Waardoor kwam het eigenlijk, dat de kennis der planetenbeweging in
dien tijd nog zoo onvolkomen was? Vooral door het gebrek aan een
voldoende hoeveelheid waarnemingen. De groote sterrekundigen der
oudheid en hun navolgers deden alleen zoo nu en dan een waarneming,
wanneer ze die juist noodig hadden om de plaats van een planeet aan
den hemel vast te stellen. Om de grootte van de epicykels, de
uitmiddelpuntigheid van de banen en de perioden der planeten te
bepalen, had men aan een klein getal waarnemingen genoeg, want men
wist, dat de banen uit cirkels bestonden. Niemand dacht er aan om
onafgebroken den weg der planeten aan den hemel te volgen en steeds
grootere reeksen van waarnemingen op elkaar te stapelen, zooals
tegenwoordig de sterrekundigen dat voor vanzelfsprekend houden.
Waarvoor zou men ook? Wel is waar bleek het nu en dan, dat de
vooruit berekende plaatsen der planeten niet precies met de
werkelijke plaatsen aan den hemel klopten. Maar wat hinderde dat?
Voor de zeevaart was het alleen maar noodig, de plaats van de zon
nauwkeurig vooruit te kennen; om dit even nauwkeurig voor de
planeten te weten, daarvoor bestond langen tijd geen enkele in een
praktische behoefte gelegen dringende reden.
Maar in de 16de eeuw ontstond zulk een dringende reden; en wel in
het toenmaals algemeen heerschende geloof, dat de stand der planeten
de gebeurtenissen hier op aarde bepaalde. Wij hebben er reeds op
gewezen, dat de astrologie de oude Babyloniërs tot ijverige
waarnemers van den hemel had gemaakt, en dat eerst op grond van deze
waarnemingen de Grieksche sterrekundigen hun wetenschap konden
opbouwen. Dit geloof in de werking der gesternten op het aardsche
leven bleef gedurende de geheele oudheid en de middeleeuwen bestaan,
zij het ook niet steeds met dezelfde kracht. Dit geloof was het, dat
de Egyptische en de Mahomedaansche vorsten tot hun ijver in het
begunstigen der sterrekunde aandreef. Bijna alle beroemde
sterrekundigen waren tegelijk astrologen; de groote Ptolemaeus had
over de astrologie een werk geschreven, dat onder den naam
"Tetrabiblos" in de middeleeuwen niet minder beroemd was en niet
minder ijverig bestudeerd werd dan zijn Almagest. Tot een
onweerstaanbare, alles overheerschende overtuiging werd het geloof
in de astrologie weer in de 16de eeuw, toen de vaste levensnormen
van de middeleeuwen gevallen waren en de menschen, verbijsterd en
ontredderd, te midden van geweldige maatschappelijke omwentelingen,
gruwelijke godsdienstoorlogen en botsingen van klasse tegen klasse,
naar een leer zochten en tastten, die hun levenslot van het
meedoogenlooze toeval kon vrijmaken. Wat kon hun daar meer
bevrediging geven, dan de leer, die het wisselend menschenlot met
den onwankelbaren, eeuwigen loop der sterren in verbinding bracht?
Onder alle soorten van geloof en bijgeloof, dat in die tijden van
maatschappelijken en geestelijken ommekeer welig opschoot, moest
juist de astrologie op de beste en ontwikkeldste geesten een sterke
aantrekkingskracht uitoefenen. Zij verdiende inderdaad den naam van
"meest verheven wetenschap"; zij speurde het diepste wereldgeheim,
den samenhang van mensch en wereld, na, en geen andere wetenschap
had voor de menschen een zoo groote praktische waarde.
De middelaars, die Gods wil aan de menschen kenbaar maakten en alle
gebeurtenissen op aarde begeleidden en verkondigden, waren de
planeten. De komst van een planeet, die door haar stand bij iemands
geboorte in een bepaalde betrekking tot hem stond, in bepaalde
sterrebeelden of haar samentreffen met andere planeten en sterren
bepaalde de gelukkige of noodlottige voorvallen in het leven van
dien persoon. _Wilde men echter in staat zijn, deze voorvallen goed
te voorspellen, dan moest men de toekomstige plaatsen der planeten
nauwkeurig vooruit kunnen berekenen_. Hier had men dus een
praktische behoefte van het grootste belang, om de beweging der
planeten met de uiterste nauwkeurigheid te kennen.
