons, met uitgezochte beleefdheid,

dadelijk de gastvrijheid aan; maar hoe hartelijk en dringend de

uitnoodiging ook mocht zijn, toch nam ik haar slechts voor een enkelen

nacht aan, daar mijne vrijheid mij boven alles waard is.

Den volgenden morgen begaf ik mij reeds vroeg naar ons kamp en telde

mijne ezels; ik miste er twee, benevens een rol koperdraad. Blijkbaar

hadden al onze lieden geslapen, zonder aan dieven te denken. De

djemadar, de kommandant der plaats, werd van het voorgevallene

onderricht, soldaten werden in verschillende richtingen uitgezonden;

aan den vinder van het vermiste werd eene belooning toegezegd. Nog

voor den avond werd een der ezels teruggevonden in een maniokveld,

waar hij rustig de bladeren afknabbelde; de andere was evenwel voorgoed

verdwenen, evenals het koperdraad.

In den loop van den dag ontving ik een bezoek van Ali-ben-Selim,

die mij kwam begroeten. Zijn broeder het voormalige opperhoofd der

karavaan van Burton en Speke, zou mijn agent zijn in Oenyanyembe;

ik liet mij door zijne beleefdheid innemen, en ging des avonds een

kop koffie bij hem drinken. De koffie, hoewel zonder suiker gebruikt,

was zeer goed; en het onthaal was zoo vriendelijk mogelijk.

"Wat kan ik voor u doen? ik ben uw vriend, en wensch niets liever

dan u dit te toonen."

"Ik heb groote behoefte," antwoordde ik, "aan een vertrouwd persoon,

die mij zoo spoedig mogelijk aan de noodige dragers helpt. Zoo gij

er mij honderd-veertig bezorgen kunt; wil ik u gaarne betalen wat

gij vraagt."

"Mij betalen voor zoo kleine dienst!" hernam de slang, op

zoetvloeienden, zalvenden toon. "Ik vraag u niets, mijn vriend;

en wees maar gerust, over veertien dagen zijt gij niet meer hier."

Twee gewichtige redenen deden mij een spoedig vertrek zeer wenschelijk

achten. Was het waar, dat Livingstone, zooals de heer Kirk beweerde,

eene ontmoeting met mij zou trachten te vermijden, dan kwam het er voor

mij op aan, Oedzjidzji te bereiken, vóór het gerucht mijner komst tot

daar kon zijn doorgedrongen. Nu was de masika, de regentijd, niet verre

meer: overviel zij mij te Bagamoyo, dan zou ik daar moeten vertoeven,

tot zij voorbij was: minstens een oponthoud van veertig dagen.

Getrouw aan zijne belofte, kwam Ali den volgenden morgen bij mij,

en onderzocht met een zeer ernstig gezicht, mijne bagage. Hij

deelde mij mede, dat al die pakken en balen in matten zakken gepakt

moesten worden, en dat hij iemand zou zenden om daarvan de maat te

nemen. Vooral drukte hij mij op het hart, niet met dien man over

den prijs te spreken; daar zou hij voor zorgen. Het inpakken mijner

goederen had ik opgedragen aan een zekeren Jetta, commissionnair te

Zanzibar, die alles door elkander had ingepakt, zonder zich om het

gewicht te bekommeren. Nu verschijnen op zekeren dag twee pagazis

(dragers), die, eer zij zich verhuren, de bagage wenschen te zien. Zij

lichten de pakken op, trekken een bedenkelijk gezicht, en weigeren

eene overeenkomst aan te gaan. De bagage wordt nu gewogen: elk pak

woog minstens dertig pond meer dan het bepaalde maximum. Alles moest

weder losgemaakt, uit elkander genomen en op nieuw ingepakt worden.

Dit verdrietig werk was eindelijk afgeloopen; de veertien dagen waren

verstreken: en nog was er geen drager te zien. Ik zond Mabroeki naar

Ben-Selim. "Over eenige dagen zult ge ze allen hebben," antwoordde de

Arabier; maar ik geloof er geen woord van, zeide Mabroeki, die mij

de boodschap overbracht; ik heb hem hooren zeggen, dat de sultan u

aan den djemadar had aanbevolen, en dat hij zich met uwe zaken niet

had te bemoeien.--De veertien dagen waren verloren!

Ik herinnerde mij nu, dat een rijke Hindi mij gesproken had over een

zekeren Hadji Pallou, die wel nog zeer jong was, maar toch, volgens

hem, zijns gelijke niet had, als het op het vormen eener karavaan

aankwam. Dat was nog eene laatste uitkomst. Ik zond mijn tolk naar

Zanzibar; na verloop van drie dagen keerde hij terug met een brief

van den Hindi, en eene menigte zeer nuttige en bruikbare zaken, die de

heer Webb mij zond. Korten tijd daarna ontving ik een bezoek van Sour

Hadji Pallou. Hij deelde mij mede, dat er geen dragers dan tegen zeer

hoogen prijs te bekomen waren; dat eene menigte Arabieren steeds op

de loer lagen naar elke gelegenheid om er eenigen meester te worden,

en ieder man met twintig doti (tachtig el katoen) betaalden. En

toch moesten zij, die geen hooger bod deden, dikwijls nog een half

jaar wachten. "Zoo gij spoedig wilt vertrekken, zeide hij eindelijk,

moet gij minstens vijf-en-twintig doti geven; dan zult ge binnen drie

weken gereed zijn."

