Hoe groot is de aarde? Konden wij een reis om haar heen maken en
daarbij onzen weg met een meetketting meten, dan wisten wij het in
eens. Maar dit is praktisch onuitvoerbaar, en was het in nog veel
hooger mate, toen de menschen nog slechts een klein deel van haar
oppervlakte kenden. De vraag is, of men de grootte van de aarde niet
kan vinden, terwijl men binnen een beperkt gebied blijft.
Dat is niet zoo moeilijk, als het op het eerste gezicht schijnt.
Wanneer wij een kleinen afstand op de aarde meten, kunnen wij
daaruit haar omtrek vinden, wanneer wij slechts weten, welk deel van
den geheelen omtrek deze afstand is. Dit laatste kunnen wij uit de
verandering van de richting van het schietlood vinden, die ons door
de sterren wordt aangegeven. Wanneer de aarde een bol is en haar
oppervlakte dus overal even sterk gebogen, dan moet telkens, wanneer
wij een zelfden afstand doorloopen, ook de richting van het
schietlood evenveel veranderen. Gaan wij zoo ver naar het Noorden,
tot de sterren aan den Noordhemel precies een graad hooger gekomen
zijn, dan is de richting van het schietlood een graad, dus een
360ste deel van den hemelomtrek anders geworden; wij hebben dan ook
een 360ste deel van den aardomtrek afgelegd en de geheele omtrek der
aarde is 360 keer zoo groot, als de door ons afgelegde weg.
Deze gedachtengang kwam reeds in de oudheid bij een geleerd
geograaf, _Eratosthenes_ in Alexandrië, op (ongeveer 230 v. Chr.);
waarschijnlijk echter is dit denkbeeld ook al vroeger toegepast.
Alexandrië aan den mond van den Nijl was toen de belangrijkste
handelsstad van het groote gebied, dat door de veroveringen van
Alexander onder Griekschen invloed gebracht was. In dit middelpunt
van den toenmaligen wereldhandel ontmoetten het Oosten en het Westen
elkaar; het stond niet slechts met de landen aan de Middellandsche
Zee in verbinding, maar onderhield ook een levendig verkeer met de
kusten van den Indischen Oceaan; en zelfs van nog verder afgelegen
eilanden kwam, met de kostbare waren, ook met wonderverhalen
gemengde aardrijkskundige kennis naar Alexandrië. Hier stroomden
alle schatten der wereld te zamen, en met behulp van deze rijkdommen
hebben de Ptolemaeën, de Grieksche vorsten van Egypte, hier een
bibliotheek en een akademie als brandpunt van wetenschap gesticht.
Tot de vele beroemde mannen, die aan de Alexandrijnsche bibliotheek
verbonden zijn geweest, behoort ook Eratosthenes.
Het was hem uit berichten bekend, dat in Syene, een stad aan den
Nijl in Zuid-Egypte, de zon op den langsten dag den bodem van een
diepe loodrechte put bescheen, dus in het toppunt van den hemel
stond. Daarentegen bleef zij volgens zijn meting op dien dag in
Alexandrië 1/50 van den hemelomtrek van het toppunt verwijderd.
Zooveel was dus de richting van het schietlood in beide plaatsen
verschillend en hun afstand moest dus ook 1/50 van den omtrek der
aarde zijn. Daar, naar de opgaven van 's konings boden, deze afstand
5000 stadiën bedroeg, moest de omtrek der aarde 250.000 stadiën
zijn. Nu werden in de oudheid verschillende soorten van stadiën
gebruikt. In onze maat uitgedrukt komt een stadie van Eratosthenes
met 157 1/2 meter overeen; zijn uitkomst voor den omtrek van de
aarde wordt dan 39 1/2 millioen meter. Dat dit zoo precies met de
werkelijkheid overeenstemt, is natuurlijk toeval; want naar de
manier, waarop het gevonden werd, kon het slechts een ruwe schatting
zijn. Het bijzondere en mooie lag in het principe, dat veroorloofde
uit de kennis van een klein gebied de aarde als het ware in haar
volle grootte te overzien. Andere geleerden der oudheid hebben
later, volgens hetzelfde beginsel, andere uitkomsten voor de grootte
der aarde opgegeven; de sterrekundige Ptolemaeus en de
aardrijkskundige Strabo, die beiden ten tijde van de Romeinsche
keizers leefden, gaven voor haar omtrek 180.000 stadiën
(vermoedelijk van 210 meter) op.
