De primitieve mensch, die zich nog geheel door de oppervlakkige
indrukken van zijn omgeving laat leiden, houdt de omstandigheden,
waaronder hij leeft, voor de eenig mogelijke en natuurlijke, en het
valt hem moeilijk zich die anders voor te stellen. Door de
wetenschap, die naderhand uit opzettelijke waarnemingen en bewuste
gevolgtrekkingen opgebouwd wordt, weet de mensch zich boven dit
subjektieve standpunt te verheffen. Hij leert dan zijn eigen
omstandigheden als iets toevalligs beschouwen, als iets, dat
evengoed anders kon zijn, en hij weet zich met zijn geest te
verplaatsen in de verhoudingen en de toestanden, waaronder andere
menschen leven. Hij doorziet het wezen der wereld objektief,
onafhankelijk van zijn eigen toevallige levensomstandigheden; daarin
ligt de groote beteekenis van de wetenschappelijke
wereldbeschouwing.
Zoo zijn wij nu ook hier in staat om met behulp van de kennis, die
wij tot dusver verkregen hebben, de hemelverschijnselen en de
daarmee samenhangende wisselingen van dag en nacht en jaargetij voor
alle plaatsen van de wereld af te leiden, zonder dat wij er zelf
ooit geweest zijn.
[Illustratie]
Toen de menschen nog slechts een klein gedeelte van de
aardoppervlakte kenden, was het een triomf der wetenschap, dat men
met zoo groote stelligheid kon zeggen, welke verschijnselen in
onbekende werelddeelen moesten plaatsvinden, En toen vele eeuwen
later de geheele aarde ontdekt en bezocht werd, verwonderde men zich
in het geheel niet over de verschijnselen, die men daar waarnam; men
kende ze van te voren en had ze niet anders verwacht.
Reizen wij van de plaats, waar wij wonen, naar het Noorden toe, dan
krijgt de horizon, het kringetje, dat het kleine, zichtbare gebied
om ons heen omsluit, een anderen stand. Aan de noordzijde daalt hij,
aan den zuidkant komt hij hooger, evenalsof hij iets gedraaid is om
een as, die horizontaal Oost-West ligt; te gelijk buigt ook de
richting van het schietlood iets naar het Noorden toe. Omdat voor
ons natuurlijk de horizon altijd horizontaal en het schietlood
altijd vertikaal blijft, komt het ons voor, dat de geheele
sterrenhemel zich om dezelfde oost-westelijke as iets in omgekeerde
richting gedraaid heeft; in het Noorden is hij hooger gekomen, in
het Zuiden gedaald, zooals wij in een vorig hoofdstuk ook reeds
gezien hebben.
[Illustratie]
De hemelpool staat hooger aan den noordelijken hemel, en de hoogte
van de sterren in het Zuiden is kleiner geworden. De as, waar de
hemelbol dagelijks om draait, staat steiler en de banen, die de
sterren van het Oosten naar het Westen beschrijven, liggen minder
schuin. Hadden wij ons omgekeerd in zuidelijke richting begeven, dan
hadden wij juist het tegenovergestelde gezien; hoe zuidelijker men
komt, des te lager komt de hemelpool, des te minder steil staat de
hemelas, en des te steiler stijgen de hemellichten in hun
dagelijkschen loop in het Oosten naar boven en dalen zij in het
Westen naar beneden.
[Illustratie]
Wij vonden in het eerste gedeelte van ons werk als samenvatting van
alle dagelijksche bewegingen der gesternten, dat de hemelbol met de
daaraan vastgehechte hemellichten dagelijks om een as wentelt, die
in een bepaalde richting schuin naar het Noorden omhoog gericht is.
