38. DE ALGEMEENE AANTREKKINGSKRACHT.

Zoo was nu de beweging der planeten in vrijwel ronde ellipsen door

een van de zon uitgaande aantrekkingskracht verklaard. Maar de zon

is niet het eenige centrum, waaromheen zich hemellichamen in zulke

banen bewegen: wij vermeldden reeds de manen, die om Jupiter

rondloopen; naderhand waren dergelijke manen bij Saturnus ontdekt,

en om de aarde beweegt zich onze eigen maan. Dan moet voor die banen

-- die ook alle vrij ronde ellipsen zijn -- dezelfde verklaring

gelden; _ook Jupiter en Saturnus bewerken door hun aantrekking de

beweging van hun manen; ook van de aarde gaat een aantrekking uit_,

die de maan in haar baan houdt en van dezelfde natuur is als de

aantrekkingskracht van de zon.

Maar kennen wij zulk een aantrekking der aarde niet al lang? Wanneer

een steen door zijn zwaarte naar beneden valt, is het toch ook een

soort aantrekkingskracht, die hem naar beneden trekt. _Is misschien

de kracht, die de maan in haar baan houdt, dezelfde kracht, die een

steen doet vallen, en die wij tot nog toe zwaartekracht noemden?_

Deze vraag beteekent niet, of zij evenals de zwaartekracht werkt;

dat weten wij al, want wij hebben in het begin de aardsche zwaarte

als voorbeeld van een aantrekkende kracht gebruikt, waaruit een

cirkelbeweging ontstaat. De vraag is, of de op de maan werkende

kracht de _zwaartekracht zelf_ is. Om ze te beantwoorden, behoefde

men het niet bij ijdel vragen en filosofeeren te laten; de

berekening kon het uitwijzen. Want wanneer de kracht, die de maan

van den rechten weg trekt en haar zoo haar baan doet doorloopen, de

zwaartekracht zelf is, moet zij bij de maan, die 60 keer verder van

het aardmiddelpunt verwijderd is dan een voorwerp op het

aardoppervlak, volgens de boven gevonden wet 60 x 60 == 3600 maal

zwakker werken dan de zwaartekracht in onze omgeving; dan moet dus

de valhoogte in één sekonde bij de maan 3600 maal geringer zijn dan

490 cM., de valhoogte in één sekonde op aarde. Newton voerde deze

berekening reeds in het jaar 1666 uit. Hij nam, zooals toen in

Engeland algemeen gedaan werd, voor de middellijn der aarde 34

millioen Parijsche voeten aan (wat met 11 millioen Meter

overeenkomt); de afstand van de maan, 30 maal meer, wordt dan 330

millioen M., de lengte van haar baan 2070 millioen M. Deze baan

wordt in 27 1/3 dag == 27 1/3 X 86400 == 2360000 sekonden

doorloopen: per sekonde legt de maan dus een weg van 877 M. af.

Naar den bekenden, vroeger vermelden regel (blz. 242) is dan de

valhoogte van de maan in 1 sekonde 0.00117 M. == 1.17 millimeter

(want 877 x 877 == 0.00117 x 660 millioen). De valhoogte op aarde

moet dan 3600 maal grooter zijn; 3600 x 1.17 mM. == 4.21 Meter. De

werkelijke valhoogte op aarde is echter 4.90 M., dus aanmerkelijk

meer. Teleurgesteld legde Newton zijn berekeningen weg; zijn mooi en

eenvoudig idee had de proef niet doorstaan, want uit de berekening

was gebleken, dat buiten de gewone aardsche zwaarte nog een andere

kracht op de maan moest werken.

