21. EERSTE BEWIJZEN VOOR DE DRAAIING DER AARDE.

Toen in het begin van de 17de eeuw de bezwaren, die vroeger aan de

leer van de aswenteling der aarde in den weg stonden, gaandeweg

opgeheven werden, moest de oude opvatting van de draaiing des hemels

aan de menschen steeds onmogelijker voorkomen. Men had gevonden, dat

de beweeglijke hemellichamen -- zon, maan en planeten -- groote

wereldlichamen waren, voor een deel nog grooter dan de aarde, en in

banen rondliepen, die de aarde honderden en duizenden malen in

grootte overtroffen, terwijl de sterrenhemel nog veel verder

verwijderd moest zijn. Naar de oude opvatting moesten deze, naast

hun eigen bijzondere beweging, nog allen te zamen elken dag om de

aarde zwaaien met een snelheid, honderd en duizend maal grooter dan

de snelheid, die het aardoppervlak bij een aswenteling der aarde

moest bezitten. Galilei zei daarover in zijn in 1632 verschenen

werk: "Gesprekken over de voornaamste wereldstelsels," waarmee hij

zich een vervolging door de Inquisitie op den hals haalde:

"Wanneer wij dus ten eerste alleen maar op de kolossale grootte van

de sterrensfeer letten, vergeleken met de kleinheid van den aardbol,

die daarin vele millioenen malen begrepen is, en dan aan de snelheid

denken, waardoor in een dag en een nacht een geheele omwenteling

volbracht wordt, dan wil het er bij mij niet in, dat iemand het voor

begrijpelijker en geloofwaardiger kan houden, dat de hemelbol draait

en de aarde daarentegen in rust blijft." En wat verder: "Wanneer het

ter bereiking van precies dezelfde uitwerking op hetzelfde neerkomt

of de aarde zich alleen beweegt, terwijl het geheele overige heelal

in rust is, of dat de aarde rust en de geheele wereld een

gemeenschappelijke beweging heeft: wie zou dan kunnen gelooven, dat

de natuur -- die toch naar de algemeene opvatting niet vele middelen

aanwendt, waar zij met weinige kan toekomen -- er de voorkeur aan

gegeven heeft een onmetelijk aantal der geweldigste lichamen met

ongelooflijke snelheid te laten bewegen, om datgene te bewerken, dat

door een matige beweging van een enkel lichaam om zijn eigen

middelpunt evengoed te bereiken is?"

Dit betoog was zoo overtuigend, dat weldra de aswenteling der aarde

door geen enkel ernstig geleerde meer betwijfeld werd. Natuurlijk

kon iemand, die met alle geweld aan de oude leer wilde vasthouden --

de nieuwe was bovendien door de kerk verboden -- zich altijd nog

hierop beroepen, dat een werkelijk afdoend bewijs voor de draaiing

der aarde ontbrak, en dat zij alleen wegens de grootere

eenvoudigheid als het waarschijnlijkst aangenomen werd. Zulke

bewijzen zijn later eerst gevonden, toen zij eigenlijk niet meer

noodig waren. Zij traden toen dan ook niet op als eindelijk gevonden

bewijzen, die de tot dusver twijfelachtige draaiing der aarde nu

voor iedereen tot een onbetwistbare waarheid maakten, maar als

merkwaardige nieuwe verschijnselen, die hun verklaring vonden in de

reeds als vaststaand beschouwde aswenteling der aarde.

In een vorig hoofdstuk bleek ons, dat een gemeenschappelijke

beweging van een aantal bij elkaar behoorende dingen, al is zij nog

zoo snel, zich in de beweging van deze aparte dingen ten opzichte

van elkaar in het geheel niet bemerkbaar kan maken. Daardoor komt

het -- zoo verklaarden wij onze dagelijksche ervaring -- dat wij van

de snelle beweging der aardoppervlakte niets bemerken. Maar deze

laatste gevolgtrekking is toch niet heelemaal juist. Zij zou

volkomen juist zijn, wanneer de aarde met alles, wat daarop woont en

leeft, rechtuit door de ruimte vloog, en elk ding op aarde dus

_precies_ dezelfde beweging had als alle andere en deze ook steeds

behield. Dat is echter bij de draaiing der aarde niet het geval. Wel

beweegt zich alles in onze onmiddellijke omgeving nagenoeg gelijk;

