De eerste aanleiding voor de primitieve volkeren om op de
hemelverschijnselen te letten, lag -- naast de noodzakelijkheid om
zich op zee- of woestijnreizen naar de sterren te richten -- in hun
behoefte aan een tijdrekening. In hun verkeer met elkaar moesten zij
de dagen kunnen tellen en aanduiden; en de afhankelijkheid van hun
bedrijf, hun landbouw of hun reizen van bepaalde jaargetijden en
perioden maakte het noodig, grootere tijdsruimten af te meten. Aan
de eerste behoefte werd voldaan door een aantal dagen tot een week
samen te vatten; oorspronkelijk treft men _een week van 5 dagen_
aan, natuurlijk omdat alles aan de 5 vingers van de hand geteld
werd. Later is, waarschijnlijk in het oude Babylon, in samenhang met
mythologische voorstellingen _een week van 7 dagen_ in gebruik
gekomen, die zich van uit dit centrum van oude beschaving over de
geheele antieke wereld verbreid heeft; zoo zijn ook wij aan onze
week gekomen. Zij wordt onafhankelijk van alle andere tijdperken
steeds verder geteld.
Voor het meten van langere tijdsruimten bood de wisseling van de
schijngestalten der maan den natuurlijken maatstaf. _De maan was
overal de oorspronkelijke meter der tijden_; in vele oude talen
beteekent haar naam ook "degene, die meet." Zoo staat staat in de
Oudindische Veda's van zon en maan: "Zij wandelen achter elkaar aan;
als twee spelende kinderen loopen zij door het luchtruim; alle
wezens overziet de een; om de tijden te ordenen wordt de ander
steeds opnieuw geboren." En in den Joodschen Midrash heet het: "de
maan is enkel en alleen voor het berekenen der tijden geschapen."
Primitieve volken, vooral in de warme landen, waar het klimaat niet
als bij ons een duidelijke afwisseling van zomer en winter toont,
drukken den tijd tusschen zaaien en oogsten in "manen" uit, d.w.z.
in _maanden_, die juist gelijk aan een maanperiode zijn. De
woestijnbewoners van Arabië gebruiken van oudsher op hun reizen ook
dezelfde tijdmaat. De maanvereering is een uitdrukking van de
belangrijke rol, die de maan zoo in het leven der menschen speelt.
Bij deze tijdrekening naar den _zuiveren maankalender_ begint de
maand telkens met de nieuwe, d.i. de nieuw verschijnende maan, dus
met het eerste zichtbaar worden van de maansikkel aan den
avondhemel. De maanden hebben afwisselend 29 en 30 dagen; daar de
maanperiode niet precies 29 1/2 dag is, maar 1/32 dag meer, moet
drie keer in 8 maanjaren (van 12 maanperioden) een 29 daagsche maand
op 30 dagen gebracht worden. De priesters, die bij zulke volken
tegelijk de sterrekundigen zijn, hebben tot plicht zorgvuldig op het
eerste verschijnen van de maansikkel te letten, om dan aan het volk
het begin van de nieuwe maand te verkondigen. In het oude Babylon
wisten zij zich, van de toevalligheden van het weer, dat zelfs in
dat prachtige klimaat nu en dan het tijdig bemerken van de
maansikkel verhinderde, vrij te maken door te berekenen, wanneer zij
verschijnen moest. Door hun vele eeuwen terugreikende waarnemingen
waren zij met alle bijzonderheden van de maanbeweging uitstekend
bekend, en daardoor in staat den tijd van het eerste verschijnen van
de avondsikkel met bewonderenswaardige nauwkeurigheid vooruit te
berekenen. De Mohammedanen, die in hun kalender de dogmatisch
versteende traditie van het Arabische woestijnleven bewaard hebben,
kennen geen andere tijdrekening dan naar zulke maanmaanden. Wel
vatten zij telkens 12 van deze maanden tot een maanjaar samen,
zoodat dezelfde 12 namen van maanden telkens terugkeeren; maar dit
maanjaar telt slechts 354 3/8 dagen, zoodat het met het werkelijke
jaar niets te maken heeft en dezelfde maand nu eens in dit, dan weer
in een ander jaargetij valt.
