15. GROOTTE EN VORM DER AARDE.

Eratosthenes had zijn methode ter bepaling van de grootte der aarde

slechts voor een ruwe schatting gebruikt. Wil men de grootte van de

aarde zoo nauwkeurig mogelijk kennen, dan kan men zich voor den

afstand van de twee plaatsen niet met de ruwe opgaven van reizigers

tevreden stellen; dan moet men dien afstand nauwkeurig meten.

Om een kleinen afstand op aarde te meten, bedient men zich eenvoudig

van een meetlat of een meetketting, zooals de landmeters ze

gebruiken. Zelfs grootere afstanden kunnen bij behoorlijke

voorzorgen op die manier zeer nauwkeurig gemeten worden. Zoo heeft

b.v. de sterrekundige Bessel in 1820 in Oost Pruisen een afstand van

2 KM. gemeten, door stevige ijzeren stangen waarvan de lengte

nauwkeurig bekend was, op houten schragen in een rij te leggen en de

kleine tusschenruimten tusschen de stangen te meten door er zuiver

bewerkte spitse wiggen tusschen te steken, die er des te dieper

ingingen, naarmate de stangen verder uit elkaar lagen. Omdat metalen

door de warmte uitzetten, moest natuurlijk ook hun temperatuur

gemeten en in aanmerking genomen worden. Zoo gelukte het hem den

gezochten afstand zoo nauwkeurig te meten, dat de mogelijk

overblijvende fout niet grooter dan 4 millimeter, dus 1/500000 van

het geheel was. Met de moderne hulpmiddelen is de nauwkeurigheid nog

tweemaal zoo groot, zoodat op een kilometer geen grooter fout dan

een millimeter kan overblijven.

Zulke metingen zijn echter alleen op bijzonder gunstige, vlakke

terreinen uit te voeren, waar geen heuvels of rivieren in den weg

komen. Voor grootere afstanden, die men voor de bepaling van de

grootte der aarde noodig heeft, is deze methode niet bruikbaar. Moet

men zich hier dus toch maar met ruwe schattingen tevreden stellen,

of bestaat er een middel de nauwkeurigheid van deze metingen op

groote afstanden over te dragen? Zulk een middel bezitten wij in de

_driehoeksmeting_.

De driehoeksmeting of trigonometrie is een methode, om door het

meten van hoeken de ligging van verschillende plaatsen op aarde ten

opzichte van elkaar in kaart te brengen en in getallen te berekenen.

Op een plaats A (b.v. den top van een heuvel) leggen wij een blad

papier op een tafel, en trekken daarop van uit een middelpunt de

lijnen, die nauwkeurig naar verwijderde toppen of andere voorwerpen

B, C, D, E, gericht zijn. Wij doen dan hetzelfde op den heuveltop B,

waar wij op een papier van uit punt b lijnen in de richting van A,

C, D, E, trekken. Leggen wij nu naderhand de beide bladen papier op

elkaar, zoo, dat de lijn a-b op beide samenvalt en a en b op

willekeurigen afstand van elkaar op deze lijn liggen, dan geeft het

gekombineerde beeld op kleinere schaal nauwkeurig de ligging van de

plaatsen A, B, C, D, E, ten opzichte van elkaar weer. Is nu de

afstand A-B bekend, is hij b.v. 2 KM., en maken wij b.v. op onze

teekening den afstand a-b gelijk aan 20 cM., dus 1/10000 van den

werkelijken afstand, dan is op onze kaart alles op 1/10000

verkleind. Wij behoeven dan slechts den een of anderen afstand b-c

of a-d op de kaart te meten; en zooveel centimeters wij daarvoor

vinden, zooveel keer honderd meter moeten de werkelijke afstanden

B-C en A-D bedragen, die wij door de tusschenliggende rivier niet

eens direkt kunnen meten.

De uitvoering in de praktijk verschilt in tweëerlei opzicht van deze

eenvoudigste toepassing van het principe. Terwijl de uitvoerigste

terreinkaarten ook werkelijk door het teekenen van richtingslijnen

op het papier gemaakt worden, worden de richtingen voor de

eigenlijke driehoeksmeting met een instrument, een theodoliet,

nauwkeurig gemeten. Een verrekijker, waaraan een nauwkeurig in

graden en onderdeelen verdeelde cirkel vastzit, wordt

achtereenvolgens op elk der verwijderde voorwerpen gericht en de

hoek, dien kijker en cirkel telkens daarbij draaien, wordt met

behulp van vaste merken of mikroskopen afgelezen.

