De nieuwe verklaring heeft op de oude dit voor, _dat zij ons
wereldbeeld veel eenvoudiger maakt_. Daar de hemel, vergeleken met
de aarde, onmetelijk groot is, zou hij met een buitengewone,
nauwelijks denkbare snelheid in het rond moeten vliegen, terwijl
voor de aarde een veel kleinere snelheid voldoende zou zijn. Daar
komt nog bij, dat verschillende hemellichamen een dubbele beweging
hebben; terwijl zij zich met betrekking tot den hemel in eigen
loopbanen bewegen, dus niet vastzitten, nemen zij toch deel aan zijn
dagelijksche draaiing om de hemelas. Wij weten, dat de maan zich
veel dichter bij de aarde bevindt dan de andere hemellichamen, en
toch wordt zij door den zooveel verder verwijderden hemelbol in zijn
wenteling meegevoerd. Daarin behoeft nu weliswaar geen
onmogelijkheid voor de oude verklaring te liggen. Men stelde zich de
zaak zoo voor, dat het gebied van den hemel, het rijk van den
aether, zich van de grens van den dampkring tot aan den hemelbol
uitstrekt, en dat de geheele inhoud van dit gebied door de buitenste
schaal in haar snelle wenteling meegesleept wordt. Maar de nieuwe
verklaring is toch aanmerkelijk veel eenvoudiger. Nemen wij haar
aan, dan is de dagelijksche beweging slechts schijn: de hemel en de
sterren staan stil, en _de zon en de maan hebben_ _slechts één
enkele beweging, waardoor, de een in een jaar, de ander in een
maand, hun eigen banen om de aarde beschrijven_. De groote nabijheid
van de maan kan nu niet de geringste moeilijkheid meer opleveren.
Daartegenover spreekt ten gunste van de oude verklaring en als
bezwaar tegen de nieuwe, _dat wij van een beweging van de aarde
onder onze voeten in het geheel niets bemerken_. Wanneer het waar
is, dat de aarde om haar as draait, dan moet een plaats aan den
evenaar in 24 uren den geheelen omtrek der aarde, 40 millioen meter,
doorloopen, dus (daar 24 uren == 86400 sekonden is) een snelheid van
463 meter per sekonde bezitten, 10 tot 20 maal grooter dan die der
snelste spoortreinen. Zouden wij met onze geheele omgeving in zulk
een onbegrijpelijk razende vaart kunnen voortvliegen, zonder er iets
van te merken?
Dat dit bezwaar echter niet afdoende is, moesten reeds de oude
Grieken bemerken. Op hun tochten over zee konden zij er zich van
overtuigen, dat een nog zoo snelle beweging van het schip, mits zij
maar gelijkmatig en rustig plaats vindt, in het geheel niet te
voelen is. In de kajuit, waar alles, wat men ziet, mee beweegt, kan
men niet uitmaken, of het schip vaart, tenzij aan de
onregelmatigheden van de beweging; alleen het langzamer of sneller
varen, het stooten, stampen of slingeren is waar te nemen. Evenzoo
worden wij van de vliegende vaart van een sneltrein, waarin wij
zitten, alleen door het voortdurende stooten en schudden en nu en
dan bij scherpe bochten iets gewaar; lezen wij een poosje in een
boek zonder naar buiten te kijken, dan weten wij dikwijls volstrekt
niet, of wij vooruit of achteruit rijden. Daaruit blijkt, dat wij de
beweging zelf niet kunnen voelen, maar alleen hare veranderingen en
onregelmatigheden. _Daar de draaiing der aarde natuurlijk volkomen
rustig, zonder de geringste onregelmatigheid, plaats vindt, moeten
wij er ondanks de reusachtige snelheid niets van kunnen voelen_.
Het is daarom licht begrijpelijk, dat deze nieuwe gedachte, dat niet
de hemel, maar de aarde dagelijks rondwentelt, reeds bij eenige
Grieksche denkers der oudheid opkwam. Dat de filosoof _Plato_ in
zijn latere werken deze opvatting gehuldigd heeft, zooals dikwijls
aangenomen wordt, schijnt op een onjuiste uitlegging der betreffende
zinswendingen te berusten. Met groote stelligheid schrijven echter
latere auteurs aan zijn leerling _Herakleides_ van Pontus, een
beroemd tijdgenoot van Aristoteles, deze leer van de draaiing der
aarde toe. Daarentegen verdedigt _Aristoteles_ de tegengestelde
opvatting, die beter bij het geheel van zijn natuurleer paste. Hij
wist, dat zware lichamen veel moeilijker in beweging te brengen, dus
veel trager zijn dan lichte; daarom past de rust voor de zware, de
beweging voor de lichte elementen, en de aarde bestaat juist uit de
opeenhooping van alle zware materie in het middelpunt der wereld.
