41. VERKLARING VAN DE MAANBEWEGING.

Zooals de zon de aarde aantrekt, zoo trekt zij ook met ongeveer

dezelfde kracht alles aan, wat zich in de buurt van de aarde

bevindt, dus ook de maan. Omdat aarde en maan beide met ongeveer

dezelfde kracht door de zon worden aangetrokken, krijgen zij

ongeveer dezelfde versnelling naar de zon toe, worden evenveel van

den rechten weg afgebogen, en doorloopen zoo samen hun jaarlijksche

baan om de zon. Was de aantrekking op aarde en maan precies gelijk,

dan zouden zij volkomen gelijk bewegen alsof zij aan elkaar

vastzaten; er kwam dan alleen de aantrekking van de aarde op de maan

bij, die deze als tweede beweging om de aarde doet cirkelen. Maar in

werkelijkheid gaat het anders. De aantrekking van de zon is op ieder

ander punt van de ruimte iets anders; zij neemt op grooter afstand

af, en daarom is de aantrekking van de zon op de maan wel ongeveer,

maar niet precies gelijk aan haar aantrekking op de aarde.

Nemen wij b.v. de volle maan. Zij is iets verder van de zon af dan

de aarde en wordt dus met iets kleinere kracht door de zon

aangetrokken.

[Illustratie]

Was nu de onderlinge aantrekking tusschen aarde en maan niet

voorhanden, waren beiden dus b.v. kleine stofjes, wat zou er dan

gebeuren? Als zij zich met gelijke snelheid voortbewegen, zakt de

maan minder snel naar de zon toe dan de aarde; haar baan wordt

minder gekromd, en zij verwijdert zich steeds verder van de aarde.

Voor de aardbewoners schijnt het, alsof de maan door een kracht

omhooggeheven en van de aarde weggedreven wordt. Dat komt ook uit,

want hun relatieve beweging wordt bepaald door het verschil der op

beiden werkende krachten. Nu behoeft er in werkelijkheid geen vrees

te bestaan, dat de maan wegloopt, omdat zij door de

aantrekkingskracht van de aarde vastgehouden wordt. Het streven om

zich van elkaar te verwijderen bewerkt nu alleen, dat de aardkracht

verminderd wordt en de maan met een iets kleinere versnelling naar

de aarde valt. De aantrekkende kracht der aarde wordt verminderd

door een kracht, die de maan van de aarde wegdrijft, en die niets

anders is dan het verschil der zonsaantrekking op aarde en maan. In

het algemeen kan men zeggen, dat van de aantrekkingskracht, die de

zon op de maan uitoefent, het deel dat aan de op de aarde werkende

kracht gelijk is, daartoe dient om de maan met de aarde mee te laten

loopen; het overschot, het verschil dus tusschen de op de aarde en

op de maan werkende zonnekrachten, bepaalt hun relatieve beweging en

komt bij de gewone wederzijdsche aantrekking van aarde en maan. Deze

laatste voor zich alleen bewerkt de regelmatige beweging in een

ellips volgens de wetten van Kepler; _de afwijkingen van de

Keplersche beweging, die wij als onregelmatigheden van de

maanbeweging hebben leeren kennen, worden veroorzaakt door het

verschil tusschen de door de zon op de aarde en op de maan

uitgeoefende krachten_. Dit verschil is de storende kracht van de

zon, die wij nu moeten onderzoeken.

Op de hiervolgende figuur is de grootte en de richting van de

zonnekracht voor de aarde en voor een aantal plaatsen in de omgeving

der aarde door pijltjes weergegeven -- waarbij wij, om de

verschillen sterk overdreven te doen uitkomen, de zon slechts 5 maal

zoo ver van de aarde aannemen als de maan.

[Illustratie: Aantrekkingskracht van de zon.]

[Illustratie: Storende kracht van de zon.]

