23. VAL- EN SLINGERPROEVEN.

De bewijzen voor de draaiing der aarde, die wij tot nog toe leerden

kennen, zijn alle groote algemeene verschijnselen, die òf door de

verschillende snelheid van verschillende streken der aarde, òf door

de middelpuntvliedende kracht ontstaan, en die dus alleen door een

algemeene bekendheid met de geheele aarde aan het licht konden

komen. Zijn er echter ook niet verschijnselen, waaruit wij de

draaiing der aarde kunnen opmaken, zonder dat wij ons van onze

woonplaats behoeven te verwijderen? Natuurlijk moet men er op

rekenen, dat deze verschijnselen slechts zeer moeilijk en alleen

door bijzonder zorgvuldige en nauwkeurige proeven ontdekt en

vastgesteld kunnen worden -- anders waren zij natuurlijk aan de

menschen vanzelf al vroeger opgevallen. Want de

snelheidsverschillen, die binnen het bereik van een in zijn

woonplaats blijvenden waarnemer vallen, zijn natuurlijk uiterst

klein. Toch moeten zij voorhanden zijn en wel in tweeërlei vorm. Ten

eerste beweegt verder naar het Noorden het aardoppervlak zich

langzamer, verder naar het Zuiden sneller oostwaarts, wat op een

langzame draaiing naar links van den grond onder onze voeten

neerkomt, die wij vroeger al als een draaiing van den horizon in

zijn eigen vlak hebben leeren kennen. Ten tweede hebben hooggelegen

voorwerpen, zooals de spits van een toren, een grootere snelheid dan

het aardoppervlak zelf, omdat zij verder van de aardas verwijderd

zijn en dus een grooteren kring beschrijven.

Dit tweede snelheidsverschil moet aan het licht treden, wanneer wij

een steen boven van een toren naar beneden laten vallen. Boven heeft

hij een grootere oostelijke snelheid dan de grond beneden, en deze

snelheid behoudt hij onder het vallen; hij loopt het aardoppervlak

vooruit en moet dus niet precies onder de plaats aankomen, waar hij

losgelaten werd, _maar iets meer oostelijk_. Weliswaar is het niet

veel; aan den evenaar beschrijft de spits van een 100 meter hoogen

toren in 24 uren een kring, die 628 meter langer is; zijn snelheid

is dus 7 1/2 mM. per sekonde grooter dan die van den voet van den

toren. In onze streken, waar de toren scheef ten opzichte van de

aardas staat, is het verschil nog kleiner, slechts 4 mM. per

seconde. Daar de steen 4 1/2 sekonde voor het vallen gebruikt, zou

hij slechts 2 cM. ten Oosten van de plaats neerkomen, waar hij neer

moest komen, als de aarde stilstond; en doordat de richting van de

zwaartekracht onder het vallen verandert, wordt dit bedrag nog wat

minder.

De eerste proeven van dezen aard werden in 1804 door _Benzenberg_

van af den Michaelistoren in Hamburg gedaan. Daarbij bleek al

dadelijk, hoe moeilijk het was stellige uitkomsten te krijgen. Door

den wind raakten de vallende kogeltjes uit hun koers, en de minste

ongelijkheid bij het loslaten bewerkte, dat zij naar den eenen of

den anderen kant afweken. Nadat door het neerlaten van een

schietlood de plaats bepaald was, waar de kogels zonder de draaiing

der aarde moesten neerkomen, bleek het, dat de werkelijke plaatsen,

waar zij neerkwamen, daar aan alle kanten om heen lagen; eerst bij

een zeer groot aantal proeven kwam het uit, dat zij toch gemiddeld

het meest naar het Oosten afweken. Later zijn dergelijke proeven

onder veel voorzorgsmaatregelen in een mijnput herhaald, waar de

wind geen stoornis kon brengen. Daarbij bleek inderdaad, dat de

valplaatsen weliswaar nog eenigszins verspreid lagen, maar toch in

hun grootste ophooping duidelijk de oostelijke afwijking toonden,

die bij een draaiing der aarde te verwachten was.

Kunnen wij nu ook het andere der beide vermelde verschijnselen, de

draaiing van den grond onder onze voeten, door direkte proeven

zichtbaar maken? Dat hangt daar van af, of wij een beweging kennen,

die onafhankelijk van deze draaiing haar eigen richting behoudt, en

lang genoeg blijft bestaan om aan haar een merkbare draaiing van het

aardoppervlak te kunnen bemerken. In 1851 kwam de Fransche

natuurkundige _Foucault_ op de gedachte, dat de heen en weer gaande

beweging van een slinger aan deze eischen voldoet. Hangen wij een

gewicht aan een draad op en laten wij het dan heen en weer

slingeren, dan behoudt deze beweging haar richting, hoe zich de

omgeving ook mag draaien. Daar de aardbodem zich onder den slinger

naar links draait, _moet het slingervlak van den slinger ten

opzichte van den vasten grond naar rechts schijnen te draaien_.

Brengen wij dus b.v. den slinger precies in de richting Oost-West

aan het slingeren, dan moet deze richting na eenige uren

Westnoordwest-Oostzuidoost geworden zijn, en eindelijk, wanneer de

slinger het ten minste zoolang uithoudt, Noordwest-Zuidoost worden.

Bij deze proef ter demonstratie van de draaiing der aarde heeft men

het voordeel, dat men haar aan een groot publiek tegelijk kan

vertoonen; zoo kan men iedereen op eenvoudige en overtuigende wijze,

als het ware voor het eerst van zijn leven, met eigen oogen laten

zien, dat de grond onder zijn voeten draait. Daarom droeg de eerste

openbare vertooning van deze slingerproef in 1852 in Parijs het

karakter van een groote plechtigheid. Van den koepel van het

Pantheon hing aan een 67 meter langen staaldraad een zware kogel,

die, nadat hij eerst een tijd rustig gehangen had, voorzichtig uit

den evenwichtstoestand gebracht werd en losgelaten. Na elke

slingering, die een halve minuut duurde, was duidelijk te zien, dat

de kogel niet op de vorige plaats terugkwam en dat de richting van

slingering juist zooveel draaide als volgens de aswenteling der

aarde moest zijn. Deze proef van Foucault wordt tegenwoordig nog

dikwijls op Burgerscholen en bij voordrachten herhaald; daarbij zijn

echter vele voorzorgsmaatregelen noodig, daar de geringste wringing

in den draad of het geringste zijdelingsche duwtje bij het loslaten

in staat zijn geheel andere en vaak grootere veranderingen in de

richting van beweging te doen ontstaan.

Deze verschillende proeven bewijzen, dat de menschen ook in het

geval, dat zij door een eeuwige dichte wolkenlaag nooit iets van

zon, maan of sterren bemerkt hadden, toch tot het inzicht hadden

kunnen komen, dat de aarde, waarop zij leven, om haar as wentelt.

Men moet er echter bijvoegen, dat dit inzicht dan nog lang een

twijfelachtige en onzekere theorie zou gebleven zijn. Onze

overtuiging van de draaiing der aarde berust in de eerste plaats op

de hemelverschijnselen, die alleen goed te verklaren zijn door een

volledig wereldstelsel, waarvan de draaiing der aarde een wezenlijk

element vormt. Slechts in de tweede plaats komen de aardsche

verschijnselen als bevestigingen van deze leer in aanmerking; en de

val- en slingerproeven van de 19de eeuw hebben zeker niemand onder

de menschen van een twijfelaar tot een overtuigd aanhanger van deze

leer gemaakt.

De Wonderbouw der Wereld · 第 32 / 64 题