14. DE ONTDEKKING DER AARDE.

Hoe groot is de aarde? Konden wij een reis om haar heen maken en

daarbij onzen weg met een meetketting meten, dan wisten wij het in

eens. Maar dit is praktisch onuitvoerbaar, en was het in nog veel

hooger mate, toen de menschen nog slechts een klein deel van haar

oppervlakte kenden. De vraag is, of men de grootte van de aarde niet

kan vinden, terwijl men binnen een beperkt gebied blijft.

Dat is niet zoo moeilijk, als het op het eerste gezicht schijnt.

Wanneer wij een kleinen afstand op de aarde meten, kunnen wij

daaruit haar omtrek vinden, wanneer wij slechts weten, welk deel van

den geheelen omtrek deze afstand is. Dit laatste kunnen wij uit de

verandering van de richting van het schietlood vinden, die ons door

de sterren wordt aangegeven. Wanneer de aarde een bol is en haar

oppervlakte dus overal even sterk gebogen, dan moet telkens, wanneer

wij een zelfden afstand doorloopen, ook de richting van het

schietlood evenveel veranderen. Gaan wij zoo ver naar het Noorden,

tot de sterren aan den Noordhemel precies een graad hooger gekomen

zijn, dan is de richting van het schietlood een graad, dus een

360ste deel van den hemelomtrek anders geworden; wij hebben dan ook

een 360ste deel van den aardomtrek afgelegd en de geheele omtrek der

aarde is 360 keer zoo groot, als de door ons afgelegde weg.

Deze gedachtengang kwam reeds in de oudheid bij een geleerd

geograaf, _Eratosthenes_ in Alexandrië, op (ongeveer 230 v. Chr.);

waarschijnlijk echter is dit denkbeeld ook al vroeger toegepast.

Alexandrië aan den mond van den Nijl was toen de belangrijkste

handelsstad van het groote gebied, dat door de veroveringen van

Alexander onder Griekschen invloed gebracht was. In dit middelpunt

van den toenmaligen wereldhandel ontmoetten het Oosten en het Westen

elkaar; het stond niet slechts met de landen aan de Middellandsche

Zee in verbinding, maar onderhield ook een levendig verkeer met de

kusten van den Indischen Oceaan; en zelfs van nog verder afgelegen

eilanden kwam, met de kostbare waren, ook met wonderverhalen

gemengde aardrijkskundige kennis naar Alexandrië. Hier stroomden

alle schatten der wereld te zamen, en met behulp van deze rijkdommen

hebben de Ptolemaeën, de Grieksche vorsten van Egypte, hier een

bibliotheek en een akademie als brandpunt van wetenschap gesticht.

Tot de vele beroemde mannen, die aan de Alexandrijnsche bibliotheek

verbonden zijn geweest, behoort ook Eratosthenes.

Het was hem uit berichten bekend, dat in Syene, een stad aan den

Nijl in Zuid-Egypte, de zon op den langsten dag den bodem van een

diepe loodrechte put bescheen, dus in het toppunt van den hemel

stond. Daarentegen bleef zij volgens zijn meting op dien dag in

Alexandrië 1/50 van den hemelomtrek van het toppunt verwijderd.

Zooveel was dus de richting van het schietlood in beide plaatsen

verschillend en hun afstand moest dus ook 1/50 van den omtrek der

aarde zijn. Daar, naar de opgaven van 's konings boden, deze afstand

5000 stadiën bedroeg, moest de omtrek der aarde 250.000 stadiën

zijn. Nu werden in de oudheid verschillende soorten van stadiën

gebruikt. In onze maat uitgedrukt komt een stadie van Eratosthenes

met 157 1/2 meter overeen; zijn uitkomst voor den omtrek van de

aarde wordt dan 39 1/2 millioen meter. Dat dit zoo precies met de

werkelijkheid overeenstemt, is natuurlijk toeval; want naar de

manier, waarop het gevonden werd, kon het slechts een ruwe schatting

zijn. Het bijzondere en mooie lag in het principe, dat veroorloofde

uit de kennis van een klein gebied de aarde als het ware in haar

volle grootte te overzien. Andere geleerden der oudheid hebben

later, volgens hetzelfde beginsel, andere uitkomsten voor de grootte

der aarde opgegeven; de sterrekundige Ptolemaeus en de

aardrijkskundige Strabo, die beiden ten tijde van de Romeinsche

keizers leefden, gaven voor haar omtrek 180.000 stadiën

(vermoedelijk van 210 meter) op.