maar streken van de aarde, die verder van ons verwijderd zijn,

hebben een geheel andere beweging dan wij. Aan den evenaar

bijvoorbeeld beweegt het aardoppervlak veel sneller dan hier, omdat

het daar in dezelfde 24 uren een veel grooteren omtrek doorloopen

moet; hoe verder men zich van den evenaar verwijdert, des te

langzamer is de beweging, en de polen blijven geheel in rust.

Bovendien behoudt ieder deel van het aardoppervlak niet de beweging,

die het eenmaal heeft, want het vliegt niet rechtuit, maar draait in

een kring rond.

Dat een beweging in een kring zich in bepaalde verschijnselen

bemerkbaar moet maken, was van oudsher reeds zoo goed bekend, dat

het uitblijven van deze verschijnselen zelfs als tegenwerping tegen

de draaiing der aarde werd aangevoerd. Wanneer men een steen aan een

touw bindt en in het rond slingert, zoodat hij een kring beschrijft,

dan voelt men, dat hij het touw uit de hand tracht los te rukken; en

laat men los, dan vliegt hij ook weg. Men voelt, dat een kracht hem

van het middelpunt der beweging tracht te verwijderen; deze kracht,

die het touw gespannen houdt, heet _middelpuntvliedende_ of

_centrifugaalkracht_. Zij is des te grooter naarmate de beweging

sneller is, en zij is zelfs in staat het vliegwiel van een machine

uiteen te doen springen als het te hard gaat, zoodat de stukken door

den muur en het dak vliegen. Nu draait de aarde met een

onvergelijkelijk veel grootere snelheid; kan men ook niet beweren,

dat daardoor stukken uit den vasten aardbol losgerukt moeten worden,

zoo zou men toch kunnen vreezen, dat alles, wat maar los op haar

staat of ligt, door de middelpuntvliedende kracht weggeslingerd

moest worden. Dit bezwaar tegen de draaiing der aarde was misschien

met nog veel meer nadruk opgeworpen, als het niet bij een rustende

aarde voor den nog veel sneller draaienden hemel in veel hoogere

mate zou gelden.

Daarbij wordt echter uit het oog verloren, dat men onderscheid moet

maken tusschen de snelheid van ronddraaiing en de snelheid, waarmee

de omtrek zich voortbeweegt. Wanneer men een klein rad zoo snel

draait, dat zijn omtrek dezelfde snelheid krijgt als het

aardoppervlak, 500 M. per seconde, dan zou het zeker door de

middelpuntvliedende kracht uit elkaar gerukt worden. Laat men het

echter in 24 uren eenmaal rondwentelen, dan zou zijn beweging

ternauwernood merkbaar zijn. Welk van deze beide gevallen komt nu

met het geval van de draaiende aarde overeen? Geen van beide.

Wanneer men het touw, waaraan de steen vastzit, 4 maal langer neemt,

en den steen toch in denzelfden tijd rondslingert, zoodat hij 4 maal

zoo snel beweegt, dan is de middelpuntvliedende kracht, die men aan

het touw voelt trekken, grooter geworden. Slingert men echter den

steen met dezelfde snelheid, dus in een 4 maal langeren tijd in het

rond, dan is deze kracht omgekeerd kleiner geworden. Ervaring en

berekening (waarop wij later nog terugkomen) hebben getoond, dat men

dezelfde middelpuntvliedende kracht bij een 4 maal langer touw

krijgt, wanneer men den steen in den dubbelen tijd, dus ook met de

dubbele snelheid rondslingert. Wanneer twee bollen ronddraaien,

waarvan de een honderdmaal grooter is dan de ander, dan moet, zal de

middelpuntvliedende kracht bij beide dezelfde zijn, de

omwentelingstijd van den grooten bol tienmaal grooter zijn dan die

van den kleinen, waarbij zijn oppervlakte ook tienmaal sneller

beweegt. Bij een bal van 13 cM. middellijn (een honderdmillioenste

van de aardmiddellijn), die in 8 1/2 sekonde (een tienduizendste van

24 uren) om zijn as draait, waarbij zijn oppervlak aan den evenaar 5

cM. per sekonde voortbeweegt (een tienduizendste van de snelheid van

den evenaar), moet volgens dezen regel de middelpuntvliedende kracht

evengroot zijn als bij de aarde.

