18. DE STRIJD OVER DE BEWEGING DER AARDE.

De nieuwe verklaring heeft op de oude dit voor, _dat zij ons

wereldbeeld veel eenvoudiger maakt_. Daar de hemel, vergeleken met

de aarde, onmetelijk groot is, zou hij met een buitengewone,

nauwelijks denkbare snelheid in het rond moeten vliegen, terwijl

voor de aarde een veel kleinere snelheid voldoende zou zijn. Daar

komt nog bij, dat verschillende hemellichamen een dubbele beweging

hebben; terwijl zij zich met betrekking tot den hemel in eigen

loopbanen bewegen, dus niet vastzitten, nemen zij toch deel aan zijn

dagelijksche draaiing om de hemelas. Wij weten, dat de maan zich

veel dichter bij de aarde bevindt dan de andere hemellichamen, en

toch wordt zij door den zooveel verder verwijderden hemelbol in zijn

wenteling meegevoerd. Daarin behoeft nu weliswaar geen

onmogelijkheid voor de oude verklaring te liggen. Men stelde zich de

zaak zoo voor, dat het gebied van den hemel, het rijk van den

aether, zich van de grens van den dampkring tot aan den hemelbol

uitstrekt, en dat de geheele inhoud van dit gebied door de buitenste

schaal in haar snelle wenteling meegesleept wordt. Maar de nieuwe

verklaring is toch aanmerkelijk veel eenvoudiger. Nemen wij haar

aan, dan is de dagelijksche beweging slechts schijn: de hemel en de

sterren staan stil, en _de zon en de maan hebben_ _slechts één

enkele beweging, waardoor, de een in een jaar, de ander in een

maand, hun eigen banen om de aarde beschrijven_. De groote nabijheid

van de maan kan nu niet de geringste moeilijkheid meer opleveren.

Daartegenover spreekt ten gunste van de oude verklaring en als

bezwaar tegen de nieuwe, _dat wij van een beweging van de aarde

onder onze voeten in het geheel niets bemerken_. Wanneer het waar

is, dat de aarde om haar as draait, dan moet een plaats aan den

evenaar in 24 uren den geheelen omtrek der aarde, 40 millioen meter,

doorloopen, dus (daar 24 uren == 86400 sekonden is) een snelheid van

463 meter per sekonde bezitten, 10 tot 20 maal grooter dan die der

snelste spoortreinen. Zouden wij met onze geheele omgeving in zulk

een onbegrijpelijk razende vaart kunnen voortvliegen, zonder er iets

van te merken?

Dat dit bezwaar echter niet afdoende is, moesten reeds de oude

Grieken bemerken. Op hun tochten over zee konden zij er zich van

overtuigen, dat een nog zoo snelle beweging van het schip, mits zij

maar gelijkmatig en rustig plaats vindt, in het geheel niet te

voelen is. In de kajuit, waar alles, wat men ziet, mee beweegt, kan

men niet uitmaken, of het schip vaart, tenzij aan de

onregelmatigheden van de beweging; alleen het langzamer of sneller

varen, het stooten, stampen of slingeren is waar te nemen. Evenzoo

worden wij van de vliegende vaart van een sneltrein, waarin wij

zitten, alleen door het voortdurende stooten en schudden en nu en

dan bij scherpe bochten iets gewaar; lezen wij een poosje in een

boek zonder naar buiten te kijken, dan weten wij dikwijls volstrekt

niet, of wij vooruit of achteruit rijden. Daaruit blijkt, dat wij de

beweging zelf niet kunnen voelen, maar alleen hare veranderingen en

onregelmatigheden. _Daar de draaiing der aarde natuurlijk volkomen

rustig, zonder de geringste onregelmatigheid, plaats vindt, moeten

wij er ondanks de reusachtige snelheid niets van kunnen voelen_.

Het is daarom licht begrijpelijk, dat deze nieuwe gedachte, dat niet

de hemel, maar de aarde dagelijks rondwentelt, reeds bij eenige

Grieksche denkers der oudheid opkwam. Dat de filosoof _Plato_ in

zijn latere werken deze opvatting gehuldigd heeft, zooals dikwijls

aangenomen wordt, schijnt op een onjuiste uitlegging der betreffende

zinswendingen te berusten. Met groote stelligheid schrijven echter

latere auteurs aan zijn leerling _Herakleides_ van Pontus, een

beroemd tijdgenoot van Aristoteles, deze leer van de draaiing der

aarde toe. Daarentegen verdedigt _Aristoteles_ de tegengestelde

opvatting, die beter bij het geheel van zijn natuurleer paste. Hij

wist, dat zware lichamen veel moeilijker in beweging te brengen, dus

veel trager zijn dan lichte; daarom past de rust voor de zware, de

beweging voor de lichte elementen, en de aarde bestaat juist uit de

opeenhooping van alle zware materie in het middelpunt der wereld.