"De natuurlijke beweging van de deelen der aarde en dus ook van de
geheele aarde is naar het centrum der wereld gericht; daarom is het
duidelijk, dat de aarde noodzakelijk onbeweeglijk in het centrum in
rust moet zijn."
Later hebben zich nog wel eenigen onder de wijsgeeren der oudheid
voor de draaiing der aarde uitgesproken, maar hun geschriften en hun
argumenten zijn ons niet bewaard gebleven. Den meesten lateren
geleerden, met name dien van de Alexandrijnsche school, was het
minder om vernuftige verklaringen en theorieën te doen, dan wel om
een nauwkeurige vaststelling van de verschijnselen. Van een der
geleerden uit dien tijd, _Posidonius_, vermeldt een later schrijver
de uitspraak: "De natuurkunde bewijst de oorzaken en de werkende
krachten; de sterrekunde is niet in staat het wezen der dingen te
doorgronden en stelt zich daarom tevreden de uiterlijke
verschijnselen aan te wijzen... Aan den natuurkundige blijft het
vraagstuk overgelaten onder de theorieën, die in staat zijn de
bewegingen te verklaren, diegene uit te kiezen, die met de
natuurkundige beginselen der wereld in overeenstemming is. Aan den
astronoom is het onverschillig te weten, wat vast is en wat zich
beweegt; voor hem is iedere theorie aannemelijk, die de
verschijnselen goed weergeeft." Hier wordt de reden duidelijk,
waarom de leer van de rustende aarde de meeste instemming vond; de
natuurkunde van Aristoteles, die uit de verschijnselen op aarde
afgeleid was, gaf den doorslag.
Dit geldt ook voor het groote werk, waarin _Claudius Ptolemaeus_ aan
het einde der oudheid (150 n. Chr.) de uitkomsten der Grieksche
wetenschap samenvatte, een werk, dat meest in een mengelmoes van
Arabisch en Grieksch met _Almagest_ betiteld wordt, en dat de
geheele sterrekunde in de Middeleeuwen tot aan de 17de eeuw heeft
beheerscht. Ptolemaeus weet, dat eenige denkers de draaiing van de
aarde leerden, maar hij kan zich daarmee niet vereenigen en
bestrijdt hun meening. Welke gronden voert hij aan?
"Sommigen zijn van meening, dat niets hen belet te veronderstellen,
dat de hemel stilstaat en dat de aarde in ongeveer een dag van het
Westen naar het Oosten wentelt. Wat de verschijnselen der sterren
aangaat, is het waar, dat er waarschijnlijk niets tegen zou zijn
voor de eenvoudigheid dit aan te nemen. Maar zij bemerken niet, hoe
buitengewoon belachelijk zoo iets zou zijn, wanneer men op de
verschijnselen om ons heen en in de lucht let. Naar hun meening zou,
wat tegen de natuur is, het ijlste en lichtste element (nl. de
aether) òf in het geheel niet bewegen, òf evenzoo als de andere
aardsche dingen, terwijl de minder ijle dampkring blijkbaar een
snellere vaart zou hebben dan de aarde. Ook zouden de grofste en
zwaarste dingen een eigen sterke en blijvende beweging hebben,
terwijl toch omgekeerd het zware aardsche, zooals ieder weet,
moeilijk in beweging te brengen is. Wanneer wij hun dat ook zouden
willen toegeven, dan zouden zij ons toch moeten toestemmen, dat de
draaiing van het aardoppervlak veel heviger zou zijn dan alle
mogelijke bewegingen, die op haar plaats vinden, en dat zij in
korten tijd zulk een groote plaatsverandering zou ondergaan, dat
alles, wat niet op haar steunt, steeds maar een enkele beweging zou
schijnen te bezitten, tegengesteld aan die der aarde. En men zou
nooit een wolk naar het Oosten kunnen zien gaan, noch iets anders,
wat vliegt of geworpen wordt, want de aarde zou hun steeds vóór zijn
en in de beweging naar het Oosten de leiding nemen, zoodat al het
andere zou achterblijven en naar het Westen schijnen terug te
wijken."
