13. HEMELASPEKTEN EN KLIMATEN.

De primitieve mensch, die zich nog geheel door de oppervlakkige

indrukken van zijn omgeving laat leiden, houdt de omstandigheden,

waaronder hij leeft, voor de eenig mogelijke en natuurlijke, en het

valt hem moeilijk zich die anders voor te stellen. Door de

wetenschap, die naderhand uit opzettelijke waarnemingen en bewuste

gevolgtrekkingen opgebouwd wordt, weet de mensch zich boven dit

subjektieve standpunt te verheffen. Hij leert dan zijn eigen

omstandigheden als iets toevalligs beschouwen, als iets, dat

evengoed anders kon zijn, en hij weet zich met zijn geest te

verplaatsen in de verhoudingen en de toestanden, waaronder andere

menschen leven. Hij doorziet het wezen der wereld objektief,

onafhankelijk van zijn eigen toevallige levensomstandigheden; daarin

ligt de groote beteekenis van de wetenschappelijke

wereldbeschouwing.

Zoo zijn wij nu ook hier in staat om met behulp van de kennis, die

wij tot dusver verkregen hebben, de hemelverschijnselen en de

daarmee samenhangende wisselingen van dag en nacht en jaargetij voor

alle plaatsen van de wereld af te leiden, zonder dat wij er zelf

ooit geweest zijn.

[Illustratie]

Toen de menschen nog slechts een klein gedeelte van de

aardoppervlakte kenden, was het een triomf der wetenschap, dat men

met zoo groote stelligheid kon zeggen, welke verschijnselen in

onbekende werelddeelen moesten plaatsvinden, En toen vele eeuwen

later de geheele aarde ontdekt en bezocht werd, verwonderde men zich

in het geheel niet over de verschijnselen, die men daar waarnam; men

kende ze van te voren en had ze niet anders verwacht.

Reizen wij van de plaats, waar wij wonen, naar het Noorden toe, dan

krijgt de horizon, het kringetje, dat het kleine, zichtbare gebied

om ons heen omsluit, een anderen stand. Aan de noordzijde daalt hij,

aan den zuidkant komt hij hooger, evenalsof hij iets gedraaid is om

een as, die horizontaal Oost-West ligt; te gelijk buigt ook de

richting van het schietlood iets naar het Noorden toe. Omdat voor

ons natuurlijk de horizon altijd horizontaal en het schietlood

altijd vertikaal blijft, komt het ons voor, dat de geheele

sterrenhemel zich om dezelfde oost-westelijke as iets in omgekeerde

richting gedraaid heeft; in het Noorden is hij hooger gekomen, in

het Zuiden gedaald, zooals wij in een vorig hoofdstuk ook reeds

gezien hebben.

[Illustratie]

De hemelpool staat hooger aan den noordelijken hemel, en de hoogte

van de sterren in het Zuiden is kleiner geworden. De as, waar de

hemelbol dagelijks om draait, staat steiler en de banen, die de

sterren van het Oosten naar het Westen beschrijven, liggen minder

schuin. Hadden wij ons omgekeerd in zuidelijke richting begeven, dan

hadden wij juist het tegenovergestelde gezien; hoe zuidelijker men

komt, des te lager komt de hemelpool, des te minder steil staat de

hemelas, en des te steiler stijgen de hemellichten in hun

dagelijkschen loop in het Oosten naar boven en dalen zij in het

Westen naar beneden.

[Illustratie]

Wij vonden in het eerste gedeelte van ons werk als samenvatting van

alle dagelijksche bewegingen der gesternten, dat de hemelbol met de

daaraan vastgehechte hemellichten dagelijks om een as wentelt, die

in een bepaalde richting schuin naar het Noorden omhoog gericht is.