Hoe groot was daarmee vergeleken nu de bekende wereld? De afstanden

waren slechts zeer ruw, naar dagmarschen of naar dagreizen van

zeilende schepen te schatten; en daar de schepen geen kompas bezaten

en zich dus dicht bij de kust moesten houden, moesten deze

schattingen vaak zeer onjuist zijn. Zoo kwam het dat de lengte der

bekende wereld van het Westen naar het Oosten vrij wat te groot werd

aangenomen. Eratosthenes gaf voor den afstand van de Atlantische

oceaankust bij Spanje tot aan het eiland Taprobane (Ceylon bij

Indië) 70.000 stadiën op; dit is een derde part van den omtrek van

den cirkel, dien men door de Middellandsche Zee evenwijdig aan den

evenaar om den aardbol leggen kan, en die natuurlijk wat kleiner dan

de evenaar zelf is. Bij Ptolemaeus liggen de verste kusten van Indië

den halven aardomtrek van Spanje verwijderd. Deze fout, die door

andere en latere schrijvers nog erger gemaakt werd, is van groote

beteekenis voor de wereldgeschiedenis geworden.

"Wanneer de groote uitgestrektheid van den Atlantischen Oceaan dit

niet verhinderde," haalt Strabo uit een verloren gegaan werk van

Eratosthenes aan, "zouden wij, altijd denzelfden parallelcirkel

volgend, van Spanje naar Indië kunnen varen, want het overige deel

bedraagt wat meer dan een derde deel van den geheelen cirkel." De

geleerden der oudheid zagen dus zeer goed de mogelijkheid om Indië

te bereiken, wanneer men over den Atlantischen Oceaan steeds verder

naar het Westen zeilde. Maar geen ondernemend zeeman kwam op de

gedachte, dezen weg praktisch te probeeren. Waarom zou men ook?

Alexandrië lag midden tusschen Europa en Indië, stond met beide in

handelsverkeer, en de schatten van Indië konden er langs den

kortsten weg komen. Waartoe zou men dan een anderen, langeren en

moeilijkeren weg opzoeken, die bovendien nog door de onbekendheid

met het kompas veel gevaarlijker was?

Toen, na den ondergang van het Romeinsche wereldrijk, Voor-Azië

onder de heerschappij der Chaliefen tot een bloeiend centrum van

handel, van nijverheid en van beschaving werd, dat aan de eene zijde

met Indië en Oost-Azië en aan de andere zijde met het nog

achterlijke, maar langzaam opkomende Europa in verbinding stond, was

zulk een behoefte evenmin voorhanden. Dat werd eerst anders, toen

door het opbloeien van handwerk, handel en geldverkeer in Europa en

door den achteruitgang van het maatschappelijk leven in Voor-Azië,

dat door ruwe, oorlogszuchtige Nomaden veroverd werd, het

zwaartepunt der wereld zich naar Zuid- en West-Europa verplaatste.

Naarmate de handelsverbindingen met Indië en met China, dat door de

reizen van Marco Polo bekend geworden was, door de Turksche

veroveringen in Voor-Azië en het uiteenvallen van het groote rijk

der Mongolen verbroken werden, werd de drang steeds sterker om een

anderen weg naar Indië over zee te vinden. Op het voetspoor van de

Catalonische schippers, die reeds in de 14de eeuw een deel van de

westkust van Europa en Afrika bezocht hadden, en met behulp van het

aan de Arabieren ontleende kompas waagden zich de Portugeesche

zeevaarders steeds verder naar het Zuiden, langs de westkust van

Afrika, en bereikten in 1486 de Kaap de Goede Hoop. Bij hun verdere

tochten kwamen zij, de oostkust van Afrika volgend, in het gebied

waar de Arabieren een regelmatig handelsverkeer met Indië

onderhielden, en bereikten in 1498 Indië zelf. Spoedig drongen de

gewapende kooplieden steeds verder naar het Oosten, naar de

Specerij-eilanden (de Molukken), naar China en Japan, en brachten de

kusten en eilanden van Indië onder hun heerschappij. Geweldig

breidde zich, door den drang naar avonturen en handelswinst omhoog

gestuwd, de kennis van het aardoppervlak uit.