[Illustratie]

Bovendien worden de afstanden niet gevonden door ze op een kaart in

kleineren maatstaf uit te meten, maar door ze te berekenen; alles,

wat meetkundig te konstrueeren en dan te meten is, is ook in

getallen met elke gewenschte nauwkeurigheid te berekenen; de daartoe

dienende rekenmethoden (goniometrie en trigonometrie) zijn reeds

vroeg ontwikkeld, gedeeltelijk in de oudheid, maar vooral in de 15de

en 16de eeuw.

Deze driehoeksmeting werd het eerst in het begin van de 17de eeuw

door Snellius te Leiden op de meting der aarde toegepast.

[Illustratie: De graadmeting van Snellius.]

Een aantal stads- en dorpstorens in Holland vormden hoekpunten van

een zich van het Noorden naar het Zuiden uitstrekkende reeks van aan

elkaar sluitende driehoeken. Op iederen toren mat hij de hoeken

tusschen de richtingen naar de omliggende plaatsen. Zoo kon hij het

geheele net van driehoeken nauwkeurig nakonstrueeren, en hij behoefde

slechts één van de driehoekszijden, dus den afstand van twee naburige

driehoekspunten zorgvuldig te meten, om alle andere afstanden in het

net, dus ook den afstand tusschen het noordelijkste en het

zuidelijkste punt te kunnen berekenen.

Hij mat direkt een afstand a-b van 326 voet op een weide tusschen

Leiden en Soeterwoude, berekende daaruit de afstanden van Leiden

naar de torens van Soeterwoude, Voorschoten, Wassenaar, daaruit de

driehoekszijde Leiden--Haag, en zoo kon hij steeds verder gaan en

met behulp van de gemeten hoeken alle andere driehoekszijden

berekenen. Zoo was hij in staat den afstand van twee steden, die 100

KM. van elkaar lagen en door breede zeearmen van elkaar gescheiden

waren (Alkmaar en Bergen op Zoom,) zonder direkte meting met groote

nauwkeurigheid te vinden. Hij behoefde nu nog slechts door

waarnemingen der sterren te bepalen, hoeveel de richting van het

schietlood in beide plaatsen verschilde, om daaruit den omtrek der

aarde af te leiden.

Deze methode is sinds dien tijd overal op de landmeting toegepast,

Om nauwkeurige kaarten te maken, wordt eerst uit torens en uit

speciaal daarvoor op heuvels gebouwde stellages een driehoeksnet

gevormd, dat zich over het geheele land uitstrekt; op ieder punt

worden de richtingen naar de omliggende punten gemeten, zoodat men

in staat is de relatieve ligging van deze punten nauwkeurig te

berekenen en in kaart te brengen. Daarmee is dan als het ware een

vast geraamte gevormd, waarin naderhand allerlei plaatsen, toppen,

rivieren en andere voorwerpen door verdere metingen vanuit de

driehoekspunten op de juiste plaats in te voegen zijn.

Naar de methoden van Snellius zijn alle latere bepalingen van de

grootte der aarde uitgevoerd. In de 17de eeuw steeg het

natuuronderzoek meer en meer van een private liefhebberij van enkele

personen tot den rang van een door den staat erkende aangelegenheid

van openbaar nut. Toen werden in verschillende landen officieele

vereenigingen van geleerden gesticht, z.g. akademies, die door

staatshulp in staat waren gesteld, grootere wetenschappelijke

ondernemingen te volbrengen, die boven de krachten van enkele

personen gingen. Onder de ondernemingen, die op deze wijze door de

Fransche Akademie bevorderd werden, behoorde een nauwkeurige

bepaling van den omtrek der aarde door meting van een afstand in

Noord-Frankrijk, die onder leiding van den astronoom Picard

ondernomen en in 1671 voltooid werd. Toen dit onderzoek in de

volgende jaren nog verder uitgebreid werd door het meten van een

zuidelijk stuk, dat er bij aansloot, kwam daarbij de verrassende

uitkomst voor den dag, dat het eerste noordelijke stuk een kleineren

omtrek van de aarde opleverde dan het zuidelijke stuk, anders

uitgedrukt: de kromming van de aardoppervlakte scheen ten Noorden

van Parijs kleiner te zijn dan ten Zuiden van Parijs.