Wij zien daar, hoe de kracht naar de zon toe grooter, van de zon af

kleiner is dan in het midden, waar de aarde staat, terwijl zij op zij

van de aarde wel even groot is, maar schuin gericht. De pijlen in de

tweede figuur geven aan, hoeveel al deze krachten anders zijn dan de

op de aarde werkende kracht; met de pijl aan de aarde vereenigd geven

deze storende krachten samen weer de totale kracht uit de eerste

figuur. Bij nieuwe maan zien wij dit overschot, deze storende kracht,

naar de zon toe gericht, bij volle maan van de zon af gericht, _in

beide gevallen dus van de aarde afgericht_. Bij eerste en laatste

kwartier is het verschil _een kleinere naar de aarde toe gerichte

kracht_, die de aantrekkingskracht der aarde vergroot. Tusschen deze

hoofdstanden in zien wij als storende kracht een scheef gerichte

kracht, die aan weerszijden van de nieuwe maan naar de nieuwe maan,

aan weerszijden van de volle maan naar deze gericht is. Aan de

pijlen, die in punten binnen en buiten de maanbaan aangebracht zijn,

zien wij, _dat de storende kracht met den afstand tot de aarde

regelmatig grooter wordt_; zij verandert dus in omgekeerden zin als

de aantrekkingskracht van de aarde.

Zoo ziet de storende kracht er uit, die op de maan werkt. En hoe

groot zij is, is ook gemakkelijk te berekenen. De zon, die 330 000

maal grooter massa heeft, maar ook 389 maal verder van de maan

verwijderd is dan de aarde, oefent op de maan en de aarde een

aantrekking uit, die om de eene reden 330 000 maal grooter, om de

andere 389 X 389 == ruim 150 000 kleiner, dus door beide samen

dubbel zoo groot is (2.2 maal) als de kracht van de aarde op de

maan. Het onderscheid der aantrekkingen op maan en aarde is, in den

zijdelingschen stand, nog weer 389 maal kleiner, dus 1/180 van de

aardkracht; bij volle en nieuwe maan bedraagt zij het dubbele

daarvan, vermindert dus de door de aarde uitgeoefende aantrekking

met 1/90.

Welke werking heeft nu deze storende kracht op de beweging van de

maan? Beurtelings versterkt en verzwakt zij de aantrekking van de

aarde; maar de verzwakking bij volle en nieuwe maan is dubbel zoo

groot als de versterking bij eerste en laatste kwartier. Als totaal

blijft dus gemiddeld een verzwakking over. Het is alsof de aarde met

een kleinere kracht aantrekt of een kleinere massa heeft. Kon men de

zon ineens laten verdwijnen, dan zou het zijn alsof de aarde de maan

eensklaps sterker ging aantrekken; de maan zou dan, met behoud van

de perkensnelheid, die zij eenmaal heeft, een meer naar binnen

gelegen baan inslaan, dichter bij de aarde komen en in korteren tijd

rondloopen. Dit is nu wel onmogelijk, maar men kan er toch uit

afleiden, wat er gebeuren moet, wanneer de kracht van de zon

beurtelings sterker en zwakker wordt. En dit vindt werkelijk plaats;

's winters is de zon dichter bij ons en trekt zij de aarde sterker

dan 's zomers. Dus moet de omloopstijd van de maan 's winters

grooter en haar beweging langzamer zijn dan 's zomers, juist zooals

Tycho het uit de waarnemingen had gevonden.

Was de maanbaan in plaats van een ellips precies een cirkel, dan zou

zij onder de storende werking van de zon toch geen cirkel blijven.

Want de aantrekking naar het centrum is nu niet meer aan alle kanten

even groot. Naar de zon toe en van de zon af is ze kleiner, op zij

is zij grooter, terwijl de storende kracht vóór volle en nieuwe maan

voortdrijvend, versnellend werkt, na volle en nieuwe maan

tegenhoudend, vertragend. Daardoor moet de baan naar beide kanten

zijdelings uitgerekt worden; zij wordt een ellips met de aarde als

middelpunt en de kleine as naar de zon gericht. In deze baan beweegt

de maan zich met wisselende snelheid; is het volle en nieuwe maan,

dan loopt zij sneller, in de kwartierstanden langzamer evenals een

aan een touw hangend zwaar voorwerp, dat men in een langwerpige baan

laat rondslingeren.

[Illustratie: De variatie van de maan.]