Hier blijkt nu, _dat deze bepaalde schuine richting van de hemelas

geen bijzonderheid van den hemel is, maar enkel een bijzonderheid

van onze woonplaats_, en door de toevallige ligging van onze

woonplaats op aarde bepaald wordt. Voor iedere andere plaats is die

richting anders. Van een bepaalde richting van de hemelas en van den

hemel kan men dus eigenlijk in het geheel niet spreken. Toen wij

daarover spraken, bedoelden wij den stand van den hemel ten opzichte

van horizon en schietlood, dien wij nu omgekeerd beter aanduiden als

den met de woonplaats wisselenden stand van horizon en schietlood

ten opzichte van den hemelbol. De stand van den hemel wordt

aangegeven door den in graden gemeten afstand tusschen hemelpool en

horizon: de _poolshoogte_, die voor noordelijke streken grooter,

voor zuidelijke streken kleiner is. Deze poolshoogte geeft aan,

hoever een plaats noordelijker of zuidelijker ligt, en wordt als

bepaling van de standplaats op aarde de _breedte_ van deze plaats

genoemd. Voor ons land bedraagt zij ruim 50 graden, voor Zuid-Europa

40, voor Zweden 60 graden.

Wat voor de sterren geldt, geldt ook voor de zon. Naarmate men

verder naar het Noorden gaat, staat zij 's middags in het Zuiden

minder hoog, blijft zij 's winters dichter bij den horizon en kan

zij de aarde minder verwarmen. Omgekeerd in zuidelijke streken, waar

zij 's middags hooger aan den hemel klimt en de aarde sterker

bestraalt. _Daarom wordt het klimaat naar het Zuiden steeds warmer,

naar het Noorden steeds kouder_. Evenals de winterzon in de

noordelijke streken 's middags minder hoog stijgt, zinkt daar de

zomerzon 's nachts minder diep onder den horizon weg. De schemering

in de zomernachten is er dus veel sterker, en in Petersburg en

Stockholm heeft men dan de "witte nachten," waarin het bijna zoo

licht is, als hier op een regenachtigen dag. De langste dag duurt

langer dan hier, daar de dagkring van de zon minder scheef ligt,

maar daarvoor duurt de kortste dag in den winter ook korter.

Gaat men steeds verder naar het Noorden, dan staat de zomerzon te

middernacht steeds minder diep onder den noordelijken horizon, en

eindelijk komt men in een streek, waar de zon op den langsten dag in

Juni niet meer ondergaat. Hier begint _het gebied van de

middernachtszon_. De hemelpool staat hoog boven ons hoofd, de

hemelas staat zeer steil, bijna loodrecht; de banen der sterren

liggen vrij vlak, in het Zuiden slechts weinig hooger dan in het

Noorden. Ook de zomerzon beweegt zich in een zwak hellende baan om

ons heen; in het Zuiden komt zij wat hooger, in het Noorden wat

lager, maar steeds blijft zij zichtbaar. Eerst wanneer de zon zich

eenige weken of maanden later verder van de hemelpool verwijderd

heeft, gaat zij weer in het Noordwesten onder. Tegenover dezen

weken- of maandenlangen dag in den zomer, staat een even lange nacht

in den winter, waarin de zon in het Zuiden niet tot aan den horizon

opstijgt en en dus onzichtbaar blijft. Zoo zagen de Hollandsche

matrozen, die in 1596 voor het eerst op Nova-Zembla moesten

overwinteren, de zon in November verdwijnen en eerst in Februari

weer terugkomen. Door de geringe straling van de zon is de aarde in

deze streken bijna het geheele jaar door met sneeuw en ijs bedekt;

geen boom wil hier groeien, slechts eenige kruiden en bloemen

schieten in de zomermaanden op, en een ondoordringbare ijsmassa

verhindert aan de schepen den doortocht.