Wij hebben tot nog toe aangenomen, dat het aardoppervlak overal even

sterk gekromd en de vorm van de aarde dus precies een bol is; alleen

door dat te veronderstellen, was het mogelijk uit de kromming van

een deel de grootte van het geheel te berekenen, Maar het was toch

niet meer dan een veronderstelling, die voor de eenvoudigheid

gemaakt werd, en men moest dus steeds met de mogelijkheid rekenen,

dat de aarde niet precies een bol is, en dat verschillende deelen

van haar oppervlak een verschillende kromming kunnen bezitten. Dat

hier in Frankrijk nu zulk een verschil gevonden werd, kon dus op

zich zelf niet zoozeer verrassen. Het zonderlinge van deze uitkomst

lag in iets anders: uit theoretische beschouwingen hadden Newton en

Huijgens juist het tegengestelde afgeleid van wat de Fransche

onderzoekers gevonden hadden.

[Illustratie]

Volgens deze beschouwingen, waarop wij later nog terugkomen, kan de

aarde niet precies den vorm van een bol hebben, maar moet zij in de

richting van de as, dus aan de polen iets samengedrukt zijn, dus

iets meer van een sinaasappel hebben. De middellijn van pool tot

pool is in dit geval iets korter dan de middellijn van den evenaar;

aan de polen is, zooals aan een sinaasappel en aan bovenstaande

figuur dadelijk te zien is, de oppervlakte minder gekromd dan aan

den evenaar, en hoe verder men b.v. in Europa van het Noorden naar

het Zuiden gaat, des te sterker moet de kromming worden. Dat was dus

in tegenspraak met de uitkomsten der Fransche metingen.

Over de vraag, wie hier gelijk had, is lang getwist, tot men

eindelijk inzag, dat deze Fransche metingen geen beslissende

uitspraak veroorloofden. Het verschil in kromming tusschen Noord- en

Zuid-Frankrijk was slechts gering, en onvermijdelijke kleine fouten

der meting konden bewerken, dat dit verschil geheel verdween of

zelfs omgekeerd werd. Om de kwestie uit te maken zond de Parijsche

Akademie in 1736 twee expedities uit; de een zou zoo ver mogelijk in

het Noorden, in Lapland, de ander aan den evenaar, in Peru, de

kromming van het aardoppervlak bepalen. En toen bleek dadelijk

onmiskenbaar, dat de theorie gelijk had. Terwijl de lengte van een

graad, d.w.z. de afstand op aarde, waarop de richting van het

schietlood precies een graad verandert, in Frankrijk 57012 toisen

(de toenmalige Fransche lengtemaat van nagenoeg twee meter) bedroeg,

werd daarvoor in Lapland 57438 en in Peru 56734 toisen gevonden. _De

kromming van het aardoppervlak is aan den evenaar het sterkst en

wordt des te kleiner, naarmate men dichter bij de polen komt.

Daaruit volgt: de aarde is niet precies een bol, maar in de richting

van de polen iets samengedrukt_. Uit de uitkomsten van deze metingen

werd berekend, dat de middellijn van pool tot pool 1/300 (de

zoogenaamde _afplatting_ der aarde) kleiner is dan de middellijn van

den evenaar.

Onder de latere aardmetingen of graadmetingen, zooals ze meestal

genoemd worden, is vooral diegene beroemd geworden, die in opdracht

van de Nationale Konventie in 1793 ondernomen werd, om aan de natuur

een nieuwe lengte-eenheid te ontleenen.

Het veertigmillioenste deel van een door de polen gaanden omtrek der

aarde is onder den naam van _meter_ in bijna alle landen (Engeland

houdt nog aan zijn oude maten vast) in stede van de vroegere van

plaats tot plaats verschillende ellen en voeten als internationale

lengtemaat ingevoerd. Op den meter berusten ook de eenheden van

vlaktemaat (een hektare is 10000 vierkante meter), van inhoudsmaat

(een liter is 1/1000 kubieke meter), en van gewicht (een kilogram is

het gewicht van een liter water). Ten gevolge van eenige meet- en

rekenfouten is echter de aangenomen meter niet precies het

veertigmillioenste deel van den aardomtrek: volgens de nauwkeurigste

metingen bedraagt deze omtrek ongeveer 8300 meter meer dan 40

millioen, zoodat de meter eigenlijk 1/5 millimeter te kort is. Men

denkt er echter niet over om die eenheid nog weer te veranderen; men

heeft het idee van een aan de natuur direkt ontleende lengte-eenheid

opgegeven, daar die ten gevolge van de onvermijdelijke foutjes toch

altijd weer opnieuw zou moeten veranderd worden. De lengte van een

meter is nu eenvoudig door den standaardmeter van platina gegeven,

die in Parijs bewaard wordt.