"Wanneer zij echter zeggen, dat met de aarde ook de lucht met
dezelfde snelheid rondgevoerd wordt, dan zou men toch evenzeer de
vaste lichamen in de lucht bij beide moeten zien achterblijven. Of
wel, wanneer zij meegesleept worden, als waren zij vast met de lucht
verbonden, dan zou men geen van hen ooit vóóruit of achteruit zien
gaan, maar zij zouden steeds op dezelfde plaats blijven, en al wat
vliegt of geworpen wordt zou niet van zijn plaats kunnen komen. En
toch zien wij deze bewegingen duidelijk plaats vinden, juist zoo,
alsof er geen beweging der aarde is, die ze tegenhoudt of versnelt."
Dit zijn de tegenwerpingen, die Ptolemaeus tegen de draaiing der
aarde maakt. Een bouw van het heelal, waarbij het buitenste fijnste
element, de hemelsche aether in rust is, de daarop volgende lucht
het snelst en de vaste zware aarde binnenin langzamer ronddraait,
komt hem ongeloofelijk voor, wanneer hij daarmee de eenvoudige wet
van de beweging der elementen volgens Aristoteles vergelijkt.
Bovendien is een snelle beweging van de aarde niet te vereenigen met
het feit, dat zware dingen zoo moeilijk beweegbaar zijn. Nu wil hij
deze filosofische bezwaren niet al te zwaar laten wegen; maar
beslissend is voor hem, dat de snel voortvliegende aardoppervlakte
alles achter zich zou laten, wat niet vast aan haar zit tenzij het
door de lucht met geweld, als het ware tusschen planken geklemd,
meegesleurd werd.
Deze tegenwerpingen werden vele eeuwen lang als afdoende beschouwd.
Dat kon ook niet anders, zoolang de eenvoudige, primitieve
ervaringen, waarop zij berusten, niet voor betere en grondigere
waarnemingen plaats gemaakt hadden. Daartoe was echter vooreerst de
tijd niet gunstig. Toen Ptolemaeus zijn werk schreef, naderde de
oude wereld reeds haar ondergang, en vele eeuwen van oorlog en
volksverhuizing, van ontwikkeling van arbeid en bedrijf en stil
opbouwen van nieuwe toestanden moesten voorbijgaan vóór een nieuwe
beschaving kon opkomen. Het eerst kwam het Oosten, waar het peil van
ontwikkeling het hoogst gebleven was, weer tot bloei. Daar ontwaakte
na de veroveringen der Arabieren, in het centrum van het nieuwe
wereldrijk, aan het hof der Chaliefen van Bagdad, met handel,
handwerk en verfijnde beschaving ook de zin voor kunst en
wetenschap, die zich later, na het uiteenvallen van het
Chaliefenrijk, naar verwijderde middelpunten, zooals Cordova in
Spanje, Merghab in Perzië en Samarkand in Toerkestan, overplantte.
De Arabische geleerden vertaalden de wetenschappelijke werken der
Oudheid, deden nieuwe waarnemingen en ontdekten nieuwe
verschijnselen, maar boven de algemeene opvattingen der ouden
verhieven zij zich niet. Zij waren niet zoozeer zelfstandige denkers
en wijsgeeren, als wel degelijke onderzoekers; met eerbied
bestudeerden zij de oude wetenschap en kwamen er niet toe, deze door
nieuwe eigen theorieën omver te werpen.
Anders ging het, toen vele eeuwen later in de Europeesche wereld
handel en bedrijf, burgerij en steden opgekomen waren, en daarmee
ook een steeds sterkere behoefte aan klassieke beschaving, aan
wetenschap en kennis ontstond. Uit de geschriften der oudheid, die
eerst uit het Arabisch, later uit het Grieksch vertaald werden,
putten de geleerden der 15de eeuw hun eerste wis- en sterrekundige
wetenschap. Onder hen was de beroemdste Johan uit Koningsberg (een
dorp in Franken), naar het gebruik dier tijden _Regiomontanus_ (d.
