9. DE VERDUISTERINGEN.

Nu en dan wordt de regelmatige wisseling der hemelverschijnselen

onverwachts door ongewone gebeurtenissen onderbroken.

[Illustratie]

Terwijl de zon in volle glorie aan den hemel straalt, kruipt er van

rechts iets donkers op haar; het is alsof er een steeds grooter stuk

uit haar weggevreten wordt, of ook, alsof een zwarte schijf langzaam

voor haar schuift. Soms bedekt deze schijf de zon maar gedeeltelijk,

en dan bemerken de meeste menschen niet of nauwelijks, dat het

daglicht iets vermindert. Soms echter schuift zij juist midden voor

de zon en bedekt haar ten slotte geheel en al. Dan verdwijnt het

daglicht, slechts een zwakke schemering blijft over; de sterren

komen voor den dag, de vogels worden stil en de dieren kruipen weg,

alsof het nacht wordt. De wilde volken zien vol schrik en angst, hoe

het daggesternte verdwijnt: zij denken aan tooverij, aan toorn der

goden, aan monsters die de zon verslinden, en zij trachten door

gebeden, tooverspreuken, lawaai en andere doeltreffende middelen het

onheil af te wenden. Weldra, na eenige minuten, breekt ook weer een

zonnestraal door, de zwarte schijf schuift langzaam verder naar

links en laat een steeds grooter deel van de zon vrij; na eenigen

tijd is zij verdwenen en is alles weer als vroeger.

Waardoor ontstaat zulk een zonsverduistering? Zoodra bij een volk op

iets hoogeren trap van beschaving geregeld op de hemelverschijnselen

gelet werd, moest men bemerken, dat zonsverduisteringen altijd bij

nieuwe maan plaats vinden. Dan ligt de verklaring dadelijk voor de

hand: _de donkere schijf, die de zon bedekt, is de donkere maan_,

die dan juist tusschen ons en de zon doorgaat. Gaat zij juist over

het midden van de zon heen, dan verduistert zij deze een oogenblik

geheel; ligt haar weg iets hooger of lager, dan bedekt zij ook in

het midden der verduistering slechts een gedeelte van de zon.

[Illustratie]

Ook de maan wordt nu en dan verduisterd, maar altijd alleen bij

volle maan. Men ziet dan van links een vaag begrensde schaduw over

de maan trekken; eenige uren lang blijft de maan donker, hoewel niet

geheel donker, want meestal blijft zij in een roodachtig

schemerlicht zichtbaar. Dan schuift de schaduw naar rechts weg, en

weldra straalt de volle maan weer in haar ouden glans. Het is

duidelijk te zien, dat de maan daarbij niet door een ander donker

voorwerp bedekt wordt, maar door een schaduw: het zonlicht is haar

onttrokken.

Waar komt deze schaduw vandaan? Bij volle maan staan zon en maan

juist tegenover elkaar, aan tegenovergestelde kanten van de hemel.

Wat is er dan, dat het zonlicht aan de maan onttrekken kan? Wat is

er tusschen zon en maan? Klaarblijkelijk niets anders dan onze eigen

aarde, waarop wij staan en die zich in het middelpunt van den

hemelbol bevindt. _Het moet dus de schaduw van de aarde zijn, die op

de volle maan valt en zoo de maansverduistering veroorzaakt_. De

maan gaat, terwijl zij in haar baan van rechts naar links

voortloopt, dwars door deze schaduw heen, en zoo komt het, dat wij

een schaduw van links naar rechts over haar zien heenschuiven.

De verklaring van de verduisteringen of _eklipsen_, zooals zij met

een aan het Grieksch ontleend woord genoemd worden, is dus eenvoudig

genoeg. Dat zon en maan nu en dan verduisterd worden, is zoo weinig

verwonderlijk, dat wij nu omgekeerd met verwondering de vraag

stellen, waarom de verduisteringen zoo zelden plaats vinden. Volgens

onze verklaring zou men bij elke volle maan een maansverduistering

en bij elke nieuwe maan een zonsverduistering verwachten. Dat deze

verduisteringen uitblijven, bewijst ons, dat de beide hemellichamen

niet bij iedere volle maan precies tegenover elkaar en dat zij niet

bij elke nieuwe maan precies achter elkaar staan. Om te zien, hoe

dat komt, moeten wij nauwkeuriger dan tot nog toe den weg

onderzoeken, dien de maan aan den hemel tusschen de sterren

doorloopt.

