8. DE MAAN EN HAAR BEWEGING.

Na de zon, die als vorstin van den dag, als bron van alle warmte ons

leven beheerscht, is de maan het helderste en tegelijk het

belangrijkste der hemellichten; zij heeft het eerst de aandacht der

menschen op den nachtelijken hemel gericht. Haar snel wisselende en

opvallende gestalten verschaften aan de primitieve nomadenvolken op

hun reizen en zwerftochten een maatstaf voor den tijd; op deze

belangrijkheid van de maan voor het praktische leven berustte haar

vereering als maangod of als maangodin. De noodzakelijkheid om op

hoogeren trap van beschaving deze tijdrekening nog verder te

ontwikkelen, bracht de menschen er toe, de hemelverschijnselen

regelmatiger en opzettelijk waar te nemen; zoo ontstond het eerste

begin van de sterrekunde.

In groote trekken is de wisseling van de zoogenaamde

_schijn-gestalten van de maan_ aan iedereen bekend; in den loop van

een maand of 4 weken volgen eerste kwartier, volle maan. laatste

kwartier en de onzichtbare nieuwe maan elkaar op. Gaan wij deze

wisselingen nauwkeuriger na, dan bemerken wij, dat _de

schijngestalten van de maan ten nauwste met den tijd van den dag,

dus met de zon samenhangen_.

[Illustratie]

Wanneer de maan te voren onzichtbaar was, komt zij het eerst in de

avondschemering voor den dag als een fijne boog, als een smal

sikkeltje, dat de opening naar links, van de zon afgekeerd heeft.

Dit pas verschijnende sikkeltje _is de eigenlijke nieuwe maan_, die

nu haar levensloop van 4 weken begint; eerst in lateren tijd is de

naam "nieuwe maan" op de onzichtbare donkere maan overgegaan. Den

volgenden dag staat zij 's avonds al iets hooger boven het

schemerlicht; iederen volgenden dag trekt zij wat verder van de zon

weg en wordt de sikkel breeder.

[Illustratie]

Na een week is het eerste kwartier geworden; dan heeft de maan den

vorm van een halven cirkel, staat 's avonds in het Zuiden, gaat

midden in den nacht onder en midden op den dag op.

[Illustratie]

In de tweede week wordt zij steeds breeder en ronder, gaat steeds

verder van de zon af, staat bij het aanbreken van den avond verder

naar het Oosten en gaat later in den nacht onder.

[Illustratie]

Op het eind van de tweede week is zij cirkelrond geworden; als volle

maan staat zij precies tegenover de zon, komt met zonsondergang op,

schijnt den geheelen nacht en gaat 's ochtends met zonsopgang onder.

[Illustratie]

Dan wordt haar tijd van opkomst in de derde week steeds later in den

avond, terwijl tegelijk aan den rechterkant een steeds breedere

streep van de cirkelschijf afgaat. Aan het eind van die week, als

het laatste kwartier is, is alleen nog maar de helft van den cirkel

over, maar nu, in tegenstelling met het eerste kwartier, de

linkerhelft; de maan komt dan omstreeks middernacht op en staat 's

morgens in het Zuiden.

[Illustratie]

Van rechts komt zij dan steeds dichter naar de zon toe, komt steeds

korteren tijd voor de zon op en wordt een steeds smaller naar rechts

geopend sikkeltje.

[Illustratie]

Ten slotte is zij nog even als een fijne boog in de morgenschemering

te bespeuren, en den volgenden dag is zij verdwenen.

Waar is zij gebleven? Uit de geheele reeks van verschijnselen, die

wij waarnamen, moeten wij besluiten, dat zij gedurende de paar dagen

van onzichtbaarheid van rechts naar de zon toeloopt, haar

voorbijgaat en zich dan aan den linkerkant weer van haar verwijdert;

daarbij verdwijnt de naar rechts geopende sikkel, de maan wordt

geheel donker en dan ontstaat de naar links geopende sikkel, die

weldra aan den avondhemel zichtbaar wordt. Het oogenblik, waarop zij

de zon passeert, -- dat wij niet direkt door waarnemingen kunnen

vaststellen, maar toch zonder moeite uit de voorafgaande en de

volgende verschijnselen kunnen afleiden -- heet tegenwoordig nieuwe

maan.