In de 19de eeuw zijn met steeds betere instrumenten nog vele

graadmetingen gedaan in allerlei deelen der wereld, hoewel

natuurlijk het meest in Europa. Zij bevestigen alle, dat de kromming

van het aardoppervlak naar den evenaar toe grooter wordt, en dat dus

de aarde een afgeplatte bol is met een afplatting van ongeveer

1/300, (Bessel vond 1/299, Clarke 1/293, Helmert 1/296.)

Maar precies komt dat toch niet uit. Overal waar men het

aardoppervlak nauwkeurig onderzocht heeft, vertoont het bovendien

nog weliswaar geringe, maar toch duidelijk merkbare

onregelmatigheden in de kromming, die vooral in bergachtige streken

van beteekenis zijn. Natuurlijk moet men daarbij niet aan de vaste

oppervlakte van het land met al zijn heuvels, bergen en dalen

denken, -- bij de aardmetingen heeft men daarmee niets te maken --

maar aan de oppervlakte van stilstaand water. Men stelt zich voor,

dat het zeeoppervlak over het landgebied voortgezet wordt, b.v. zoo,

dat het zeewater zich door een menigte diepe kanalen overal binnen

de vastelanden kan uitbreiden. Het door al deze wateren gevormde

oppervlak is het grondvlak, van waaruit de hoogte der bergen en

andere vaste punten boven den zeespiegel gerekend wordt. Op dit

oppervlak staat het schietlood natuurlijk overal loodrecht, omdat

het water anders zou gaan stroomen en een anderen stand aannemen.

Over dit oppervlak denkt men zich de meetketting gelegd, wanneer men

den afstand van twee plaatsen door driehoeksmeting afleidt; dit

oppervlak is het dus, waarvan de kromming bij de graadmeting bepaald

wordt.

[Illustratie]

En nu is gebleken, dat dit oppervlak wel ongeveer, maar niet precies

samenvalt met een regelmatig afgeplatte bolfiguur. Op sommige

plaatsen verheft het zich een weinig er boven, op andere zinkt het

er iets onder, en daardoor kan de kromming van dit oppervlak niet

geheel regelmatig van het Noorden naar het Zuiden toenemen, en niet

van het Oosten naar het Westen nauwkeurig gelijk blijven. De

nevenstaande teekening toont hiervan een voorbeeld in een doorsnee

door Noord-Duitschland van het Noorden naar het Zuiden, tusschen

Kiel en Koburg, juist door de Broeken heen. Vergeleken met den

maatstaf der afstanden zijn hier de hoogten van het land alle 100

maal te groot, de hoogten van den rustenden waterspiegel boven of

onder de afgeplatte bolfiguur alle 10000 maal te groot genomen. De

hellingen der bergen zijn dus 100 maal, de schuinschheid der pijlen,

die de richtingen van het schietlood loodrecht op den waterspiegel

aangeven, 10000 maal overdreven voorgesteld. Het nauwkeurig

onderzoek van dit soort onregelmatigheden van het aardoppervlak is

het doel van de tegenwoordige astronomisch-geodetische metingen, die

door een internationale kommissie geleid, sinds een halve eeuw eerst

alleen in Europa en nu in alle werelddeelen een geheel leger van

landmeters en sterrekundigen bezighoudt.

Hoe staat het nu echter met de werkelijke vaste oppervlakte, met

haar hemelhooge bergen en diepe zeebassins? Kan haar gedaante ook

nog ongeveer door een afgeplatten bol voorgesteld worden? De hoogste

bergtoppen in de Alpen verheffen zich bijna 5000 meter, de hoogste

toppen van de geheele aarde bijna 9000 meter boven den zeespiegel,

en ongeveer even diep ligt de diepste zeebodem onder het

wateroppervlak. Dit bedrag is minder dan 1/1000 van de middellijn

der aarde, die bijna 13 millioen meter bedraagt. Stelt men de aarde

voor door een bol van een meter middellijn, dan moet de middellijn

van pool tot pool 3 millimeter korter zijn; de hoogste bergtoppen

kwamen dan 2/3, millimeter boven, de grootste zeediepten evenveel

beneden deze oppervlakte. Om groote hooglanden als die van

Midden-Azië en Amerika voor te stellen, zou op die plaats het

oppervlak een paar tiende deelen van een millimeter verhoogd, en een

even dun laagje zou voor de groote oceanen weggeschaafd moeten

worden. _Ondanks alle hoogten en diepten, heeft dus ook de vaste

aardoppervlakte op zeer weinig na de gedaante van een afgeplatten

bol_.

De Wonderbouw der Wereld · 第 24 / 64 题