22. WINDEN EN ZEESTROOMINGEN.

Toen Columbus voor het eerst naar Amerika zeilde, maakten zijn

reisgenooten zich ongerust over den steeds aanhoudenden

Noordoostewind, die hun, zooals zij vreesden, de terugreis

onmogelijk zou maken. Naderhand maakten de Spanjaarden voor hun

reizen naar Amerika altijd gebruik van dezen wind, die ten Zuiden

van de Kanarische eilanden tusschen Afrika en Amerika het geheele

jaar door steeds in dezelfde richting waait, namelijk dichter bij

Europa uit het Noordoosten, verder zuidelijk en westelijk steeds

meer uit het Oosten. Ten Zuiden van den evenaar treft men op

dezelfde wijze een voordurenden Zuidoostewind aan, die over een

gebied waait, dat zich tot aan de grens van den heeten aardgordel

uitstrekt. Deze bestendige winden, die _passaten_ genoemd worden,

heerschen ook in het heete gedeelte van den Stillen Oceaan, ten

Noorden van den evenaar als Noordoostpassaat, ten Zuiden van den

evenaar als Zuidoostpassaat, en den Zuidoostpassaat treft men ook in

den Indischen Oceaan aan. In het noordelijke deel van dezen Oceaan,

evenals in het Zuiden van Azië, treft men in plaats daarvan de

moessons aan, die om het halve jaar hun richting omkeeren en in den

zomer als Zuidwestewind, in den winter als Noordoostewind waaien.

Een verklaring van deze passaatwinden, die zich door hun

regelmatigheid zoo opvallend van de onregelmatige wisseling van weer

en wind in de gematigde streken onderscheiden, werd voor het eerst

in 1735 door een Engelsch sterrekundige _Georg Hadley_ gegeven. In

de buurt van den evenaar, waar de zonnestraling het felst is, wordt

de lucht sterk verhit, en omdat warme lucht bij denzelfden druk

ijler en lichter is dan koude lucht, stijgt zij omhoog. Van beide

kanten, van het Noorden en van het Zuiden, stroomt dan de lucht

daarheen om de plaats van de opstijgende lucht in te nemen.

[Illustratie]

Daar het gewicht van een kolom ijle, warme lucht geringer is dan het

gewicht van een even hooge kolom koude lucht, neemt de druk in de

warme luchtkolom naar boven langzamer af dan in de koude. Zij kunnen

zich dus niet in rustig evenwicht naast elkander bevinden; wanneer

beneden de druk in de warme kolom kleiner is dan in de koude, dan is

omgekeerd op groote hoogte de druk in het warme gebied het grootst.

Boven stroomt daarom de lucht van het warme gebied naar het koude,

terwijl beneden het omgekeerde plaats vindt. In plaats van evenwicht

in rust moet een _regelmatige kringloop_ ontstaan, een onafgebroken

luchtcirkulatie: beneden stroomt de lucht naar het warme gebied,

boven van het warme naar het koude; in de warme luchtkolom stijgt

zij omhoog, in het koude gebied daalt zij naar beneden, zooals ook

in de figuur te zien is, waar de druk op verschillende hoogten

evenals bij den barometer door millimeters kwikhoogte aangegeven is.

Zulk een kringloop vindt 's winters ook in een verwarmde kamer

plaats; bij de kachel stijgt de warme lucht op, bij het raam daalt

de koude lucht neer; langs den zolder stroomt de lucht van de kachel

naar het raam, en over den vloer van het raam naar de kachel. Zoo

waait ook aan de kusten in de tropische gewesten overdag een zeewind

naar het sterk verhitte land, en des nachts een landwind naar de

lauwe zee.

Zulk een kringloop op reusachtige schaal of, juister nog, een

dubbele kringloop vindt boven de tropische oceanen plaats. Van beide

kanten, van het Noorden en van het Zuiden, stroomt de lucht naar den

evenaar; in het midden, den _gordel der windstilten_, stijgt de

heete lucht op en voert groote massa's waterdamp mee, die zich boven

tot wolken verdichten en in zware onweersbuien in zee terugstroomen.

