17. DE DRAAIING DER AARDE.

Wij hebben ons nu het volgende beeld van de wereld gevormd. In het

midden van het heelal bevindt zich de nagenoeg bolvormige zware

aarde, op welker oppervlakte wij wonen. Op grooten afstand is zij

door den hemelbol omgeven, die zich met al wat er aan vastzit,

dagelijks regelmatig om de hemelas wentelt. Wij zien deze wenteling

duidelijk voor onze oogen, wanneer de hemellichten opgaan, hun baan

aan het uitspansel beschrijven en ondergaan.

Laten zich echter deze verschijnselen ook niet nog anders verklaren?

Wanneer men aan een station in een trein zit, waar een andere trein

naast staat, gebeurt het dikwijls, dat men, wanneer een der beide

treinen begint te bewegen, eerst niet weet, welke van beide beweegt

en welke stilstaat. Men meent zelf al zachtjes in gang te zijn: en

op eens, wanneer de andere trein ten einde is of men toevallig naar

den vasten grond kijkt, bemerkt men met verbazing, dat onze trein

nog rustig stilstaat. Ook omgekeerd kan het zinsbedrog volkomen

zijn, zoolang onze eigen trein nog niet door het stooten zijn

beweging verraadt. Worden wij onderweg door een sneller rijdenden

trein ingehaald, dan kan men zich een poosje volkomen aan de illusie

overgeven, dat wij den anderen kant uitrijden, om dan op eens,

wanneer de andere trein voorbij is en wij aan de boomen en huizen

onze werkelijke richting zien, als het ware door een schok tot de

werkelijkheid teruggeroepen te worden.

Door zulke ondervindingen wordt het ons duidelijk, dat wij uit de

betrekkelijke beweging van twee voorwerpen ten opzichte van elkaar,

wanneer er geen andere bij zijn, in het geheel niet kunnen vinden,

hoe elk afzonderlijk zich beweegt. Gesteld dat de vaste aarde met

rails, huizen en boomen er niet was, dat ze weggetooverd of geheel

onzichtbaar was -- zooals bij een nachtelijke treinreis over een

eenzame vlakte -- dan was het ons ook met den besten wil van de

wereld niet mogelijk, bij een ontmoeting met een anderen trein te

zeggen, hoe onze trein en hoe de andere in werkelijkheid beweegt.

Wij kunnen alleen maar zeggen: met betrekking tot ons beweegt de

andere 5 Meter per sekonde naar rechts. Wij zouden evengoed kunnen

zeggen, dat wij, met betrekking tot hem, 5 meter per sekonde naar

links rijden. Het zou ook kunnen zijn, dat de andere trein met een

snelheid van 20 Meter en de onze met een van 15 Meter naar rechts

rijdt, zoodat hij ons inhaalt, of ook, dat de onze 30 Meter en de

andere 25 Meter per sekonde naar links rijdt en wij hem dus inhalen.

Of ook was het mogelijk, dat de andere 3 Meter per sekonde naar

rechts en de onze 2 Meter naar links rijdt, zoodat dus de treinen

elkaar kruisen. Dat alles is mogelijk en de eene uitdrukking is

precies zooveel waard als de andere. Zoolang wij niets anders kunnen

zien dan alleen dien anderen trein, hebben wij geen enkel

aanknoopingspunt om uit te maken, hoe de beweging van elk der

treinen ten opzichte van den vasten grond is; wij kunnen alleen hun

betrekkelijke, hun relatieve beweging vaststellen. _Uit de beweging,

die wij bij een voorwerp waarnemen, kunnen wij alleen maar zijn

relatieve beweging ten opzichte van ons leeren kennen, zonder over

zijn of onze absolute beweging iets te kunnen zeggen_, Wat wij bij

den trein absolute beweging noemen, is ten slotte ook niets anders

dan de beweging ten opzichte van de vaste aarde, die wij in ons

dagelijksch leven als den vasten, rustenden grondslag voor alle

beweging aannemen.

