19. BEWEGING EN RUST.

Wanneer een bal over den grond rolt, zien wij dat zijn beweging

steeds langzamer wordt en dat hij eindelijk stil blijft liggen.

Brengen wij een tol aan het draaien, dan zien wij, dat hij steeds

langzamer gaat draaien en ten slotte omvalt. Het allereerst ligt het

nu voor de hand, daaruit te besluiten, dat rust de natuurlijke

toestand der dingen is, waarnaar zij alle streven, en dat elke

beweging, wanneer zij niet telkens door een voortstuwende kracht

onderhouden wordt, vanzelf geleidelijk uitdooft. Beschouwt men de

zaak echter nader, dan bemerkt men, dat de bal des te eerder blijft

liggen, naarmate de grond ruwer is. Is de grond zeer hobbelig en

ongelijk, dan houdt de beweging spoedig op; neemt men daarentegen

een zeer gladden bal en een gladden vloer, zoodat de beweging zoo

weinig mogelijk door oneffenheden gehinderd wordt, dan is van een

vermindering der beweging nauwelijks iets te bespeuren. Een aan zich

zelf overgelaten spoorwagen kan op de rails soms mijlen ver

voortrollen zonder te verlangzamen; op een gewonen straatweg zou hij

echter niet veel verder dan een paar meter komen. Ook een tol draait

des te langer naarmate de grond en de punt gladder zijn. Worden de

assen van een wiel zoo ingericht, dat de wrijving zoo goed als

geheel verdwijnt, dan kan het rad uren lang draaien, zonder merkbaar

te vertragen.

Uit zulke ervaringen wordt het ons duidelijk, dat het spoedig

ophouden der beweging over een ongelijken grond eenvoudig uit den

tegenstand ontstaat, dien de oneffenheden van den grond aan de

beweging bieden. Maar geldt dat nu ook niet, wanneer de bal op een

gladden vloer, de spoorwagen op de rails of het wiel met zijn

kogelassen slechts uiterst langzaam de beweging verliest? Want ook

hier zijn de weerstanden niet geheel en al afwezig; het ligt dus

voor de hand om in de kleine, overgebleven wrijvingen de oorzaak

voor het langzame uitdooven der beweging te zoeken. Konden wij de

wrijving nog meer verminderen, dan zou de beweging zonder twijfel

nog veel minder verlangzamen. Geheel en al opheffen kunnen wij nu

bij onze proeven die weerstanden niet, want alles, wat wij op aarde

in beweging brengen, blijft op een of andere manier met iets anders

in aanraking. Maar wij hebben toch het recht naar al deze feiten de

overblijvende zwakke vertraging van alle beweging aan de

overgebleven wrijving toe te schrijven, die wij niet kunnen

opheffen. En wij mogen daaruit besluiten, dat, _als er geen

weerstand is, de beweging steeds dezelfde blijft, zonder te

vertragen en ten slotte op te houden_. Dat geldt voor zware lichamen

evenzeer als voor lichte, voor den spoorwagen zoo goed als voor den

bal, voor de zware aarde zoo goed als voor een tol. Hebben zij

eenmaal hun beweging, al is zij nog zoo snel, dan behouden zij die

onverminderd, zoolang geen weerstand optreedt, die hen remt. Een

voortdurende drijvende kracht om de beweging in stand te houden is

alleen noodig om, zooals bij onze machines, de wrijvingsweerstanden

te overwinnen.

Wanneer dus in de oudheid gezegd werd, dat zware lichamen moeilijker

en langzamer bewegen dan lichte, even alsof hun het bewegen meer

moeite kost, zoo is dat onjuist. In beweging _blijven_ kost geen

moeite. Wat moeite kost, is in beweging _komen_, en dat is het ook,

wat men bedoelde zonder het scherp van elkaar te onderscheiden. Om

een zwaar voorwerp in beweging te brengen, is een veel grootere

krachtsinspanning noodig dan bij een licht voorwerp. Een stoot, die

een klein wagentje in groote vaart doet wegvliegen, kan een

spoorwagen nauwelijks van zijn plaats brengen; met dezelfde

inspanning, waarmee men een kleinen steen ver wegslingert, kan men

een zwaren steen nauwelijks een paar meter voortwerpen. Maar evenzoo

kost het een groote inspanning een zwaar voorwerp, dat zich beweegt,

in rust te brengen; een bal, die aan komt vliegen, vangt men met de

hand gemakkelijk op, maar een langzaam rollenden spoorwagen kan één

man met zijn geheele lichaamskracht niet tegenhouden; hij wordt

eenvoudig door de zware massa teruggeduwd en, als hij niet oppast,

verpletterd. Uit deze feiten is te zien, dat _elke verandering van

eenmaal voorhanden beweging of rust moeite kost_; aan zichzelf

overgelaten behoudt ieder ding, licht of zwaar, de beweging die het

heeft, moge die beweging nu snel, langzaam of niemendal zijn. En

deze moeite zal des te grooter zijn, naarmate het lichaam zwaarder

is; dezelfde krachtsinspanning heeft des te grooter uitwerking, hoe

lichter het voorwerp is. _Om bij verschillende voorwerpen dezelfde

verandering van de voorhanden beweging (of rust) te bewerken, is een

des te grootere kracht noodig, naarmate het voorwerp zwaarder is_.