i. de Koningsberger) genoemd, die zich afwisselend in Italië en in
Neurenberg ophield, en overal zocht naar goede handschriften van den
Almagest van Ptolemaeus, om van dit werk, evenals van andere
belangrijke geschriften, door de pas uitgevonden boekdrukkunst een
uitgave gereed te maken. Zoo werd de grondslag voor de mathematische
studiën in Europa gelegd. Maar naarmate de geleerden hier dieper en
beter in de oude theorieën doordrongen en nieuwe waarnemingen deden,
voelden zij er zich steeds minder door bevredigd; nieuwe denkbeelden
traden hier en daar reeds op, in plaats van het overgeleverde
wereldbeeld. De beslissende stap werd in de 16de eeuw door _Nicolaus
Copernicus_ gedaan, een geleerd geestelijke in de Poolsche stad
Frauenburg, in het tegenwoordige Oost-Pruisen. In zijn werk "_Over
de baanbewegingen_" (De revolutionibus), dat in 1543, zijn eigen
sterfjaar, verscheen, brak hij geheel en al met de oude opvatting en
bouwde hij de beweging der hemellichamen op geheel nieuwe principes
op. Een van deze principes bestond hierin, dat hij de schijnbare
draaiing des hemels door de aswenteling der aarde verklaarde en den
hemel liet stilstaan.
Nadat hij eerst bewijst, dat de hemel onmetelijk groot en de aarde
daarbij vergeleken niet meer dan een punt is, gaat hij voort: "het
zou ons toch zeer moeten bevreemden, wanneer deze zoo onmetelijk
uitgestrekte wereld zich lichter in 24 uren in de ruimte zou
bewegen, dan de aarde, die slechts een zeer klein deel van haar is."
Dan voert hij de gronden aan, waarop Aristoteles en Ptolemaeus zich
beriepen voor hun meening, dat de aarde in het midden van de wereld
in rust is, en hij weerlegt ze op de volgende wijze:
"Wanneer iemand van meening is, dat de aarde draait, dan zal hij ook
zeggen, dat deze beweging een natuurlijke en niet een gewelddadige
is. Wat echter volgens de natuur gebeurt, heeft een uitwerking
tegengesteld aan dat, wat door geweld plaats vindt. Dingen, waarop
geweld of een uiterlijke kracht uitgeoefend wordt, moeten
noodzakelijk stuk gaan en kunnen niet lang in stand blijven; wat
echter van nature geschiedt, gaat goed en blijft in den besten
samenhang. Ten onrechte vreest daarom Ptolemaeus, dat de aarde en al
het aardsche uit elkaar zal vliegen bij de uit de natuur
voortkomende omwenteling, daar toch de werking van de natuur geheel
anders is dan die van de kunst en dan wat door het menschelijk
vernuft tot stand gebracht wordt. Waarom echter vreest hij dit niet
nog veel meer van de wereld, wier beweging evenzooveel sneller zou
moeten zijn, als de hemel grooter is dan de aarde?... Zeker is het,
dat de aarde tusschen haar polen ingesloten door een bolvormig
oppervlak begrensd wordt. Waarom zullen wij dan aarzelen, haar die
beweging toe te kennen, die van nature bij haar vorm behoort, in
plaats van aan te nemen, dat de geheele wereld beweegt, wier grens
wij niet kennen en niet kunnen kennen? En waarom zullen wij niet
erkennen, dat van de dagelijksche omwenteling de schijn aan den
hemel toekomt, en de werkelijkheid aan de aarde? En dat het hiermee
dus evenzoo is, als Aeneas bij Virgilius zegt: 'Wij varen uit de
haven en de landen en de steden wijken terug' -- omdat, wanneer een
schip rustig vaart, alles wat daarbuiten is aan de schippers
toeschijnt naar het beeld van de beweging van het schip te bewegen,
terwijl deze, daartegenover, zichzelf met alles wat bij hen is in
rust achten. Zoo zou het zonder twijfel ook met de beweging van de
aarde kunnen zijn, terwijl men meent, dat de geheele wereld
ronddraait.