Zoo meende hij. Maar in 1682 vernam hij toevallig, dat de Fransche

graadmeting, die Picard in 1671 voltooid had, een belangrijk

grootere waarde voor den omvang der aarde opgeleverd had dan hij had

aangenomen. Hij had inderdaad de aarde en dus ook de maanbaan

aanmerkelijk te klein aangenomen, hoewel Snellius vroeger al een

veel juister bedrag gevonden had. Hij ging toen opnieuw aan het werk

en nu met een heel ander resultaat. Neemt men, zooals het moet, voor

den omvang der aarde 40 millioen M., voor de maanbaan 2400 millioen

M. en voor haar middellijn 762 millioen M. aan (dus alles 1/6 à 1/7

meer), dan vindt men voor de snelheid van de maan 1017 M. per

sekonde en voor haar valhoogte in één sekonde 1.36 mM. Dit met 3600

vermenigvuldigd, geeft 4.90 meter voor de valhoogte op aarde,

precies wat het zijn moet.

Hetzelfde resultaat is ook nog op andere wijze af te leiden. Wij

vonden vroeger, dat een kogel, horizontaal met zoo groote snelheid

afgeschoten, dat hij in een cirkelbaan om de aarde loopt, daarvoor

5070 sekonden == 1.41 uren noodig zou hebben. Zulke om de aarde

rondloopende lichamen kan men zich ook verder van de aarde

voorstellen; en wanneer de zwaarte op grooter afstand van de aarde

met het vierkant van den afstand afneemt, moeten omloopstijd en

afstand van al die lichamen aan de derde wet van Kepler gehoorzamen.

Wat moet dan de omloopstijd van een lichaam zijn, dat onder de

werking der zwaartekracht op maansafstand rondloopt? Is zijn afstand

60 maal zoo groot als bij onzen vroegeren kogel, dan moet zijn

omloopstijd 466 maal zoo groot zijn (60 X 60 x 60 is nagenoeg 466 x

466) dus 466 x 1.41 uren == 657 uren == 27 1/3 dag, precies de

omloopstijd van de maan. Onder de werking van de aardsche

zwaartekracht moet, wanneer ze volgens de wet van Newton afneemt,

een lichaam op den afstand van de maan zich juist zoo bewegen als de

maan het doet. _De kracht, die de maan in haar baan doet loopen, is

dus de aardsche zwaartekracht zelf_.

Door deze ontdekking was meteen het wezen van de aantrekkingskracht

der zon opgehelderd. Zij was niet een soort van magneetkracht, die

"verwante" lichamen -- zooals Kepler het uitdrukte -- naar elkaar

toedrijft; zij is niets anders dan de van ouds bekende

zwaartekracht. Daarom noemde Newton haar ook, als een soort meer

algemeen geldige zwaarte: de _gravitatie_ (gravitas is het

latijnsche woord voor zwaarte): "de planeten graviteeren naar de

zon," d.w.z. zij zijn zwaar naar de zon, zooals een steen zwaar is

naar de aarde. De zwaartekracht huist in de aarde en trekt de

steenen en ook de maan naar deze toe; zij huist in de zon en trekt

alle planeten, ook de aarde, naar de zon toe; zij huist in de

planeten, wat niet slechts hun manen bewijzen, maar ook hun ronde

vorm aantoont. Zij moet dus aan alle wereldlichamen als eigenschap

toekomen.

Is nu deze eigenschap aan die lichamen zelf gebonden? Zou een

gedeelte van de zon, als het van de geheele zon gescheiden werd,

niet ook nog een aantrekking uitoefenen? Wanneer men eenmaal weet,

dat de aantrekking in alle wereldlichamen huist, ligt het voor de

hand, haar ook aan de samenstellende deelen van deze lichamen toe te

kennen, en _de aantrekkingskracht van de zon als de totaalsom van de

aantrekking van al haar deelen_ op te vatten. Was de aantrekking tot

nog toe alleen opgetreden als een op de wereldbollen werkende

kracht, die hun beweging in ellipsen naar Kepler veroorzaakte, zoo

kreeg zij nu een veel omvattender beteekenis: _de aantrekking is een

algemeene eigenschap van de stof_. Op dit principe bouwde Newton in

zijn hoofdwerk, dat in 1686 verscheen: "Wiskundige beginselen der

natuurfilosofie," zijn theorie ter verklaring der hemelsche

bewegingen op, die nog steeds als het fundament der astronomie en

als een der belangrijkste aanwinsten der menschelijke kennis geldt.