Gaan wij al maar verder naar het Noorden, dan moeten wij ten slotte

op een plaats komen, waar wij de hemelpool precies boven ons hoofd

hebben en de breedte dus 90 graden is: _de Noordpool der aarde_. De

hemelas staat hier loodrecht, de sterren loopen horizontaal om ons

heen, blijven steeds even hoog en geen enkele gaat op of onder. De

eene helft van den hemel blijft altijd zichtbaar, de andere altijd

onzichtbaar. Er is geen onderscheid meer tusschen Noord en Zuid,

Oost en West; alle richtingen zijn hier gelijk. Op den dag der

voorjaarsnachtevening, wanneer de zon op de noordelijke helft des

hemels komt, wordt zij aan den horizon zichtbaar. Onmerkbaar

langzaam stijgt zij omhoog, aldoor in 24 uren in steeds hoogere

cirkels den geheelen horizon rondloopend, tot zij drie maanden later

op zijn hoogst gekomen is; dan daalt zij, op dezelfde wijze steeds

rondcirkelend, langzaam naar beneden en verdwijnt op den dag der

herfstnacht-evening. Terwijl zij in de volgende weken langzaam

verder daalt, verdwijnt meer en meer het schemerlicht, dat met haar

om den horizon rondloopt; een lange nacht begint, tot eindelijk in

Februari de schemering en in Maart de zon weer verschijnt. Alleen de

maan, die op dezelfde wijze afwisselend 2 weken zichtbaar en 2 weken

onzichtbaar is, verlicht telkens voor 15 dagen dezen langen nacht.

In een boek uit de 2de eeuw n. C. over het leven van beroemde

wijsgeeren wordt van _Bion_, een tijdgenoot van Socrates, vermeld,

dat hij de eerste is geweest, die beweerde dat er streken waren,

waar dag en nacht ieder 6 maanden duren. Meer weten wij niet van

hem, daar geen eigen geschriften van hem bewaard zijn gebleven. Uit

dezen zin kunnen wij echter besluiten, dat reeds in dien tijd, een

eeuw vóór Aristoteles, volkomen juiste gevolg trekkingen uit de leer

van de rondheid der aarde afgeleid werden want van een werkelijke

bekendheid met de Poolstreken was toen bij de Grieken nog geen

sprake.

Gaan wij nu van uit onze woonplaats, in plaats van naar het Noorden,

steeds verder naar het Zuiden. Wij weten al, dat dan de hemelas

steeds minder steil wordt en de hemelpool steeds lager komt, dat de

dagkringen van de sterren en de zon steiler worden en hun hoogte in

het Zuiden toeneemt, terwijl het klimaat steeds warmer wordt. Ten

slotte komen wij dan -- op een breedte van 23 1/2 graad -- zoover,

dat de zomerzon in haar hoogsten stand recht boven ons hoofd staat.

Gaan wij nog verder, dan staat de zomerzon 's middags in het

Noorden, iets ten Noorden van het toppunt en de winterzon hoog in

het Zuiden. Wij bevinden ons dan in de heete of _tropische zone_ der

aarde.

[Illustratie]

In deze streken komen wij dan op onze reis naar het Zuiden zoover,

dat de hemelas geheel plat, horizontaal ligt; de Noordpool des

hemels is tot aan den noordelijken horizon gedaald, dus is de

breedte hier nul; tegelijk is echter de tot nu toe onzichtbare

Zuidpool des hemels tot aan den zuidelijken horizon gestegen.

Wij bevinden ons dan op den _evenaar_ of _linie_, den _aequator_

der aarde. De sterren klimmen in het Oosten recht naar boven en

dalen in het Westen recht naar beneden. Er zijn in het Noorden geen

sterren meer, die nooit ondergaan, maar tegelijk zijn er in het

Zuiden ook geen sterren, die steeds onzichtbaar blijven. Alle

dagkringen worden door den horizon in twee gelijke helften verdeeld:

de zon gaat altijd om 6 uur op en om 6 uur onder, terwijl de

schemering slechts kort duurt, omdat de zon loodrecht stijgt en

daalt. Op 21 Maart en 22 September komt de zon precies in het Oosten

op, gaat recht over ons hoofd heen en gaat precies in het Westen

onder. In Juni blijft zij steeds aan den Noordkant, in December aan

den Zuidkant des hemels. Hier ontbreekt de tegenstelling tusschen

een koud en een heet jaargetij, omdat de zon in December en in juni

even hoog staat; het is altijd heet, en een verschil tusschen de

jaargetijden bestaat slechts in een regelmatige afwisseling van

droogte en regentijd, die gedeeltelijk met den vorm van landen en

zeeën samenhangt.

