Nu en dan wordt de regelmatige wisseling der hemelverschijnselen
onverwachts door ongewone gebeurtenissen onderbroken.
[Illustratie]
Terwijl de zon in volle glorie aan den hemel straalt, kruipt er van
rechts iets donkers op haar; het is alsof er een steeds grooter stuk
uit haar weggevreten wordt, of ook, alsof een zwarte schijf langzaam
voor haar schuift. Soms bedekt deze schijf de zon maar gedeeltelijk,
en dan bemerken de meeste menschen niet of nauwelijks, dat het
daglicht iets vermindert. Soms echter schuift zij juist midden voor
de zon en bedekt haar ten slotte geheel en al. Dan verdwijnt het
daglicht, slechts een zwakke schemering blijft over; de sterren
komen voor den dag, de vogels worden stil en de dieren kruipen weg,
alsof het nacht wordt. De wilde volken zien vol schrik en angst, hoe
het daggesternte verdwijnt: zij denken aan tooverij, aan toorn der
goden, aan monsters die de zon verslinden, en zij trachten door
gebeden, tooverspreuken, lawaai en andere doeltreffende middelen het
onheil af te wenden. Weldra, na eenige minuten, breekt ook weer een
zonnestraal door, de zwarte schijf schuift langzaam verder naar
links en laat een steeds grooter deel van de zon vrij; na eenigen
tijd is zij verdwenen en is alles weer als vroeger.
Waardoor ontstaat zulk een zonsverduistering? Zoodra bij een volk op
iets hoogeren trap van beschaving geregeld op de hemelverschijnselen
gelet werd, moest men bemerken, dat zonsverduisteringen altijd bij
nieuwe maan plaats vinden. Dan ligt de verklaring dadelijk voor de
hand: _de donkere schijf, die de zon bedekt, is de donkere maan_,
die dan juist tusschen ons en de zon doorgaat. Gaat zij juist over
het midden van de zon heen, dan verduistert zij deze een oogenblik
geheel; ligt haar weg iets hooger of lager, dan bedekt zij ook in
het midden der verduistering slechts een gedeelte van de zon.
[Illustratie]
Ook de maan wordt nu en dan verduisterd, maar altijd alleen bij
volle maan. Men ziet dan van links een vaag begrensde schaduw over
de maan trekken; eenige uren lang blijft de maan donker, hoewel niet
geheel donker, want meestal blijft zij in een roodachtig
schemerlicht zichtbaar. Dan schuift de schaduw naar rechts weg, en
weldra straalt de volle maan weer in haar ouden glans. Het is
duidelijk te zien, dat de maan daarbij niet door een ander donker
voorwerp bedekt wordt, maar door een schaduw: het zonlicht is haar
onttrokken.
Waar komt deze schaduw vandaan? Bij volle maan staan zon en maan
juist tegenover elkaar, aan tegenovergestelde kanten van de hemel.
Wat is er dan, dat het zonlicht aan de maan onttrekken kan? Wat is
er tusschen zon en maan? Klaarblijkelijk niets anders dan onze eigen
aarde, waarop wij staan en die zich in het middelpunt van den
hemelbol bevindt. _Het moet dus de schaduw van de aarde zijn, die op
de volle maan valt en zoo de maansverduistering veroorzaakt_. De
maan gaat, terwijl zij in haar baan van rechts naar links
voortloopt, dwars door deze schaduw heen, en zoo komt het, dat wij
een schaduw van links naar rechts over haar zien heenschuiven.
De verklaring van de verduisteringen of _eklipsen_, zooals zij met
een aan het Grieksch ontleend woord genoemd worden, is dus eenvoudig
genoeg. Dat zon en maan nu en dan verduisterd worden, is zoo weinig
verwonderlijk, dat wij nu omgekeerd met verwondering de vraag
stellen, waarom de verduisteringen zoo zelden plaats vinden. Volgens
onze verklaring zou men bij elke volle maan een maansverduistering
en bij elke nieuwe maan een zonsverduistering verwachten. Dat deze
verduisteringen uitblijven, bewijst ons, dat de beide hemellichamen
niet bij iedere volle maan precies tegenover elkaar en dat zij niet
bij elke nieuwe maan precies achter elkaar staan. Om te zien, hoe
dat komt, moeten wij nauwkeuriger dan tot nog toe den weg
onderzoeken, dien de maan aan den hemel tusschen de sterren
doorloopt.