_De maan maakt dus elke maand een reis rondom den hemel_. Door welke

sterrebeelden zij dan heenloopt, is gemakkelijk te vinden; wij

behoeven slechts naar den hemel te kijken, waar de sterren tegelijk

met de maan zichtbaar zijn. En dan bemerken wij, _dat de maan zich

steeds in de sterrebeelden van den dierenriem bevindt_. Bij eenige

der oudste volken, zooals bij de Indiërs, de Chineezen en de

Arabieren, komt dan ook een verdeeling van den dierenriem in 27 of

28 sterrebeelden voor, maanstations of maanhuizen, zoodat dus de

maan elken volgenden dag in een volgend beeld staat.

_De dierenriem is dus de groote heerweg des hemels, waar al deze

beweeglijke hemellichamen, de zon, de maan en de planeten, hun banen

hebben_. Omdat de maan elke maand ongeveer denzelfden weg langs den

hemelbol doorloopt als de zon elk jaar, kunnen wij haar plaats aan

den hemel gemakkelijk aangeven; de avondsikkel staat op dezelfde

plaats, waar de zon na een maand staat, het eerste kwartier staat

daar, waar de zon zich na 3 maanden, de volle maan daar, waar de zon

zich na een half jaar bevindt. Met dezen eenvoudigen regel kunnen

wij de op het eerste gezicht zoo grillige wisselingen in den stand

van de maan ten opzichte van den horizon zonder moeite begrijpen en

voorspellen. Zoo volgt b.v. uit dezen regel dadelijk, dat de volle

maan in de zwoele zomernachten als een groote bleeke, schijf laag in

het Zuiden staat (namelijk juist als de winterzon), daarentegen in

den winter in het Noordoosten opkomt en 's nachts in het Zuiden hoog

boven ons hoofd straalt. En evenzoo verklaart ons deze regel, dat

het eerste kwartier in het voorjaar hoog in het Noordwesten staat,

in den herfst daarentegen laag in het Zuidwesten blijft.

Terwijl de maan eenmaal om den hemel heenloopt, doorloopt zij

tegelijk de reeks van haar schijngestalten; maar precies vallen

beide kringloopen niet samen. Telkens na ruim 27 dagen komt de maan

op dezelfde plaats aan den hemel terug; uit de vergelijking van

vroegere en latere waarnemingen is voor het bedrag van dezen

omloopstijd gemiddeld 27 dagen 7 uren 43 minuten en 11 seconden

gevonden. Dit is echter niet het tijdsverloop tusschen twee volle

manen of twee nieuwe manen. Want wanneer de maan na 27 dagen op de

plaats van den hemel terugkomt, waar zij den vorigen keer de zon

ontmoette, vindt zij daar de zon niet meer, evenmin als de

minuutwijzer van een klok om één den uurwijzer op de plaats

aantreft, waar zij samen om 12 uur stonden. De zon is intusschen

voortgewandeld en de maan heeft nog 2 dagen noodig, voor zij haar

ingehaald heeft. _De maanperiode, waarna dezelfde schijngestalten

weer terugkomen, is dus langer dan de omloopstijd_; zij bedraagt 29

dagen 12 uren 44 minuten en 3 seconden.

De verschijnselen van de maan komen dus hierop neer, dat zij in 27

1/3 dag regelmatig door den dierenriem om den hemel heenloopt; de

wisselende schijngestalten, die zij daarbij vertoont, hangen van

haar stand ten opzichte van de zon af, die 13 maal langzamer

denzelfden weg gaat en die zij dus telkens na 29 1/2 dag inhaalt.

Wij moeten nu nog zien te verklaren, hoe het komt, dat de maan, al

naar haar stand ten opzichte van de zon, deze verschillende

schijngestalten vertoont.

Is de nieuw aan den avondhemel verschijnende maan werkelijk een

sikkelvormig ding, dat naderhand grooter wordt en ten slotte tot een

ronde schijf aangroeit, zooals men naar den eersten indruk zou

kunnen gelooven? Wie daarover anders in het onzekere zou verkeeren,

ziet zijn twijfel dadelijk opgeheven, wanneer hij eenmaal, zooals de

Engelschen het noemen, "de oude maan in de armen van de jonge maan"

aanschouwd heeft.

[Illustratie]

Wanneer het 's avonds geheel donker is geworden, is namelijk

dikwijls naast de schitterende sikkel ook de rest van de ronde

maanschijf in een flauw schemerlicht zichtbaar, het zoogenaamde

_aschgrauwe licht_. Daaraan zien wij, dat de maan ook dan den vorm

van een geheelen cirkel heeft, waarvan slechts een deel, een smalle

sikkelvormige rand, in helderen glans schittert. _De maan is steeds

een ronde schijf, die alleen bij volle maan geheel lichtend is, op

alle andere tijden slechts gedeeltelijk lichtend, terwijl de rest

donker is_. Is de maan misschien een op zich zelf donker lichaam,

waarvan een grooter of kleiner gedeelte slechts daardoor lichtend

is, omdat het _verlicht_ wordt?