Gaan wij nu over den evenaar heen nog verder naar het Zuiden, dan

komen wij op _het zuidelijke halfrond der aarde_; in het Zuiden

verheft zich de Zuidpool des hemels boven den horizon, terwijl de

Noordpool met de omliggende sterren onzichtbaar wordt. Alle

verschijnselen, die wij tot nog toe aantroffen, keeren nu in

omgekeerde volgorde terug, alleen met dit verschil, dat Noord en

Zuid verwisseld zijn. De Zuidpool des hemels komt bij onze reis naar

het Zuiden steeds hooger aan den zuidelijken hemel, en geeft door

haar hoogte de toenemende zuidelijke breedte aan; de hemelas wordt

steeds steiler, de banen der sterren worden steeds vlakker en het

klimaat wordt steeds kouder.

[Illustratie]

Maar nu klimmen de sterren in het Oosten steeds naar links, naar het

Noorden omhoog, bereiken in het Noorden hun hoogsten stand en dalen

vandaar naar het Westen. _Zij gaan dus niet naar rechts, maar naar

links om_. De Grieksche geschiedschrijver Herodotus verhaalt in het

4de Boek van zijn Historiën, dat Phoenicische schippers in opdracht

van den Pharao Necho een tocht om Afrika deden; uit de Roode Zee

voeren zij uit, en door de Zuilen van Hercules (de Straat van

Gibraltar) kwamen zij na 3 jaren weer thuis. "Zij vertelden vele

dingen, die mij niet geloofwaardig voorkomen, mogen ook anderen ze

gelooven: onder andere, dat zij om Lybië (Afrika) heenvarend de zon

aan hun rechterhand kregen. Op die manier werd voor het eerst

vastgesteld, dat Lybië aan alle kanten door de zee omringd is." Uit

deze mededeeling, die den geschiedschrijver verzonnen en onmogelijk

toescheen, kunnen wij omgekeerd besluiten, dat de Phoenicische

schippers inderdaad op het zuidelijk halfrond geweest zijn.

Deze verwisseling van rechts en links treedt ook hierin voor den

dag, _dat de gedaanten van de pas verschijnende en de weldra

verdwijnende maansikkel verwisseld_ _zijn_; op het zuidelijk

halfrond ziet het eerste kwartier er juist zoo uit als bij ons het

laatste kwartier. Verder is daar de middaghoogte van de zon het

grootst, wanneer zij het zuidelijkst komt, dus in December, en het

kleinst, wanneer zij zich in het noordelijkst deel van haar baan

bevindt, dus in Juni. _De jaargetijden zijn hier dus juist omgekeerd

als bij ons_; in December is het warme zomer, in Juni koude winter.

Gaat men nu aldoor verder naar het Zuiden, dan komt men ook hier in

koude, met sneeuw en ijs bedekte poolstreken, die de Zuidpool des

hemels boven zich en de middernachtszon in het Zuiden hebben.

Zoodra men in de oudheid ingezien had, dat de aarde rond is, kon men

al deze verschijnselen voor de verschillende deelen der aarde

afleiden. Men geloofde echter, dat de menschen in de tropische zone

en het zuidelijk halfrond nooit konden komen, daar deze streken van

de bewoonde wereld om de Middellandsche Zee gescheiden waren door

ondoordringbare woestijnen en door zeeën, die door dichte

wiermassa's onbevaarbaar waren. Eerst 15 eeuwen later werd dit

geloof vernietigd en de geheele aarde ontdekt.

De Wonderbouw der Wereld · 第 22 / 64 题