36. DE CIRKELBEWEGING.

In de oude wereldleer stonden aarde en hemel door de natuur van hare

bewegingen als twee geheel verschillende werelden tegenover elkaar.

De natuurlijke beweging van de aardsche lichamen was rechtlijnig,

bij de zware naar beneden, naar het middelpunt der wereld, bij de

lichte naar boven. Zulke bewegingen hadden een doelwit en een einde;

was een ding gekomen waar het behoorde, dan bleef het in rust, tot

een vreemde kracht het gewelddadig stoorde. Anders de hemellichamen.

Hun cirkelbeweging om het middelpunt had geen doel en geen einde;

zij kon nooit ophouden, omdat elke reden tot ophouden ontbrak. Deze

eeuwige nooit ophoudende cirkelbeweging, die zoo goed bij de

onvergankelijkheid der hemellichamen zelf paste, had niets met de

bewegingen op aarde gemeen en behoorde tot een geheel andere wereld.

De opvatting, dat een gelijkmatige eindelooze cirkelbeweging zoo

eenvoudig en natuurlijk is en zoo vanzelfsprekend, dat zij geen

verdere verklaring noodig heeft, beheerschte zelfs nog den geest van

Galilei en hielp hem in 't begin om Zijne nieuwe ideeën aannemelijk

te maken. Toen hij de stelling uitsprak, dat een bal, wanneer er

maar geen wrijving was, over een horizontaal vlak steeds even snel

voort zou blijven rollen, beriep hij zich er op, dat deze beweging

toch eigenlijk niets anders dan een deel van een cirkelbeweging om

het middelpunt der aarde was, en het dus eigenlijk vanzelf sprak,

dat zij steeds met onverminderde snelheid voortging. Eerst na hem

hebben anderen uit zijn onderzoekingen verdere gevolgtrekkingen

afgeleid en de stelling geformuleerd -- de zoogenaamde _wet der

traagheid_ -- dat elk lichaam, waarop geen kracht van buiten werkt,

zijn beweging behoudt: _dat dus niet slechts de snelheid, maar ook

de richting van zijn beweging steeds dezelfde blijft_.

Nu moeten wij volgens het stelsel van Copernicus aannemen, dat voor

de wereld der planeten geen andere natuurwetten kunnen gelden dan op

aarde, daar de aarde toch zelf tot de planetenwereld behoort. Geldt

dus dezelfde wet der traagheid voor de hemellichamen, dan is hun

beweging in een cirkel niet meer een eenvoudige, vanzelfsprekende

beweging; dan moet de cirkelbeweging uit eenvoudiger bewegingen en

krachten verklaard worden. Wij spreken hier aldoor van

cirkelbewegingen, omdat in dien tijd de wetten van Kepler nog geen

aandacht getrokken hadden; men hield de banen der planeten meestal

voor cirkels, en wij weten, dat ook volgens Kepler een cirkel zonder

excentriciteit een mogelijke, en wel de eenvoudigste baan voor een

planeet kan zijn. Eerst door de regelmatige cirkelbeweging uit de

grondstellingen te verklaren, die voor de bewegingen op aarde

gelden, kon de kloof, die hemel en aarde scheidde, voor goed gedempt

worden. De weg daartoe wordt ons gewezen, wanneer wij op de beweging

van een voortgeslingerd voorwerp nog nader ingaan.

Wij denken ons boven op een berg een kanon opgesteld, waaruit met

groote snelheid een kogel precies horizontaal weggeschoten wordt. De

kogel begint te vallen op hetzelfde oogenblik, dat hij uit den mond

van het kanon vliegt; na 1 sekonde is hij 5 M., na 2 sekonden 20 M.,

na 3 sekonden 45 M. gevallen. Hij buigt dus in een kromme baan naar

de aardoppervlakte en valt eindelijk op den grond neer. Wij denken

ons de lucht met haar weerstand weg, want het is er ons niet om te

doen de proef werkelijk uit te voeren; wij stellen ze ons alleen

maar in gedachten voor. Nu is de aardoppervlakte niet vlak, maar

gebogen. Trekt men daar, waar wij staan, een horizontale rechte

lijn, dan zinkt het oppervlak naarmate men verder weggaat, steeds

dieper onder deze lijn weg. De kogel bereikt den vasten grond dus in

werkelijkheid niet zoo gauw, als bij een vlakke aarde het geval zou

zijn; de vlakke aarde zou hij in A getroffen hebben, op de

werkelijke gebogen aarde komt hij in B neer. Men kan met behulp van

de meetkunde gemakkelijk berekenen, hoeveel het bolvormige

aardoppervlak onder een horizontale lijn daalt, die wij van uit de

plaats trekken, waar wij staan.

