Wij hebben ons nu het volgende beeld van de wereld gevormd. In het
midden van het heelal bevindt zich de nagenoeg bolvormige zware
aarde, op welker oppervlakte wij wonen. Op grooten afstand is zij
door den hemelbol omgeven, die zich met al wat er aan vastzit,
dagelijks regelmatig om de hemelas wentelt. Wij zien deze wenteling
duidelijk voor onze oogen, wanneer de hemellichten opgaan, hun baan
aan het uitspansel beschrijven en ondergaan.
Laten zich echter deze verschijnselen ook niet nog anders verklaren?
Wanneer men aan een station in een trein zit, waar een andere trein
naast staat, gebeurt het dikwijls, dat men, wanneer een der beide
treinen begint te bewegen, eerst niet weet, welke van beide beweegt
en welke stilstaat. Men meent zelf al zachtjes in gang te zijn: en
op eens, wanneer de andere trein ten einde is of men toevallig naar
den vasten grond kijkt, bemerkt men met verbazing, dat onze trein
nog rustig stilstaat. Ook omgekeerd kan het zinsbedrog volkomen
zijn, zoolang onze eigen trein nog niet door het stooten zijn
beweging verraadt. Worden wij onderweg door een sneller rijdenden
trein ingehaald, dan kan men zich een poosje volkomen aan de illusie
overgeven, dat wij den anderen kant uitrijden, om dan op eens,
wanneer de andere trein voorbij is en wij aan de boomen en huizen
onze werkelijke richting zien, als het ware door een schok tot de
werkelijkheid teruggeroepen te worden.
Door zulke ondervindingen wordt het ons duidelijk, dat wij uit de
betrekkelijke beweging van twee voorwerpen ten opzichte van elkaar,
wanneer er geen andere bij zijn, in het geheel niet kunnen vinden,
hoe elk afzonderlijk zich beweegt. Gesteld dat de vaste aarde met
rails, huizen en boomen er niet was, dat ze weggetooverd of geheel
onzichtbaar was -- zooals bij een nachtelijke treinreis over een
eenzame vlakte -- dan was het ons ook met den besten wil van de
wereld niet mogelijk, bij een ontmoeting met een anderen trein te
zeggen, hoe onze trein en hoe de andere in werkelijkheid beweegt.
Wij kunnen alleen maar zeggen: met betrekking tot ons beweegt de
andere 5 Meter per sekonde naar rechts. Wij zouden evengoed kunnen
zeggen, dat wij, met betrekking tot hem, 5 meter per sekonde naar
links rijden. Het zou ook kunnen zijn, dat de andere trein met een
snelheid van 20 Meter en de onze met een van 15 Meter naar rechts
rijdt, zoodat hij ons inhaalt, of ook, dat de onze 30 Meter en de
andere 25 Meter per sekonde naar links rijdt en wij hem dus inhalen.
Of ook was het mogelijk, dat de andere 3 Meter per sekonde naar
rechts en de onze 2 Meter naar links rijdt, zoodat dus de treinen
elkaar kruisen. Dat alles is mogelijk en de eene uitdrukking is
precies zooveel waard als de andere. Zoolang wij niets anders kunnen
zien dan alleen dien anderen trein, hebben wij geen enkel
aanknoopingspunt om uit te maken, hoe de beweging van elk der
treinen ten opzichte van den vasten grond is; wij kunnen alleen hun
betrekkelijke, hun relatieve beweging vaststellen. _Uit de beweging,
die wij bij een voorwerp waarnemen, kunnen wij alleen maar zijn
relatieve beweging ten opzichte van ons leeren kennen, zonder over
zijn of onze absolute beweging iets te kunnen zeggen_, Wat wij bij
den trein absolute beweging noemen, is ten slotte ook niets anders
dan de beweging ten opzichte van de vaste aarde, die wij in ons
dagelijksch leven als den vasten, rustenden grondslag voor alle
beweging aannemen.