Dat was echter alleen mogelijk, doordat hij tegelijk de leer van de

bewegingen en krachten, waarvan Galilei het begin opgebouwd had, tot

algeheele klaarheid en volmaaktheid bracht.

Wij vonden, dat lichte en zware lichamen onder den invloed der

zwaarte even snel vallen, of juister uitgedrukt, met dezelfde

versnelling vallen. Wil dat zeggen, dat de aarde ze even sterk

aantrekt? Natuurlijk niet; wij voelen met de hand het verschil in

deze aantrekking als een verschil in zwaarte; een groote steen wordt

door de aarde sterker aangetrokken dan een kleine, en de grootte van

die aantrekking wordt ons juist door het gewicht aangegeven. Hoe

komt het dan, dat de groote steen, die de grootste kracht

ondervindt, niet veel sterker, met grooter versnelling valt, dan de

kleine?

Het antwoord op die vraag wordt door het vroeger (bij de behandeling

van de tegenwerpingen tegen de beweging der aarde) vermelde feit

gegeven: een zelfde kracht brengt een licht voorwerp gemakkelijker

in beweging dan een zwaar lichaam. Om bij verschillende lichamen --

zoo werd daar gezegd -- eenzelfde verandering in de voorhanden

beweging (of rust) te bewerken, is een des te grooter kracht noodig,

naarmate het lichaam zwaarder is. Wij kunnen nu echter het gewicht

niet meer als de beste uitdrukking gebruiken voor de mate, waarin

een kracht op een lichaam werkt; terwijl wij het vroeger voor iets

hielden, dat voor elk lichaam vast bepaald en onveranderlijk was,

weten wij nu, dat het gewicht, als werking van de

aantrekkingskracht, met de plaats wisselt. Een ding, dat hier een

pond weegt, zou op maansafstand gebracht, slechts 1/3600 van een

pond wegen; en ook in Afrika weegt het minder dan hier. Toch zou

eenzelfde stoot het daarginds geen grooter snelheid geven dan hier.

Wat de werking van een kracht op een voorwerp bepaalt, is niet zijn

gewicht, dat slechts iets uiterlijks en veranderlijks is, maar zijn

_massa_, die iets innerlijks en blijvends uitdrukt en ook wel als

_hoeveelheid stof_ betiteld wordt. Bij de voorwerpen in onze

omgeving, die alle onder de werking van dezelfde aantrekkingskracht

staan, kennen wij de massa aan het gewicht; daarom spreken wij zoo

dikwijls van gewicht, waar wij de massa bedoelen. Wie een pond

suiker koopt, is het om een bepaalde massa, een bepaalde hoeveelheid

suiker te doen; in Afrika bedoelt hij niet iets minder suiker te

krijgen, al is het gewicht daar ook minder; het gewicht dient alleen

om de juiste hoeveelheid af te meten.

Een steen, die 5 maal zoo zwaar is als een andere, heeft dus ook een

5 maal grootere massa en komt daarom 5 maal moeilijker in beweging;

