33. HET WERK VAN TYCHO EN KEPLER.

Waardoor kwam het eigenlijk, dat de kennis der planetenbeweging in

dien tijd nog zoo onvolkomen was? Vooral door het gebrek aan een

voldoende hoeveelheid waarnemingen. De groote sterrekundigen der

oudheid en hun navolgers deden alleen zoo nu en dan een waarneming,

wanneer ze die juist noodig hadden om de plaats van een planeet aan

den hemel vast te stellen. Om de grootte van de epicykels, de

uitmiddelpuntigheid van de banen en de perioden der planeten te

bepalen, had men aan een klein getal waarnemingen genoeg, want men

wist, dat de banen uit cirkels bestonden. Niemand dacht er aan om

onafgebroken den weg der planeten aan den hemel te volgen en steeds

grootere reeksen van waarnemingen op elkaar te stapelen, zooals

tegenwoordig de sterrekundigen dat voor vanzelfsprekend houden.

Waarvoor zou men ook? Wel is waar bleek het nu en dan, dat de

vooruit berekende plaatsen der planeten niet precies met de

werkelijke plaatsen aan den hemel klopten. Maar wat hinderde dat?

Voor de zeevaart was het alleen maar noodig, de plaats van de zon

nauwkeurig vooruit te kennen; om dit even nauwkeurig voor de

planeten te weten, daarvoor bestond langen tijd geen enkele in een

praktische behoefte gelegen dringende reden.

Maar in de 16de eeuw ontstond zulk een dringende reden; en wel in

het toenmaals algemeen heerschende geloof, dat de stand der planeten

de gebeurtenissen hier op aarde bepaalde. Wij hebben er reeds op

gewezen, dat de astrologie de oude Babyloniërs tot ijverige

waarnemers van den hemel had gemaakt, en dat eerst op grond van deze

waarnemingen de Grieksche sterrekundigen hun wetenschap konden

opbouwen. Dit geloof in de werking der gesternten op het aardsche

leven bleef gedurende de geheele oudheid en de middeleeuwen bestaan,

zij het ook niet steeds met dezelfde kracht. Dit geloof was het, dat

de Egyptische en de Mahomedaansche vorsten tot hun ijver in het

begunstigen der sterrekunde aandreef. Bijna alle beroemde

sterrekundigen waren tegelijk astrologen; de groote Ptolemaeus had

over de astrologie een werk geschreven, dat onder den naam

"Tetrabiblos" in de middeleeuwen niet minder beroemd was en niet

minder ijverig bestudeerd werd dan zijn Almagest. Tot een

onweerstaanbare, alles overheerschende overtuiging werd het geloof

in de astrologie weer in de 16de eeuw, toen de vaste levensnormen

van de middeleeuwen gevallen waren en de menschen, verbijsterd en

ontredderd, te midden van geweldige maatschappelijke omwentelingen,

gruwelijke godsdienstoorlogen en botsingen van klasse tegen klasse,

naar een leer zochten en tastten, die hun levenslot van het

meedoogenlooze toeval kon vrijmaken. Wat kon hun daar meer

bevrediging geven, dan de leer, die het wisselend menschenlot met

den onwankelbaren, eeuwigen loop der sterren in verbinding bracht?

Onder alle soorten van geloof en bijgeloof, dat in die tijden van

maatschappelijken en geestelijken ommekeer welig opschoot, moest

juist de astrologie op de beste en ontwikkeldste geesten een sterke

aantrekkingskracht uitoefenen. Zij verdiende inderdaad den naam van

"meest verheven wetenschap"; zij speurde het diepste wereldgeheim,

den samenhang van mensch en wereld, na, en geen andere wetenschap

had voor de menschen een zoo groote praktische waarde.

De middelaars, die Gods wil aan de menschen kenbaar maakten en alle

gebeurtenissen op aarde begeleidden en verkondigden, waren de

planeten. De komst van een planeet, die door haar stand bij iemands

geboorte in een bepaalde betrekking tot hem stond, in bepaalde

sterrebeelden of haar samentreffen met andere planeten en sterren

bepaalde de gelukkige of noodlottige voorvallen in het leven van

dien persoon. _Wilde men echter in staat zijn, deze voorvallen goed

te voorspellen, dan moest men de toekomstige plaatsen der planeten

nauwkeurig vooruit kunnen berekenen_. Hier had men dus een

praktische behoefte van het grootste belang, om de beweging der

planeten met de uiterste nauwkeurigheid te kennen.