Hier blijkt nu, _dat deze bepaalde schuine richting van de hemelas
geen bijzonderheid van den hemel is, maar enkel een bijzonderheid
van onze woonplaats_, en door de toevallige ligging van onze
woonplaats op aarde bepaald wordt. Voor iedere andere plaats is die
richting anders. Van een bepaalde richting van de hemelas en van den
hemel kan men dus eigenlijk in het geheel niet spreken. Toen wij
daarover spraken, bedoelden wij den stand van den hemel ten opzichte
van horizon en schietlood, dien wij nu omgekeerd beter aanduiden als
den met de woonplaats wisselenden stand van horizon en schietlood
ten opzichte van den hemelbol. De stand van den hemel wordt
aangegeven door den in graden gemeten afstand tusschen hemelpool en
horizon: de _poolshoogte_, die voor noordelijke streken grooter,
voor zuidelijke streken kleiner is. Deze poolshoogte geeft aan,
hoever een plaats noordelijker of zuidelijker ligt, en wordt als
bepaling van de standplaats op aarde de _breedte_ van deze plaats
genoemd. Voor ons land bedraagt zij ruim 50 graden, voor Zuid-Europa
40, voor Zweden 60 graden.
Wat voor de sterren geldt, geldt ook voor de zon. Naarmate men
verder naar het Noorden gaat, staat zij 's middags in het Zuiden
minder hoog, blijft zij 's winters dichter bij den horizon en kan
zij de aarde minder verwarmen. Omgekeerd in zuidelijke streken, waar
zij 's middags hooger aan den hemel klimt en de aarde sterker
bestraalt. _Daarom wordt het klimaat naar het Zuiden steeds warmer,
naar het Noorden steeds kouder_. Evenals de winterzon in de
noordelijke streken 's middags minder hoog stijgt, zinkt daar de
zomerzon 's nachts minder diep onder den horizon weg. De schemering
in de zomernachten is er dus veel sterker, en in Petersburg en
Stockholm heeft men dan de "witte nachten," waarin het bijna zoo
licht is, als hier op een regenachtigen dag. De langste dag duurt
langer dan hier, daar de dagkring van de zon minder scheef ligt,
maar daarvoor duurt de kortste dag in den winter ook korter.
Gaat men steeds verder naar het Noorden, dan staat de zomerzon te
middernacht steeds minder diep onder den noordelijken horizon, en
eindelijk komt men in een streek, waar de zon op den langsten dag in
Juni niet meer ondergaat. Hier begint _het gebied van de
middernachtszon_. De hemelpool staat hoog boven ons hoofd, de
hemelas staat zeer steil, bijna loodrecht; de banen der sterren
liggen vrij vlak, in het Zuiden slechts weinig hooger dan in het
Noorden. Ook de zomerzon beweegt zich in een zwak hellende baan om
ons heen; in het Zuiden komt zij wat hooger, in het Noorden wat
lager, maar steeds blijft zij zichtbaar. Eerst wanneer de zon zich
eenige weken of maanden later verder van de hemelpool verwijderd
heeft, gaat zij weer in het Noordwesten onder. Tegenover dezen
weken- of maandenlangen dag in den zomer, staat een even lange nacht
in den winter, waarin de zon in het Zuiden niet tot aan den horizon
opstijgt en en dus onzichtbaar blijft. Zoo zagen de Hollandsche
matrozen, die in 1596 voor het eerst op Nova-Zembla moesten
overwinteren, de zon in November verdwijnen en eerst in Februari
weer terugkomen. Door de geringe straling van de zon is de aarde in
deze streken bijna het geheele jaar door met sneeuw en ijs bedekt;
geen boom wil hier groeien, slechts eenige kruiden en bloemen
schieten in de zomermaanden op, en een ondoordringbare ijsmassa
verhindert aan de schepen den doortocht.