Deze afwisselende versnelling en vertraging is de door Tycho

ontdekte variatie.

Nu is echter de ongestoorde maanbaan geen cirkel, maar een ellips

met de aarde als brandpunt. Terwijl de maan beurtelings dichter bij

en verder van de aarde komt, wordt de storende kracht van de zon

beurtelings kleiner en grooter. Nemen wij eerst het geval, dat de

groote as van de maanbaan naar de zon is gericht. Zoowel op den

kleinsten als op den grootsten afstand wordt de aantrekking der

aarde door de storende kracht verminderd. Maar niet in dezelfde

mate; op den grooteren afstand, waar de aardkracht het geringst is,

wordt zij sterk verminderd, op den kleinsten afstand, waar de

aardkracht het grootst is, gaat er minder af. Was bij veel grooter

excentriciteit, dan de maan bezit, de eene afstand 2 maal zoo groot

als de andere, dus de aardkracht hier 1, daar 1/4, dan zou zij door

de storing hier veranderen in 1--1/90, daar in 1/4--2/90. Vergeleken

met elkaar is de groote kracht grooter, de kleine kracht kleiner

geworden, hun onderscheid is versterkt. De kracht, die de maan

ondervindt, neemt dus op kleiner afstand sneller toe, op grooter

afstand sneller af dan door de aarde alleen het geval zou zijn; het

is alsof de aantrekking _in sterker mate_ met den afstand verandert,

dan volgens de wet van Newton.

Hoe dit op de beweging van de maan moet werken, kan ons duidelijk

worden, wanneer wij ons herinneren, hoe onder de werking van de wet

van Newton de elliptische baan ontstond. Uit haar verste punt wordt

de planeet, al voortlopende, naar de zon toe getrokken, waarbij de

beweging steeds sneller wordt; het schijnt alsof zij de zon voorbij

wil vliegen; maar de snel groeiende aantrekking van de zon buigt

haar baan steeds sterker, en eerst als zij aan den overkant gekomen

is, gelukt het; de bewegingsrichting is dan zachtjesaan minder

scheef ten opzichte van den voerstraal geworden, en juist tegenover

het punt van uitgang komt de planeet het dichtst bij de zon, vliegt

voorbij en verwijdert zich weer. Wel is een wiskundige berekening

noodig om te bewijzen, dat juist bij de wet van Newton, waarbij de

kracht precies omgekeerd evenredig met het kwadraat van den afstand

afneemt, de grootste nadering tot de zon juist tegenover het punt

van grootste verwijdering ligt. Maar onze meer algemeene beschouwing

kan toch duidelijk maken, wat er moet gebeuren, als de kracht

sneller of minder snel met den afstand verandert. Groeit de kracht

bij de nadering tot de zon minder snel, dan wordt de baan in haar

verder verloop minder sterk gebogen en bereikt vroeger en nog verder

van de zon af de plaats, waar zij de zon voorbijschiet (I in de

figuur); groeit de kracht sterker en wordt de baan dus sterker

gebogen, dan gelukt het voorbijschieten eerst later, verderop en

dichterbij de zon (als in II). En hetzelfde vindt men, wanneer men

de tweede helft van de baan beschouwt (tweede figuur). Neemt de

kracht bij de verwijdering van de zon langzamer af, blijft ze dus

grooter, dan dwingt zij de planeet vroeger en op kleiner afstand

terug te keeren (I); neemt zij snel af en wordt zij dus klein, dan

keert de planeet eerst later om en nadat zij verder van de zon is

weggeloopen (II).

[Illustratie]

De baan is nu geen ellips meer; maar men kan het toch zoo opvatten,

alsof de planeet een ellips beschrijft, die zelf intusschen

verandert. In geval I is het een ellips, die tegelijk terugdraait,

doordat de richting van de groote as achteruitloopt, tegen de

planeet zelf in; in geval II draait de ellips vooruit, met de

planeet mee.