Wanneer iemand in het jaar 1913 of daaromtrent op de maan eenigszins

nauwkeurig acht geslagen heeft, moest het hem opvallen, dat zij niet

precies denzelfden weg aan den hemel volgde, als de zon. Wanneer zij

(als volle maan in den zomer of als eerste kwartier in den herfst)

op dezelfde plaats aan den hemel moest staan als de winterzon, stond

zij in werkelijkheid aanmerkelijk lager, wel een derde dichter bij

den horizon. Omgekeerd stond zij in haar hoogsten stand, in de

Tweelingen, wat hooger dan de zomerzon. Wie haar loop nog

nauwkeuriger met behulp van een kaart van den dierenriem volgde --

zooals de kaart achter in dit werk -- door op die kaart de plaats

van de maan tusschen de sterren herhaaldelijk in te teekenen, moest

bemerken, dat aan den eenen kant van den hemel, in de sterrebeelden

den Stier, de Tweelingen en den Kreeft, haar baan tot een bedrag van

5 graden noordelijk, aan den anderen kant, in den Schorpioen, den

Schutter en den Steenbok, evenveel zuidelijk van den zonneweg lag;

zoo toont het de figuur, die een gordel-vormige strook van den

hemelbol voorstelt met den dierenriem in het midden.

[Illustratie: Ekliptika en maanbaan in 1913.]

Op twee tegenovergestelde plaatsen van den hemel, in de Visschen en

in de Maagd, doorsnijdt de baan van de maan de ekliptika en gaat zij

zelf van den Noord- naar den Zuidkant, of omgekeerd; deze plaatsen

heeten de _knoopen_ van de maanbaan. _De maanbaan staat dus

eenigszins scheef ten opzichte van den zonneweg, en alleen_ _in de

knoopen, waar de banen elkaar snijden, bevindt zich de maan in de

ekliptika_.

Nu is het duidelijk, waarom de verduisteringen zoo zeldzaam zijn.

Begin November staat de zon, dus ook de nieuwe maan, in den

Schorpioen, begin December en begin Januari in den Schutter en den

Steenbok. In deze sterrebeelden staat de maan een heel eind ten

zuiden van de ekliptika en gaat dus onder de zon langs zonder haar

te bedekken. Evenzoo staat dan de volle maan in de tegenoverliggende

sterrebeelden den Stier, de Tweelingen en den Kreeft, dus ver ten

Noorden van de ekliptika; daar de schaduw van de aarde precies

tegenover de zon ligt, dus alleen op een lichaam in de ekliptika kan

vallen, gaat de volle maan dan boven langs de aardschaduw heen,

zonder verduisterd te worden. Hetzelfde geldt omgekeerd voor de

maanden Mei, Juni en Juli. _Alleen wanneer de zon zich in de buurt

van de knoopen bevindt, kunnen eklipsen_ voorkomen. Want dan bevindt

de maan zich juist in de buurt van de knoopen, als zij nieuw of vol

is; dan gaat de nieuwe maan voor de zon langs -- zij het ook niet

precies over het midden van de zonneschijf -- en gaat de volle maan

door de aardschaduw heen. Op deze tijden, in de maanden Maart en

September en daaromtrent, moet dus bij volle maan een maaneklips en

bij nieuwe maan een zoneklips plaats vinden. Dat beteekent niet, dat

wij dan ook altijd een verduistering zien; want wanneer de zoneklips

in den nacht of de maaneklips overdag valt, blijft zij onopgemerkt.