Gaan wij al maar verder naar het Noorden, dan moeten wij ten slotte
op een plaats komen, waar wij de hemelpool precies boven ons hoofd
hebben en de breedte dus 90 graden is: _de Noordpool der aarde_. De
hemelas staat hier loodrecht, de sterren loopen horizontaal om ons
heen, blijven steeds even hoog en geen enkele gaat op of onder. De
eene helft van den hemel blijft altijd zichtbaar, de andere altijd
onzichtbaar. Er is geen onderscheid meer tusschen Noord en Zuid,
Oost en West; alle richtingen zijn hier gelijk. Op den dag der
voorjaarsnachtevening, wanneer de zon op de noordelijke helft des
hemels komt, wordt zij aan den horizon zichtbaar. Onmerkbaar
langzaam stijgt zij omhoog, aldoor in 24 uren in steeds hoogere
cirkels den geheelen horizon rondloopend, tot zij drie maanden later
op zijn hoogst gekomen is; dan daalt zij, op dezelfde wijze steeds
rondcirkelend, langzaam naar beneden en verdwijnt op den dag der
herfstnacht-evening. Terwijl zij in de volgende weken langzaam
verder daalt, verdwijnt meer en meer het schemerlicht, dat met haar
om den horizon rondloopt; een lange nacht begint, tot eindelijk in
Februari de schemering en in Maart de zon weer verschijnt. Alleen de
maan, die op dezelfde wijze afwisselend 2 weken zichtbaar en 2 weken
onzichtbaar is, verlicht telkens voor 15 dagen dezen langen nacht.
In een boek uit de 2de eeuw n. C. over het leven van beroemde
wijsgeeren wordt van _Bion_, een tijdgenoot van Socrates, vermeld,
dat hij de eerste is geweest, die beweerde dat er streken waren,
waar dag en nacht ieder 6 maanden duren. Meer weten wij niet van
hem, daar geen eigen geschriften van hem bewaard zijn gebleven. Uit
dezen zin kunnen wij echter besluiten, dat reeds in dien tijd, een
eeuw vóór Aristoteles, volkomen juiste gevolg trekkingen uit de leer
van de rondheid der aarde afgeleid werden want van een werkelijke
bekendheid met de Poolstreken was toen bij de Grieken nog geen
sprake.
Gaan wij nu van uit onze woonplaats, in plaats van naar het Noorden,
steeds verder naar het Zuiden. Wij weten al, dat dan de hemelas
steeds minder steil wordt en de hemelpool steeds lager komt, dat de
dagkringen van de sterren en de zon steiler worden en hun hoogte in
het Zuiden toeneemt, terwijl het klimaat steeds warmer wordt. Ten
slotte komen wij dan -- op een breedte van 23 1/2 graad -- zoover,
dat de zomerzon in haar hoogsten stand recht boven ons hoofd staat.
Gaan wij nog verder, dan staat de zomerzon 's middags in het
Noorden, iets ten Noorden van het toppunt en de winterzon hoog in
het Zuiden. Wij bevinden ons dan in de heete of _tropische zone_ der
aarde.
[Illustratie]
In deze streken komen wij dan op onze reis naar het Zuiden zoover,
dat de hemelas geheel plat, horizontaal ligt; de Noordpool des
hemels is tot aan den noordelijken horizon gedaald, dus is de
breedte hier nul; tegelijk is echter de tot nu toe onzichtbare
Zuidpool des hemels tot aan den zuidelijken horizon gestegen.
Wij bevinden ons dan op den _evenaar_ of _linie_, den _aequator_
der aarde. De sterren klimmen in het Oosten recht naar boven en
dalen in het Westen recht naar beneden. Er zijn in het Noorden geen
sterren meer, die nooit ondergaan, maar tegelijk zijn er in het
Zuiden ook geen sterren, die steeds onzichtbaar blijven. Alle
dagkringen worden door den horizon in twee gelijke helften verdeeld:
de zon gaat altijd om 6 uur op en om 6 uur onder, terwijl de
schemering slechts kort duurt, omdat de zon loodrecht stijgt en
daalt. Op 21 Maart en 22 September komt de zon precies in het Oosten
op, gaat recht over ons hoofd heen en gaat precies in het Westen
onder. In Juni blijft zij steeds aan den Noordkant, in December aan
den Zuidkant des hemels. Hier ontbreekt de tegenstelling tusschen
een koud en een heet jaargetij, omdat de zon in December en in juni
even hoog staat; het is altijd heet, en een verschil tusschen de
jaargetijden bestaat slechts in een regelmatige afwisseling van
droogte en regentijd, die gedeeltelijk met den vorm van landen en
zeeën samenhangt.