Van deze omstandigheid wordt somtijds op kermissen gebruik gemaakt
voor een of andere op zinsbedrog berustende grappenmakerij. Men gaat
in een schommel zitten, die aan het schommelen gebracht wordt. Dan
wordt echter, terwijl de schommel steeds langzamer beweegt, de
omgeving -- een kamer met vloer, waarop vastgespijkerde stoelen en
tafels, met muur en zoldering -- in tegengestelde schommelingen
gebracht. De menschen in den schommel zijn dan vast overtuigd, dat
zij steeds sneller heen en weer vliegen, hoewel de schommel reeds
lang stilhangt. En wanneer dan ten slotte de heele kamer eenmaal
over hun hoofd gedraaid wordt, meenen zij, dat zij zelf met den
schommel rondgeslingerd worden, en klemmen zich angstig gillende
vast, om niet naar beneden te vallen. Natuurlijk; hun oogen hadden
geen ander rustpunt dan den vloer, de muren en de zoldering van de
kamer; zij konden dus niet uitmaken, wat zich bewoog, de schommel of
de kamer; en omdat zij het als vanzelfsprekend beschouwden, dat de
kamer vaststond, kregen zij zelfs door de macht van de suggestie
dezelfde lichamelijke gewaarwordingen alsof zij woest heen en weer
schommelden.
Iets dergelijks zou men hebben, wanneer men om een draaimolen een om
dezelfde as draaibare, ballonvormige tent zoo spande, dat de grond
en alles wat vast is, bedekt werd. Wordt dan, terwijl de draaimolen
langzamer gaat draaien en eindelijk stilstaat, de tent om haar heen
in tegengestelde draaiing gebracht, dan moet hetzelfde zinsbedrog
ontstaan. Aan de menschen in den draaimolen is het eenvoudig
onmogelijk om uit dat, wat zij zien, op te maken, of de draaimolen
met henzelf naar den eenen kant, of de tent naar den anderen kant
draait. Hun geheele zichtbare wereld bestaat uit deze beide dingen:
draaimolen en tent, die zich ten opzichte van elkaar bewegen. Zij
zien de tent om zich heen draaien, maar zij kunnen niet meer
konstateeren dan dit enkele feit van de relatieve beweging. Of dit
verschijnsel van beweging door een draaiing van den draaimolen of
van de tent of van allebei ontstaat, is niet uit te maken.
Dit voorbeeld gelijkt al sprekend op het geval van hemel en aarde.
De aarde is de draaimolen, de hemel de ballonvormige tent, die wij
om ons heen zien draaien: zoo blijkt hier meteen de mogelijkheid van
_een nieuwe verklaring_ voor de dagelijksche draaiing van den hemel.
_Wat wij als draaiing van den hemel van het Oosten naar het Westen
waarnemen, kan evengoed hierdoor teweeggebracht worden, dat de hemel
in rust is en de aarde zich in tegengestelde richting, van het
Westen naar het Oosten, draait_. Het verschil met ons
draaimolenvoorbeeld ligt hierin, dat hemel en aarde te zamen
werkelijk de geheele wereld zijn; buiten hen is er niets anders
meer, dat als vast punt dienen kan, om uit te maken, wie zich
beweegt en wie in rust is. En uit hun betrekkelijke beweging ten
opzichte van elkaar, die wij tot nu toe als draaiing van den hemel
betitelden, laat zich over de werkelijke beweging niets beslissen.
Dat deze beide verklaringen: een draaiing van den hemel of een
draaiing van de aarde om de as, die door de beide hemelpolen, dus
ook door de beide aardpolen gaat, volkomen gelijkwaardig zijn en
precies dezelfde verschijnselen moeten bewerken, daarvan kan men
zich gemakkelijk overtuigen. Wanneer iemand zich aan de Noordpool
bevindt, ziet hij den halven hemelbol als een hangende koepel om een
rechtopstaande as langzaam rechtsom draaien. Precies hetzelfde moet
plaats vinden, wanneer deze hemelkoepel stil hangt en het
aardoppervlak onder zijn voeten met alles, wat daarop staat, als een
reusachtige draaischijf om een recht naar beneden gaande as,
langzaam naar links draait. Ook in dit geval wandelen alle
voorwerpen, die rondom aan den horizon te zien zijn, achter elkaar
aan onder de zon door, of wel wandelt de zon boven hen allen langs,
al naar men het noemen wil.
[Illustratie: Aardbol met horizon.]
