40. DE ONREGELMATIGHEDEN VAN DE MAANBEWEGING.

Reeds in het begin van onze waarneming der hemelverschijnselen

leerden wij den loop van de maan in groote trekken kennen. Wij zagen

toen, dat zij in 27 1/3 dag regelmatig in een kring om de aarde

loopt. Vervolgens hebben wij het een en ander over haar plaats in

het heelal afgeleid; eerst vonden wij, dat zij veel dichter bij de

aarde is dan eenig ander hemellichaam; vervolgens bleek het ons, dat

zij alleen de aarde trouw bleef, toen alle planeten naar de zon als

middelpunt overgingen, en dat zij met de aarde te zamen een

jaarlijkschen kring om de zon beschrijft. Ook leerden wij de oorzaak

van haar beweging in de aantrekkingskracht der aarde kennen en

leidden theoretisch af, dat zij niet om het aardmiddelpunt, maar om

het gemeenschappelijk zwaartepunt als middelpunt van haar baan

beweegt. Maar bij al deze uitbreiding van onze kennis hebben wij nog

steeds verzuimd, haar beweging in alle kleinere details te

onderzoeken. En er is alle reden tot zulk een onderzoek, omdat de

maan een aantal merkwaardige bijzonderheden en onregelmatigheden

vertoont, die wij bij andere hemellichamen niet aantreffen.

Enkele moesten reeds aan de eerste waarnemers in het oog vallen, en

wij hebben deze ook in ons 8ste Hoofdstuk vermeld. De

verduisteringen toonen, dat de _maanbaan iets schuin staat ten

opzichte van de ekliptika_ en deze in twee tegenover elkaar liggende

punten, de knoopen van de baan, snijdt. En wij vonden uit het steeds

vroeger vallen der eklipsen, dat _de knoopen van de maanbaan langs

de ekliptika terugloopen_, en in 18 jaar 7 maanden de geheele

ekliptika rondwandelen, De maan komt dus bij haar knoopen telkens

wat sneller terug dan haar omloopstijd bedraagt. Terwijl de

omloopstijd gemiddeld 27 dagen 7 uren 43 minuten 11 sekonden

bedraagt, verloopen tusschen twee opeenvolgende doorgangen door

denzelfden knoop 27 dagen 5 uren 5 minuten 36 sekonden, dus 21/2 uur

minder.

Hiertoe beperkte zich echter de kennis der maanbeweging bij de

volken der oudheid niet. Wij namen tot dusver aan, dat de maan een

regelmatige cirkelbeweging volbrengt. Is dat juist, dan moet de

tusschentijd tusschen twee opeenvolgende verduisteringen altijd een

vol aantal maanperioden zijn, of precies een halve maanperiode meer.

Dat dit niet uitkomt, toont reeds onze lijst van verduisteringen op

blz. 60, ofschoon de tijd daar maar ruw, in volle uren aangegeven

is. Tusschen een zons- en een maansverduistering, die 14 dagen

uiteen liggen, vinden wij daar als tusschentijd: in 1891 13 d, 22

u., in 1898 14 d. 7 u., in 1901 14 d. 16 u., in 1905 15 d. 10. u.,

in 1912 15 d. 14 u., terwijl een halve maanperiode 14 d. 18 u. is.

Door eklipsen te vergelijken, die een half jaar, dus 5 1/2 of 6 1/2

maanperiode uiteen liggen, zouden wij uit die lijst nog meer

gegevens kunnen krijgen. Maar deze zijn al voldoende om aan te

toonen, dat de maan de eene helft van de ekliptika gemiddeld met een

andere snelheid doorloopt dan de andere. De afwijking loopt tot 20

uren op, waarin de maan 10 graden aan den hemel doorloopt; in een

halven omloopstijd legt de maan dus soms 10 graden meer, soms 10

graden minder af dan de halve omtrek des hemels.

Naar hetgeen wij van de planeten weten, ligt de verklaring van deze

onregelmatigheid dadelijk voor de hand. In het kader van de

Grieksche sterrekunde zouden wij zeggen, dat de aarde niet in, maar

1/11 buiten het middelpunt van de maanbaan staat. In het kader van

onze moderne sterrekunde zeggen wij: _de maan beschrijft om de aarde

volgens de wetten van Kepler een ellips met een excentriciteit van

ongeveer 1/22_. Probeeren wij nu echter de ligging van de groote as

van haar baan te vinden, waarin zij het dichtst bij en het verst van

de aarde komt, dan stooten wij op nieuwe moeilijkheden. Wij kunnen

bij de boven opgegeven tusschentijden tusschen twee eklipsen

bijschrijven, welk deel van de ekliptika zoo snel of zoo langzaam

doorloopen werd, om zoo te vinden in welke lengte haar snelheid het

grootst en het kleinst was. Doen wij dit, dan verkrijgen wij de

meest tegenstrijdige uitkomsten; hetzelfde deel van de ekliptika,

dat in 1891 zeer snel doorloopen werd, kostte in 1912 den langsten

tijd. Uit deze weinige gegevens laat zich dus niets zekers vinden;

de oplossing van het vraagstuk blijkt echter spoedig, wanneer wij

ons niet tot eklipsen beperken, maar zoo dikwijls mogelijk de plaats

van de maan tusschen de sterren waarnemen.