Van deze omstandigheid wordt somtijds op kermissen gebruik gemaakt

voor een of andere op zinsbedrog berustende grappenmakerij. Men gaat

in een schommel zitten, die aan het schommelen gebracht wordt. Dan

wordt echter, terwijl de schommel steeds langzamer beweegt, de

omgeving -- een kamer met vloer, waarop vastgespijkerde stoelen en

tafels, met muur en zoldering -- in tegengestelde schommelingen

gebracht. De menschen in den schommel zijn dan vast overtuigd, dat

zij steeds sneller heen en weer vliegen, hoewel de schommel reeds

lang stilhangt. En wanneer dan ten slotte de heele kamer eenmaal

over hun hoofd gedraaid wordt, meenen zij, dat zij zelf met den

schommel rondgeslingerd worden, en klemmen zich angstig gillende

vast, om niet naar beneden te vallen. Natuurlijk; hun oogen hadden

geen ander rustpunt dan den vloer, de muren en de zoldering van de

kamer; zij konden dus niet uitmaken, wat zich bewoog, de schommel of

de kamer; en omdat zij het als vanzelfsprekend beschouwden, dat de

kamer vaststond, kregen zij zelfs door de macht van de suggestie

dezelfde lichamelijke gewaarwordingen alsof zij woest heen en weer

schommelden.

Iets dergelijks zou men hebben, wanneer men om een draaimolen een om

dezelfde as draaibare, ballonvormige tent zoo spande, dat de grond

en alles wat vast is, bedekt werd. Wordt dan, terwijl de draaimolen

langzamer gaat draaien en eindelijk stilstaat, de tent om haar heen

in tegengestelde draaiing gebracht, dan moet hetzelfde zinsbedrog

ontstaan. Aan de menschen in den draaimolen is het eenvoudig

onmogelijk om uit dat, wat zij zien, op te maken, of de draaimolen

met henzelf naar den eenen kant, of de tent naar den anderen kant

draait. Hun geheele zichtbare wereld bestaat uit deze beide dingen:

draaimolen en tent, die zich ten opzichte van elkaar bewegen. Zij

zien de tent om zich heen draaien, maar zij kunnen niet meer

konstateeren dan dit enkele feit van de relatieve beweging. Of dit

verschijnsel van beweging door een draaiing van den draaimolen of

van de tent of van allebei ontstaat, is niet uit te maken.

Dit voorbeeld gelijkt al sprekend op het geval van hemel en aarde.

De aarde is de draaimolen, de hemel de ballonvormige tent, die wij

om ons heen zien draaien: zoo blijkt hier meteen de mogelijkheid van

_een nieuwe verklaring_ voor de dagelijksche draaiing van den hemel.

_Wat wij als draaiing van den hemel van het Oosten naar het Westen

waarnemen, kan evengoed hierdoor teweeggebracht worden, dat de hemel

in rust is en de aarde zich in tegengestelde richting, van het

Westen naar het Oosten, draait_. Het verschil met ons

draaimolenvoorbeeld ligt hierin, dat hemel en aarde te zamen

werkelijk de geheele wereld zijn; buiten hen is er niets anders

meer, dat als vast punt dienen kan, om uit te maken, wie zich

beweegt en wie in rust is. En uit hun betrekkelijke beweging ten

opzichte van elkaar, die wij tot nu toe als draaiing van den hemel

betitelden, laat zich over de werkelijke beweging niets beslissen.

Dat deze beide verklaringen: een draaiing van den hemel of een

draaiing van de aarde om de as, die door de beide hemelpolen, dus

ook door de beide aardpolen gaat, volkomen gelijkwaardig zijn en

precies dezelfde verschijnselen moeten bewerken, daarvan kan men

zich gemakkelijk overtuigen. Wanneer iemand zich aan de Noordpool

bevindt, ziet hij den halven hemelbol als een hangende koepel om een

rechtopstaande as langzaam rechtsom draaien. Precies hetzelfde moet

plaats vinden, wanneer deze hemelkoepel stil hangt en het

aardoppervlak onder zijn voeten met alles, wat daarop staat, als een

reusachtige draaischijf om een recht naar beneden gaande as,

langzaam naar links draait. Ook in dit geval wandelen alle

voorwerpen, die rondom aan den horizon te zien zijn, achter elkaar

aan onder de zon door, of wel wandelt de zon boven hen allen langs,

al naar men het noemen wil.

[Illustratie: Aardbol met horizon.]