Tot de velen, die zich vol ijver en toewijding met deze verheven
wetenschap bezighielden, behoorde ook een Deensch edelman, _Tycho
Brahe_. Als jonge man nam hij in 1563 waar, dat een konjunktie, een
ontmoeting van de planeten Jupiter en Saturnus door de
planetentafels vele dagen verkeerd opgegeven werd; astrologisch
beteekende dit, dat de daarmee samenhangende gebeurtenis vele jaren
verkeerd zou voorspeld zijn. Hij was overtuigd, dat de wetenschap
van den samenhang tusschen de hemelsche en de aardsche
verschijnselen zich nog in haar eerste, primitieve begin bevond. Om
haar ooit tot zoo groote hoogte te brengen, dat zekere, betrouwbare
voorspellingen mogelijk waren, was het volstrekt noodig, dat de
bewegingen der planeten met de uiterste nauwkeurigheid bekend waren
en berekend konden worden. Dit was alleen op grond van de ervaring
mogelijk, door eerst nauwkeurig waar te nemen, hoe de planeten zich
werkelijk aan den hemel bewegen. Zoo kwam Tycho er toe, zijn leven
te wijden aan de taak, door zooveel en zoo nauwkeurig mogelijke
waarnemingen van de planeten het materiaal bijeen te brengen,
waarmee een goede planetentheorie op te bouwen was. "Daar Tycho,"
zoo schrijft Gassendi in zijn in 1654 verschenen "Leven van Tycho",
"door de hoop, de toekomst te doorzien, tot deze studiën aangevuurd
was, is het geen wonder, dat hij van zijn jeugd af aan de astrologie
ijverig toegedaan was, en haar in een openbare redevoering aanbeval.
Men mag zelfs beweren, dat dit geloof zoo vast in hem leefde, dat
hij het nauwelijks of nooit heeft laten varen, tenzij misschien op
het laatst van zijn leven. Want zoo dikwijls hij ook teleurgesteld
werd en zag dat het niet uitkwam, zoo meende hij toch steeds dat de
schuld hieraan lag, dat de tafels der hemelsche bewegingen niet de
plaatsen van de planeten opgaven, die met den hemel overeenstemden.
Daarom legde hij de astrologie op zij en besloot haar niet weer ter
hand te nemen, voordat hij met behulp van nauwkeurige waarnemingen
goede tafels zou hebben vervaardigd."
Van den koning van Denemarken kreeg hij het eiland Hveen in de Sont
tot Zijne beschikking, met de noodige inkomsten om er een
sterrewacht te bouwen. Hij verbeterde de ruwe meetwerktuigen van
dien tijd en wist ze met zooveel bekwaamheid te gebruiken, dat in de
door hem gemeten plaatsen der sterren en planeten geen grooter
fouten dan hoogstens een paar minuten overbleven -- een
nauwkeurigheid, die toen ongeloofelijk scheen en vóór de toepassing
van de verrekijkers niet meer overtroffen is. Met een aantal
leerlingen en helpers nam hij daar onafgebroken 16 jaren lang, van
1580 tot 1596, de zon, de maan, de sterren en de planeten waar.
Daarbij werd datgene, wat voor hem eerst alleen maar middel geweest
was, langzamerhand tot hoofddoel, terwijl het vroegere hoofddoel, de
astrologie, op den achtergrond raakte. Zoo schreef hij in 1587 aan
den kanselier van het Duitsche rijk, dat hij zich met de astrologie
niet graag inliet, omdat daarop niet veel te bouwen was; maar dat
hij in de astronomie, die den loop der sterren navorscht, orde
tracht te brengen, want daarin is, met vlijt en arbeid en goede
instrumenten, de waarheid wel te vinden. En inderdaad had hij een
waarnemingsmateriaal bij elkaar gebracht, dat in hoeveelheid en
hoedanigheid al het bestaande zooverre overtrof, dat het nu voor het
allereerst mogelijk was geworden de werkelijke banen der planeten
nauwkeurig te vinden. Tycho wilde dit werk aanvatten, toen hij zich
na zijn vertrek uit Denemarken in Praag gevestigd had, waarheen hem
Keizer Rudolf uitgenoodigd had, die zich in plaats van met
staatszaken alleen met wetenschap bezighield. Maar hij stierf in
1600, vóór hij met deze taak goed en wel beginnen kon. Zij werd
overgenomen door zijn assistent, den Wurtemberger _Johannes Kepler_,
die ook zijn opvolger in het ambt van "Keizerlijk mathematicus"
werd, en aan wien Tycho als erfenis de opdracht naliet, uit zijn
waarnemingen de juiste banen en nauwkeurige tafels voor de planeten
te berekenen.