Voor andere plaatsen van de aarde is de zaak iets ingewikkelder,
omdat daar onze standplaats zelf door de draaiing van de aarde
beweegt. Wil men zich de verschijnselen, die hier optreden, goed
duidelijk maken, dan doet men het best, wanneer men een kleinen
houten bal neemt (b.v. een maasbal), die de aarde voorstelt, en daar
een spijker als omwentelingsas doorheen slaat. De voorwerpen in de
kamer, de muur, de zoldering, kunnen daarbij de verwijderde
hemellichamen voorstellen. Legt men een stijf blad papier tegen den
bal aan en steekt het met een speld vast, dan stelt de speld de
richting van het schietlood, en het papier den horizon van de plaats
op aarde voor, waar de speld vastzit. Het blad papier is de
voortzetting van het kleine cirkeltje op aarde, dat in deze plaats
den werkelijken horizon vormt; alles wat zich boven het blad papier
bevindt is voor iemand op die plaats zichtbaar, alles wat er onder
ligt onzichtbaar. Is nu de aarde in rust, dan stijgen aan den eenen
kant, in het Oosten, door de draaiing van den hemel de hemellichamen
boven dit vlak omhoog, en dalen zij aan den anderen kant in het
Westen er onder. Nu nemen wij echter omgekeerd aan, dat de
hemellichamen in de omgeving stilstaan en dat de aarde naar links
draait. Het blad papier verandert door die draaiing zijn stand ten
opzichte van de omgevende dingen; en deze krijgen dus ook een
anderen stand ten opzichte van het vlak van het papier, den horizon.
Aan den kant, waar de beweging heen gaat, daalt dit vlak van den
horizon; voorwerpen, die er te voren onder lagen, rijzen schijnbaar
omhoog en worden zichtbaar. Aan den anderen, westelijken kant, die
na komt, gaat het vlak omhoog en bedekt de sterren, die zich te
voren er boven bevonden. Tegelijk merken wij op, dat het vlak
daarbij zelf ook linksom draait; de lijn Noord-Zuid, die wij op ons
blad geteekend hebben, en die naar bepaalde voorwerpen van onzen
zichtbaren horizon gericht is, beweegt zich onder de sterren in het
Zuiden en het Noorden door. Daardoor schijnen deze sterren zelf naar
rechts te loopen en gaan de hemellichamen in het Oosten schuin op en
in het Westen schuin onder -- dus volkomen de verschijnselen, die
wij in werkelijkheid ook waarnemen.
[Illustratie: Hemelbol met horizon.]
Denken wij ons nu dit horizonvlak tot aan den hemelbol
doorgetrokken, zooals in de nevenstaande figuur, waar de bol nu den
hemel voorstelt, dan wordt het tot een wand, die de wereldruimte in
twee helften scheidt -- want de aarde, waaraan hij vastzit, is
onmerkbaar klein -- en ook den hemelbol door zijn cirkelvormigen
omtrek in een zichtbare en een onzichtbare helft verdeelt. Naar onze
eerste opvatting draait de hemelbol om de wereldas rond, waardoor de
sterren boven dezen rustenden wand in schuine richting omhoog
stijgen, in het Zuiden het hoogst staan en in het Westen achter hem
verdwijnen. Volgens de nieuwe verklaring staat de hemelbol stil, en
draait de scheidingswand met de wereldas, waar hij scheef aan
vastzit, naar links en in het rond, op dezelfde manier als een
potlood, dat men scheef door een rond blad papier steekt en dan
tusschen de vingers rolt, dit papier mee in het rond draait. De
omtrek van den wand (de horizon) strijkt daarbij tweemaal over een
ster heen, eenmaal bij het opkomen, eenmaal bij het ondergaan. Op
deze manier blijkt nog duidelijker, dat beide verklaringen precies
op hetzelfde neerkomen, en dat het voor de beschrijving en de
verklaring van de hemelverschijnselen egaal is, of men het een of
het ander aanneemt.
_Uit de hemelverschijnselen kunnen wij niet beslissen, welke van de
beide verklaringen de juiste is_, want voor hun beschrijving komen
zij volkomen op hetzelfde neer. Om tusschen hen te kiezen en te
beslissen, welke de ware is, moeten wij andere waarnemingen en
overwegingen te hulp roepen.