Wanneer iemand in het jaar 1913 of daaromtrent op de maan eenigszins
nauwkeurig acht geslagen heeft, moest het hem opvallen, dat zij niet
precies denzelfden weg aan den hemel volgde, als de zon. Wanneer zij
(als volle maan in den zomer of als eerste kwartier in den herfst)
op dezelfde plaats aan den hemel moest staan als de winterzon, stond
zij in werkelijkheid aanmerkelijk lager, wel een derde dichter bij
den horizon. Omgekeerd stond zij in haar hoogsten stand, in de
Tweelingen, wat hooger dan de zomerzon. Wie haar loop nog
nauwkeuriger met behulp van een kaart van den dierenriem volgde --
zooals de kaart achter in dit werk -- door op die kaart de plaats
van de maan tusschen de sterren herhaaldelijk in te teekenen, moest
bemerken, dat aan den eenen kant van den hemel, in de sterrebeelden
den Stier, de Tweelingen en den Kreeft, haar baan tot een bedrag van
5 graden noordelijk, aan den anderen kant, in den Schorpioen, den
Schutter en den Steenbok, evenveel zuidelijk van den zonneweg lag;
zoo toont het de figuur, die een gordel-vormige strook van den
hemelbol voorstelt met den dierenriem in het midden.
[Illustratie: Ekliptika en maanbaan in 1913.]
Op twee tegenovergestelde plaatsen van den hemel, in de Visschen en
in de Maagd, doorsnijdt de baan van de maan de ekliptika en gaat zij
zelf van den Noord- naar den Zuidkant, of omgekeerd; deze plaatsen
heeten de _knoopen_ van de maanbaan. _De maanbaan staat dus
eenigszins scheef ten opzichte van den zonneweg, en alleen_ _in de
knoopen, waar de banen elkaar snijden, bevindt zich de maan in de
ekliptika_.
Nu is het duidelijk, waarom de verduisteringen zoo zeldzaam zijn.
Begin November staat de zon, dus ook de nieuwe maan, in den
Schorpioen, begin December en begin Januari in den Schutter en den
Steenbok. In deze sterrebeelden staat de maan een heel eind ten
zuiden van de ekliptika en gaat dus onder de zon langs zonder haar
te bedekken. Evenzoo staat dan de volle maan in de tegenoverliggende
sterrebeelden den Stier, de Tweelingen en den Kreeft, dus ver ten
Noorden van de ekliptika; daar de schaduw van de aarde precies
tegenover de zon ligt, dus alleen op een lichaam in de ekliptika kan
vallen, gaat de volle maan dan boven langs de aardschaduw heen,
zonder verduisterd te worden. Hetzelfde geldt omgekeerd voor de
maanden Mei, Juni en Juli. _Alleen wanneer de zon zich in de buurt
van de knoopen bevindt, kunnen eklipsen_ voorkomen. Want dan bevindt
de maan zich juist in de buurt van de knoopen, als zij nieuw of vol
is; dan gaat de nieuwe maan voor de zon langs -- zij het ook niet
precies over het midden van de zonneschijf -- en gaat de volle maan
door de aardschaduw heen. Op deze tijden, in de maanden Maart en
September en daaromtrent, moet dus bij volle maan een maaneklips en
bij nieuwe maan een zoneklips plaats vinden. Dat beteekent niet, dat
wij dan ook altijd een verduistering zien; want wanneer de zoneklips
in den nacht of de maaneklips overdag valt, blijft zij onopgemerkt.