Tot de velen, die zich vol ijver en toewijding met deze verheven

wetenschap bezighielden, behoorde ook een Deensch edelman, _Tycho

Brahe_. Als jonge man nam hij in 1563 waar, dat een konjunktie, een

ontmoeting van de planeten Jupiter en Saturnus door de

planetentafels vele dagen verkeerd opgegeven werd; astrologisch

beteekende dit, dat de daarmee samenhangende gebeurtenis vele jaren

verkeerd zou voorspeld zijn. Hij was overtuigd, dat de wetenschap

van den samenhang tusschen de hemelsche en de aardsche

verschijnselen zich nog in haar eerste, primitieve begin bevond. Om

haar ooit tot zoo groote hoogte te brengen, dat zekere, betrouwbare

voorspellingen mogelijk waren, was het volstrekt noodig, dat de

bewegingen der planeten met de uiterste nauwkeurigheid bekend waren

en berekend konden worden. Dit was alleen op grond van de ervaring

mogelijk, door eerst nauwkeurig waar te nemen, hoe de planeten zich

werkelijk aan den hemel bewegen. Zoo kwam Tycho er toe, zijn leven

te wijden aan de taak, door zooveel en zoo nauwkeurig mogelijke

waarnemingen van de planeten het materiaal bijeen te brengen,

waarmee een goede planetentheorie op te bouwen was. "Daar Tycho,"

zoo schrijft Gassendi in zijn in 1654 verschenen "Leven van Tycho",

"door de hoop, de toekomst te doorzien, tot deze studiën aangevuurd

was, is het geen wonder, dat hij van zijn jeugd af aan de astrologie

ijverig toegedaan was, en haar in een openbare redevoering aanbeval.

Men mag zelfs beweren, dat dit geloof zoo vast in hem leefde, dat

hij het nauwelijks of nooit heeft laten varen, tenzij misschien op

het laatst van zijn leven. Want zoo dikwijls hij ook teleurgesteld

werd en zag dat het niet uitkwam, zoo meende hij toch steeds dat de

schuld hieraan lag, dat de tafels der hemelsche bewegingen niet de

plaatsen van de planeten opgaven, die met den hemel overeenstemden.

Daarom legde hij de astrologie op zij en besloot haar niet weer ter

hand te nemen, voordat hij met behulp van nauwkeurige waarnemingen

goede tafels zou hebben vervaardigd."

Van den koning van Denemarken kreeg hij het eiland Hveen in de Sont

tot Zijne beschikking, met de noodige inkomsten om er een

sterrewacht te bouwen. Hij verbeterde de ruwe meetwerktuigen van

dien tijd en wist ze met zooveel bekwaamheid te gebruiken, dat in de

door hem gemeten plaatsen der sterren en planeten geen grooter

fouten dan hoogstens een paar minuten overbleven -- een

nauwkeurigheid, die toen ongeloofelijk scheen en vóór de toepassing

van de verrekijkers niet meer overtroffen is. Met een aantal

leerlingen en helpers nam hij daar onafgebroken 16 jaren lang, van

1580 tot 1596, de zon, de maan, de sterren en de planeten waar.

Daarbij werd datgene, wat voor hem eerst alleen maar middel geweest

was, langzamerhand tot hoofddoel, terwijl het vroegere hoofddoel, de

astrologie, op den achtergrond raakte. Zoo schreef hij in 1587 aan

den kanselier van het Duitsche rijk, dat hij zich met de astrologie

niet graag inliet, omdat daarop niet veel te bouwen was; maar dat

hij in de astronomie, die den loop der sterren navorscht, orde

tracht te brengen, want daarin is, met vlijt en arbeid en goede

instrumenten, de waarheid wel te vinden. En inderdaad had hij een

waarnemingsmateriaal bij elkaar gebracht, dat in hoeveelheid en

hoedanigheid al het bestaande zooverre overtrof, dat het nu voor het

allereerst mogelijk was geworden de werkelijke banen der planeten

nauwkeurig te vinden. Tycho wilde dit werk aanvatten, toen hij zich

na zijn vertrek uit Denemarken in Praag gevestigd had, waarheen hem

Keizer Rudolf uitgenoodigd had, die zich in plaats van met

staatszaken alleen met wetenschap bezighield. Maar hij stierf in

1600, vóór hij met deze taak goed en wel beginnen kon. Zij werd

overgenomen door zijn assistent, den Wurtemberger _Johannes Kepler_,

die ook zijn opvolger in het ambt van "Keizerlijk mathematicus"

werd, en aan wien Tycho als erfenis de opdracht naliet, uit zijn

waarnemingen de juiste banen en nauwkeurige tafels voor de planeten

te berekenen.