"De natuurlijke beweging van de deelen der aarde en dus ook van de

geheele aarde is naar het centrum der wereld gericht; daarom is het

duidelijk, dat de aarde noodzakelijk onbeweeglijk in het centrum in

rust moet zijn."

Later hebben zich nog wel eenigen onder de wijsgeeren der oudheid

voor de draaiing der aarde uitgesproken, maar hun geschriften en hun

argumenten zijn ons niet bewaard gebleven. Den meesten lateren

geleerden, met name dien van de Alexandrijnsche school, was het

minder om vernuftige verklaringen en theorieën te doen, dan wel om

een nauwkeurige vaststelling van de verschijnselen. Van een der

geleerden uit dien tijd, _Posidonius_, vermeldt een later schrijver

de uitspraak: "De natuurkunde bewijst de oorzaken en de werkende

krachten; de sterrekunde is niet in staat het wezen der dingen te

doorgronden en stelt zich daarom tevreden de uiterlijke

verschijnselen aan te wijzen... Aan den natuurkundige blijft het

vraagstuk overgelaten onder de theorieën, die in staat zijn de

bewegingen te verklaren, diegene uit te kiezen, die met de

natuurkundige beginselen der wereld in overeenstemming is. Aan den

astronoom is het onverschillig te weten, wat vast is en wat zich

beweegt; voor hem is iedere theorie aannemelijk, die de

verschijnselen goed weergeeft." Hier wordt de reden duidelijk,

waarom de leer van de rustende aarde de meeste instemming vond; de

natuurkunde van Aristoteles, die uit de verschijnselen op aarde

afgeleid was, gaf den doorslag.

Dit geldt ook voor het groote werk, waarin _Claudius Ptolemaeus_ aan

het einde der oudheid (150 n. Chr.) de uitkomsten der Grieksche

wetenschap samenvatte, een werk, dat meest in een mengelmoes van

Arabisch en Grieksch met _Almagest_ betiteld wordt, en dat de

geheele sterrekunde in de Middeleeuwen tot aan de 17de eeuw heeft

beheerscht. Ptolemaeus weet, dat eenige denkers de draaiing van de

aarde leerden, maar hij kan zich daarmee niet vereenigen en

bestrijdt hun meening. Welke gronden voert hij aan?

"Sommigen zijn van meening, dat niets hen belet te veronderstellen,

dat de hemel stilstaat en dat de aarde in ongeveer een dag van het

Westen naar het Oosten wentelt. Wat de verschijnselen der sterren

aangaat, is het waar, dat er waarschijnlijk niets tegen zou zijn

voor de eenvoudigheid dit aan te nemen. Maar zij bemerken niet, hoe

buitengewoon belachelijk zoo iets zou zijn, wanneer men op de

verschijnselen om ons heen en in de lucht let. Naar hun meening zou,

wat tegen de natuur is, het ijlste en lichtste element (nl. de

aether) òf in het geheel niet bewegen, òf evenzoo als de andere

aardsche dingen, terwijl de minder ijle dampkring blijkbaar een

snellere vaart zou hebben dan de aarde. Ook zouden de grofste en

zwaarste dingen een eigen sterke en blijvende beweging hebben,

terwijl toch omgekeerd het zware aardsche, zooals ieder weet,

moeilijk in beweging te brengen is. Wanneer wij hun dat ook zouden

willen toegeven, dan zouden zij ons toch moeten toestemmen, dat de

draaiing van het aardoppervlak veel heviger zou zijn dan alle

mogelijke bewegingen, die op haar plaats vinden, en dat zij in

korten tijd zulk een groote plaatsverandering zou ondergaan, dat

alles, wat niet op haar steunt, steeds maar een enkele beweging zou

schijnen te bezitten, tegengesteld aan die der aarde. En men zou

nooit een wolk naar het Oosten kunnen zien gaan, noch iets anders,

wat vliegt of geworpen wordt, want de aarde zou hun steeds vóór zijn

en in de beweging naar het Oosten de leiding nemen, zoodat al het

andere zou achterblijven en naar het Westen schijnen terug te

wijken."