[Illustratie]

Dit bedrag neemt evenredig met het kwadraat van den afstand tot deze

plaats toe; 3,6 KM van ons verwijderd is het 1 M., twee keer zoover

is het 4 M. enz. Op een afstand van 8 KM. is het 5 M., bij 16 KM is

het tot 20 M., bij 24 KM is het tot 45 M. aangegroeid. 1)

Wat zou er nu gebeuren als ons kanon, geweldiger dan alle werkelijk

bestaande kanonnen, den kogel met een snelheid van 8 KM. per sekonde

wegslingerde? Na 1 sekonde was hij dan 8 KM., na 2 sekonden 16 KM.,

na 3 sekonden 24 KM. ver weggevlogen; tegelijk was hij gaan vallen:

na 1 sekonde 5 M., na 2 sekonden 20 M., na 3 sekonden 45 M. Maar nu

daalt de aardoppervlakte op een afstand van 8 KM. juist 5 M., van 16

KM. juist 20 M., van 24 KM. juist 45 M., juist evenveel als de kogel

op dezelfde afstanden gedaald is.

[Illustratie]

_De kogel is dus niets dichter bij de aarde gekomen_; wel valt hij

in een gebogen lijn, maar de aardoppervlakte is even sterk gebogen.

Terwijl hij dus voortvliegt en evenver van de aarde blijft, blijft

zijn baan steeds loodrecht op de richting van de zwaartekracht, is

dus in elke volgende plaats wat daar horizontaal heet. De kogel

blijft dus aldoor precies in dezelfde omstandigheden, steeds even

hoog boven de aarde, steeds horizontaal en even snel voortvliegend;

en voor elk verder punt van zijn baan geldt hetzelfde als voor zijn

punt van uitgang. De beweging gaat dus ook verderop steeds op

dezelfde wijze voort; de kogel blijft steeds even ver van het

middelpunt der aarde verwijderd: _hij beschrijft een cirkelbaan om

de aarde_ en komt, anderhalf uur (nauwkeuriger 40000 K.M. / 7.89

K.M. == 5067 sekonden) na het schot van den anderen kant weer bij

het kanon terug.

Zoo zien wij, hoe een cirkelbeweging tot stand komt. _De

cirkelbeweging ontstaat uit het samenwerken van de zwaartekracht en

een voortsnellende beweging_. Zonder de zwaartekracht zou de kogel

in een rechte lijn voortgevlogen zijn, steeds verder van de aarde

weg. Door de zwaartekracht wordt zijn baan tot een cirkel gebogen,

evenals ook de baan van een schuin opgeworpen steen tot een kromme

lijn gebogen wordt. De zwaartekracht bewerkt, dat de kogel, in

plaats van weg te vliegen, in de buurt van de aarde vastgehouden

wordt en in een kring om haar heen moet loopen. De zwaarte werkt

hier niet als versnellende kracht, maar als een kracht, die aldoor

de richting van de beweging verandert. Zij doet den kogel vallen,

maar het is een vallen, dat het vallende lichaam niet dichter bij de

aarde brengt: een vallen, dat alleen maar verhindert, dat het zich

van de aarde verwijdert.

Zoo hebben wij dus uit een aardsch lichaam, dat aan de aardsche

bewegingswetten gehoorzaamt, een hemellichaam gemaakt, ten minste

wat den aard der beweging aangaat: een lichaam met een eeuwigdurende

cirkelbeweging om een middelpunt. Natuurlijk alleen in gedachte; in

werkelijkheid zou de weerstand van de lucht aan de beweging van

onzen kogel gauw een eind hebben gemaakt. Maar buiten den dampkring

bestaat deze hindernis niet; daar zou zulk een cirkelbeweging

praktisch zeer goed mogelijk zijn. Hier hebben wij dus een

verklaring voor de cirkelbeweging der hemellichamen uit de wetten

der beweging, die op aarde gelden. _Een cirkelbeweging om een

middelpunt vindt haar oorzaak in een kracht, die naar dit middelpunt

gericht is_.