"Wat zullen wij nu echter van de wolken zeggen en van de andere
dingen, die op de een of andere manier in de lucht zweven, of vallen
of naar boven stijgen? Alleen dit, dat niet slechts de aarde en het
met haar verbondene waterige element zoo beweegt, maar ook een niet
gering deel van de lucht en wat verder nog op dezelfde manier met de
aarde verwant is -- hetzij dat de benedenste luchtlagen, met
aardachtige of waterachtige materie vermengd, zich op dezelfde wijze
als de aarde gedragen, hetzij dat de lucht deze beweging gekregen
heeft en door de aanraking met de aarde en door haar weerstand aan
de voortdurende omwenteling deelneemt. Daartegenover wordt er nu met
verbazing op gewezen, dat de hoogste streken der lucht de beweging
des hemels volgen, zooals die plotseling verschijnende sterren
bewijzen, die door de Grieken kometen of baardsterren genoemd
werden, voor wier ontstaan die streken aangenomen worden, en die
evenals de andere sterren opkomen en ondergaan. Wij kunnen zeggen,
dat dit gedeelte van de lucht, omdat het zoo ver van de aarde
verwijderd is, van de aardsche beweging vrij gebleven is. Daarom
schijnt de lucht, die het dichtst bij de aarde is, in rust, evenals
ook wat daarin zweeft, wanneer het niet door den wind of door een
andere kracht al naar het toeval her- of derwaarts bewogen wordt.
Want wat is de wind in de lucht anders dan de vloed in de zee?... Er
komt nog bij, dat de toestand van onbeweeglijkheid voor edeler en
goddelijker gehouden wordt, dan die der verandering en der
onbestendigheid, welke laatste daarom meer voor de aarde dan voor de
wereld past. Ik voeg er nog bij, dat het nogal onzinnig schijnt aan
het omvattende geheel een beweging toe te schrijven en niet liever
aan het daarin bevatte deel, de aarde... Men ziet dus, dat naar dit
alles de beweeglijkheid van de aarde waarschijnlijker is dan haar
rust, vooral wat betreft haar dagelijksche omwenteling, die de aarde
het meest eigen is."
Dit zijn de gronden, die Copernicus voor de draaiing der aarde en
tegen de meening van Ptolemaeus aanvoert. Er is geen enkele bij, die
op nieuwe, in de oudheid onbekende feiten berust; hetzij hij
betoogt, dat de beweging van de aarde een natuurlijke en geen
kunstmatige of gedwongene beweging is, of dat aan de aarde als bol
van nature een draaiing toekomt, of dat zij minder volkomen is dan
de hemel -- altijd blijven zijn argumenten geheel in den
gedachtengang van de klassieke natuurfilosofie. Het tijdperk der
Renaissance, waarin Copernicus leefde, het begin der 16de eeuw, was
nog geheel met den geest der antieke wereld doortrokken. De
Renaissance beteekende ook niets anders dan een weer opleven van de
wetenschap, van de kunst en van de geheele blijde levensopvatting en
kultuur der oude Grieken en Romeinen; aan een revolutie van de
grondslagen van leven en denken dacht nog niemand. Copernicus kon
zich voor zijn nieuwe opvatting alleen op de hemelverschijnselen
beroepen, door er op te wijzen hoeveel eenvoudiger, natuurlijker en
begrijpelijker de bouw van het heelal daardoor werd. Hij kon de oude
tegenwerpingen niet afdoende weerleggen, want daartoe moesten eerst
voor de wetenschap der natuurkunde nieuwe grondslagen gelegd worden;
zoolang had hij dus de autoriteit der geldende wetenschap tegen
zich. Daarom waren de meeningen onder de geleerden der 16de eeuw dan
ook zeer verdeeld. Daar de sterrekunde vooral door de praktische
behoeften der zeevaart tot het verzamelen van steeds meer ervaringen
en tot waarneming der natuur zelf voortgedreven werd, was hier de
geest voor nieuwe denkbeelden ontvankelijk. Daarentegen beheerschte
de oude natuurfilosofie van Aristoteles, door de autoriteit der kerk
gesteund, nog gedurende de geheele 16de eeuw de hoogescholen en
stond de nieuwe leer vijandig in den weg. Eerst in de tweede helft
van deze eeuw begon hier en daar in Italië en Holland praktische
proefneming en kritiek der oude leer op te komen. En eindelijk
bracht het begin van de 17de eeuw een volslagen ommekeer der
wereldbeschouwing, die vooral met den naam van den Italiaanschen
geleerde _Galileo Galilei_ verbonden is. Uit de ervaring, uit
proefnemingen en beschouwingen, waartoe voor een deel de strijd over
de beweging der aarde zelf aanleiding gaf, ontwikkelden zich voor
het eerst juiste en heldere opvattingen over beweging en rust, die
het oude wereldbeeld van Aristoteles omverwierpen en de moderne
natuurwetenschap inleidden. Zij toonden voorgoed de ongegrondheid
der vroegere tegenwerpingen tegen de beweging der aarde aan.