[Illustratie]

Dan blijkt, dat de snelheid van de maan langs den hemel beurtelings

grooter en kleiner wordt, zooals bij een beweging in een ellips

behoort, en het is niet moeilijk de plaats te vinden, waar de

snelheid het grootst en de maan het dichtst bij de aarde is. Doen

wij zulke waarnemingen van jaar tot jaar, dan vinden wij, _dat de

richting van de groote as regelmatig verandert, 40 graden per jaar,

en in 9 jaren in dezelfde richting als de maan eenmaal den geheelen

hemel rondloopt_. Hoe deze beweging in een ellips plaats vindt, die

zelf langzaam ronddraait, toont nevenstaande figuur in zeer

overdreven maatstaf. De maan komt minder snel in haar grootste

nabijheid tot de aarde terug, dan zij haar omloop voltooit; dat

tijdsverloop duurt nl. gemiddeld 27 dagen 13 uren 18 minuten 37

sekonden, dus 5 1/2 uur langer dan de omloopstijd. In deze periode

neemt dus de snelheid van de maan regelmatig toe en af. De juiste

waarde voor den draaiingstijd der groote as is 3232 1/2 dag, dus 8

jaar 310 1/2 dagen.

Hier rijst de vraag hoe het bij zulk een sterke wisseling in den

tusschentijd tusschen twee verduisteringen dan toch voor de oudheid

mogelijk was, een bepaalde Sarosperiode te vinden, waarna de

eklipsen op dezelfde manier terugkwamen. Wij vonden immers, dat ze

na 18 jaar en 15 dagen terugkwamen, maar dan steeds 8 uren later.

Het antwoord is, dat de Sarosperiode zeer weinig van de dubbele

draaiingsperiode der groote as verschilt; na 18 jaren vallen de

kleinste en de grootste afstand tot de aarde weer op dezelfde

plaats, en daarom volgen de verduisteringen dan weer met denzelfden

tusschentijd op elkaar.

De kennis van deze ongelijkheden in de maanbeweging behoort tot de

vroegste aanwinsten der wetenschap. Uit eeuwenlange

waarnemingsreeksen hadden reeds de Babyloniërs de perioden gevonden,

waarna de verduisteringen terugkeeren; en deze kennis gebruikten

zij, om den tijd van volle en nieuwe maan nauwkeurig vooruit te

berekenen. Uit de bewaard gebleven inschriften in spijkerschrift op

gebakken kleitafeltjes, die door de Assyriologen _Epping_ en

_Kugler_ ontcijferd zijn, blijkt, dat de Babylonische priesters ten

minste in Tateren tijd de maanperioden, den omloopstijd der knoopen

en de periode, waarin de snelheid der maan af- en toeneemt, zeer

nauwkeurig kenden en wisten te gebruiken. Zij hadden b.v. gevonden,

dat in 251 maanperioden (ruim 20 jaren of 271 maansomloopen) de maan

precies 269 maal haar grootste nabijheid tot de aarde bereikt, en

dat dus na dit tijdsverloop volle en nieuwe maan weer met dezelfde

tusschentijden op elkaar volgen. Ook wisten zij, dat de maan in 5458

perioden (441 jaren of 5899 werkelijke maansomloopen) 5923 maal bij

denzelfden knoop terugkomt, zoodat na dit tijdsverloop de

verduisteringen zich op dezelfde manier herhalen. Van de Babyloniërs

hebben de Grieken de kennis van deze perioden gekregen.

De belangstelling van de Grieksche sterrekundigen voor de maan ging

echter verder dan het voorspellen van eklipsen en nieuwe manen. Zij

hadden zich een voorstelling gevormd, hoe de hemellichamen door de

wereldruimte loopen; zij trachtten hun beweging door een systeem van

cirkelbanen voor te stellen en letten dus ook op de maan in andere

gedeelten van haar baan. Daarbij ontdekte Ptolemaeus, dat de plaats

van de maan in eerste en laatste kwartier heelemaal niet uitkwam met

de baan, die uit de verduisteringen was afgeleid; en het gelukte hem

ook het karakter van deze onregelmatigheid, die _evektie_ genoemd

is, vast te stellen.