Er kan dus geen sprake van zijn, dat er iets door de

middelpuntvliedende kracht van de aswenteling der aarde

weggeslingerd zou kunnen worden. Door de zwaarte wordt elk ding naar

de aarde toe getrokken en vastgehouden, en vergeleken met deze

zwaartekracht is de middelpuntvliedende kracht, die ze van de aarde

tracht te verwijderen, dus omhoog te heffen, slechts onbeduidend.

Eenigszins wordt de zwaartekracht er natuurlijk wel door verminderd,

Aan den evenaar is de draaiing het snelst en de middelpuntvliedende

kracht het grootst; aan de polen ontbreken zij. _Door de

middelpuntvliedende kracht ten gevolge van de draaiing der aarde

moet dus de zwaartekracht aan de polen grooter, aan den evenaar

kleiner zijn en van den evenaar naar de polen geleidelijk toenemen_.

Wanneer wij dus met een nauwkeurige veerbalans naar Afrika gingen,

dan zouden wij bemerken, dat een pond suiker of een pond ijzer daar

niet meer een pond weegt, maar een paar gram lichter geworden is --

wanneer ten minste niet onderweg door stooten of door de warmte de

kracht van de veer veranderd is. Beter dan met deze toch maar

onbetrouwbare toestellen is zulk een verandering van de

zwaartekracht aan een slinger waar te nemen; en op deze wijze is zij

ook het eerst ontdekt.

In 1672 ging de sterrekundige Richer in opdracht van de Fransche

Akademie naar Cayenne in Zuid-Amerika om daar waarnemingen te doen.

Hij had een slingeruurwerk meegenomen, dat vooraf goed in orde was

gebracht; daarom verbaasde het hem zeer, dat het, toen hij het

opgehangen en in gang gebracht had, veel te langzaam ging; elken dag

liep het bijna 2 minuten achter. Van de uitzetting van den slinger

door de warmte kon het niet komen; daarvoor was de verandering veel

te groot. Hij dacht, dat er onderweg misschien iets mee gebeurd was

en maakte daarom den slinger 2 1/2 mM. korter om het kwaad te

verhelpen; want een slinger slingert des te sneller, naarmate hij

korter is. Maar toen Richer naderhand in Frankrijk terugkwam, bleek

de klok alweer niet in orde te zijn; zij liep nu 2 minuten per dag

vóór en de slinger moest 2 1/2 mM. verlengd worden. Sommigen meenden

dat door de groote hitte of door de zware ongezonde lucht in Cayenne

de slinger daar zooveel langzamer geweest was; maar reeds vóór de

expeditie uitvoer, was er in de Akademie over gesproken, dat de

middelpuntvliedende kracht de zwaartekracht in de heete gewesten

moet verzwakken. Dit bleek nu juist te zijn: _de slinger had in het

heete land langzamer geslingerd, omdat de zwaartekracht daar kleiner

is dan in Parijs_. En toen kort daarna hetzelfde op andere plaatsen

in de tropen werd waargenomen, was er geen twijfel meer mogelijk.

Zoo was het door Richer opgemerkte verschijnsel _het eerste direkte

bewijs voor de aswenteling van de aarde_.