een 5 maal grootere kracht is noodig, om hem, als zij voortdurend

werkt, dezelfde versnelling te geven. Wij kunnen nu onze vroegere

stelling van blz. 160 scherper en juister uitdrukken: _Om bij een

voorwerp een bepaalde verandering der beweging te bewerken, is een

kracht noodig, die evenredig is met de massa van het voorwerp._ En

daar wij vroeger reeds vonden, dat de versnelling in gelijke reden

met de grootte van de kracht grooter of kleiner wordt, kunnen wij

nog algemeener zeggen: _de kracht is evenredig met het produkt van

de door haar bewerkte versnelling en de massa van het voorwerp._

Nu is elke tegenstrijdigheid opgeheven. De groote steen van 5 pond

wordt wel met een 5 maal grootere kracht door de aarde aangetrokken

dan de steen van 1 pond; maar deze 5 maal grootere kracht moet een 5

maal grootere massa in beweging brengen, en daardoor krijgt de

groote steen precies dezelfde versnelling als de kleine. En

omgekeerd kunnen we nu zeggen: daar de ondervinding ons leert, dat

alle voorwerpen bij het vallen dezelfde versnelling krijgen,

besluiten wij daaruit -- wat wij straks eenvoudig aangenomen hebben

-- dat bij al deze voorwerpen gewicht (de kracht van de aarde) en

massa precies evenredig met elkaar zijn. Maar nu zal ons deze

gevolgtrekking niet meer dienen, om iets over de grootte van de

massa te weten te komen, doch omgekeerd, om een eigenschap van de

aantrekkingskracht uit te drukken. Om het verschil in gedrag

tusschen verschillend zware lichamen vast te houden nadat wij

ingezien hadden, dat gewicht en zwaarte zelf iets toevalligs en

veranderlijks zijn, hebben wij daaruit de massa als eenvoudigst

grondbegrip afgeleid, dat het verschil in gedrag der voorwerpen

uitdrukt in een grootheid, die voor elk ding vast en onveranderlijk

is. En vinden wij nu, uit de gelijkheid der versnellingen, dat

gewicht en massa steeds in dezelfde verhouding tot elkaar staan, dan

beteekent dit: _de aantrekkingskracht, die de aarde op een voorwerp

uitoefent, is evenredig met de massa van dit voorwerp_. Omdat de

groote steen een 5 maal grootere massa heeft, _daarom_ wordt hij door

de aarde 5 maal sterker aangetrokken, en daarom weegt hij 5 maal zoo

zwaar.

Deze kracht hangt natuurlijk niet enkel van de massa van den steen

(en van den afstand) af. Konden wij de aarde in twee helften

verdeelen, dan zou iedere helft den steen nog maar met halve kracht

aantrekken. _De aantrekkingskracht is ook evenredig met de massa van

het aantrekkende lichaam_. Konden wij uit de aarde een steen van 10

pond, die misschien het duizendtrillioenste deel van de geheele

aarde mag zijn, afzonderen en op zijn eentje op denzelfden afstand

van ons als het aardmiddelpunt plaatsen, dan zou deze op onzen

vijfpondssteen een aantrekking uitoefenen, die slechts een

duizendtrillioenste van zijn gewicht, van 5 pond, zou bedragen. Maar

wordt deze aantrekking nu enkel door den tienpondssteen op den

vijfpondssteen uitgeoefend? De een is evengoed een deel van de aarde

als de ander. Of trekken misschien alleen de groote lichamen de

kleine aan? Wij behoeven slechts onzen tienponder in tien stukken

van 1 pond te verdeelen, die ieder met een tiende van de eerste

kracht den vijfponder aantrekken, om te zien, dat dat geheel

onaannemelijk is. Wij kunnen de dingen niet in twee groepen

verdeelen, zoo, dat de eene soort, de grooten, de aantrekking alleen

uitoefenen, en de anderen, de kleinen, de aantrekking ondergaan. Ook

de wereldlichamen bewijzen dat: de aarde ondergaat, als alle

planeten, de aantrekking van de zon; zijzelf trekt de maan aan;

waarom zou zij alleen op de maan en niet ook op de zon een

aantrekkingskracht uitoefenen? Al zulke tegenstrijdigheden zijn

alleen te vermijden, als men aanneemt, dat niet slechts sommige

lichamen andere aantrekken, maar _dat alle lichamen elkaar

aantrekken_. De aantrekking werkt tusschen elke twee lichamen en

tracht ze naar elkaar toe te trekken met een kracht, die van hun

beider massa's op dezelfde wijze af hangt, en waarin beide volkomen

dezelfde rol spelen; beide trekken aan en beide worden aangetrokken.