Wanneer men er niet verder over nadenkt, schijnt er een groote

tegenstelling te bestaan tusschen de schitterende maan, die aan den

hemel straalt en alles op aarde met een zacht licht overgiet, en de

donkere, d.w.z. niet-lichtgevende aardsche voorwerpen om ons heen,

die wij alleen zien, als er licht op valt: de zwarte aarde, de roode

of witte muren, de grijze rotsen en de groene weiden en bosschen.

Maar ook deze aardsche voorwerpen stralen licht uit, wanneer zij

door de zon beschenen worden; soms kan men waarnemen, hoe een door

de zon beschenen muur aan den overkant van de straat de voorwerpen

in een kamer verlicht. Donkere voorwerpen, die verlicht worden,

geven zelf weer licht. Ons valt het heldere licht van de door de zon

beschenen velden niet op, omdat het daglicht aan den hemel nog veel

scheller is; konden wij echter zulk een verlicht stuk van de aarde

zien, terwijl overigens alles om ons heen pikdonker is, b.v. van uit

een grot, dan zouden wij een even schitterend licht zien, als de

maan ons 's nachts toont. Daarom kan er niets onwaarschijnlijks

liggen in de opvatting, dat de maan zelf donker is en dat haar licht

slechts teruggeworpen zonnelicht is.

Dan wordt ook volkomen duidelijk, waarom de schijngestalten met den

stand van de maan ten opzichte van de zon samenhangen. Wanneer de

maan tegenover de zon staat, en wij haar dus van denzelfden kant

zien, vanwaar ook het licht van de zon op haar valt, zien wij haar

vol verlicht, als volle maan. Beschouwen wij haar in het eerste

kwartier, dan staat de zon rechts van haar, het zonlicht valt van

den rechterkant op haar en verlicht alleen haar rechterhelft,

terwijl haar linkerhelft donker blijft. Omgekeerd in het laatste

kwartier, wanneer de zon aan den linkerkant staat en de linkerhelft

verlicht. _De maan is dus een donker lichaam, dat alleen licht

geeft, doordat het door de zon beschenen wordt_. Daardoor wordt het

meteen duidelijk, waarom haar licht zoo buitengewoon veel flauwer is

dan het zonlicht, terwijl toch zon en maan als even groote schijven

aan den hemel staan. En eveneens blijkt nu, waarom wij naast de

sikkel de geheele overige maanschijf in aschgrauw schemerlicht zien.

Wij maakten zoo even een vergelijking tusschen het lichtende

maanoppervlak en de door de zon beschenen aarde. Moet dan niet het

door de maneschijn zacht verlichte aardoppervlak er uit de verte

juist zoo flauw en schemerig uitzien als wij het aschgrauwe licht op

de maanschijf zien? De in zonneschijn badende aardsche velden en

akkers beschijnen de verre donkere maan evenzoo, als de schitterende

volle maan 's nachts de donkere aarde verlicht; in dezen

_aardschijn_ wordt ons de geheele maanschijf zichtbaar, wanneer de

zon er slechts een klein deel van verlicht.

Wij kunnen nu nog een paar belangrijke gevolgtrekkingen maken. Dat

de nieuwe maan geheel donker is, bewijst, dat de maan zich dan

tusschen ons en de zon bevindt; want alleen in dit geval wordt de

van ons afgekeerde achterkant der maan verlicht, terwijl op den ons

toegekeerden kant geen zonlicht kan vallen. Dit beteekent, _dat de

zon verder van ons verwijderd is dan de maan_. Eenige dagen voor en

na de nieuwe maan moet de maan dus schuin van achteren door de zon

beschenen worden. Hoe komt het nu, dat zij zich dan als een sikkel

vertoont?

Op het oog schijnen zon en maan ons vlakke ronde schijven toe.

Wanneer echter de maan werkelijk een schijf was, dan moest deze òf

geheel donker, òf geheel verlicht zijn; zoodra een vlakke schijf,

die eerst van achteren verlicht wordt en dus donker is, zoo ver

gedraaid wordt, dat het licht juist den voorkant treft, wordt zij

dadelijk over haar geheele oppervlak, zij het ook eerst uiterst

zwak, verlicht. Een schijf kan de maan dus niet zijn.