"Wanneer zij echter zeggen, dat met de aarde ook de lucht met

dezelfde snelheid rondgevoerd wordt, dan zou men toch evenzeer de

vaste lichamen in de lucht bij beide moeten zien achterblijven. Of

wel, wanneer zij meegesleept worden, als waren zij vast met de lucht

verbonden, dan zou men geen van hen ooit vóóruit of achteruit zien

gaan, maar zij zouden steeds op dezelfde plaats blijven, en al wat

vliegt of geworpen wordt zou niet van zijn plaats kunnen komen. En

toch zien wij deze bewegingen duidelijk plaats vinden, juist zoo,

alsof er geen beweging der aarde is, die ze tegenhoudt of versnelt."

Dit zijn de tegenwerpingen, die Ptolemaeus tegen de draaiing der

aarde maakt. Een bouw van het heelal, waarbij het buitenste fijnste

element, de hemelsche aether in rust is, de daarop volgende lucht

het snelst en de vaste zware aarde binnenin langzamer ronddraait,

komt hem ongeloofelijk voor, wanneer hij daarmee de eenvoudige wet

van de beweging der elementen volgens Aristoteles vergelijkt.

Bovendien is een snelle beweging van de aarde niet te vereenigen met

het feit, dat zware dingen zoo moeilijk beweegbaar zijn. Nu wil hij

deze filosofische bezwaren niet al te zwaar laten wegen; maar

beslissend is voor hem, dat de snel voortvliegende aardoppervlakte

alles achter zich zou laten, wat niet vast aan haar zit tenzij het

door de lucht met geweld, als het ware tusschen planken geklemd,

meegesleurd werd.

Deze tegenwerpingen werden vele eeuwen lang als afdoende beschouwd.

Dat kon ook niet anders, zoolang de eenvoudige, primitieve

ervaringen, waarop zij berusten, niet voor betere en grondigere

waarnemingen plaats gemaakt hadden. Daartoe was echter vooreerst de

tijd niet gunstig. Toen Ptolemaeus zijn werk schreef, naderde de

oude wereld reeds haar ondergang, en vele eeuwen van oorlog en

volksverhuizing, van ontwikkeling van arbeid en bedrijf en stil

opbouwen van nieuwe toestanden moesten voorbijgaan vóór een nieuwe

beschaving kon opkomen. Het eerst kwam het Oosten, waar het peil van

ontwikkeling het hoogst gebleven was, weer tot bloei. Daar ontwaakte

na de veroveringen der Arabieren, in het centrum van het nieuwe

wereldrijk, aan het hof der Chaliefen van Bagdad, met handel,

handwerk en verfijnde beschaving ook de zin voor kunst en

wetenschap, die zich later, na het uiteenvallen van het

Chaliefenrijk, naar verwijderde middelpunten, zooals Cordova in

Spanje, Merghab in Perzië en Samarkand in Toerkestan, overplantte.

De Arabische geleerden vertaalden de wetenschappelijke werken der

Oudheid, deden nieuwe waarnemingen en ontdekten nieuwe

verschijnselen, maar boven de algemeene opvattingen der ouden

verhieven zij zich niet. Zij waren niet zoozeer zelfstandige denkers

en wijsgeeren, als wel degelijke onderzoekers; met eerbied

bestudeerden zij de oude wetenschap en kwamen er niet toe, deze door

nieuwe eigen theorieën omver te werpen.

Anders ging het, toen vele eeuwen later in de Europeesche wereld

handel en bedrijf, burgerij en steden opgekomen waren, en daarmee

ook een steeds sterkere behoefte aan klassieke beschaving, aan

wetenschap en kennis ontstond. Uit de geschriften der oudheid, die

eerst uit het Arabisch, later uit het Grieksch vertaald werden,

putten de geleerden der 15de eeuw hun eerste wis- en sterrekundige

wetenschap. Onder hen was de beroemdste Johan uit Koningsberg (een

dorp in Franken), naar het gebruik dier tijden _Regiomontanus_ (d.