Het is nu gemakkelijk te zien, wat er met de maan gebeurt. In het

door ons aangenomen geval, dat de zon in de richting van de groote

as staat, verandert de kracht op de maan in sterker mate dan volgens

de wet van Newton. Dat is dus geval II. De maan komt van haar

versten naar haar kleinsten afstand in meer dan een halven omloop en

nadert de zon sterker; en zij gebruikt van haar kleinsten tot haar

grootsten afstand weer meer dan een halven omloop en gaat daarbij

verder van de aarde weg. De baan blijkt te zijn een _ellips met

grooter excentriciteit, waarvan de groote as vooruitdraait_.

Drie maanden later hebben zich echter de omstandigheden veranderd.

De zon (of eigenlijk de aarde) heeft een vierde van haar baan

doorloopen en staat nu opzij, in een richting loodrecht op de groote

as. Is de maan nu in haar grootsten en kleinsten afstand tot de

aarde, dan is zij tegelijk in de kwartierstanden, waar de storende

kracht de aantrekking vergroot, en wel alweer met een bedrag, dat

het grootst is bij den grootsten afstand, waar de aantrekkingskracht

het kleinst is. Nu is alles net omgekeerd als in het vorige geval;

de krachten 1 en 1/4 in ons voorbeeld worden nu 1 + 1/180 en 1/4 +

2/180. De kleine kracht wordt sterk, de groote weinig vergroot, en

de werkelijke kracht op de maan _verandert minder sterk met den

afstand_ dan volgens de wet van Newton. Hier is dus geval I van onze

figuren toepasselijk; de maan bereikt den kleinsten en grootsten

afstand sneller, de eerste op grooter, de tweede op kleiner afstand

dan zonder de storing het geval zou zijn. De beweging is dus zoo uit

te drukken, dat de maan _een ellips met kleiner excentriciteit

beschrijft, waarvan de groote as terugdraait_.

Hier hebben wij dus de verklaring voor de door Ptolemaeus ontdekte

evektie; staat de zon in de richting van de groote as, dan is de

excentriciteit grooter, staat zij loodrecht daarop, dan is de

excentriciteit kleiner. Maar wij vinden hier bovendien iets, wat wij

nog niet wisten, dat echter door de nauwkeurige waarnemingen na

Newton's tijd dadelijk bevestigd werd: _dat de richting van de

groote as beurtelings vooruit en terug draait_; vooruit, als zij

naar de zon gericht is, terug, als zij er loodrecht op staat. Wat is

het totale resultaat van deze beweging? De vermindering der

aantrekking in het eerste geval is dubbel zoo groot als haar

vermeerdering in het tweede; wij weten dat gemiddeld een

vermindering overblijft. De storende werking in het eerste geval, de

draaiing vooruit, is dus ook tweemaal zoo sterk als de

terugdraaiing. Als totaal blijft dus over, _dat de groote as vooruit

draait_ -- zooals aan de volken der oudheid reeds bekend was.

Nu blijft nog over de storingen te vinden, die uit den schuinen

stand van de maanbaan t.o.v. de ekliptika ontstaan. De maan stijgt

nu eens aan de eene zijde boven de ekliptika, keert dan terug,

verwijdert zich aan den anderen kant van deze en keert weer terug;

zoo schommelt zij op en neer. De aantrekking van de aarde trekt

haar, als zij boven de ekliptika staat, schuin naar beneden, als zij

er onder staat schuin naar boven, en wel des te sterker naarmate zij

verder van de ekliptika af staat. Zoo is haar beweging dus geheel

met die van een slinger te vergelijken, die ook des te sterker

teruggetrokken wordt, naarmate hij verder uit den middenstand

afwijkt: alleen met dit verschil, dat de maan in juist denzelfden

tijd, dat zij eenmaal heen en weer slingert, ook eenmaal om de aarde

heen loopt.

[Illustratie]

Nu komt de aantrekking van de zon er bij; deze trekt de maan altijd

schuin naar de ekliptika terug, naar welken kant zij ook afwijkt; de

zonnekracht vergroot dus de kracht der aarde, die de maan naar de

ekliptika trekt. Wordt bij een slinger de kracht, die hem naar zijn

middenstand terug trekt, grooter, dan gaat hij sneller schommelen.