Op het eerste gezicht lijkt het vreemd, dat, zonder dat wij het

bemerken, de aarde de zon even sterk zou aantrekken als de zon de

aarde; maar een kort nadenken toont ons, dat het niet anders kan

zijn.

De aarde trekt den steen aan; maar met dezelfde kracht trekt de

steen de aarde aan. Waarom valt dan alleen de steen naar de aarde en

niet omgekeerd ook de aarde naar den steen? Er is geen enkele reden,

waarom de aarde niet naar den steen toe zou vallen, want de aarde

zweeft even vrij in de wereldruimte als de steen. Beide lichamen

bewegen zich dus naar elkaar toe, de steen wordt naar beneden en de

aarde met dezelfde kracht naar boven getrokken. Daar echter de aarde

wel duizendtrillioen maal grooter is dan de steen, dus ook haar

massa zooveel grooter dan die van den steen moet zijn, bewerkt

dezelfde kracht bij haar een versnelling, die duizendtrillioen maal

kleiner is dan bij den steen. In denzelfden tijd dat de steen een

meter naar beneden valt, valt de aarde een trillioenste millimeter

naar den steen toe, naar boven. En wie zou meenen, dat daardoor dan

toch de plaats van de aarde in het heelal dit kleine bedrag

gewijzigd zou worden, vergist zich ook nog daarin; want toen ik te

voren den steen opbeurde, dus de aarde en den steen tegen hun

wederzijdsche aantrekking in van elkaar verwijderde, door met de

hand den steen aan te vatten en met de voeten tegen de aarde te

drukken, werd de aarde ditzelfde bedragje van een trillioenste

millimeter naar beneden geduwd, terwijl de steen een meter omhoog

ging; bij het vallen nemen beide hun oude plaats weer in.

Wij zien hier nu, waarom wij de aantrekkingskracht eerst als een

eenzijdige werking van het eene ding op het andere leerden kennen.

Van de lichamen, bij welke wij haar ontmoetten, was altijd het eene

veel grooter dan het andere, en daarom bemerkten wij alleen de

beweging van het kleine lichaam: het vallen van den steen op de

aarde, het rondloopen van de planeet om de zon -- de beweging van

het groote lichaam was onmerkbaar. Eerst door deze theoretische

redeneeringen konden wij tot het eigenlijke wezen doordringen. En

zoo kon Newton zijn wet der aantrekking, onafhankelijk van planeten,

zon en aarde, als een algemeene grondwet der natuur in dezen vorm

vaststellen:

_alle stofdeeltjes, die de lichamen van het heelal samenstellen,

trekken elkaar aan met een kracht, die met beider massa

evenredig is en omgekeerd evenredig met het vierkant van hun

afstand_.

Van een bepaalden afstand kan men natuurlijk alleen bij kleine

deeltjes, van punten spreken. De aantrekking van een geheel lichaam

is dan het totaal der aantrekkingen van al zijn deeltjes. De zwaarte

van een steen ontstaat hierdoor, dat alle deeltjes die te zamen de

aarde vormen en waarvan sommige dichtbij, vlak onder onze voeten

liggen en andere zeer ver af, den steen aantrekken en deze

aantrekkingen zich samenvoegen. Wiskundig laat zich bewijzen, dat

bij een _bolvormig_ lichaam de totale aantrekking precies zoo groot

is, als wanneer de geheele massa in zijn middelpunt verzameld was.

De aarde trekt den steen op haar oppervlak en de maan in de verte

juist zoo aan, alsof zij alleen met haar middelpunt aantrekt; deze

eigenschap, waarvan wij als iets vanzelfsprekends al gebruik gemaakt

hebben, veroorlooft, de wet der aantrekking ineens op groote

wereldbollen toe te passen, en daarbij van "hun" afstand te spreken,

evenalsof zij kleine punten zijn.