Hoe groot was daarmee vergeleken nu de bekende wereld? De afstanden
waren slechts zeer ruw, naar dagmarschen of naar dagreizen van
zeilende schepen te schatten; en daar de schepen geen kompas bezaten
en zich dus dicht bij de kust moesten houden, moesten deze
schattingen vaak zeer onjuist zijn. Zoo kwam het dat de lengte der
bekende wereld van het Westen naar het Oosten vrij wat te groot werd
aangenomen. Eratosthenes gaf voor den afstand van de Atlantische
oceaankust bij Spanje tot aan het eiland Taprobane (Ceylon bij
Indië) 70.000 stadiën op; dit is een derde part van den omtrek van
den cirkel, dien men door de Middellandsche Zee evenwijdig aan den
evenaar om den aardbol leggen kan, en die natuurlijk wat kleiner dan
de evenaar zelf is. Bij Ptolemaeus liggen de verste kusten van Indië
den halven aardomtrek van Spanje verwijderd. Deze fout, die door
andere en latere schrijvers nog erger gemaakt werd, is van groote
beteekenis voor de wereldgeschiedenis geworden.
"Wanneer de groote uitgestrektheid van den Atlantischen Oceaan dit
niet verhinderde," haalt Strabo uit een verloren gegaan werk van
Eratosthenes aan, "zouden wij, altijd denzelfden parallelcirkel
volgend, van Spanje naar Indië kunnen varen, want het overige deel
bedraagt wat meer dan een derde deel van den geheelen cirkel." De
geleerden der oudheid zagen dus zeer goed de mogelijkheid om Indië
te bereiken, wanneer men over den Atlantischen Oceaan steeds verder
naar het Westen zeilde. Maar geen ondernemend zeeman kwam op de
gedachte, dezen weg praktisch te probeeren. Waarom zou men ook?
Alexandrië lag midden tusschen Europa en Indië, stond met beide in
handelsverkeer, en de schatten van Indië konden er langs den
kortsten weg komen. Waartoe zou men dan een anderen, langeren en
moeilijkeren weg opzoeken, die bovendien nog door de onbekendheid
met het kompas veel gevaarlijker was?
Toen, na den ondergang van het Romeinsche wereldrijk, Voor-Azië
onder de heerschappij der Chaliefen tot een bloeiend centrum van
handel, van nijverheid en van beschaving werd, dat aan de eene zijde
met Indië en Oost-Azië en aan de andere zijde met het nog
achterlijke, maar langzaam opkomende Europa in verbinding stond, was
zulk een behoefte evenmin voorhanden. Dat werd eerst anders, toen
door het opbloeien van handwerk, handel en geldverkeer in Europa en
door den achteruitgang van het maatschappelijk leven in Voor-Azië,
dat door ruwe, oorlogszuchtige Nomaden veroverd werd, het
zwaartepunt der wereld zich naar Zuid- en West-Europa verplaatste.
Naarmate de handelsverbindingen met Indië en met China, dat door de
reizen van Marco Polo bekend geworden was, door de Turksche
veroveringen in Voor-Azië en het uiteenvallen van het groote rijk
der Mongolen verbroken werden, werd de drang steeds sterker om een
anderen weg naar Indië over zee te vinden. Op het voetspoor van de
Catalonische schippers, die reeds in de 14de eeuw een deel van de
westkust van Europa en Afrika bezocht hadden, en met behulp van het
aan de Arabieren ontleende kompas waagden zich de Portugeesche
zeevaarders steeds verder naar het Zuiden, langs de westkust van
Afrika, en bereikten in 1486 de Kaap de Goede Hoop. Bij hun verdere
tochten kwamen zij, de oostkust van Afrika volgend, in het gebied
waar de Arabieren een regelmatig handelsverkeer met Indië
onderhielden, en bereikten in 1498 Indië zelf. Spoedig drongen de
gewapende kooplieden steeds verder naar het Oosten, naar de
Specerij-eilanden (de Molukken), naar China en Japan, en brachten de
kusten en eilanden van Indië onder hun heerschappij. Geweldig
breidde zich, door den drang naar avonturen en handelswinst omhoog
gestuwd, de kennis van het aardoppervlak uit.