Inderdaad kwamen in 1913 zonsverduisteringen op 6 April, op 31
Augustus en op 30 September, maansverduisteringen op 22 Maart en op
15 September voor, maar in ons land waren deze alle onzichtbaar.
Verduisteringen komen dus slechts op twee tijden van het jaar voor,
die een halfjaar uit elkaar liggen. Maken wij nu echter een lijst op
van verduisteringen, die in deze streken in de laatste 25 jaren
zichtbaar waren, dan vinden wij een nieuwe merkwaardige
bijzonderheid.
(Zie de lijst op de volgende bladzij)
De beide tijden van het jaar, waarin de eklipsen plaats vinden,
verschuiven en vallen steeds vroeger; zij doorloopen
achtereenvolgens de verschillende maanden, totdat na 9 jaar, wanneer
zij 6 maanden vroeger gekomen zijn, dezelfde tijden van het jaar
terugkomen.
~Lijst van zons- en maansverduisteringen~.
M 1889 Juli 12 10 a. M 1907 Juli 25 5 m.
Z 1890 Juni 17 11 m.
M 1891 Mei 23 7 a. T M 1909 Juni 4 2 m. T
Z 1891 Juni 6 5 a.
M 1891 Nov. 16 1 m. T
M 1892 Mei 11-12 12
M 1892 Nov. 4 5 a. T M 1910 Nov. 17 1 m. T
M 1912 Apr. 1 11 a.
Z 1912 Apr. 17 1 a.
M 1894 Sept. 15 5 m.
M 1895 Mrt. 11 5 m.
M 1895 Sept. 4 7 m.
M 1896 Febr. 28 9 a. M 1914 Mrt. 12 5 m.
Z 1896 Aug. 9 6 m. Z 1914 Aug. 21 2 a.
M 1898 Jan. 8 1 m.
Z 1898 Jan. 22 8 m. Z 1916 Febr. 3 4 a.
M 1898 juli 3 10 a.
M 1898 Dec. 27-28 12 T M 1917 Jan. 8 8 m. T
Z 1899 Juni 8 7 m. Z 1917 Juni 19 3 a.
M 1899 Dec. 17 2 m. T
Z 1900 Mei 28 4 a. Berekend:
M 1901 Okt. 27 4 a. M 1919 Nov.7-8 12
Z 1901 Nov. 11 8 m. Z 1919 Nov. 22 4 a.
M 1902 Apr. 22 8 a. T M 1920 Mei 3 4 m. T
M 1902 Okt, 17 7 m. T
Z 1902 Okt. 31 9 m. Z 1920 Nov. 10 5 a.
M 1903 Apr. 12 1 m.
M 1903 Okt. 6 5 a. M 1921 Okt. 17 1 m.
M 1905 Febr. 19 8 a. M 1923 Mrt. 3 4 m.
M 1905 Aug. 15 4 m.
Z 1905 Aug. 30 2 a.
M 1906 Febr. 9 9 m. T M 1924 Febr.20 5 a. T
De zonsverduisteringen zijn door Z, de maansverduisteringen door M
in de eerste kolom aangeduid. Achter den tijd van den dag beteekent
a. 's avonds en 's middags, m. 's avonds en 's voormiddags; T geeft
aan, dat de maaneklips totaal is, dus de maan geheel verduisterd
wordt.
Hoe is dat mogelijk? Het bewijst, dat de knoopen van de maanbaan
niet rustig op hun plaats blijven, maar langzaam van links naar
rechts, tegen de beweging van de maan in, achteruit schuiven. Dat
dit zoo is, blijkt ook, als men den weg van de maan tusschen de
sterren waarneemt. In het jaar 1908 stond de maan in de
sterrebeelden den Leeuw, de Maagd en de Weegschaal noordelijk, in de
sterrebeelden den Waterman, de Visschen en den Ram zuidelijk van de
ekliptika, terwijl de knoopen zich in de Tweelingen en den Schutter
bevonden. In het jaar 1904 lagen de knoopen evenals in 1913 in de
Visschen en de Maagd, maar daarbij stond de maan in de zuidelijke
sterrebeelden boven, en in de noordelijke onder de ekliptika. Toen
stond dus de maan -- juist het omgekeerde van 1913 -- in haar
laagsten stand aanmerkelijk hooger dan de winterzon; en hetzelfde
zal in 1923 weer plaats vinden. _De knoopen van de maanbaan loopen
in 18 2/3 jaar om den hemel heen; daardoor loopen de tijden van het
jaar, waarin eklipsen plaats hebben, achteruit door het geheele jaar
heen en komen steeds na een periode van 18 2/3 jaar op denzelfden
tijd van het jaar terug_.