Tycho had geen gelukkiger keus kunnen doen. Kepler bezat juist de
beide eigenschappen, die voor dit werk noodig waren: hij bezat een
rijke fantasie, die ook tusschen de meest verschillende
verschijnselen en verwijderde gebieden samenhang en verband wist te
raden, en hij bezat een onvermoeibare vlijt, die onverdroten de
langdradigste berekeningen uitvoerde, om zijn vermoedens op de proef
te stellen, en, als het bleek niet uit te komen, zonder spijt over
de verloren moeite dadelijk een nieuwen weg probeerde. Om dit groote
talent in het rekenen, dat uit zijn eerste geschrift bleek, had
Tycho hem uitgenoodigd, als zijn helper voor het groote werk naar
Praag te komen. In dit eerste geschrift sprak Kepler reeds het
groote hooge doel uit, dat hem bij zijn arbeid voor oogen stond. Hij
wilde vinden, naar welk plan en welke grondgedachte het
planetenstelsel, de toenmalige wereld geschapen was. Zonder eenige
reden of orde, gewoon maar toevallig, kon de bouw van deze wereld
niet zijn. Waarom waren er juist zes planeten? Waarom stonden zij
juist op deze en niet op andere afstanden van de zon? Welke wet
beheerschte hun beweging? Dit te onderzoeken, als het ware Gods
gedachten in Zijn werk na te speuren, dat was het groote levensdoel,
dat hem ophief en sterk maakte in alle ongeluk en hem gedurende een
leven vol zorgen, onder armoede en vervolgingen, kracht tot een
reuzenwerk gaf. Dat was het trotsche gevoel, dat hem bezielde, toen
hij in een van zijn werken, na de uiteenzetting van een door hem
ontdekte belangrijke wet, schreef: "Ik heb mijn boek geschreven en
het zal gelezen worden, nu of in latere tijden -- wat doet het er
toe? Heeft God niet zesduizend jaar moeten wachten op dengene, die
zijn werk doorgrond heeft?"
Kepler wist, dat hij dit doel alleen dan zou kunnen bereiken,
wanneer hij het beste waarnemingsmateriaal kon gebruiken, dat te
vinden was. Daarom werd hij door Tycho's waarnemingsschat
aangetrokken en was diens uitnoodiging hem zoo welkom. Nu is wel is
waar het meeste van wat hij uit zijn berekeningen afleidde later
gebleken onhoudbare fantasie te zijn; daarom heeft men hem vaak voor
een fantast gehouden, die maar bij toeval een paar gelukkige
vondsten deed; en zijn tijdgenooten, die ook van deze vondsten de
waarde niet kenden, moesten hem daarvoor nog veel meer houden. Maar
men mag niet vergeten, dat hij alleen door alle richtingen te
probeeren den weg kon vinden, waarop de wetenschap verder zou gaan.
Wie naderhand op dit gebaande pad voortschrijdt, heeft dan meestal
geen klaar besef, hoe moeilijk het eerste verkennen van het terrein
was, en hoeveel vruchtelooze pogingen, illusies en teleurstellingen
noodig waren, voordat de weg gevonden was, die ons nu zoo eenvoudig
en vanzelfsprekend voorkomt. En wie Kepler bij zijn werk begeleidt,
bemerkt dadelijk, dat hij in het geheel niet zonder plan er maar op
los probeerde, doch op vaste, methodische en weloverlegde wijze op
zijn doel afging. Zijn groote sterrekundige ontdekkingen zijn geen
vruchten van het toeval; zij zijn de uitkomsten van een stelselmatig
onderzoek, dat zekerheid bood het gestelde doel te bereiken.
[Illustratie]
Het principe, waarop zijn berekeningen berusten, is uiterst
eenvoudig; het is hetzelfde beginsel, dat wij ook al bij de
driehoeksmeting op aarde leerden kennen. De plaats en de afstand van
een voor ons onbereikbaar voorwerp zijn te vinden, als men vanuit
twee verschillende plaatsen, waarvan de afstand bekend is, de
richting waarneemt, waarin het voorwerp zich vertoont. Kunnen wij op
die manier ook de werkelijke plaats van een planeet in de
wereldruimte leeren kennen? Op het eerste gezicht schijnt dat een
onoplosbaar vraagstuk, omdat wij maar één standpunt hebben: de
aarde, die wij niet kunnen verlaten. Maar dat is voor ons toch geen
bezwaar. Want wij weten, dat de planeet zich om de zon beweegt en
wij kennen voor elk tijdstip de richting, waarin zij zich van uit de
zon vertoont; wij kennen die direkt uit de opposities, en wij weten,
dat telkens na een omloop de planeet weer precies op dezelfde plaats
terugkomt. In werkelijkheid hebben wij dus twee standpunten: de zon
en de aarde. In den geest kunnen wij ons naar de zon verplaatsen, en
wij zien de planeet dan regelmatig om ons rondloopen; wel weten wij
niet hoever zij in elke richting van de zon af is, doch alleen, dat
zij zich ergens op de van de zon uitgaande lijn Z P bevindt.
Tegelijk bevinden wij ons echter lichamelijk op de aarde en zien van
hieruit, als het ware van een zijpost uit, dat de planeet zich in de
richting naar Q bevindt. Uit deze beide gegevens laat zich dan
gemakkelijk berekenen, op welke plaats van de lijn Z P, op welken
afstand van de zon en van de aarde de planeet zich in de ruimte
bevindt. Natuurlijk is daarbij verondersteld, dat de afstand van de
aarde tot de zon bekend is; wat men vindt is natuurlijk alleen de
verhouding van de afstanden zon-planeet en zon-aarde.
Dit principe heeft Kepler toegepast, om uit de waarnemingen van
Tycho de werkelijke banen der planeten en de wetten van hun beweging
te vinden.