Ook de maan moet dus door de vergrooting van de kracht sneller om de

ekliptika heen en weer schommelen. Werd nu de totale aantrekking der

aarde ook vergroot, dan zou de maan daarbij sneller haar omloop om

de aarde volbrengen. Maar wij weten, dat de totale

aantrekkingskracht door de zonnekracht verminderd wordt en de maan

dus langzamer rondloopt. De tijd van heen en weer schommelen is dus

nu korter dan de omloopstijd, in plaats van daaraan gelijk zooals

bij de ongestoorde beweging. De maan komt telkens sneller bij haar

knoopen terug, dan zij op dezelfde plaats van den hemel terugkomt;

_de knoopen schuiven_ terug langs de ekliptika, juist zooals uit de

waarneming der eklipsen van oudsher gebleken is.

Zoo waren alle onregelmatigheden in de beweging van de maan, die ten

tijde van Newton bekend waren, door zijn aantrekkingswet te

verklaren en leverden zij een nieuw bewijs voor de waarheid en de

groote beteekenis van deze wet. Natuurlijk waren ook de theoretisch

berekende getallenwaarden voor het bedrag van elke storing juist

zoo, als met de waarnemingen overeenstemde. Maar de theorie leerde

nog meer; zij toonde, dat de hier opgenoemde storingen de beweging

van de maan alleen maar in groote trekken, niet in de kleinere

details weergeven. Wij hebben de groote storingen ook telkens als

werkingen van de gemiddelde waarden der storende krachten leeren

kennen; in werkelijkheid wisselen deze krachten van plaats tot

plaats en van dag tot dag, en de storingen moeten dus ook veel

onregelmatiger verloopen. Ook wordt ieder dezer werkingen weer

anders, omdat door de storingen zelf de plaatsen van de maan en de

zon veranderen. Bovendien trekt de afgeplatte aarde de maan wat

anders aan dan een volkomen ronde aarde zou doen, en ten slotte

bewerkt ook de aantrekking der planeten nog eenige kleinere

storingen in de beweging van de maan. Door dat alles loopt het

aantal merkbare storingen van de maan in de honderden, en aan hun

berekening hebben de knapste theoretici een groot deel van hun leven

besteed. Dat was ook noodig, omdat de waarnemingen steeds

nauwkeuriger werden; hoe scherper en juister de plaats van de maan

aan den hemel vast te stellen was, des te nauwkeuriger moest ook de

berekening worden, en des te meer storingen moesten in rekening

gebracht worden, om met de waarnemingen in overeenstemming te

blijven.

Wat daarbij de geleerden aanvuurde, was niet enkel het

wetenschappelijke belang van een zoo volledig mogelijke kennis der

wereld. Er was ook een groot praktisch belang in het spel: het voor

de scheepvaart zoo buitengewoon belangrijke vraagstuk van _de lengte

op zee_. Wil de schipper in de open zee, ver van alle kusten, veilig

varen, dan moet hij uit de hemellichten de plaats kunnen bepalen,

waar hij zich bevindt, dus zijn lengte en breedte op aarde. De

breedte van een plaats is gemakkelijk uit de middaghoogte van de zon

te vinden; de ligging van den horizon ten opzichte van den

sterrenhemel, dus van de sterren ten opzichte van den horizon,

verandert met de breedte. Met de lengte verandert ze niet; of men

zich meer Oostelijk of Westelijk bevindt is aan den sterrenhemel

niet te zien. De lengte van een plaats kennen wij slechts als het

verschil tusschen den plaatselijken tijd, en den tijd van een vaste

plaats op aarde, b.v. van de sterrewacht te Greenwich. Van deze

beide is weer de plaatselijke tijd uit de hemelverschijnselen

gemakkelijk te vinden; overal is het 12 uur plaatselijke tijd als de

zon in het Zuiden staat. Weet dus de schipper, hoe laat het op dit

oogenblik in Greenwich is, dan is het vraagstuk opgelost en de

lengte bekend. Maar hier ligt de moeilijkheid, die de regeeringen

van alle zeevarende volken -- de Spanjaarden in de 16de, de

Hollanders in de 17de, de Engelschen in de 18de en 19de eeuw --

telkens opnieuw dwong om hun aandacht aan dit vraagstuk te wijden.