[Illustratie: De evektie.]

Wanneer de zon op zij staat, in de richting loodrecht op de groote as

van de maanbaan (zooals in de bovenste figuur), is de maan in eerste

en laatste kwartier het dichtst bij en het verst van de aarde; volle

en nieuwe maan verdeelen de baan in twee helften, die met ongelijke

snelheid doorloopen worden; en wij vonden reeds, dat dan in den

halven omloopstijd 10 graden meer (of minder) dan de halve

hemelomtrek doorloopen wordt. Drie maanden later staat de zon in de

richting van de groote as (als in de tweede figuur), volle en nieuwe

maan vallen samen met den grootsten en kleinsten afstand der aarde;

zij verdeelen de maanbaan in twee gelijke helften, en uit de

verduisteringen kan de excentriciteit niet gevonden worden. Deze

moeten wij vinden uit eerste en laatste kwartier, die nu de baan in

twee ongelijke helften verdeelen; en zij toonen, dat nu in een halven

omloopstijd niet 10 graden, maar 15 graden meer (of minder) dan de

helft van de ekliptika doorloopen wordt. _De excentriciteit van de

maanbaan wordt afwisselend grooter en kleiner; zij is het grootst,

wanneer de groote as naar de zon gericht is, het kleinst, wanneer

deze op zij van de groote as staat_.

De verduisteringen konden ons alleen de kleinste excentriciteit doen

kennen; de grootste is 1 1/2 maal zoo groot en gemiddeld is de

excentriciteit van de maanbaan dus 1/18. Ptolemaeus probeerde deze

onregelmatigheid door een bijzonder stel van epicykels voor te

stellen; maar het is te begrijpen hoe ingewikkeld en onbevredigend

hier de geheele epicykeltheorie moest worden. En toch is juist de

evektie een sterke steun voor de epicykeltheorie geworden. Want zij

was een onregelmatigheid in de maanbeweging, die van den stand van

de zon afhing, evenals bij de planeten ook een samenhang met de zon

bestaat. Anders had de door de zon beheerschte epicykelbeweging bij

de planeten twijfel kunnen wekken, of de aarde wel het echte

middelpunt was; nu werd deze twijfel opgeheven door de overweging,

dat zulk een afhankelijkheid van de zon ook bij de maan voorkwam, en

aan háár beweging om de aarde was geen twijfel mogelijk.

De nauwkeurige waarnemingen van Tycho brachten nog verdere

onregelmatigheden aan het licht. Hij vond, dat de snelheid van de

maan in haar baan bij volle en bij nieuwe maan grooter, bij eerste

en laatste kwartier kleiner is dan bij een regelmatige af- en

toenemende beweging in een excentrischen cirkel (of een ellips)

behoort. Daardoor is de maan 3 dagen na volle en nieuwe maan iets

meer dan haar eigen middellijn te veel vooruit, 3 dagen vóór volle

en nieuwe maan evenveel achter. Tycho noemde deze ongelijkheid de

_variatie_ van de maan. Tegelijk ontdekte hij, dat de omloopstijd

van de maan 's winters iets grooter is dan 's zomers; het kleine

bedrag van eenige minuten, dat de maan daardoor in den herfst

vooruit, in de lente achter is, was slechts door zijn nauwkeurige

metingen vast te stellen.

Zoo bleek dus de beweging van de maan nog veel ingewikkelder dan die

der planeten, en alle scherpzinnigheid van Kepler, die bij de

planeten een zoo grooten triomf behaalde, schoot te kort bij het

probleem van de maan. Hij kon niet meer doen, dan de verschillende

ongelijkheden eenvoudig als feiten aannemen en hun bedrag uit

Tycho's waarnemingen zoo goed mogelijk bepalen. Een verklaring werd

eerst mogelijk door Newton's ontdekking van de algemeene

aantrekking. Toen was de samenhang van de meeste onregelmatigheden

met de zon onmiddellijk duidelijk; de maan wordt niet slechts door

de aarde, maar ook door de zon aangetrokken. Daarom kan de maan zich

niet in een regelmatige ellips om de aarde bewegen; _de

onregelmatigheden in den loop van de maan zijn storingen, waarvan de

oorzaak in de aantrekking door de zon ligt_. De verklaring van de

maanbeweging door Newton en de Fransche wiskundigen der 18de eeuw,

die op zijn werk voortbouwden, werd nu een nieuw en belangrijk

bewijs voor de juistheid van de wetten der algemeene

aantrekkingskracht.

De Wonderbouw der Wereld · 第 58 / 64 题