"Het is goed," antwoordde ik, terwijl ik hem tevens liet zien dat ik

genoegzamen voorraad van stoffen had om ruim te kunnen betalen;--"en

voegde ik er bij, gij zult bovendien een geschenk ontvangen, waarmede

gij tevreden zult zijn."--"Een geschenk! O, neen! volstrekt niet!" hij

verzocht mij alleen aan mijne vrienden en landgenooten te doen weten,

"welk een geschikt, fatsoenlijk jongmensch hij was." Toen verhaalde

hij mij, tot mijne groote verwondering, dat hij bij zich aan huis

tien dragers had; en dat zoo ik hem aanstonds vier balen katoen, twee

zakken met koralen en twintig rollen koperdraad zond, de pagazis reeds

den volgenden morgen, met drie mijner soldaten, zouden vertrekken;

"want kleine karavanen verdienden de voorkeur boven groote, die de

begeerlijkheid der stamhoofden opwekten en hen maar al te dikwijls tot

vijandelijkheden uitlokten; de kleine daarentegen trokken ongemerkt

voorbij."

De balen werden aan zijn huis bezorgd; ik wenschte mij zelf geluk,

dat ik met dien geschikten fatsoenlijken jonkman in aanraking was

gekomen, en schreef in mijn dagboek eene schitterende lofrede

over zijne bekwaamheid, hulpvaardigheid en belangeloosheid. Ik

dacht er reeds over na, welk geschenk ik hem geven zou, toen

hij den volgenden morgen bij mij kwam "om de zaak af te doen,"

en mij, met de onverstoorbaarste kalmte, zijne rekening voorlei:

"Eene som van.... wegens de betaling van vijf-en-twintig doti, als

loon, aan iederen drager." Hij verzocht mij tevens, die rekening

zoo dadelijk in klinkende munt te betalen. Ik wist letterlijk niet

wat ik zeggen zou. Ik nam de vrijheid, dien fatsoenlijken jonkman

onder het oog te brengen, dat toen ik hem gisteren de drieduizend

doti liet zien, die in mijne tent waren, wij hadden afgesproken,

dat ik zelf de dragers betalen zou. Hij stemde dit toe, maar kwam er

openlijk voor uit dat hij zijne eigene waren wenschte te verkoopen,

en niet de mijne: en dat hij daarom het contract maar had ter zijde

gesteld. Ons gesprek duurde langer dan een uur. De brave jongeling

smeekte en bad en schreide, en beloofde dat hij zich nooit meer met

mijne zaken zou bemoeien. Ik gaf evenwel niet toe; en eindelijk ging

Hadji Pallou, tevreden met het commissieloon dat hem niet ontgaan kon,

heen, de drie soldaten met zich nemende, die zijne dragers moesten

vergezellen. Toen zijn katoen hem terug werd gegeven, bleek het, dat

in plaats van de vijf-en-twintig doti, die hij mij in rekening bracht,

de pagazis er hoogstens ieder niet meer dan twintig hadden ontvangen;

sommigen waren met twaalf doti afgescheept.

Toch moest ik de hulp blijven inroepen van dien schavuit, die,

terwijl hij de halve stad door zijne in het oog loopende vroomheid

stichtte, mij tien malen per dag bestal, en als hij ontdekt werd,

daarover niet de minste schaamte gevoelde. Gedurende de zes weken,

die ik daar heb doorgebracht, heeft die onbeschaamde jongen mij meer

last en hoofdbreken veroorzaakt, dan al de gauwdieven van New-York

aan de--het is waar tamelijk zorgelooze--politie. Wellicht zal men mij

vragen, waarom ik dien fielt niet dadelijk de deur heb gewezen? Omdat

ik zonder hem misschien zes maanden te Bagamoyo had moeten blijven.

Den 18den Februari ging de eerste afdeeling mijner karavaan op weg;

de tweede volgde op den 21sten, vier dagen later vertrok de derde;

den 11den Maart ging de vierde op reis, en den 21sten dier maand de

vijfde of laatste, waartoe ik zelf met Shaw behoorde. Verder bestond

ons gezelschap uit acht-en-twintig pagazis, twaalf soldaten, een kok,

een kleêrmaker, een tolk, een bediende, twee paarden, zeventien ezels

en een hond. In het geheel was onze karavaan honderd-twee-en-negentig

manschappen sterk.

Ons vertrek van Bagamoyo geschiedde onder de gunstigste voor

teekenen. Wij waren allen vroolijk en opgewekt en vol hoop; de

soldaten zongen; de kirangozi, dat wil zeggen de gids, stiet allerlei

afschuwelijke geluiden uit, terwijl hij de vlag der Vereenigde-Staten

heen en weer zwaaide. Mijn hart klopte zoo hevig, dat ik groote moeite

had, de onverstoorbare kalmte te bewaren, die aan het opperhoofd

eener karavane voegt. De zorgen en beslommeringen, die mij sedert meer

dan twee maanden hadden bezig gehouden, waren vergeten; de toekomst

opende zich voor mij, rijk aan de schoonste beloften, de bemoedigendste

verwachtingen. De landstreek was bekoorlijk: vreemde boomen, vruchtbare

velden, een weelderige, liefelijke plantengroei. Vroolijk straalde de

zon boven mijn hoofd; vroolijk zongen de vogelen in bosch en veld,

vroolijk gonsden de insecten door de warme lucht: alles scheen mij

toe te roepen: Houd goeden moed! Geluk op reis!

Stanley's tocht ter opsporing van Livingstone De Aarde en haar Volken, 1873 · 第 3 / 9 题