Tegelijk krijgen we hier nu een goed inzicht in de

middelpuntvliedende kracht, die wij reeds bij de aswenteling van de

aarde leerden kennen, maar die wij nu eerst goed kunnen begrijpen.

Het waren dan ook de onderzoekingen, die _Christiaan Huygens_, in

verband met zijn uitvinding van het slingeruurwerk, in 1673 over de

middelpuntvliedende kracht bekend maakte, die het verband tusschen

een aantrekkende kracht en een cirkelbeweging tot volkomen klaarheid

brachten.

Als wij een steen of een ander zwaar voorwerp aan een touw in het

rond slingeren, voelen wij dat het touw aan de hand trekt. Hoe komt

dat? Wij kunnen antwoorden: door de middelpuntvliedende kracht; maar

dan hebben wij het verschijnsel alleen maar een nieuwen naam

gegeven. Wij passen dus dezelfde redeneering toe als hier boven. Kon

de steen vrij zijn eigen weg volgen, dan zou hij rechtuit vliegen;

dat zien wij ook gebeuren, als het touw breekt. Dat hij in een kring

rondvliegt komt hierdoor, dat het touw een kracht op hem uitoefent,

hem naar binnen trekt. Wat dat voor kracht is, zien wij nog beter,

wanneer wij in plaats van een touw een elastiek nemen. Dit elastiek

geeft eerst mee, wanneer de steen rechtuit vliegt; het wordt

uitgerekt, omdat de steen zich daarbij van het middelpunt

verwijdert. Maar door het rekken wordt het gespannen, en de

veerkracht, waarmee het zich tracht samen te trekken, trekt aan den

steen en dwingt hem in een cirkel rond te loopen, evenals de

zwaartekracht in het vorige voorbeeld den kogel dwong, in een cirkel

te loopen. Deze veerkracht voelen wij als een trekken van den steen

aan de vingers, die het elastiek vasthouden, en deze trekkende

kracht noemen wij middelpuntvliedende kracht. Datzelfde geldt nu ook

voor een gewoon touw, alleen met dit verschil, dat de uitrekking,

die de spanning veroorzaakt, zoo uiterst klein is, dat wij ze niet

bemerken. _De middelpuntvliedende kracht is eenvoudig de spanning in

het touw, die den steen dwingt, in een cirkel rond te loopen_.

Het kost nu ook geen moeite, te vinden, hoe groot de

middelpuntvliedende kracht is; zij wordt gemeten door den afstand,

dien zij in 1 sekonde den steen uit de rechte lijn, die anders zijn

weg zou zijn, naar het middelpunt trekt.

[Illustratie]

Beteekent in de onderstaande figuur m a het touw, en doorloopt de

steen in 1 sekonde den weg a c, dan zou hij zonder touw en zonder

deze kracht den weg a b zijn gegaan; het eindje b c is de werking

van de spanning in 1 sekonde. Wij zien nu dadelijk, dat, wanneer de

steen twee keer zoo snel in 't rond geslingerd werd, b c de werking

der kracht in 1/2 sekonde is, en d e, de werking in 1 sekonde,

viermaal grooter dan b c is; de middelpuntvliedende kracht wordt dus

bij dubbele draaiingssnelheid vier keer zoo groot. Nemen wij een

viermaal zoo lang touw, dan wordt bij denzelfden tijd van draaiing

de kracht vier keer zoo groot (g h == 4 x b c); dit viermaal langere

touw moet in den dubbelen tijd rondgeslingerd worden, om dezelfde

middelpuntvliedende kracht te krijgen (g h == d e). Wat wij vroeger

(blz. 134) eenvoudig als resultaat van proefneming en berekening

aangaven, vindt dus hier zijn bewijs.

Wij kunnen nu ook de middelpuntvliedende kracht, die uit de

aswenteling der aarde ontstaat, beter begrijpen. Wij denken ons het

geval, dat een aardsch voorwerp, ergens aan den evenaar, plotseling

zijn zwaarte verliest. Wat gebeurt er dan mee? Het bewoog zich tot

dusver met een snelheid van 463 meter per sekonde in een cirkel.