De massa van een hemellichaam bepaalt dus de aantrekkingskracht, die

het uitoefent; deze massa is het grondelement, dat wij moeten

kennen, om de aantrekking te kunnen berekenen; wij willen dus in de

eerste plaats de massa van de zon kennen in verhouding tot die van

de aarde. Daartoe moeten wij hun werkingen vergelijken, die voor de

zon uit de beweging van de aardplaneet, voor de aarde uit de baan

van de maan blijkt. Dat kan echter alleen, wanneer wij de grootte

der aardbaan, d.w.z. den afstand van de zon tot de aarde nauwkeurig

kennen.

In de oudheid was over dezen afstand niets zekers bekend; ook

Copernicus, Tycho en Kepler behielpen zich nog met de uitkomst van

Aristarchus (zie blz. 56). Maar juist ten tijde van Newton was zij

voor het eerst met eenige zekerheid gemeten. Het daarbij toegepaste

beginsel is hetzelfde als vroeger bij de maan uitgelegd is (blz.

80), alleen met dit verschil, dat niet de parallaxe van de zon zelf,

maar van Mars bepaald werd, die in zijn oppositie veel dichter bij

ons is. Daartoe diende de reis van Richer naar Cayenne in 1672. In

Cayenne, waar Mars hoog aan den hemel stond, zag hij hem

noordelijker tusschen de sterren staan, dan de sterrekundigen te

Parijs, voor wie Mars laag in het Zuiden stond; dit verschil leverde

de parallaxe en den afstand van Mars, en uit de tafels van Kepler

was te zien, hoeveel malen de zon verder dan Mars van de aarde af

stond. Zoo werd gevonden, dat de zon 20 000 aardstralen van ons

verwijderd is en een parallaxe van 10 seconden bezit. Daar de maan

60 aardstralen verwijderd is, is de zon ruim 330 maal verder dan de

maan van ons verwijderd.

Nu is de berekening van de massa der zon niet moeilijk meer. Wij

stellen eerst de vraag: hoever zou een maan van de aarde verwijderd

moeten zijn, om in een jaar rond te loopen? De derde wet van Kepler

geeft het antwoord: daar het kwadraat van 13 1/3 gelijk is aan de

derde macht van 5,6, zal een maan, die 5,6 keer verder dan onze maan

van de aarde verwijderd is, in 13 1/3 maal langeren tijd, dus juist

in een jaar rondloopen. Om de zon en de aarde beide loopt dan een

hemellichaam in een jaar rond; maar de baan van het om de zon

loopende lichaam is 330/5.6 == 59 maal grooter dan de andere. Alles

in deze baan, dus ook het bedrag, dat het lichaam in 1 sekonde van

den rechten weg afgetrokken wordt, de werking dus van de aantrekking

de zon, is 59 maal grooter dan de werking van de aarde. Maar deze

zonswerking vindt op 59 maal grooteren afstand plaats; 59 maal

dichterbij, dus op gelijken afstand als de aarde op het om haar

loopend lichaam werkt, zou ze nog 59 x 59 keer sterker zijn. Op

gelijken afstand moet dus de werking van de zon 59 X 59 X 59 ==

205000 maal sterker zijn dan die van de aarde.

Nu hebben de nauwkeurigste moderne metingen voor de parallaxe van de

zon een nog iets kleiner bedrag, nl. 8.8 sekonden opgeleverd, dus

een iets grooteren afstand, nl. 23400 aardstralen. Daarmee worden

alle getallen eenigszins anders; de zon is in werkelijkheid 389 maal

verder dan de maan van ons verwijderd; in plaats van 59 moet ruim 69

gelezen worden, _en de massa van de zon is 330000 maal grooter dan

de massa van de aarde_.

De Wonderbouw der Wereld · 第 56 / 64 题