De fout van de oude opvatting ligt dus in de meening, dat alle

dingen een zekere traagheid bezitten, die zich tegen de beweging

verzet en hen in rust tracht te brengen, omdat dit hun natuurlijke

toestand is. Zoo wordt het begrijpelijk, waarom Ptolemaeus, en na

hem vele anderen telkens opnieuw in andere bewoordingen tegen de

beweging van de aarde aanvoeren, dat de vogels en de wolken zouden

moeten achterblijven, terwijl het aardoppervlak met de boomen en de

nesten in vliegende vaart onder hen wegijlt. Wij weten nu, dat men

van een traagheid van alle voorwerpen slechts in dien zin spreken

kan, dat zij zich tegen elke _verandering_ van hun beweging

verzetten, en dat zij zonder inwerking van buiten, aan zichzelf

overgelaten, hun beweging behouden. Een vogel, die op een tak zit,

rent evenals een mensch, die op den grond staat, met de

aardoppervlakte in een razend snel tempo voort. Vliegt de vogel op

of doet de mensch een sprong in de hoogte, dan behouden zij die

groote snelheid, die ze met de aarde, den boom en den tak deelden,

en zij blijven dus _vanzelf_ boven of vlak bij de plaats op aarde,

waar zij te voren waren. Zij verkeeren in hetzelfde geval, als een

ruiter in het cirkus, die omhoog springt, terwijl zijn paard

voortrent; hij komt niet achter het paard op den grond neer, maar,

omdat hij gedurende zijn sprong dezelfde beweging behoudt, blijft

hij boven den rug van het paard en komt ook weer daarop neer.

Wanneer dus een samenstel van vele voorwerpen een regelmatige,

gemeenschappelijke beweging bezit, al is deze nog zoo snel, dan

vinden de aparte bewegingen van de voorwerpen ten opzichte van

elkaar precies zóó plaats, alsof het geheel zich in rust bevindt.

Dat dit zoo is, daarvan kan ieder zich gemakkelijk op een stoomboot

-- of ook in een trein -- overtuigen. Gaat men in de kajuit -- want

boven op het dek neemt de lucht geen deel aan de beweging van de

boot -- dan ziet men daar alles net zoo gebeuren, alsof de boot stil

ligt. Een vlieg zweeft om ons hoofd en wij zelf wandelen heen en

weer, zonder van de snelle vaart iets te bemerken; gooien wij een

bal in de hoogte, dan valt hij juist in onze handen terug; laten wij

hem vallen, dan valt hij recht naar beneden -- d.w.z. met betrekking

tot de kajuit, want ten opzichte van den oever valt hij schuin naar

beneden, daar hij met het schip met dezelfde snelheid voortbeweegt.

Konden wij buiten de aarde een vast, onbeweeglijk merkteeken zetten,

dan zou een vallende steen ten opzichte daarvan schuin naar het

Oosten naar beneden bewegen. Ten opzichte van de aarde echter valt

hij recht naar beneden. _Omdat alle dingen om ons heen,

aardoppervlak, huizen, boomen, vogels, lucht en wolken door de

draaiing der aarde een gemeenschappelijke beweging hebben, gedragen

zij zich in hunne bewegingen ten opzichte van elkaar juist zóó,

alsof het geheel zich in rust bevindt_.

Wij hebben vroeger reeds gevonden, dat wij uit de waarneming van de

relatieve beweging van twee voorwerpen niets kunnen afleiden omtrent

hun rust of beweging. Wij zien nu, dat er tusschen rust en

gelijkmatige beweging in het geheel geen onderscheid bestaat. Vloog

de aarde met nog veel grootere snelheid rechtuit door de ruimte, dan

zouden wij evengoed kunnen aannemen, dat zij stil stond, want het

zou precies op hetzelfde neerkomen. _Rust is geen absolute toestand_

-- daarin bestaat vooral de onhoudbaarheid van de natuurleer der

oudheid -- _rust is niets dan een relatief begrip_.

De Wonderbouw der Wereld · 第 28 / 64 题