Wordt het niet meer door de zwaarte tegen de aarde gedrukt, dan

behoudt het eenvoudig de beweging, die het heeft, en het vliegt met

zijn snelheid van 463 meter in een rechte lijn voort. Deze rechte

lijn verwijdert zich steeds meer van het aardoppervlak; op 1 KM

afstand is zij er 8 cM. boven, en dit bedrag neemt toe met het

kwadraat van den afstand. Wij zouden dat gewichtlooze ding dus eerst

gewoon met ons zien meeloopen; dan rijst het langzamerhand, na 1

sekonde 1 2/3 cM., na 2 sekonden 7 cM.; steeds sneller schijnt het

te stijgen: het is alsof een kracht -- de middelpuntvliedende kracht

-- het in een gelijkmatig versnelde beweging omhoog trekt. Nu houdt

in werkelijkheid de zwaarte de dingen op het aardoppervlak vast;

omdat ze zwaar zijn, vallen ze naar beneden, maar toch niet zoo snel

als zonder de draaiing der aarde. Laten wij een steen los, dan valt

hij als vrij zwevend lichaam met de bekende versnelling naar beneden

ten opzichte van de rechte lijn, die anders zijn baan zou zijn; deze

rechte baan zou hem in 1 sekonde 1 2/3 cM. boven de aarde opgeheven

hebben; door de zwaarte valt hij in denzelfden tijd 490 cM. naar

beneden; ten opzichte van het aardoppervlak valt hij dus 488 1/2 cM.

naar beneden. De draaiing der aarde vermindert dus de valsnelheid en

de zwaarte met 1/300 -- wat wij vroeger reeds als uitwerking der

middelpuntvliedende kracht vermeld hebben. Wanneer de aarde tweemaal

zoo vlug draaide, zou het gewichtlooze voorwerp viermaal zoo snel

stijgen; de valhoogte in de eerste sekonde zou dus bij de zware

dingen viermaal zooveel, nl. 7 cM. minder zijn dan bij een

stilstaande aarde, en in dezelfde verhouding zouden zij minder zwaar

drukken. Wanneer de aarde ruim 17 maal sneller om haar as wentelde,

zou de stijging 300 maal grooter zijn, dus even groot als de daling

door de zwaarte. Dan vallen de aardsche voorwerpen in het geheel

niet meer, omdat hun zwaarte door de middelpuntvliedende kracht

opgeheven wordt. Zij hebben in het geheel geen gewicht meer; vrij

zweven ze met de draaiende aarde mee. Zij verkeeren in hetzelfde

geval als onze kanonskogel van vroeger, want daar de aarde dan in 1

1/2 uur om haar as wentelt, vliegen zij met een snelheid van 8 KM.

per sekonde voort. Zij loopen dan als vrijzwevende hemellichamen om

de aarde heen, dicht bij haar oppervlak, en hun zwaarte is juist

voldoende hen in deze cirkelbanen te houden.

1) Omdat deze getallen als 't ware het fundament van de verdere

uiteenzettingen vormen, vermelden wij de meetkundige stelling,

waarop ze berusten. A en B zijn 2 punten van een cirkel en A C raakt

den cirkel in A aan.

[Illustratie]

Uit de gelijkvormigheid der driehoeken A B C en A B D volgt, dat B C

tot A B staat als A B tot A D. Bij de aarde geeft B C aan, hoever 't

aardoppervlak onder de horizontale lijn, die de aarde in A raakt, op

den afstand A B daalt. _Deze daling staat tot den afstand, als de

afstand tot de middellijn der aarde staat_. Daar de middellijn van

de aarde 12,7 millioen Meter bedraagt, levert het kwadraat van den

afstand in kilometers, gedeeld door 12,7 het bedrag van de daling in

meters. Op een afstand van 3.6 KM. is de daling 3.6 x 3.6 / 12.7 ==

1.02 M.; bij 8 KM. is ze 8 x 8 / 12.7 == 5.04 M., en ze bedraagt

4.90 M. op een afstand van 7.89 KM., (want 7.89 x 7.89 == 62.25 en

4.90 x 12.7 == 62.23). Deze eenvoudige regel leert ons tevens,

hoever men op aarde van verschillende hoogten uit kijken kan; voor

wie zich in C op de hoogte C B boven de aarde bevindt, ligt de

horizon in A, op een afstand A B. Zijn hoogte in meters,

vermenigvuldigd met 12.7, levert het kwadraat van den afstand van

zijn horizon in kilometers.

De Wonderbouw der Wereld · 第 54 / 64 题