i. de Koningsberger) genoemd, die zich afwisselend in Italië en in

Neurenberg ophield, en overal zocht naar goede handschriften van den

Almagest van Ptolemaeus, om van dit werk, evenals van andere

belangrijke geschriften, door de pas uitgevonden boekdrukkunst een

uitgave gereed te maken. Zoo werd de grondslag voor de mathematische

studiën in Europa gelegd. Maar naarmate de geleerden hier dieper en

beter in de oude theorieën doordrongen en nieuwe waarnemingen deden,

voelden zij er zich steeds minder door bevredigd; nieuwe denkbeelden

traden hier en daar reeds op, in plaats van het overgeleverde

wereldbeeld. De beslissende stap werd in de 16de eeuw door _Nicolaus

Copernicus_ gedaan, een geleerd geestelijke in de Poolsche stad

Frauenburg, in het tegenwoordige Oost-Pruisen. In zijn werk "_Over

de baanbewegingen_" (De revolutionibus), dat in 1543, zijn eigen

sterfjaar, verscheen, brak hij geheel en al met de oude opvatting en

bouwde hij de beweging der hemellichamen op geheel nieuwe principes

op. Een van deze principes bestond hierin, dat hij de schijnbare

draaiing des hemels door de aswenteling der aarde verklaarde en den

hemel liet stilstaan.

Nadat hij eerst bewijst, dat de hemel onmetelijk groot en de aarde

daarbij vergeleken niet meer dan een punt is, gaat hij voort: "het

zou ons toch zeer moeten bevreemden, wanneer deze zoo onmetelijk

uitgestrekte wereld zich lichter in 24 uren in de ruimte zou

bewegen, dan de aarde, die slechts een zeer klein deel van haar is."

Dan voert hij de gronden aan, waarop Aristoteles en Ptolemaeus zich

beriepen voor hun meening, dat de aarde in het midden van de wereld

in rust is, en hij weerlegt ze op de volgende wijze:

"Wanneer iemand van meening is, dat de aarde draait, dan zal hij ook

zeggen, dat deze beweging een natuurlijke en niet een gewelddadige

is. Wat echter volgens de natuur gebeurt, heeft een uitwerking

tegengesteld aan dat, wat door geweld plaats vindt. Dingen, waarop

geweld of een uiterlijke kracht uitgeoefend wordt, moeten

noodzakelijk stuk gaan en kunnen niet lang in stand blijven; wat

echter van nature geschiedt, gaat goed en blijft in den besten

samenhang. Ten onrechte vreest daarom Ptolemaeus, dat de aarde en al

het aardsche uit elkaar zal vliegen bij de uit de natuur

voortkomende omwenteling, daar toch de werking van de natuur geheel

anders is dan die van de kunst en dan wat door het menschelijk

vernuft tot stand gebracht wordt. Waarom echter vreest hij dit niet

nog veel meer van de wereld, wier beweging evenzooveel sneller zou

moeten zijn, als de hemel grooter is dan de aarde?... Zeker is het,

dat de aarde tusschen haar polen ingesloten door een bolvormig

oppervlak begrensd wordt. Waarom zullen wij dan aarzelen, haar die

beweging toe te kennen, die van nature bij haar vorm behoort, in

plaats van aan te nemen, dat de geheele wereld beweegt, wier grens

wij niet kennen en niet kunnen kennen? En waarom zullen wij niet

erkennen, dat van de dagelijksche omwenteling de schijn aan den

hemel toekomt, en de werkelijkheid aan de aarde? En dat het hiermee

dus evenzoo is, als Aeneas bij Virgilius zegt: 'Wij varen uit de

haven en de landen en de steden wijken terug' -- omdat, wanneer een

schip rustig vaart, alles wat daarbuiten is aan de schippers

toeschijnt naar het beeld van de beweging van het schip te bewegen,

terwijl deze, daartegenover, zichzelf met alles wat bij hen is in

rust achten. Zoo zou het zonder twijfel ook met de beweging van de

aarde kunnen zijn, terwijl men meent, dat de geheele wereld

ronddraait.

