20. DE DAMPKRING.

Toen de leer van de draaiing der aarde opkwam, lag er voor de

menschen een bijzondere moeilijkheid in de voorstelling, dat de

atmosfeer meedraaide. Volgens Aristoteles werd de lucht, die de

aarde van alle kanten omgeeft, op groote hoogten steeds ijler en

ging daar over in het vuur en het hemelsche element, die de hoogere

gebieden vulden. Wanneer nu de lucht vlak aan de oppervlakte

meedraaide, tot hoever namen dan de hoogere, boven elkaar liggende

lagen deel aan deze beweging? Al het "ondermaansche" gold in dien

tijd als vergankelijk en aardsch, en zoover, dus tot in de buurt van

de maan, dacht men, dat ook de dampkring der aarde zich moest

uitstrekken. "Terwijl de kleinste afstand van de maan," schreef

Copernicus, "meer dan 49 maal de halve middellijn der aarde

bedraagt, is het ons toch niet bekend, dat in deze zoo groote ruimte

iets anders voorhanden is dan lucht, en, zoo men wil, dat, wat men

het vurige element noemt." Wij hebben ook reeds gezien, hoe hij deze

zwarigheid trachtte op te lossen, door aan te nemen, dat van die

kolossale luchtmassa, die een ruimte inneemt, vele duizenden malen

grooter dan de aarde, alleen de binnenste lagen door de aswenteling

der aarde meegesleept worden. In de 17de eeuw werd dit vraagstuk

eerst volkomen opgehelderd.

Iedereen weet, hoe een pomp werkt; wordt de zuiger omhoog getrokken,

dan stijgt het water mee, anders zou onder den zuiger een leegte

ontstaan. Men verklaarde zich dat zóó, dat de natuur geen leegte

toelaat, en waar er anders een zou ontstaan, de stof van alle zijden

aandringt om de leegte te vullen. In de 17de eeuw viel echter de

aandacht op het feit, dat men in een pomp het water niet hooger dan

10 meter kon opzuigen; trekt men den zuiger verder in de hoogte, dan

ontstaat een leegte, die niet meer door verder opstijgend water

aangevuld wordt. De Italiaansche natuurkundige _Torricelli_, een

leerling van Galilei, maakte daaruit op, dat de oorzaak van het

stijgen van het water in de pompbuis niet hierin te zoeken is, dat

de natuur een afkeer van leegte heeft, maar eenvoudig in de drukking

van den dampkring. De lucht, die ook alle holten in de aarde

doordringt, drukt op het water der onderaardsche wellen en perst het

in de pompbuis omhoog, wanneer daarin anders een leegte zou

ontstaan. Daar echter deze druk niet onbegrensd is, maar een

bepaalde sterkte heeft, kan hij het water niet verder dan tot een

bepaalde hoogte omhoogpersen; een waterzuil van 10 meter hoogte in

de buis drukt even sterk als de dampkring buiten en is met hem in

evenwicht. Wanneer deze verklaring juist is, moet kwikzilver, dat 13

maal zoo zwaar is als water, door den dampkring slechts tot een

hoogte van 1/13 van 10 meter opgeperst kunnen worden. Toen

Torricelli de proef deed, bleek dat ook inderdaad uit te komen; aan

een kwikzilverbarometer kan iedereen zien, dat het kwikzilver in de

van boven gesloten buis ongeveer 76 cM. hooger staat dan in de open

buis, en de luchtledige ruimte boven zich niet vult. Ook nog op een

andere wijze werd deze verklaring bevestigd. De druk, dien de lucht

door haar zwaarte uitoefent, moet des te geringer zijn, naarmate men

hooger in den dampkring komt. Toen de Fransche natuurkundige

_Pascal_ in 1647 de kwikzilverproef van Torricelli op den top van

den 1000 M. hoogen Puy de Dôme liet herhalen, bleek het, dat daar de

kwikzilverzuil slechts 66 cM. hoog was, dus 10 cM. lager dan beneden

in de vlakte.

Deze ontdekking, _dat de dampkring, die zich boven ons uitstrekt,

door zijn zwaarte op de aarde drukt_ _en een bepaald gewicht heeft_,

maakte het mogelijk de hoogte van den dampkring te vinden, mits men

maar het gewicht van een liter lucht kende.

[Illustratie: NICOLAUS COPERNICUS (1473-1543)]

Dit gewicht was te bepalen, nadat door den burgemeester van

Magdeburg, _Otto von Guericke_. in 1654 de luchtpomp was

uitgevonden, waarmee men een afgesloten ruimte luchtledig kon maken.

Weegt men een gesloten flesch eerst met lucht gevuld, en dan nadat

de lucht er uitgepompt is, dan is het verschil het gewicht van de

lucht in de flesch. Op die manier werd gevonden, dat de lucht in

onze omgeving, aan het oppervlak der aarde, 780 maal lichter dan

water is. Een kolom van deze lucht van 7800 meter hoogte kan een

waterzuil van 10 meter hoogte in evenwicht houden en oefent dus

dezelfde drukking uit als de dampkring. Daaruit volgt, dat de

dampkring boven ons evenveel lucht bevat als een 7,8 KM. hooge laag,

waarin de lucht van boven tot beneden overal dezelfde dichtheid

heeft als aan de oppervlakte der aarde. _De luchtmassa, die de aarde

omgeeft, bedraagt niet meer, dan een 8 KM. dikke, overal uit

oppervlaktelucht bestaande laag bevat_.