Gaan wij nu over den evenaar heen nog verder naar het Zuiden, dan
komen wij op _het zuidelijke halfrond der aarde_; in het Zuiden
verheft zich de Zuidpool des hemels boven den horizon, terwijl de
Noordpool met de omliggende sterren onzichtbaar wordt. Alle
verschijnselen, die wij tot nog toe aantroffen, keeren nu in
omgekeerde volgorde terug, alleen met dit verschil, dat Noord en
Zuid verwisseld zijn. De Zuidpool des hemels komt bij onze reis naar
het Zuiden steeds hooger aan den zuidelijken hemel, en geeft door
haar hoogte de toenemende zuidelijke breedte aan; de hemelas wordt
steeds steiler, de banen der sterren worden steeds vlakker en het
klimaat wordt steeds kouder.
[Illustratie]
Maar nu klimmen de sterren in het Oosten steeds naar links, naar het
Noorden omhoog, bereiken in het Noorden hun hoogsten stand en dalen
vandaar naar het Westen. _Zij gaan dus niet naar rechts, maar naar
links om_. De Grieksche geschiedschrijver Herodotus verhaalt in het
4de Boek van zijn Historiën, dat Phoenicische schippers in opdracht
van den Pharao Necho een tocht om Afrika deden; uit de Roode Zee
voeren zij uit, en door de Zuilen van Hercules (de Straat van
Gibraltar) kwamen zij na 3 jaren weer thuis. "Zij vertelden vele
dingen, die mij niet geloofwaardig voorkomen, mogen ook anderen ze
gelooven: onder andere, dat zij om Lybië (Afrika) heenvarend de zon
aan hun rechterhand kregen. Op die manier werd voor het eerst
vastgesteld, dat Lybië aan alle kanten door de zee omringd is." Uit
deze mededeeling, die den geschiedschrijver verzonnen en onmogelijk
toescheen, kunnen wij omgekeerd besluiten, dat de Phoenicische
schippers inderdaad op het zuidelijk halfrond geweest zijn.
Deze verwisseling van rechts en links treedt ook hierin voor den
dag, _dat de gedaanten van de pas verschijnende en de weldra
verdwijnende maansikkel verwisseld_ _zijn_; op het zuidelijk
halfrond ziet het eerste kwartier er juist zoo uit als bij ons het
laatste kwartier. Verder is daar de middaghoogte van de zon het
grootst, wanneer zij het zuidelijkst komt, dus in December, en het
kleinst, wanneer zij zich in het noordelijkst deel van haar baan
bevindt, dus in Juni. _De jaargetijden zijn hier dus juist omgekeerd
als bij ons_; in December is het warme zomer, in Juni koude winter.
Gaat men nu aldoor verder naar het Zuiden, dan komt men ook hier in
koude, met sneeuw en ijs bedekte poolstreken, die de Zuidpool des
hemels boven zich en de middernachtszon in het Zuiden hebben.
Zoodra men in de oudheid ingezien had, dat de aarde rond is, kon men
al deze verschijnselen voor de verschillende deelen der aarde
afleiden. Men geloofde echter, dat de menschen in de tropische zone
en het zuidelijk halfrond nooit konden komen, daar deze streken van
de bewoonde wereld om de Middellandsche Zee gescheiden waren door
ondoordringbare woestijnen en door zeeën, die door dichte
wiermassa's onbevaarbaar waren. Eerst 15 eeuwen later werd dit
geloof vernietigd en de geheele aarde ontdekt.