Maar nog voordat Indië op deze wijze bereikt werd, was het denkbeeld
van Eratosthenes en de andere aardrijkskundigen der oudheid weer
opgevat. Door zijn studie van de geschriften, die toen ter tijde de
uitkomsten der antieke wetenschap, vaak over den omweg van Arabische
vertalingen, samenvatten en aan de Westerlingen toegankelijk
maakten, was de Genueesche zeevaarder _Columbus_ tot de overtuiging
gekomen, dat de aarde bolvormig was en dat Indië dus ook door een
vaart naar het Westen te bereiken moest zijn. Daar hij aannam, dat
de oude stadiën van Ptolemaeus het tiende gedeelte van zijn
Italiaansche mijlen (van 1 1/2 KM.) waren, hield hij de aarde voor
veel kleiner dan ze werkelijk was; "de aarde is klein, ik verzeker
u, dat ze niet zoo groot is, als men gewoonlijk meent," schreef hij
later in een brief aan de koningin van Spanje.
[Illustratie: Wereldkaart naar de globe van Martin Behaim (1492).]
[Illustratie: Wereldkaart van tegenwoordig.]
Hij werd in die meening versterkt door den Italiaanschen geleerde
_Toscanelli_, die met veel zorgvuldigheid kaarten maakte, waarop de
oostkust van Azië op niet al te grooten afstand van de westkust van
Europa geteekend was; "ik heb tegenover de kusten van Ierland en
Afrika, recht naar het Westen toe, het begin van Indië met de
eilanden en de plaatsen aangegeven, waar men zal kunnen landen,"
schreef Toscanelli aan den Portugeeschen kanunnik Martinez, toen hij
hem zijn kaart toezond, die Columbus waarschijnlijk ook gebruikt
heeft, Dat deze opvatting onder de geleerden van dien tijd algemeen
verbreid was, wordt bewezen door de beroemde aardglobe van den
Neurenberger astronoom en zeevaarder _Martin Behaim_, waarnaar onze
kaart blz. 92 geteekend is, met een tegenwoordige wereldkaart ter
vergelijking er onder; blijkbaar heeft hij het gebied van Spanje tot
Ceylon naar de oude opgaven van Ptolemaeus geteekend, en daaraan
naar het reisverhaal van Marco Polo de landen van Oost-Azië op veel
te groote schaal aangehecht. Aan Columbus komt echter de verdienste
toe de praktische konsekwenties uit deze opvatting getrokken te
hebben. Zijn geheele leven lang heeft hij onvermoeid aan dit
denkbeeld vastgehouden; eerst overal afgewezen, omdat men hem bij
den lagen stand der algemeene ontwikkeling voor een fantast hield,
gelukte het hem ten slotte in 1492 van de koningin van Spanje drie
kleine schepen voor zijn doel te krijgen. Na een voorspoedige vaart
van drie weken -- de verhalen van de vele tegenspoeden onderweg,
muiterij der matrozen e.d. zijn later verzonnen --, waarbij hij
steeds vast op zijn kaarten vertrouwde, bereikte hij op den 10den
Oktober land: hij had Amerika ontdekt.