Inderdaad kwamen in 1913 zonsverduisteringen op 6 April, op 31

Augustus en op 30 September, maansverduisteringen op 22 Maart en op

15 September voor, maar in ons land waren deze alle onzichtbaar.

Verduisteringen komen dus slechts op twee tijden van het jaar voor,

die een halfjaar uit elkaar liggen. Maken wij nu echter een lijst op

van verduisteringen, die in deze streken in de laatste 25 jaren

zichtbaar waren, dan vinden wij een nieuwe merkwaardige

bijzonderheid.

(Zie de lijst op de volgende bladzij)

De beide tijden van het jaar, waarin de eklipsen plaats vinden,

verschuiven en vallen steeds vroeger; zij doorloopen

achtereenvolgens de verschillende maanden, totdat na 9 jaar, wanneer

zij 6 maanden vroeger gekomen zijn, dezelfde tijden van het jaar

terugkomen.

~Lijst van zons- en maansverduisteringen~.

M 1889 Juli 12 10 a. M 1907 Juli 25 5 m.

Z 1890 Juni 17 11 m.

M 1891 Mei 23 7 a. T M 1909 Juni 4 2 m. T

Z 1891 Juni 6 5 a.

M 1891 Nov. 16 1 m. T

M 1892 Mei 11-12 12

M 1892 Nov. 4 5 a. T M 1910 Nov. 17 1 m. T

M 1912 Apr. 1 11 a.

Z 1912 Apr. 17 1 a.

M 1894 Sept. 15 5 m.

M 1895 Mrt. 11 5 m.

M 1895 Sept. 4 7 m.

M 1896 Febr. 28 9 a. M 1914 Mrt. 12 5 m.

Z 1896 Aug. 9 6 m. Z 1914 Aug. 21 2 a.

M 1898 Jan. 8 1 m.

Z 1898 Jan. 22 8 m. Z 1916 Febr. 3 4 a.

M 1898 juli 3 10 a.

M 1898 Dec. 27-28 12 T M 1917 Jan. 8 8 m. T

Z 1899 Juni 8 7 m. Z 1917 Juni 19 3 a.

M 1899 Dec. 17 2 m. T

Z 1900 Mei 28 4 a. Berekend:

M 1901 Okt. 27 4 a. M 1919 Nov.7-8 12

Z 1901 Nov. 11 8 m. Z 1919 Nov. 22 4 a.

M 1902 Apr. 22 8 a. T M 1920 Mei 3 4 m. T

M 1902 Okt, 17 7 m. T

Z 1902 Okt. 31 9 m. Z 1920 Nov. 10 5 a.

M 1903 Apr. 12 1 m.

M 1903 Okt. 6 5 a. M 1921 Okt. 17 1 m.

M 1905 Febr. 19 8 a. M 1923 Mrt. 3 4 m.

M 1905 Aug. 15 4 m.

Z 1905 Aug. 30 2 a.

M 1906 Febr. 9 9 m. T M 1924 Febr.20 5 a. T

De zonsverduisteringen zijn door Z, de maansverduisteringen door M

in de eerste kolom aangeduid. Achter den tijd van den dag beteekent

a. 's avonds en 's middags, m. 's avonds en 's voormiddags; T geeft

aan, dat de maaneklips totaal is, dus de maan geheel verduisterd

wordt.

Hoe is dat mogelijk? Het bewijst, dat de knoopen van de maanbaan

niet rustig op hun plaats blijven, maar langzaam van links naar

rechts, tegen de beweging van de maan in, achteruit schuiven. Dat

dit zoo is, blijkt ook, als men den weg van de maan tusschen de

sterren waarneemt. In het jaar 1908 stond de maan in de

sterrebeelden den Leeuw, de Maagd en de Weegschaal noordelijk, in de

sterrebeelden den Waterman, de Visschen en den Ram zuidelijk van de

ekliptika, terwijl de knoopen zich in de Tweelingen en den Schutter

bevonden. In het jaar 1904 lagen de knoopen evenals in 1913 in de

Visschen en de Maagd, maar daarbij stond de maan in de zuidelijke

sterrebeelden boven, en in de noordelijke onder de ekliptika. Toen

stond dus de maan -- juist het omgekeerde van 1913 -- in haar

laagsten stand aanmerkelijk hooger dan de winterzon; en hetzelfde

zal in 1923 weer plaats vinden. _De knoopen van de maanbaan loopen

in 18 2/3 jaar om den hemel heen; daardoor loopen de tijden van het

jaar, waarin eklipsen plaats hebben, achteruit door het geheele jaar

heen en komen steeds na een periode van 18 2/3 jaar op denzelfden

tijd van het jaar terug_.