Boven vloeit de lucht naar beide zijden weg, daalt aan de grenzen

van den tropischen gordel op de aarde neer, en stroomt dan langs het

aardoppervlak weer naar den evenaar terug. Volgens deze verklaring

moet dus ten Noorden van den evenaar altijd een Noordewind, ten

Zuiden altijd een Zuidewind waaien. Hoe komt het nu, dat men in

plaats daarvan een Noordoostpassaat en een Zuidoostpassaat aantreft?

Door de aswenteling der aarde.

Wij hebben er reeds op gewezen, dat het draaiende aardoppervlak niet

overal dezelfde snelheid heeft. De plaatsen aan den evenaar, die den

grootsten cirkel van 40 millioen meter in 24 uren doorloopen, hebben

de grootste snelheid, 464 meter per sekonde. Naarmate men zich

verder van den evenaar verwijdert, wordt de doorloopen cirkel

kleiner, en dus ook de snelheid. Aan de grens van de tropische zone

is zij 426 meter, op de breedte van de Kanarische eilanden 400

meter, in Midden-Europa 327 meter. Daar de lucht aan de beweging van

de plaats, waar zij zich bevindt, deelneemt, heeft zij ook een des

te kleinere west-oostelijke snelheid, naarmate men zich verder van

den evenaar verwijdert. Stroomt deze lucht nu langs het

aardoppervlak naar den evenaar, dan behoudt zij haar oorspronkelijke

langzame west-oostelijke snelheid, terwijl zij over plaatsen

strijkt, die sneller bewegen; zij blijft dus steeds meer achter bij

het aardoppervlak, d.w.z. zij beweegt zich ten opzichte van dit

oppervlak in westelijke richting. De lucht, die van het Noorden naar

den evenaar stroomt, beweegt zich in zuidwestelijke richting, is dus

een Noordoostewind, die steeds meer oostelijk wordt; evenzoo moet de

van het Zuiden komende lucht ten Zuiden van den evenaar een

Zuidoostewind worden. Omgekeerd moet de lucht, die boven in den

dampkring van den evenaar wegstroomt, de snelle beweging van den

evenaar behouden, dus de streken, waar zij komt, vooruitloopen; dat

werkelijk hoog in de lucht ten Noorden van den evenaar een

bestendige Zuidwestewind, ten Zuiden van den evenaar een bestendige

Noordwestewind waait (de z.g. anti-passaat), blijkt uit de beweging

van hoogzwevende schapewolkjes, en ook hieruit, dat de asch van

onder den evenaar gelegen vuurspuwende bergen ver ten Noordoosten

van den vulkaan zelf neerkomt.

_De richting van de passaatwinden levert dus een nieuw bewijs op

voor de aswenteling der aarde_. Hetzelfde geldt voor de moessons,

die deel uitmaken van een kringloop van lucht tusschen het vasteland

van Azië en den Indischen Oceaan. Des zomers, wanneer het vasteland

verhit wordt, stroomt daarheen een Zuidewind van uit den Oceaan; 's

winters stroomt omgekeerd de lucht van uit de kille hoogvlakten van

Azië naar de warme, zuidelijke zee. Door de draaiing der aarde wordt

de richting van deze luchtstroomen op dezelfde manier veranderd als

bij de passaten; 's zomers heerscht daarom de Zuidwestmoesson, 's

winters de Noordoostmoesson. Door den invloed van de onregelmatige

verdeeling van land, zee en eilanden treden echter in de moessons

nog vele plaatselijke verschillen op.

Om aan den wind de draaiing van de aarde te zien, behoeft men echter

niet eerst naar de tropen te gaan; ook in ons klimaat hebben wij

haar op bijna elk weerkaartje duidelijk voor ons. In de gematigde

luchtstreken zijn weer en wind zoo veranderlijk en onregelmatig, dat

men langen tijd geloofde, dat er in het geheel geen wet en regel in

te vinden was. Eerst in de laatste eeuw is het gelukt, uit de

gelijktijdige regelmatige opteekeningen van barometerstand en

windrichting in vele plaatsen van Europa ook in deze wisselingen

bepaalde wetten te ontdekken, en zoo de grondslagen voor een begin

van wetenschappelijke weervoorspelling te leggen.