Zijn dwaling, die hij met de geleerden van zijn tijd deelde, is de
oorzaak van zijn durf en zijn slagen geweest. Had hij de werkelijke
grootte van de aarde en de werkelijke afstanden gekend: had hij dus
geweten, dat de afstand van Spanje naar Indië naar het Westen bijna
tweemaal zoo groot is als naar het Oosten, dan had hij zijn tocht
zeker niet ondernomen; want dat er nog een geheel nieuw werelddeel
tusschen zou liggen, kon hij natuurlijk niet vermoeden. Dan was
Amerika eerst naderhand ontdekt bij een nog hoogere ontwikkeling van
de zeevaart. Columbus zelf is na vier reizen, waarop hij de
Westindische eilanden en de noordkust van Zuid-Amerika bezocht, in
de overtuiging gestorven, dat hij Indië en de Oostkust van Azië had
bereikt. Toen echter de Spaansche ontdekkers en veroveraars, door
gouddorst en zucht naar avonturen gedreven, steeds verder drongen,
ontdekten zij de oostkust van Amerika en den daarachter gelegen
Stillen Oceaan. In 1519 deed _Magelhaens_ wat Columbus gewild had,
en bereikte Indië door een reis naar het Westen. Hij zeilde om de
zuidpunt van Amerika heen, doorkliefde den Stillen Oceaan, ontmoette
in Indië de Portugeezen, die van den anderen kant gekomen waren, en
zijn schepen kwamen langs den gewonen Portugeeschen weg in Europa
terug. Zij hadden dus de eerste reis om de wereld gedaan, en daarmee
ook aan het hardnekkigste vooroordeel een praktisch bewijs voor de
rondheid der aarde geleverd.
Met de groote ontdekkingsreizen in de 15de en de 16de eeuw was de
ontdekking der aarde in hoofdzaak voltooid. Alleen de details bleven
nog te onderzoeken; in de 17de eeuw werd Australië door Abel Tasman
ontdekt, en in de volgende eeuw werden overal door het toenemende
wereldverkeer de kleine verspreide eilanden in de oceanen
opgespoord. In het begin van de 19de eeuw waren de omtrekken van
alle groote eilanden en werelddeelen vastgelegd; het onderzoek van
hun binnenlanden is het groote aardrijkskundige werk van de 19de
eeuw geweest. In het begin van de 20ste eeuw zijn eindelijk nog de
eeuwenlange pogingen, om door het ijs heen tot de beide polen der
aarde door te dringen, met succes bekroond. Daarmee is de ontdekking
der aarde voltooid.
De groote ontdekkingstochten en zeevaarten van de 15de en de 16de
eeuw, die plotseling het grootste deel der aardoppervlakte binnen
den gezichtskring van de Europeesche volken brachten, hebben op de
wetenschap der sterrekunde een geweldigen invloed uitgeoefend.
Eenerzijds bevestigden zij door een praktijk, waarvoor elk
vooroordeel wijken moest, de vroeger door geleerde wijsgeeren
opgestelde theorie van den bolvorm der aarde, die van nu af aan een
praktische beteekenis krijgt. Anderzijds ging van hen een sterke
prikkel tot astronomisch onderzoek uit. Bij de tochten door de
zuidelijke zeeën zag men voor het eerst de sterrebeelden van den
zuidelijken hemel, die voor een deel wel aan de ver naar het Zuiden
wonende Arabieren bekend geweest waren, maar in Europa steeds
onzichtbaar blijven; met verbazing aanschouwden de zeevaarders
_Canopus_ in het Schip, naast Sirius de helderste ster van den
hemel, de merkwaardige groepen van den _Centaurus_ en het
_Zuidelijke Kruis_, en vele andere sterrebeelden.
[Illustratie: De zuidelijke sterrenhemel. (De cirkel omsluit alle
sterren, die minder dan 50 graden van de Zuidpool verwijderd en
daarom hier steeds onzichtbaar zijn.)]
Daar kwam nog een praktisch belang bij. Midden in den oceaan, ver
van alle kusten, waren de hemellichamen de eenige betrouwbare gidsen
van den zeeman; slechts met behulp van sterren, zon en maan kon hij
zijn weg vinden en nauwkeurig de plaats op aarde bepalen, waar hij
zich bevond. Maar daartoe was het noodig, dat hij de plaats van deze
gesternten aan den hemel nauwkeurig in zijn almanak vooruit
aangegeven vond; en dat was slechts mogelijk, wanneer de
sterrekundigen ze vooruit wisten te berekenen. Zoo hebben de eischen
en behoeften van de scheepvaart op den oceaan in hooge mate
meegewerkt om de wetenschap van den hemel in de volgende eeuwen
krachtig voort te stuwen.