Maar nog voordat Indië op deze wijze bereikt werd, was het denkbeeld

van Eratosthenes en de andere aardrijkskundigen der oudheid weer

opgevat. Door zijn studie van de geschriften, die toen ter tijde de

uitkomsten der antieke wetenschap, vaak over den omweg van Arabische

vertalingen, samenvatten en aan de Westerlingen toegankelijk

maakten, was de Genueesche zeevaarder _Columbus_ tot de overtuiging

gekomen, dat de aarde bolvormig was en dat Indië dus ook door een

vaart naar het Westen te bereiken moest zijn. Daar hij aannam, dat

de oude stadiën van Ptolemaeus het tiende gedeelte van zijn

Italiaansche mijlen (van 1 1/2 KM.) waren, hield hij de aarde voor

veel kleiner dan ze werkelijk was; "de aarde is klein, ik verzeker

u, dat ze niet zoo groot is, als men gewoonlijk meent," schreef hij

later in een brief aan de koningin van Spanje.

[Illustratie: Wereldkaart naar de globe van Martin Behaim (1492).]

[Illustratie: Wereldkaart van tegenwoordig.]

Hij werd in die meening versterkt door den Italiaanschen geleerde

_Toscanelli_, die met veel zorgvuldigheid kaarten maakte, waarop de

oostkust van Azië op niet al te grooten afstand van de westkust van

Europa geteekend was; "ik heb tegenover de kusten van Ierland en

Afrika, recht naar het Westen toe, het begin van Indië met de

eilanden en de plaatsen aangegeven, waar men zal kunnen landen,"

schreef Toscanelli aan den Portugeeschen kanunnik Martinez, toen hij

hem zijn kaart toezond, die Columbus waarschijnlijk ook gebruikt

heeft, Dat deze opvatting onder de geleerden van dien tijd algemeen

verbreid was, wordt bewezen door de beroemde aardglobe van den

Neurenberger astronoom en zeevaarder _Martin Behaim_, waarnaar onze

kaart blz. 92 geteekend is, met een tegenwoordige wereldkaart ter

vergelijking er onder; blijkbaar heeft hij het gebied van Spanje tot

Ceylon naar de oude opgaven van Ptolemaeus geteekend, en daaraan

naar het reisverhaal van Marco Polo de landen van Oost-Azië op veel

te groote schaal aangehecht. Aan Columbus komt echter de verdienste

toe de praktische konsekwenties uit deze opvatting getrokken te

hebben. Zijn geheele leven lang heeft hij onvermoeid aan dit

denkbeeld vastgehouden; eerst overal afgewezen, omdat men hem bij

den lagen stand der algemeene ontwikkeling voor een fantast hield,

gelukte het hem ten slotte in 1492 van de koningin van Spanje drie

kleine schepen voor zijn doel te krijgen. Na een voorspoedige vaart

van drie weken -- de verhalen van de vele tegenspoeden onderweg,

muiterij der matrozen e.d. zijn later verzonnen --, waarbij hij

steeds vast op zijn kaarten vertrouwde, bereikte hij op den 10den

Oktober land: hij had Amerika ontdekt.