Het eerst vond de Berlijnsche natuurkundige _Dove_, dat de geweldige

stormen, die nu en dan over West-Europa trekken, _reusachtige

luchtwervels_ zijn, evenals de draaikolken in stroomend water en de

kleine wervelwinden, die bij heftige windstooten soms over de straat

loopen. In het midden van zulk een werveling is de luchtdruk zeer

laag; naar buiten neemt hij toe. Om dit midden draaien de

luchtmassa's met geweldige snelheid naar links, d.w.z. in een

richting, tegengesteld aan de beweging van de wijzers van een klok.

Deze geheele luchtdraaikolk schuift meestal van het Westen of

Zuidwesten naar het Oosten of Noordoosten. Zij komt uit den Oceaan

en lost zich boven Europa langzamerhand op, doordat van alle kanten

luchtmassa's op haar storten om de lage drukking op te heffen, en

daarbij haar beweging remmen.

Dit geldt echter ook, al treedt het verschijnsel hier ook zwakker en

onregelmatiger op, voor de gewone winden, zooals _Buys Ballot_ in

Utrecht het eerst bewezen heeft. Volgens de door hem gevonden _wet

der winden_ waait de wind steeds om de gebieden van lagen luchtdruk

heen in een richting tegen de wijzers van een uurwerk in; of, zooals

hij het uitdrukte, heeft een waarnemer, die met den rug tegen den

wind gaat staan, den lagen barometerstand aan de linker-, den hoogen

aan de rechterhand. Van de juistheid van dezen regel kan iedereen

zich gemakkelijk door beschouwing van de weerkaartjes overtuigen,

die dagelijks in de groote kranten afgedrukt worden en waarvan wij

op pag. 143 er ook een weergeven. Men ziet hier duidelijk, hoe,

ondanks kleinere lokale afwijkingen, de winden, waarvan de richting

door de pijlen aangegeven wordt, langs de lijnen van gelijken

luchtdruk of iets meer naar den kant van den lagen druk gericht

zijn, en daarbij het gebied van lagen druk aan den linkerkant

hebben. Zij wervelen dus _naar links_ om het gebied van lagen druk

heen.

De oorzaak van deze draaiing en van deze bepaalde draaingsrichting

ligt weer in de aswenteling der aarde. Was deze er niet, dan zou de

lucht van de omliggende plaatsen van hoogen druk in een rechte lijn

naar een in het midden gelegen gebied van lagen druk stroomen. Maar

door de draaiing der aarde raken deze luchtstroomen van den rechten

weg af. Wij hebben vroeger reeds gevonden op welke wijze de horizon

van een plaats ten gevolge van de aswenteling zijn stand verandert.

Terwijl hij aan de oostzijde daalt en aan de westzijde rijst, draait

hij tegelijk in zijn eigen vlak langzaam naar links om.

[Illustratie: Weerkaartje voor 26 Maart 1909.]

Het eerste kan in aardsche verschijnselen niet voor den dag komen,

omdat alles door de zwaarte tegen de aarde gedrukt wordt; het tweede

moet echter te voorschijn treden, wanneer de lucht als wind over de

aardoppervlakte der aarde strijkt. Het aardoppervlak draait onder

deze luchtstroom langzaam naar links; daarom moet de wind ten

opzichte van de aarde zijn richting veranderen en naar rechts

afbuigen, zoodat het oorspronkelijke richtpunt der beweging aan zijn

linkerkant komt te liggen.

[Illustratie: Begin der beweging]

[Illustratie: Voortzetting der beweging.]

[Illustratie: Afbuiging van den luchtstroom.]

