De bewijzen voor de draaiing der aarde, die wij tot nog toe leerden
kennen, zijn alle groote algemeene verschijnselen, die òf door de
verschillende snelheid van verschillende streken der aarde, òf door
de middelpuntvliedende kracht ontstaan, en die dus alleen door een
algemeene bekendheid met de geheele aarde aan het licht konden
komen. Zijn er echter ook niet verschijnselen, waaruit wij de
draaiing der aarde kunnen opmaken, zonder dat wij ons van onze
woonplaats behoeven te verwijderen? Natuurlijk moet men er op
rekenen, dat deze verschijnselen slechts zeer moeilijk en alleen
door bijzonder zorgvuldige en nauwkeurige proeven ontdekt en
vastgesteld kunnen worden -- anders waren zij natuurlijk aan de
menschen vanzelf al vroeger opgevallen. Want de
snelheidsverschillen, die binnen het bereik van een in zijn
woonplaats blijvenden waarnemer vallen, zijn natuurlijk uiterst
klein. Toch moeten zij voorhanden zijn en wel in tweeërlei vorm. Ten
eerste beweegt verder naar het Noorden het aardoppervlak zich
langzamer, verder naar het Zuiden sneller oostwaarts, wat op een
langzame draaiing naar links van den grond onder onze voeten
neerkomt, die wij vroeger al als een draaiing van den horizon in
zijn eigen vlak hebben leeren kennen. Ten tweede hebben hooggelegen
voorwerpen, zooals de spits van een toren, een grootere snelheid dan
het aardoppervlak zelf, omdat zij verder van de aardas verwijderd
zijn en dus een grooteren kring beschrijven.
Dit tweede snelheidsverschil moet aan het licht treden, wanneer wij
een steen boven van een toren naar beneden laten vallen. Boven heeft
hij een grootere oostelijke snelheid dan de grond beneden, en deze
snelheid behoudt hij onder het vallen; hij loopt het aardoppervlak
vooruit en moet dus niet precies onder de plaats aankomen, waar hij
losgelaten werd, _maar iets meer oostelijk_. Weliswaar is het niet
veel; aan den evenaar beschrijft de spits van een 100 meter hoogen
toren in 24 uren een kring, die 628 meter langer is; zijn snelheid
is dus 7 1/2 mM. per sekonde grooter dan die van den voet van den
toren. In onze streken, waar de toren scheef ten opzichte van de
aardas staat, is het verschil nog kleiner, slechts 4 mM. per
seconde. Daar de steen 4 1/2 sekonde voor het vallen gebruikt, zou
hij slechts 2 cM. ten Oosten van de plaats neerkomen, waar hij neer
moest komen, als de aarde stilstond; en doordat de richting van de
zwaartekracht onder het vallen verandert, wordt dit bedrag nog wat
minder.
De eerste proeven van dezen aard werden in 1804 door _Benzenberg_
van af den Michaelistoren in Hamburg gedaan. Daarbij bleek al
dadelijk, hoe moeilijk het was stellige uitkomsten te krijgen. Door
den wind raakten de vallende kogeltjes uit hun koers, en de minste
ongelijkheid bij het loslaten bewerkte, dat zij naar den eenen of
den anderen kant afweken. Nadat door het neerlaten van een
schietlood de plaats bepaald was, waar de kogels zonder de draaiing
der aarde moesten neerkomen, bleek het, dat de werkelijke plaatsen,
waar zij neerkwamen, daar aan alle kanten om heen lagen; eerst bij
een zeer groot aantal proeven kwam het uit, dat zij toch gemiddeld
het meest naar het Oosten afweken. Later zijn dergelijke proeven
onder veel voorzorgsmaatregelen in een mijnput herhaald, waar de
wind geen stoornis kon brengen. Daarbij bleek inderdaad, dat de
valplaatsen weliswaar nog eenigszins verspreid lagen, maar toch in
hun grootste ophooping duidelijk de oostelijke afwijking toonden,
die bij een draaiing der aarde te verwachten was.
Kunnen wij nu ook het andere der beide vermelde verschijnselen, de
draaiing van den grond onder onze voeten, door direkte proeven
zichtbaar maken? Dat hangt daar van af, of wij een beweging kennen,
die onafhankelijk van deze draaiing haar eigen richting behoudt, en
lang genoeg blijft bestaan om aan haar een merkbare draaiing van het
aardoppervlak te kunnen bemerken. In 1851 kwam de Fransche
natuurkundige _Foucault_ op de gedachte, dat de heen en weer gaande
beweging van een slinger aan deze eischen voldoet. Hangen wij een
gewicht aan een draad op en laten wij het dan heen en weer
slingeren, dan behoudt deze beweging haar richting, hoe zich de
omgeving ook mag draaien. Daar de aardbodem zich onder den slinger
naar links draait, _moet het slingervlak van den slinger ten
opzichte van den vasten grond naar rechts schijnen te draaien_.
Brengen wij dus b.v. den slinger precies in de richting Oost-West
aan het slingeren, dan moet deze richting na eenige uren
Westnoordwest-Oostzuidoost geworden zijn, en eindelijk, wanneer de
slinger het ten minste zoolang uithoudt, Noordwest-Zuidoost worden.
Bij deze proef ter demonstratie van de draaiing der aarde heeft men
het voordeel, dat men haar aan een groot publiek tegelijk kan
vertoonen; zoo kan men iedereen op eenvoudige en overtuigende wijze,
als het ware voor het eerst van zijn leven, met eigen oogen laten
zien, dat de grond onder zijn voeten draait. Daarom droeg de eerste
openbare vertooning van deze slingerproef in 1852 in Parijs het
karakter van een groote plechtigheid. Van den koepel van het
Pantheon hing aan een 67 meter langen staaldraad een zware kogel,
die, nadat hij eerst een tijd rustig gehangen had, voorzichtig uit
den evenwichtstoestand gebracht werd en losgelaten. Na elke
slingering, die een halve minuut duurde, was duidelijk te zien, dat
de kogel niet op de vorige plaats terugkwam en dat de richting van
slingering juist zooveel draaide als volgens de aswenteling der
aarde moest zijn. Deze proef van Foucault wordt tegenwoordig nog
dikwijls op Burgerscholen en bij voordrachten herhaald; daarbij zijn
echter vele voorzorgsmaatregelen noodig, daar de geringste wringing
in den draad of het geringste zijdelingsche duwtje bij het loslaten
in staat zijn geheel andere en vaak grootere veranderingen in de
richting van beweging te doen ontstaan.
Deze verschillende proeven bewijzen, dat de menschen ook in het
geval, dat zij door een eeuwige dichte wolkenlaag nooit iets van
zon, maan of sterren bemerkt hadden, toch tot het inzicht hadden
kunnen komen, dat de aarde, waarop zij leven, om haar as wentelt.
Men moet er echter bijvoegen, dat dit inzicht dan nog lang een
twijfelachtige en onzekere theorie zou gebleven zijn. Onze
overtuiging van de draaiing der aarde berust in de eerste plaats op
de hemelverschijnselen, die alleen goed te verklaren zijn door een
volledig wereldstelsel, waarvan de draaiing der aarde een wezenlijk
element vormt. Slechts in de tweede plaats komen de aardsche
verschijnselen als bevestigingen van deze leer in aanmerking; en de
val- en slingerproeven van de 19de eeuw hebben zeker niemand onder
de menschen van een twijfelaar tot een overtuigd aanhanger van deze
leer gemaakt.