Toch was er iets aan de zaak nog niet in den haak: de getallen

klopten niet. De slinger toonde een grootere verandering dan uit de

middelpuntvliedende kracht berekend werd. De middelpuntvliedende

kracht vermindert de zwaarte met een bedrag van 1/600, wanneer men

van Midden-Europa naar den evenaar gaat, en maakt haar evenveel

grooter bij een reis van Midden-Europa naar de Noordpool; uit den

slinger vond men echter, dat de zwaarte 1/400 verminderd was. Dit

verschil werd door den Engelschen wiskundige Newton _als een gevolg

van de afgeplatte gedaante der aarde verklaard_. Bij zulk een vorm

van de aarde is de zwaarte aan de polen, waar men dichter bij het

middelpunt is, grooter dan aan den evenaar en dit verschil voegt

zich bij het verschil, dat uit de aswenteling ontstaat.

Deze _afplatting der aarde_ levert nu zelf _nog een nieuw bewijs

voor haar aswenteling_. Wanneer alle deeltjes der aarde alleen maar

aan hun zwaarte gehoorzamen, dan moeten zij zich, zooals reeds

Aristoteles heel goed inzag, tot een bolvormig lichaam samenballen.

Ten minste moet het beweeglijke water precies de gedaante van een

bol aannemen; want wanneer het zeeoppervlak op een of andere plaats

verder van het middelpunt der aarde verwijderd was, moest het water

vandaar wegstroomen als van een heuvel, en het zou eerst dan tot

rust komen, wanneer het oppervlak overal even ver van het middelpunt

verwijderd was. Komt er nu echter een middelpuntvliedende kracht

bij, dan wordt de gedaante anders.

[Illustratie]

Brengen wij het water in een emmer in snelle draaiing door er met

een stok in te roeren, dan zien wij, dat het oppervlak ook niet vlak

en horizontaal blijft. Door de middelpuntvliedende kracht wordt het

water naar buiten, naar den rand toe gedreven en het oppervlak wordt

uitgehold tot de gedaante van een kom. Bij deze gedaante is er

evenwicht; de zwaartekracht trekt het water met evengroote kracht

naar de holte in het midden, als de middelpuntvliedende kracht het

van het midden wegdrijft. De oppervlakte van het water staat dan

loodrecht op de totale kracht, die deze beide krachten met elkaar

vormen.

Iets dergelijks geldt ook voor de met water bedekte, draaiende

aarde. De gedaante van het wateroppervlak kan nu geen bol meer zijn,

want de middelpuntvliedende kracht tracht het water zoover mogelijk

van de as weg te drijven, zoodat het dan van de polen naar den

evenaar stroomt.

[Illustratie]

Het moet aan den evenaar hooger stijgen en aan de polen lager komen,

d.w.z. het oppervlak komt aan den evenaar verder van het middelpunt

af en aan de polen er dichter bij. Bij deze gedaante is er weer

evenwicht; de werking van de zwaarte, die het water naar de polen

terug tracht te voeren, wordt door de werking der

middelpuntvliedende kracht opgeheven, die het van de polen tracht

weg te drijven. De richting van het schietlood, waar het watervlak

loodrecht op moet staan, wordt door de vereenigde werking van de

beide krachten, zwaarte en middelpuntvliedende kracht, bepaald. _Dus

moet de oppervlakte der aarde, d.w.z. het zeeoppervlak door de

draaiing der aarde om haar as de gedaante van een afgeplatten bol

aannemen_.

Uit deze theoretische overweging hebben Newton en Huygens, zooals

boven (blz. 102) vermeld werd, de afplatting der aarde al voorspeld,

toen de praktische metingen precies het tegendeel schenen te leeren.

De latere bevestiging van hun voorspelling, _de praktische

vaststelling van de afplatting der aarde door de graadmetingen in de

18de eeuw vormde dus een nieuw bewijs voor de aswenteling der

aarde_.

Nu hebben wij gevonden, dat niet slechts het zeeoppervlak, maar ook

het vaste aardlichaam deze afgeplatte gedaante bezit. Om dit te

verklaren neemt men aan, dat _de thans zoo harde en vaste aarde in

vroeger tijd veel weeker, misschien wel geheel vloeibaar en

gesmolten was_, en toen den afgeplatten vorm gekregen heeft, dien

zij na het vastworden behouden heeft.

De Wonderbouw der Wereld · 第 30 / 64 题