Worden de van alle kanten naar een zelfde middelpunt strevende

luchtstroomen alle onderweg naar rechts afgeleid, dan ontstaat

daaruit een beweging naar links om dit centrum heen. Zoo vormt zich

een werveling, waarin de van buiten aanstroomende en dan in draaiing

geraakte luchtmassa's voortdurend omhoog gezogen worden. Wij vinden

dus, dat _ten gevolge van de aswenteling der aarde de lucht hier om

een gebied van lagen druk in een draaiing moet geraken in een

richting, tegengesteld aan de beweging van de wijzers van een

uurwerk_. Hier, d.w.z. op het noordelijk halfrond. Want uit deze

verklaring vloeit tegelijk voort, dat _op het zuidelijk halfrond de

draaiing in tegengestelde richting plaats vindt_, wat door de

ervaring ook bevestigd wordt, en wat voor de cyklonen in den

Indischen Oceaan reeds lang bekend was. Zoo levert de draaiingswet

der stormen en de wet van Buys Ballot voor de gewone winden in de

gematigde luchtstreken een nieuw bewijs voor de draaiing der aarde.

Zulk een bewijs konden de winden leveren, omdat de lucht zich vrij

over de aarde beweegt en zoo de verschillen in de beweging van

verschillende deelen der aarde aan het licht brengt.

[Illustratie: Zeestroomingen in den Atlantischen Oceaan.]

Dat geldt echter ook voor het andere beweeglijke element, voor het

stroomende water. Zoo heeft men opgemerkt, dat op het noordelijk

halfrond de rivieren hun rechteroever meer afknagen dan hun linker;

daaruit blijkt, dat het stroomende water een neiging heeft naar

rechts af te buigen.

Nog duidelijker treedt de invloed van de aswenteling der aarde in de

groote zeestroomingen te voorschijn, zij het ook niet zoo regelmatig

als in de luchtstroomingen, omdat de kusten der vastelanden de

beweging van het water beperken en in bepaalde banen leiden. In de

heete aardstreken, waar de passaten onafgebroken waaien, stroomt het

zeewater voortdurend naar het Westen, buigt dan langs de kusten,

waar het tegen stuit, naar beide zijden om en keert buiten het

gebied der passaten als oostelijke stroomingen terug. In alle

oceanen vindt men dezen kringloop, die ten Noorden van den evenaar

naar rechts, in het Zuiden naar links gericht is. _De richting van

deze geweldige kringloopen past bij de draaiing der aarde_, want op

het noordelijk halfrond moet het stroomende water ten opzichte van

de vaste aarde steeds naar rechts afbuigen, op het zuidelijk

halfrond naar links. Op het zuidelijk halfrond wordt de oostelijke

strooming met het koude water vermengd, dat uit de zuidelijke

poolstreken vrij kan toestroomen, en koelt daardoor de Westkust van

Zuid-Afrika en van Zuid-Amerika sterk af. Op het Noordelijk

halfrond, waar de vastelanden zich veel verder naar de pool toe

uitstrekken, treden andere verschijnselen op. In den Atlantischen

Oceaan keert de warme, uit West-Indië komende oostelijke strooming,

die den naam _Golfstroom_ draagt, slechts voor een gedeelte langs de

Westkust van Afrika naar het Zuiden terug; een ander deel stroomt op

de pool aan en wordt door de draaiing der aarde naar den oostelijken

oever van den Oceaan gedreven, waar hij Europa verwarmt. Door

dezelfde oorzaak wordt de koude poolstroom, die van het Noorden

komt, naar den westelijken oever van den Oceaan gedreven, dus tegen

de Oostkust van Amerika aan; daar ligt op dezelfde breedte als

Engeland het onherbergzame, koude Labrador, en de stad New-York, die

op dezelfde breedte als Napels ligt, heeft een klimaat als

Nederland. Evenzoo wordt in het Noorden van den Stillen Oceaan de

temperatuur aan de Oostkust van Azië verlaagd door een kouden stroom

uit de Beringstraat, terwijl de warme, uit de buurt van Indië

komende "Zwarte Stroom" de Westkust van Noord-Amerika verwarmt.

Daardoor hebben Britsch-Columbia en Californië (zij het ook maar op

een smal kustgebied) een heerlijk klimaat, terwijl aan den overkant

Kamtsjatka en Sachalin veel kouder zijn. Het verschil in klimaat

tusschen de Oost- en de Westzijde der vastelanden, dat Europa in

zijn ontwikkeling zoo bijzonder begunstigd heeft, is dus

voornamelijk een gevolg van de aswenteling der aarde.

De Wonderbouw der Wereld · 第 31 / 64 题