Tycho had geen gelukkiger keus kunnen doen. Kepler bezat juist de

beide eigenschappen, die voor dit werk noodig waren: hij bezat een

rijke fantasie, die ook tusschen de meest verschillende

verschijnselen en verwijderde gebieden samenhang en verband wist te

raden, en hij bezat een onvermoeibare vlijt, die onverdroten de

langdradigste berekeningen uitvoerde, om zijn vermoedens op de proef

te stellen, en, als het bleek niet uit te komen, zonder spijt over

de verloren moeite dadelijk een nieuwen weg probeerde. Om dit groote

talent in het rekenen, dat uit zijn eerste geschrift bleek, had

Tycho hem uitgenoodigd, als zijn helper voor het groote werk naar

Praag te komen. In dit eerste geschrift sprak Kepler reeds het

groote hooge doel uit, dat hem bij zijn arbeid voor oogen stond. Hij

wilde vinden, naar welk plan en welke grondgedachte het

planetenstelsel, de toenmalige wereld geschapen was. Zonder eenige

reden of orde, gewoon maar toevallig, kon de bouw van deze wereld

niet zijn. Waarom waren er juist zes planeten? Waarom stonden zij

juist op deze en niet op andere afstanden van de zon? Welke wet

beheerschte hun beweging? Dit te onderzoeken, als het ware Gods

gedachten in Zijn werk na te speuren, dat was het groote levensdoel,

dat hem ophief en sterk maakte in alle ongeluk en hem gedurende een

leven vol zorgen, onder armoede en vervolgingen, kracht tot een

reuzenwerk gaf. Dat was het trotsche gevoel, dat hem bezielde, toen

hij in een van zijn werken, na de uiteenzetting van een door hem

ontdekte belangrijke wet, schreef: "Ik heb mijn boek geschreven en

het zal gelezen worden, nu of in latere tijden -- wat doet het er

toe? Heeft God niet zesduizend jaar moeten wachten op dengene, die

zijn werk doorgrond heeft?"

Kepler wist, dat hij dit doel alleen dan zou kunnen bereiken,

wanneer hij het beste waarnemingsmateriaal kon gebruiken, dat te

vinden was. Daarom werd hij door Tycho's waarnemingsschat

aangetrokken en was diens uitnoodiging hem zoo welkom. Nu is wel is

waar het meeste van wat hij uit zijn berekeningen afleidde later

gebleken onhoudbare fantasie te zijn; daarom heeft men hem vaak voor

een fantast gehouden, die maar bij toeval een paar gelukkige

vondsten deed; en zijn tijdgenooten, die ook van deze vondsten de

waarde niet kenden, moesten hem daarvoor nog veel meer houden. Maar

men mag niet vergeten, dat hij alleen door alle richtingen te

probeeren den weg kon vinden, waarop de wetenschap verder zou gaan.

Wie naderhand op dit gebaande pad voortschrijdt, heeft dan meestal

geen klaar besef, hoe moeilijk het eerste verkennen van het terrein

was, en hoeveel vruchtelooze pogingen, illusies en teleurstellingen

noodig waren, voordat de weg gevonden was, die ons nu zoo eenvoudig

en vanzelfsprekend voorkomt. En wie Kepler bij zijn werk begeleidt,

bemerkt dadelijk, dat hij in het geheel niet zonder plan er maar op

los probeerde, doch op vaste, methodische en weloverlegde wijze op

zijn doel afging. Zijn groote sterrekundige ontdekkingen zijn geen

vruchten van het toeval; zij zijn de uitkomsten van een stelselmatig

onderzoek, dat zekerheid bood het gestelde doel te bereiken.

[Illustratie]

Het principe, waarop zijn berekeningen berusten, is uiterst

eenvoudig; het is hetzelfde beginsel, dat wij ook al bij de

driehoeksmeting op aarde leerden kennen. De plaats en de afstand van

een voor ons onbereikbaar voorwerp zijn te vinden, als men vanuit

twee verschillende plaatsen, waarvan de afstand bekend is, de

richting waarneemt, waarin het voorwerp zich vertoont. Kunnen wij op

die manier ook de werkelijke plaats van een planeet in de

wereldruimte leeren kennen? Op het eerste gezicht schijnt dat een

onoplosbaar vraagstuk, omdat wij maar één standpunt hebben: de

aarde, die wij niet kunnen verlaten. Maar dat is voor ons toch geen

bezwaar. Want wij weten, dat de planeet zich om de zon beweegt en

wij kennen voor elk tijdstip de richting, waarin zij zich van uit de

zon vertoont; wij kennen die direkt uit de opposities, en wij weten,

dat telkens na een omloop de planeet weer precies op dezelfde plaats

terugkomt. In werkelijkheid hebben wij dus twee standpunten: de zon

en de aarde. In den geest kunnen wij ons naar de zon verplaatsen, en

wij zien de planeet dan regelmatig om ons rondloopen; wel weten wij

niet hoever zij in elke richting van de zon af is, doch alleen, dat

zij zich ergens op de van de zon uitgaande lijn Z P bevindt.

Tegelijk bevinden wij ons echter lichamelijk op de aarde en zien van

hieruit, als het ware van een zijpost uit, dat de planeet zich in de

richting naar Q bevindt. Uit deze beide gegevens laat zich dan

gemakkelijk berekenen, op welke plaats van de lijn Z P, op welken

afstand van de zon en van de aarde de planeet zich in de ruimte

bevindt. Natuurlijk is daarbij verondersteld, dat de afstand van de

aarde tot de zon bekend is; wat men vindt is natuurlijk alleen de

verhouding van de afstanden zon-planeet en zon-aarde.

Dit principe heeft Kepler toegepast, om uit de waarnemingen van

Tycho de werkelijke banen der planeten en de wetten van hun beweging

te vinden.

De Wonderbouw der Wereld · 第 47 / 64 题