Deze eenvoudige maankalender past echter niet meer voor landbouwende
volken, vooral niet, waar deze in noordelijker streken wonen. Want
hun levenswijze en hun werk hangen van het jaargetij, van de zon af;
de tijd van zaaien en oogsten wordt bepaald door de afwisseling van
hitte en koude, van regen en droogte, die den loop van de zon volgt.
_Zij moeten dus naar zonnejaren rekenen_, al houden zij tegelijk uit
traditie, en omdat het een gemakkelijke tijdmaat is, ook nog aan de
maanden vast. Zij moeten dan natuurlijk trachten deze beide
rekenwijzen, naar de zon en naar de maan, aan elkaar aan te passen;
deze pogingen maakten een stelselmatig waarnemen van den hemel
noodig, dat het eerste begin van de sterrekunde deed ontstaan.
Hoeveel zulke maanden zijn er in het jaar? Twaalf maanperioden van
29 1/2 dag zijn te zamen 354 dagen, dertien dezer perioden zijn 383
1/2 dag, terwijl het zonnejaar 365 1/4 dag bedraagt. Daarom moeten
in dezen _gemengden kalender_ sommige jaren twaalf, andere dertien
maanden tellen. Wil men nu, dat de namen der maanden tegelijk het
jaargetij aanduiden, dan kan men een paar jaar lang de 12 maanden
telkens opnieuw op elkaar laten volgen, maar dan moet, omdat men
anders te veel achter zou raken, een 13de maand ingeschoven worden
door een der maanden tweemaal achter elkaar te tellen. In de
vroegste tijden werd in Babylon, zooals uit de oude inschriften uit
den tijd van Koning Hammoerabi, 2000 v. Chr., blijkt, zulk een 13de
maand telkens ingeschakeld, als het praktisch noodig bleek. Toen de
lengten der perioden beter bekend waren, liet men de groote en de
kleine jaren, van 12 en van 13 maanden, in een bepaalde volgorde met
elkaar afwisselen. Bij de Grieken was een naar Meton genoemde
volgorde in gebruik, die telkens na 19 jaar op dezelfde manier
terugkeert (19 jaar is op 1/12 dag na precies gelijk aan 235
maanperioden en omvat dus 12 kleine en 7 groote jaren.) Dezelfde
tijdrekening is tegenwoordig nog in den Israëlietischen kalender in
gebruik.
Geheel anders is de tijdrekening bij de Europeesche volken. Bij ons
is de maan als grondslag van de tijdrekening geheel weggevallen en
berust deze _enkel nog maar op de zon_. Dat past ook bij de
wisseling van onze jaargetijden, die het bedrijf en het geheele
leven der menschen beheerscht, ten minste tot aan het tijdperk van
de grootindustrie. Wel zijn de maanden blijven bestaan, maar alleen
als formeele tijdindeeling; want wanneer er 12 maanden in het jaar
gaan, moeten ze gemiddeld 30 1/2 dag lang zijn en kunnen dus met den
loop van de maan niets meer te maken hebben. Alleen het woord
"maand" herinnert er aan, dat deze tijdmaat oorspronkelijk van de
maan afkomstig is.
Zulk een alleen op de zon berustenden kalender treffen wij reeds in
de vroegste oudheid bij de Egyptenaren aan. Waar de geweldige
Nijlstroom zich door de regenlooze Lybische woestijn naar het
Noorden, naar de zee kronkelt, woonden zij op de smalle strook, die
jaarlijks door de overstroomingen van de rivier met een vruchtbare
sliklaag bedekt wordt. Van deze vruchtbaarmakende overstroomingen
hing hun geheele leven af. In Juli en Augustus begon, ten gevolge
van de regens in zijn bronnengebied en het smelten van de sneeuw in
Abessinië, de Nijl te stijgen en bedekte het land in September en
October; in November werd gezaaid, in April en Mei voor het laatst
geoogst, en dan kwam de hitte en de dorheid van den zomer. Zoo was
hun geheele leven streng aan de jaarlijksche periode gebonden. Geen
wonder, dat hier reeds in voorhistorische tijden de maankalender
opgegeven werd. In plaats daarvan kwamen 12 maanden van 30 dagen met
aan het slot nog 5 overschietende dagen, die als feestdagen
beschouwd werden. Het jaar werd dus op 365 dagen gerekend.