Het eenige lichaam, dat een sikkelvorm vertoont, wanneer het schuin

van achteren verlicht wordt, is de bol. Wij kunnen dezen vorm

gemakkelijk aan de ballen met verschillend gekleurde strepen zien,

waarmee de kinderen spelen.

[Illustratie]

Nog beter kunnen wij dit waarnemen bij een proef, die ons in staat

stelt, de geheele reeks van schijngestalten van de maan mooi na te

bootsen. In een door een lamp verlichte kamer nemen wij een witten

bal in de hand, houden hem met een uitgestrekten arm voor ons uit en

draaien ons dan langzaam, op dezelfde plaats blijvend, in het rond.

Houden wij den bal naar de lamp toe, dan zien wij hem geheel donker

(nieuwe maan). Houdt men hem een beetje op zij, dan vertoont zich de

smalle verlichte strook aan den kant van de lamp in den vorm van een

sikkel. Draaien wij ons zoover, dat wij de lamp recht op zij hebben,

dan zien wij den bal half verlicht met een rechte scheidingslijn

tusschen het donkere en het heldere deel, zooals bij eerste

kwartier. Draaien wij ons nog verder om, zoodat wij de lamp schuin

achter ons hebben, dan is het verlichte deel grooter dan een halve

cirkel; het is, alsof aan den vollen cirkel een donkere sikkel

ontbreekt. Draaien wij eindelijk de lamp geheel den rug toe, dan

zien wij den bal geheel verlicht, evenals de volle maan. Bij deze

volkomen overeenstemming is niet de minste twijfel mogelijk _of de

maan is een bolvormig lichaam_. Doordat de donkere maanbol van

verschillende zijden door de zon beschenen wordt, ontstaan die

verschillende lichtgestalten, die als de mooiste en tegelijk

bekendste onder de hemelverschijnselen steeds opnieuw ons oog

boeien.

Wat wij hier door eenvoudige overwegingen uit verschijnselen, die

iedereen kent, afgeleid hebben, moet reeds vroeg in de oudheid

bekend geweest zijn; volgens latere geschriften -- wat echter

onwaarschijnlijk is -- al aan den reeds genoemden Thales van Milete;

zeker echter aan Parmenides en Anaxagoras, die tusschen 500 en 450

v. C. leefden. Daarmee begint eerst de beoefening der sterrekunde

bij de Grieken een wetenschappelijk karakter te dragen.

Wij kunnen echter nog meer afleiden. Uit de donkerheid van de nieuwe

maan en den sikkelvorm bij haar eerste zichtbaarheid maakten wij op,

dat de zon achter de maan staat en verder dan de maan van ons

verwijderd is. Maar hoeveel verder? Wanneer zij slechts een klein

eindje achter de maan stond, zou zij de maan reeds na een paar dagen

precies van ter zijde beschijnen, en de maan moest zich dan half

verlicht vertoonen; dit geval is in de eerste figuur hierboven

voorgesteld, waar de cirkel de maanbaan is en wij ons in het

middelpunt van dien cirkel bevinden.

[Illustratie]

Was de zon tweemaal zoo ver verwijderd als de maan, dan moest deze,

zooals wij onmiddellijk uit de tweede figuur kunnen zien, zich als

eerste kwartier vertoonen, wanneer zij 60 graden van de zon

verwijderd is en pas een derde van haar weg tusschen nieuwe maan en

volle maan afgelegd heeft. Hoe verder de zon nog meer verwijderd is,

des te dichter komt het tijdstip, waarop wij de maan half zien, bij

het midden tusschen nieuwe maan en volle maan te liggen, waar de

maan 90 graden van de zon verwijderd is. Wij treffen deze overweging

het eerst aan bij een lateren Griekschen sterrekundige,

_Aristarchus_ van Samos (270 v. C.), die daarin een middel zag om te

berekenen, hoeveel malen de zon verder dan de maan van ons

verwijderd is. Terwijl wij uit onze oppervlakkige ervaring vonden,

dat het eerste kwartier 90 graden van de zon verwijderd is en juist

midden tusschen nieuwe maan en volle maan ligt, vond hij het een

klein weinigje, ongeveer 3 graden, dichter bij de zon en hij

berekende daaruit, dat _de zon 19 maal verder dan de maan van ons

verwijderd is_. Dit is toen de geheele oudheid door als vaststaande

waarheid aangenomen. Nauwkeuriger waarnemingen uit den modernen tijd

hebben echter geleerd, dat die afwijking in werkelijkheid nog veel

kleiner is en dat dus de zon veel verder van ons verwijderd moet

zijn.

De Wonderbouw der Wereld · 第 16 / 64 题