Voor andere plaatsen van de aarde is de zaak iets ingewikkelder,

omdat daar onze standplaats zelf door de draaiing van de aarde

beweegt. Wil men zich de verschijnselen, die hier optreden, goed

duidelijk maken, dan doet men het best, wanneer men een kleinen

houten bal neemt (b.v. een maasbal), die de aarde voorstelt, en daar

een spijker als omwentelingsas doorheen slaat. De voorwerpen in de

kamer, de muur, de zoldering, kunnen daarbij de verwijderde

hemellichamen voorstellen. Legt men een stijf blad papier tegen den

bal aan en steekt het met een speld vast, dan stelt de speld de

richting van het schietlood, en het papier den horizon van de plaats

op aarde voor, waar de speld vastzit. Het blad papier is de

voortzetting van het kleine cirkeltje op aarde, dat in deze plaats

den werkelijken horizon vormt; alles wat zich boven het blad papier

bevindt is voor iemand op die plaats zichtbaar, alles wat er onder

ligt onzichtbaar. Is nu de aarde in rust, dan stijgen aan den eenen

kant, in het Oosten, door de draaiing van den hemel de hemellichamen

boven dit vlak omhoog, en dalen zij aan den anderen kant in het

Westen er onder. Nu nemen wij echter omgekeerd aan, dat de

hemellichamen in de omgeving stilstaan en dat de aarde naar links

draait. Het blad papier verandert door die draaiing zijn stand ten

opzichte van de omgevende dingen; en deze krijgen dus ook een

anderen stand ten opzichte van het vlak van het papier, den horizon.

Aan den kant, waar de beweging heen gaat, daalt dit vlak van den

horizon; voorwerpen, die er te voren onder lagen, rijzen schijnbaar

omhoog en worden zichtbaar. Aan den anderen, westelijken kant, die

na komt, gaat het vlak omhoog en bedekt de sterren, die zich te

voren er boven bevonden. Tegelijk merken wij op, dat het vlak

daarbij zelf ook linksom draait; de lijn Noord-Zuid, die wij op ons

blad geteekend hebben, en die naar bepaalde voorwerpen van onzen

zichtbaren horizon gericht is, beweegt zich onder de sterren in het

Zuiden en het Noorden door. Daardoor schijnen deze sterren zelf naar

rechts te loopen en gaan de hemellichamen in het Oosten schuin op en

in het Westen schuin onder -- dus volkomen de verschijnselen, die

wij in werkelijkheid ook waarnemen.

[Illustratie: Hemelbol met horizon.]

Denken wij ons nu dit horizonvlak tot aan den hemelbol

doorgetrokken, zooals in de nevenstaande figuur, waar de bol nu den

hemel voorstelt, dan wordt het tot een wand, die de wereldruimte in

twee helften scheidt -- want de aarde, waaraan hij vastzit, is

onmerkbaar klein -- en ook den hemelbol door zijn cirkelvormigen

omtrek in een zichtbare en een onzichtbare helft verdeelt. Naar onze

eerste opvatting draait de hemelbol om de wereldas rond, waardoor de

sterren boven dezen rustenden wand in schuine richting omhoog

stijgen, in het Zuiden het hoogst staan en in het Westen achter hem

verdwijnen. Volgens de nieuwe verklaring staat de hemelbol stil, en

draait de scheidingswand met de wereldas, waar hij scheef aan

vastzit, naar links en in het rond, op dezelfde manier als een

potlood, dat men scheef door een rond blad papier steekt en dan

tusschen de vingers rolt, dit papier mee in het rond draait. De

omtrek van den wand (de horizon) strijkt daarbij tweemaal over een

ster heen, eenmaal bij het opkomen, eenmaal bij het ondergaan. Op

deze manier blijkt nog duidelijker, dat beide verklaringen precies

op hetzelfde neerkomen, en dat het voor de beschrijving en de

verklaring van de hemelverschijnselen egaal is, of men het een of

het ander aanneemt.

_Uit de hemelverschijnselen kunnen wij niet beslissen, welke van de

beide verklaringen de juiste is_, want voor hun beschrijving komen

zij volkomen op hetzelfde neer. Om tusschen hen te kiezen en te

beslissen, welke de ware is, moeten wij andere waarnemingen en

overwegingen te hulp roepen.

De Wonderbouw der Wereld · 第 26 / 64 题