De Egyptische priesters wisten heel goed, dat het jaar in
werkelijkheid 1/4 dag langer is. Zij hielden echter aan de door de
traditie geheiligde 365 dagen vast, en bemerkten daarbij natuurlijk,
dat hun datums langzamerhand de natuurgebeurtenissen vooruitliepen,
elke vier jaar een dag. Wanneer wij zoo rekenden, zouden wij ook
zien, dat de laagste zonnestand, eenmaal op 21 December vastgesteld,
mettertijd steeds later kwam: na 40 jaar op 31 December, na 124 jaar
op 21 Januari, enz. De feesten, die met het landbouwbedrijf
samenhingen -- het doorsteken van de Nijldijken, het begin van
zaaien en maaien -- wandelden dus door alle maanden heen en kwamen
na 1460 jaar weer op hun ouden datum terug.
Toen Julius Caesar als alleenheerscher van het Romeinsche rijk
besloot aan de verwarring van den kalender een einde te maken,
schafte hij, op voorstel van den Alexandrijnschen sterrekundige
Sosigenes, de rekening naar de maan heelemaal af en voerde het
Egyptische jaar van 365 1/4 dag in. Van hem is dus de bij ons
gebruikelijke tijdrekening naar een _zuiveren zonskalender_
afkomstig, en ook de eenigszins zonderlinge vaststelling van de
lengte der maanden op 30, 31 en 28 dagen. Hij nam echter niet de
Egyptische methode van de verschuivende datums over. Om dezelfde
verschijnselen van de zon zooveel mogelijk op denzelfden datum te
houden, maakte hij elk vierde jaar tot een _schrikkeljaar_ van 366
dagen. Als de lengte van een jaar precies 365 dagen en 6 uur was,
moest deze tijdrekening altijd blijven uitkomen.
Dit is echter niet het geval. Reeds in de oudheid wisten de
Grieksche sterrekundigen, dat het jaar iets korter duurt. Daardoor
moest, hoewel in veel geringere mate en in tegengestelden zin,
mettertijd hetzelfde gebeuren, wat in Egypte plaats vond.
Langzamerhand moesten de nachteveningen en de zonnestilstanden op
vroegere datums vallen. Toen in het laatst van de middeleeuwen de
beoefening van de sterrekunde in Europa opleefde, bemerkte men
spoedig, dat de voorjaarsnachtevening op 11 Maart in plaats van op
21 Maart viel. Omdat daardoor het tijdstip van Paschen -- de eerste
Zondag na de eerste op de nachtevening volgende volle maan --
onzeker werd, moest de kerk aan een hervorming van het kalenderwezen
denken; na vergeefsche pogingen van andere pausen werd zij in 1582
door Gregorius XII naar de voorstellen van den sterrekundige Clavius
tot stand gebracht. Eerst werden 10 dagen overgeslagen om weer op
den goeden datum te komen; en om te verhinderen, dat het later weer
misliep, werd vastgesteld, dat in elke 400 jaar 3 schrikkeljaren
zouden uitvallen; de jaren 1600 en 2000 bleven schrikkeljaren, maar
1700, 1800 en 1900 werden gewone jaren.
Daarmee is het nu nog niet volkomen in orde, want de lengte van een
jaar bedraagt 365 dagen, 5 uren, 48 minuten en 46 seconden. Het
Egyptische jaar is dus 11 minuten 14 seconden te lang; dit verschil
hoopt zich in 128 jaren tot 1 dag, in 400 jaren dus tot 3 1/8 dag
op. Naar de Gregoriaansche tijdrekening blijft dus na 400 jaren een
fout van 1/8 dag over, die na ruim 3000 jaar tot 1 dag aangegroeid
is. Hoe daarmee te doen kunnen wij natuurlijk rustig aan de toekomst
overlaten. De Gregoriaansche kalender werd in de Katholieke landen
dadelijk, in de Protestantsche landen langzamerhand in den loop van
de 17de en de 18de eeuw ingevoerd. Rusland heeft nog tot 1917 aan de
oude Juliaansche tijdrekening vastgehouden, en daarom waren de
Russische datums 13 dagen bij de West-Europeesche ten achter.