"Wat zullen wij nu echter van de wolken zeggen en van de andere

dingen, die op de een of andere manier in de lucht zweven, of vallen

of naar boven stijgen? Alleen dit, dat niet slechts de aarde en het

met haar verbondene waterige element zoo beweegt, maar ook een niet

gering deel van de lucht en wat verder nog op dezelfde manier met de

aarde verwant is -- hetzij dat de benedenste luchtlagen, met

aardachtige of waterachtige materie vermengd, zich op dezelfde wijze

als de aarde gedragen, hetzij dat de lucht deze beweging gekregen

heeft en door de aanraking met de aarde en door haar weerstand aan

de voortdurende omwenteling deelneemt. Daartegenover wordt er nu met

verbazing op gewezen, dat de hoogste streken der lucht de beweging

des hemels volgen, zooals die plotseling verschijnende sterren

bewijzen, die door de Grieken kometen of baardsterren genoemd

werden, voor wier ontstaan die streken aangenomen worden, en die

evenals de andere sterren opkomen en ondergaan. Wij kunnen zeggen,

dat dit gedeelte van de lucht, omdat het zoo ver van de aarde

verwijderd is, van de aardsche beweging vrij gebleven is. Daarom

schijnt de lucht, die het dichtst bij de aarde is, in rust, evenals

ook wat daarin zweeft, wanneer het niet door den wind of door een

andere kracht al naar het toeval her- of derwaarts bewogen wordt.

Want wat is de wind in de lucht anders dan de vloed in de zee?... Er

komt nog bij, dat de toestand van onbeweeglijkheid voor edeler en

goddelijker gehouden wordt, dan die der verandering en der

onbestendigheid, welke laatste daarom meer voor de aarde dan voor de

wereld past. Ik voeg er nog bij, dat het nogal onzinnig schijnt aan

het omvattende geheel een beweging toe te schrijven en niet liever

aan het daarin bevatte deel, de aarde... Men ziet dus, dat naar dit

alles de beweeglijkheid van de aarde waarschijnlijker is dan haar

rust, vooral wat betreft haar dagelijksche omwenteling, die de aarde

het meest eigen is."

Dit zijn de gronden, die Copernicus voor de draaiing der aarde en

tegen de meening van Ptolemaeus aanvoert. Er is geen enkele bij, die

op nieuwe, in de oudheid onbekende feiten berust; hetzij hij

betoogt, dat de beweging van de aarde een natuurlijke en geen

kunstmatige of gedwongene beweging is, of dat aan de aarde als bol

van nature een draaiing toekomt, of dat zij minder volkomen is dan

de hemel -- altijd blijven zijn argumenten geheel in den

gedachtengang van de klassieke natuurfilosofie. Het tijdperk der

Renaissance, waarin Copernicus leefde, het begin der 16de eeuw, was

nog geheel met den geest der antieke wereld doortrokken. De

Renaissance beteekende ook niets anders dan een weer opleven van de

wetenschap, van de kunst en van de geheele blijde levensopvatting en

kultuur der oude Grieken en Romeinen; aan een revolutie van de

grondslagen van leven en denken dacht nog niemand. Copernicus kon

zich voor zijn nieuwe opvatting alleen op de hemelverschijnselen

beroepen, door er op te wijzen hoeveel eenvoudiger, natuurlijker en

begrijpelijker de bouw van het heelal daardoor werd. Hij kon de oude

tegenwerpingen niet afdoende weerleggen, want daartoe moesten eerst

voor de wetenschap der natuurkunde nieuwe grondslagen gelegd worden;

zoolang had hij dus de autoriteit der geldende wetenschap tegen

zich. Daarom waren de meeningen onder de geleerden der 16de eeuw dan

ook zeer verdeeld. Daar de sterrekunde vooral door de praktische

behoeften der zeevaart tot het verzamelen van steeds meer ervaringen

en tot waarneming der natuur zelf voortgedreven werd, was hier de

geest voor nieuwe denkbeelden ontvankelijk. Daarentegen beheerschte

de oude natuurfilosofie van Aristoteles, door de autoriteit der kerk

gesteund, nog gedurende de geheele 16de eeuw de hoogescholen en

stond de nieuwe leer vijandig in den weg. Eerst in de tweede helft

van deze eeuw begon hier en daar in Italië en Holland praktische

proefneming en kritiek der oude leer op te komen. En eindelijk

bracht het begin van de 17de eeuw een volslagen ommekeer der

wereldbeschouwing, die vooral met den naam van den Italiaanschen

geleerde _Galileo Galilei_ verbonden is. Uit de ervaring, uit

proefnemingen en beschouwingen, waartoe voor een deel de strijd over

de beweging der aarde zelf aanleiding gaf, ontwikkelden zich voor

het eerst juiste en heldere opvattingen over beweging en rust, die

het oude wereldbeeld van Aristoteles omverwierpen en de moderne

natuurwetenschap inleidden. Zij toonden voorgoed de ongegrondheid

der vroegere tegenwerpingen tegen de beweging der aarde aan.

De Wonderbouw der Wereld · 第 27 / 64 题