Want duizenden schepen, die op klippen strandden, waren het offer van

de onvolkomenheid in de oplossing van dit probleem.

Hoe is het mogelijk, midden in den oceaan den tijd van Greenwich te

weten te komen? Twee verschillende wegen werden daartoe ingeslagen.

De eenvoudigste weg is, bij het uitvaren een goed uurwerk -- een

chronometer -- dat Greenwichtijd aanwijst, mee te nemen. Alles hangt

er dan van af, dat het uurwerk volkomen goed loopt en den juisten

tijd bewaart; daarom heeft de Engelsche Admiraliteit herhaaldelijk

hooge premies op elke belangrijke verbetering der chronometers

gesteld en uitbetaald, waardoor deze vertrouwbaarder werden.

Tegenwoordig behoort een aantal nauwkeurig geregelde en onderzochte

chronometers, die elkaar kontroleeren, tot de vast voorgeschreven

uitrusting van ieder zeeschip. Maar in den tijd der zeilschepen,

toen het vaak maanden duurde, voor het schip weer in een haven kwam,

was dit middel toch niet voldoende. Daar werd dan het tweede middel,

de waarneming van de maan, toegepast.

De maan doorloopt per dag 1/27 van den omtrek des hemels, dus

ongeveer 13 graden. In den loop van den dag doorloopt zij, langzaam

en regelmatig voortwandelend, dezen afstand. Weet men nu, waar zij

zich om 12 uur Greenwichtijd bevond, dan is op elk ander oogenblik

aan haar plaats aan den hemel te zien, hoe laat het in Greenwich is.

Denkt men zich dat bij de plaatsen, waar zij vandaag en morgen om 12

uur staat, de cijfers 0 en 24 gezet worden en dat de tusschenruimte

door streepjes in 24 parten verdeeld en met cijfers van 1 tot 24

voorzien is; dan is deze verdeelde strook als het ware een

wijzerplaat, waar de maan als wijzer langs loopt. Op de geheele

aarde kon men dan op die klok kijken en zien, hoe laat het in

Greenwich is. Nu ontbreken aan den hemel die kunstmatige strepen en

cijfers; als vaste merkpunten moeten hier de sterren dienen, en in

zijn Almanak vindt de zeeman precies opgegeven, hoe ver de maan van

uur tot uur Greenwichtijd van naburige sterren verwijderd is. Hij

behoeft dus slechts zoo nauwkeurig mogelijk dezen afstand op zijn

schip te meten, om midden in den oceaan den Greenwichtijd aan de

groote hemelklok af te lezen.

Bij deze methode komt natuurlijk alles aan op de juistheid en

nauwkeurigheid van de opgaven in den Almanak, die verscheidene jaren

vooruit berekend worden. Daarin bestaat het belang van een volmaakte

theoretische kennis van de beweging der maan, dat zij ons in staat

stelt, haar beweging jaren lang vooruit te berekenen. Daarom heeft

de Engelsche Admiraliteit niet alleen de chronometermakers met

prijzen aangemoedigd en beloond, maar ook de sterrekundigen, die in

de 18de en 19de eeuw door berekening van nauwkeurige maantafels de

grondslagen legden voor deze oplossing van het probleem der lengten

op zee. Wij moeten er echter bijvoegen, dat later, onder de

stoomvaart, door den korteren duur der reizen, de beteekenis van de

maan voor de zeevaart lang niet meer zoo groot was als in den tijd

der zeilschepen. En in den nieuwsten tijd is eindelijk een derde,

volmaakte oplossing van het oude probleem bereikt door de uitvinding

van de draadlooze telegrafie; deze maakt het mogelijk van uit een

aantal over de aarde verspreide stations den Greenwichtijd uiterst

nauwkeurig aan alle met de noodige ontvangtoestellen toegeruste

schepen over te seinen, waar die zich ook op den oceaan bevinden. Is

eenmaal de internationale organisatie dezer draadlooze seinen geheel

in orde gebracht, dan verdwijnt de vroegere beteekenis van de maan

voor de zeevaart geheel en al.

De Wonderbouw der Wereld · 第 59 / 64 题