De verduisteringen van zon en maan hebben in de vroegste
ontwikkeling van de sterrekunde een belangrijke rol gespeeld. Want
zij gaven met veel grooter nauwkeurigheid, dan door onmiddellijke
waarneming mogelijk was, de juiste tijdstippen van volle en nieuwe
maan aan, waaruit dan de maanperiode nauwkeurig te berekenen was.
Daar de verduisterde maan zich altijd juist tegenover de zon
bevindt, op de plaats, waar de zon een half jaar later komt, toont
zij onmiddellijk aan ons oog den weg van de zon tusschen de sterren,
die men anders eerst langs een omweg vaststellen kan. De naam
_ekliptika_ voor den zonsweg beteekent oorspronkelijk ook niets
anders dan de plaats, waar de eklipsen plaats vinden.
De denkbeelden van een volk over de eklipsen zijn een maatstaf voor
het peil van zijn beschaving. Terwijl zij den menschen in den
toestand van wildheid en barbaarschheid schrik aanjagen, toont zich
de hoogere ontwikkeling der meer beschaafde volkeren vooral hierin,
dat zij de eklipsen als natuurlijke verschijnselen weten te
verklaren en te _voorspellen_. Het voorspellen van verduisteringen
is nog altijd voor onontwikkelde menschen het treffendste bewijs van
de macht der wetenschap. En wat is dit toch eenvoudig en al van
oudsher bekend! Reeds de Babyloniërs in de vroege oudheid hadden uit
hun regelmatige opteekeningen en waarnemingen gevonden, dat _de
verduisteringen na 18 jaren en 11 dagen (6585 dagen) in dezelfde
volgorde terugkeeren_. Dat dit juist is, kunnen wij gemakkelijk uit
onze boven meegedeelde lijst van hier zichtbare verduisteringen
zien, waarin wij daarom opzettelijk de eklipsen, die 18 jaar na
elkaar komen, naast elkaar gezet hebben. De tijden, waarop zij
vallen, liggen altijd 18 jaren (van 365 dagen) en nog 15 dagen en 7,
8 of 9 uren uit elkaar. Dat bij verscheidene eklipsen uit de lijst
de bijbehoorende, 18 jaar vroeger of later, ontbreekt, vindt zijn
oorzaak in deze verlating van 8 uren; inderdaad zien wij in al die
gevallen, dat dan de maansverduistering overdag of de
zonsverduistering in den nacht valt en dus onzichtbaar moet blijven.
Met behulp van deze periode kunnen wij dus met zekerheid de
verduisteringen voor de komende jaren voorspellen, natuurlijk onder
dit voorbehoud, dat er nog eenige bij kunnen komen, waarvan de
voorgangsters niet in onze lijst staan. Deze periode, die _Saros_
heet, hebben Grieksche reizigers in Babylon leeren kennen; het
latere verhaal evenwel, dat Thales met behulp daarvan de zoneklips
voorspeld had, die (585 v. Chr.) zooals Herodotus in zijn
Geschiedboeken meedeelt, juist plaats vond gedurende een veldslag
tusschen de Meden en de Lydiërs, is ongetwijfeld verzonnen. Deze
Saros-periode berust op het feit, dat, wanneer de maan precies in
een knoop vol is, 223 maanperioden (6585 1/3 dagen) later de volle
maan weer juist met denzelfden knoop samentreft, die dan bijna een
rondgang om den hemel voltooid heeft.