Zijn dwaling, die hij met de geleerden van zijn tijd deelde, is de

oorzaak van zijn durf en zijn slagen geweest. Had hij de werkelijke

grootte van de aarde en de werkelijke afstanden gekend: had hij dus

geweten, dat de afstand van Spanje naar Indië naar het Westen bijna

tweemaal zoo groot is als naar het Oosten, dan had hij zijn tocht

zeker niet ondernomen; want dat er nog een geheel nieuw werelddeel

tusschen zou liggen, kon hij natuurlijk niet vermoeden. Dan was

Amerika eerst naderhand ontdekt bij een nog hoogere ontwikkeling van

de zeevaart. Columbus zelf is na vier reizen, waarop hij de

Westindische eilanden en de noordkust van Zuid-Amerika bezocht, in

de overtuiging gestorven, dat hij Indië en de Oostkust van Azië had

bereikt. Toen echter de Spaansche ontdekkers en veroveraars, door

gouddorst en zucht naar avonturen gedreven, steeds verder drongen,

ontdekten zij de oostkust van Amerika en den daarachter gelegen

Stillen Oceaan. In 1519 deed _Magelhaens_ wat Columbus gewild had,

en bereikte Indië door een reis naar het Westen. Hij zeilde om de

zuidpunt van Amerika heen, doorkliefde den Stillen Oceaan, ontmoette

in Indië de Portugeezen, die van den anderen kant gekomen waren, en

zijn schepen kwamen langs den gewonen Portugeeschen weg in Europa

terug. Zij hadden dus de eerste reis om de wereld gedaan, en daarmee

ook aan het hardnekkigste vooroordeel een praktisch bewijs voor de

rondheid der aarde geleverd.

Met de groote ontdekkingsreizen in de 15de en de 16de eeuw was de

ontdekking der aarde in hoofdzaak voltooid. Alleen de details bleven

nog te onderzoeken; in de 17de eeuw werd Australië door Abel Tasman

ontdekt, en in de volgende eeuw werden overal door het toenemende

wereldverkeer de kleine verspreide eilanden in de oceanen

opgespoord. In het begin van de 19de eeuw waren de omtrekken van

alle groote eilanden en werelddeelen vastgelegd; het onderzoek van

hun binnenlanden is het groote aardrijkskundige werk van de 19de

eeuw geweest. In het begin van de 20ste eeuw zijn eindelijk nog de

eeuwenlange pogingen, om door het ijs heen tot de beide polen der

aarde door te dringen, met succes bekroond. Daarmee is de ontdekking

der aarde voltooid.

De groote ontdekkingstochten en zeevaarten van de 15de en de 16de

eeuw, die plotseling het grootste deel der aardoppervlakte binnen

den gezichtskring van de Europeesche volken brachten, hebben op de

wetenschap der sterrekunde een geweldigen invloed uitgeoefend.

Eenerzijds bevestigden zij door een praktijk, waarvoor elk

vooroordeel wijken moest, de vroeger door geleerde wijsgeeren

opgestelde theorie van den bolvorm der aarde, die van nu af aan een

praktische beteekenis krijgt. Anderzijds ging van hen een sterke

prikkel tot astronomisch onderzoek uit. Bij de tochten door de

zuidelijke zeeën zag men voor het eerst de sterrebeelden van den

zuidelijken hemel, die voor een deel wel aan de ver naar het Zuiden

wonende Arabieren bekend geweest waren, maar in Europa steeds

onzichtbaar blijven; met verbazing aanschouwden de zeevaarders

_Canopus_ in het Schip, naast Sirius de helderste ster van den

hemel, de merkwaardige groepen van den _Centaurus_ en het

_Zuidelijke Kruis_, en vele andere sterrebeelden.

[Illustratie: De zuidelijke sterrenhemel. (De cirkel omsluit alle

sterren, die minder dan 50 graden van de Zuidpool verwijderd en

daarom hier steeds onzichtbaar zijn.)]

Daar kwam nog een praktisch belang bij. Midden in den oceaan, ver

van alle kusten, waren de hemellichamen de eenige betrouwbare gidsen

van den zeeman; slechts met behulp van sterren, zon en maan kon hij

zijn weg vinden en nauwkeurig de plaats op aarde bepalen, waar hij

zich bevond. Maar daartoe was het noodig, dat hij de plaats van deze

gesternten aan den hemel nauwkeurig in zijn almanak vooruit

aangegeven vond; en dat was slechts mogelijk, wanneer de

sterrekundigen ze vooruit wisten te berekenen. Zoo hebben de eischen

en behoeften van de scheepvaart op den oceaan in hooge mate

meegewerkt om de wetenschap van den hemel in de volgende eeuwen

krachtig voort te stuwen.

De Wonderbouw der Wereld · 第 23 / 64 题