De verduisteringen van zon en maan hebben in de vroegste

ontwikkeling van de sterrekunde een belangrijke rol gespeeld. Want

zij gaven met veel grooter nauwkeurigheid, dan door onmiddellijke

waarneming mogelijk was, de juiste tijdstippen van volle en nieuwe

maan aan, waaruit dan de maanperiode nauwkeurig te berekenen was.

Daar de verduisterde maan zich altijd juist tegenover de zon

bevindt, op de plaats, waar de zon een half jaar later komt, toont

zij onmiddellijk aan ons oog den weg van de zon tusschen de sterren,

die men anders eerst langs een omweg vaststellen kan. De naam

_ekliptika_ voor den zonsweg beteekent oorspronkelijk ook niets

anders dan de plaats, waar de eklipsen plaats vinden.

De denkbeelden van een volk over de eklipsen zijn een maatstaf voor

het peil van zijn beschaving. Terwijl zij den menschen in den

toestand van wildheid en barbaarschheid schrik aanjagen, toont zich

de hoogere ontwikkeling der meer beschaafde volkeren vooral hierin,

dat zij de eklipsen als natuurlijke verschijnselen weten te

verklaren en te _voorspellen_. Het voorspellen van verduisteringen

is nog altijd voor onontwikkelde menschen het treffendste bewijs van

de macht der wetenschap. En wat is dit toch eenvoudig en al van

oudsher bekend! Reeds de Babyloniërs in de vroege oudheid hadden uit

hun regelmatige opteekeningen en waarnemingen gevonden, dat _de

verduisteringen na 18 jaren en 11 dagen (6585 dagen) in dezelfde

volgorde terugkeeren_. Dat dit juist is, kunnen wij gemakkelijk uit

onze boven meegedeelde lijst van hier zichtbare verduisteringen

zien, waarin wij daarom opzettelijk de eklipsen, die 18 jaar na

elkaar komen, naast elkaar gezet hebben. De tijden, waarop zij

vallen, liggen altijd 18 jaren (van 365 dagen) en nog 15 dagen en 7,

8 of 9 uren uit elkaar. Dat bij verscheidene eklipsen uit de lijst

de bijbehoorende, 18 jaar vroeger of later, ontbreekt, vindt zijn

oorzaak in deze verlating van 8 uren; inderdaad zien wij in al die

gevallen, dat dan de maansverduistering overdag of de

zonsverduistering in den nacht valt en dus onzichtbaar moet blijven.

Met behulp van deze periode kunnen wij dus met zekerheid de

verduisteringen voor de komende jaren voorspellen, natuurlijk onder

dit voorbehoud, dat er nog eenige bij kunnen komen, waarvan de

voorgangsters niet in onze lijst staan. Deze periode, die _Saros_

heet, hebben Grieksche reizigers in Babylon leeren kennen; het

latere verhaal evenwel, dat Thales met behulp daarvan de zoneklips

voorspeld had, die (585 v. Chr.) zooals Herodotus in zijn

Geschiedboeken meedeelt, juist plaats vond gedurende een veldslag

tusschen de Meden en de Lydiërs, is ongetwijfeld verzonnen. Deze

Saros-periode berust op het feit, dat, wanneer de maan precies in

een knoop vol is, 223 maanperioden (6585 1/3 dagen) later de volle

maan weer juist met denzelfden knoop samentreft, die dan bijna een

rondgang om den hemel voltooid heeft.

De Wonderbouw der Wereld · 第 17 / 64 题