Nu is in werkelijkheid de dampkring veel hooger. Want lucht vormt

niet, zooals water, een laag, die van beneden tot boven overal

dezelfde dichtheid heeft en dan met een scherp grensvlak eindigt.

Lucht is veerkrachtig. Zij wordt des te sterker samengeperst,

naarmate een grooter druk op haar uitgeoefend wordt, terwijl zij

zich bij vermindering van den druk steeds meer uitzet en ijler

wordt. Hoe hooger men in den dampkring komt, des te geringer wordt

de druk, omdat een kleinere luchtmassa er van boven op drukt, en des

te ijler en lichter wordt dus de lucht. Op een hoogte van 6 KM. is

de druk tot de helft, op een hoogte van 18 KM. tot op 1/10

afgenomen, en voor elke verdere stijging van 18 KM. worden druk en

dichtheid weer 10 maal kleiner. _De dampkring heeft dus geen vaste

grens_; hij gaat onmerkbaar in de leege wereldruimte over.

Kan men dus voor de hoogte van den dampkring geen bepaald getal

opgeven, zoo kan men toch enkele getallen voor de hoogte vinden,

waarop men van den dampkring nog iets bemerkt. De fijne veerwolken

(cirruswolken), die uit ijsnaaldjes bestaan, zweven op een hoogte

van 10 tot 20 KM. De nog fijnere wolkstrepen, die soms in den

middernachtelijken schemeringsboog des zomers zichtbaar zijn en

"lichtende nachtwolken" genoemd worden, zweven 70 tot 80 KM hoog,

waar de lucht 10.000 maal dunner is dan aan de oppervlakte der

aarde. Hier kan de lucht dus nog de fijnste stofdeeltjes zwevend

houden.

Een andere maatstaf wordt ons door de hoogte gegeven, waarop de

verlichting van de lucht door het zonlicht nog merkbaar is. Overdag

zien wij den hemel schitterend blauw, en deze stralende helderheid

ontstaat door de verlichting van de lucht om en boven ons door de

zon. Is de zon ondergegaan, dan wordt het licht zwakker en trekt

zich steeds meer als schemerlicht naar het Westen terug.

[Illustratie: De schemering.]

Daaruit blijkt, dat de onderste en dichtste lagen van den dampkring

niet meer door de zon beschenen worden, en van de naast hoogere

lagen alleen een naar het Westen gelegen gedeelte -- zooals de

bovenstaande figuur toont, waar de zichtbare dampkring door een

gestippelde laag is voorgesteld. Wanneer eindelijk het laatste

schemerlicht verdwenen is, zijn alle lagen, die dicht genoeg zijn om

ons in het zonlicht zichtbaar te worden, in de schaduw gekomen, en

van de lucht boven onzen horizon worden alleen maar de nog hoogere,

dunnere lagen door de zon verlicht. Uit den tijd, waarop het laatste

schemerlicht in het Westen verdwijnt, laat zich, zooals de figuur op

de volgende bladzijde toont, afleiden, tot op welke hoogte de lucht

nog in het zonlicht zichtbaar is. Op deze wijze heeft reeds in de

middeleeuwen de Arabische geleerde Alhazen daarvoor een bedrag van

ongeveer 80 KM. gevonden.

Dat daarboven nog veel dunnere lucht zich tot nog veel grootere

hoogte uitstrekt, wordt bewezen door het opvlammen van vallende

sterren, wier hoogte naar de vroeger uiteengezette methode der

driehoeksmeting te berekenen is, wanneer zij op twee verschillende

plaatsen gelijktijdig waargenomen zijn; daarbij heeft men hoogten

van een paar honderd KM. gevonden. Maar -- en daarop komt het voor

ons hier aan -- wat beteekent deze hoogte in vergelijking met de

middellijn van de aarde, die bijna 13000 KM. bedraagt?

[Illustratie: Einde van de schemering.]

De in het zonlicht zichtbare lucht verheft zich slechts tot 1/160

van de aardmiddellijn, de uiterst dunne, allerhoogste sporen reiken

nog tot 1/50 van de aardmiddellijn, _terwijl de helft van alle lucht

zich in een laag bevindt, die niet dikker dan 1/2000 van de

aardmiddellijn is_. Het lijkt er dus niets op, dat de dampkring de

geheele ruimte tot aan de maan zou vullen; deze wereldruimte is tot

vlak bij de aardoppervlakte leeg. _Slechts een uiterst dunne, aan

haar oppervlak klevende luchtschil omgeeft de aarde_. De

onderstelling, dat deze luchtschil met de aarde om haar as

meedraait, alsof zij een enkel lichaam met haar vormt, biedt dus

niet de geringste moeilijkheid meer.

De Wonderbouw der Wereld · 第 29 / 64 题