10. TIJDREKENING EN KALENDER.

De eerste aanleiding voor de primitieve volkeren om op de

hemelverschijnselen te letten, lag -- naast de noodzakelijkheid om

zich op zee- of woestijnreizen naar de sterren te richten -- in hun

behoefte aan een tijdrekening. In hun verkeer met elkaar moesten zij

de dagen kunnen tellen en aanduiden; en de afhankelijkheid van hun

bedrijf, hun landbouw of hun reizen van bepaalde jaargetijden en

perioden maakte het noodig, grootere tijdsruimten af te meten. Aan

de eerste behoefte werd voldaan door een aantal dagen tot een week

samen te vatten; oorspronkelijk treft men _een week van 5 dagen_

aan, natuurlijk omdat alles aan de 5 vingers van de hand geteld

werd. Later is, waarschijnlijk in het oude Babylon, in samenhang met

mythologische voorstellingen _een week van 7 dagen_ in gebruik

gekomen, die zich van uit dit centrum van oude beschaving over de

geheele antieke wereld verbreid heeft; zoo zijn ook wij aan onze

week gekomen. Zij wordt onafhankelijk van alle andere tijdperken

steeds verder geteld.

Voor het meten van langere tijdsruimten bood de wisseling van de

schijngestalten der maan den natuurlijken maatstaf. _De maan was

overal de oorspronkelijke meter der tijden_; in vele oude talen

beteekent haar naam ook "degene, die meet." Zoo staat staat in de

Oudindische Veda's van zon en maan: "Zij wandelen achter elkaar aan;

als twee spelende kinderen loopen zij door het luchtruim; alle

wezens overziet de een; om de tijden te ordenen wordt de ander

steeds opnieuw geboren." En in den Joodschen Midrash heet het: "de

maan is enkel en alleen voor het berekenen der tijden geschapen."

Primitieve volken, vooral in de warme landen, waar het klimaat niet

als bij ons een duidelijke afwisseling van zomer en winter toont,

drukken den tijd tusschen zaaien en oogsten in "manen" uit, d.w.z.

in _maanden_, die juist gelijk aan een maanperiode zijn. De

woestijnbewoners van Arabië gebruiken van oudsher op hun reizen ook

dezelfde tijdmaat. De maanvereering is een uitdrukking van de

belangrijke rol, die de maan zoo in het leven der menschen speelt.

Bij deze tijdrekening naar den _zuiveren maankalender_ begint de

maand telkens met de nieuwe, d.i. de nieuw verschijnende maan, dus

met het eerste zichtbaar worden van de maansikkel aan den

avondhemel. De maanden hebben afwisselend 29 en 30 dagen; daar de

maanperiode niet precies 29 1/2 dag is, maar 1/32 dag meer, moet

drie keer in 8 maanjaren (van 12 maanperioden) een 29 daagsche maand

op 30 dagen gebracht worden. De priesters, die bij zulke volken

tegelijk de sterrekundigen zijn, hebben tot plicht zorgvuldig op het

eerste verschijnen van de maansikkel te letten, om dan aan het volk

het begin van de nieuwe maand te verkondigen. In het oude Babylon

wisten zij zich, van de toevalligheden van het weer, dat zelfs in

dat prachtige klimaat nu en dan het tijdig bemerken van de

maansikkel verhinderde, vrij te maken door te berekenen, wanneer zij

verschijnen moest. Door hun vele eeuwen terugreikende waarnemingen

waren zij met alle bijzonderheden van de maanbeweging uitstekend

bekend, en daardoor in staat den tijd van het eerste verschijnen van

de avondsikkel met bewonderenswaardige nauwkeurigheid vooruit te

berekenen. De Mohammedanen, die in hun kalender de dogmatisch

versteende traditie van het Arabische woestijnleven bewaard hebben,

kennen geen andere tijdrekening dan naar zulke maanmaanden. Wel

vatten zij telkens 12 van deze maanden tot een maanjaar samen,

zoodat dezelfde 12 namen van maanden telkens terugkeeren; maar dit

maanjaar telt slechts 354 3/8 dagen, zoodat het met het werkelijke

jaar niets te maken heeft en dezelfde maand nu eens in dit, dan weer

in een ander jaargetij valt.

Deze eenvoudige maankalender past echter niet meer voor landbouwende

volken, vooral niet, waar deze in noordelijker streken wonen. Want

hun levenswijze en hun werk hangen van het jaargetij, van de zon af;

de tijd van zaaien en oogsten wordt bepaald door de afwisseling van

hitte en koude, van regen en droogte, die den loop van de zon volgt.

_Zij moeten dus naar zonnejaren rekenen_, al houden zij tegelijk uit

traditie, en omdat het een gemakkelijke tijdmaat is, ook nog aan de

maanden vast. Zij moeten dan natuurlijk trachten deze beide

rekenwijzen, naar de zon en naar de maan, aan elkaar aan te passen;

deze pogingen maakten een stelselmatig waarnemen van den hemel

noodig, dat het eerste begin van de sterrekunde deed ontstaan.

Hoeveel zulke maanden zijn er in het jaar? Twaalf maanperioden van

29 1/2 dag zijn te zamen 354 dagen, dertien dezer perioden zijn 383

1/2 dag, terwijl het zonnejaar 365 1/4 dag bedraagt. Daarom moeten

in dezen _gemengden kalender_ sommige jaren twaalf, andere dertien

maanden tellen. Wil men nu, dat de namen der maanden tegelijk het

jaargetij aanduiden, dan kan men een paar jaar lang de 12 maanden

telkens opnieuw op elkaar laten volgen, maar dan moet, omdat men

anders te veel achter zou raken, een 13de maand ingeschoven worden

door een der maanden tweemaal achter elkaar te tellen. In de

vroegste tijden werd in Babylon, zooals uit de oude inschriften uit

den tijd van Koning Hammoerabi, 2000 v. Chr., blijkt, zulk een 13de

maand telkens ingeschakeld, als het praktisch noodig bleek. Toen de

lengten der perioden beter bekend waren, liet men de groote en de

kleine jaren, van 12 en van 13 maanden, in een bepaalde volgorde met

elkaar afwisselen. Bij de Grieken was een naar Meton genoemde

volgorde in gebruik, die telkens na 19 jaar op dezelfde manier

terugkeert (19 jaar is op 1/12 dag na precies gelijk aan 235

maanperioden en omvat dus 12 kleine en 7 groote jaren.) Dezelfde

tijdrekening is tegenwoordig nog in den Israëlietischen kalender in

gebruik.

Geheel anders is de tijdrekening bij de Europeesche volken. Bij ons

is de maan als grondslag van de tijdrekening geheel weggevallen en

berust deze _enkel nog maar op de zon_. Dat past ook bij de

wisseling van onze jaargetijden, die het bedrijf en het geheele

leven der menschen beheerscht, ten minste tot aan het tijdperk van

de grootindustrie. Wel zijn de maanden blijven bestaan, maar alleen

als formeele tijdindeeling; want wanneer er 12 maanden in het jaar

gaan, moeten ze gemiddeld 30 1/2 dag lang zijn en kunnen dus met den

loop van de maan niets meer te maken hebben. Alleen het woord

"maand" herinnert er aan, dat deze tijdmaat oorspronkelijk van de

maan afkomstig is.

Zulk een alleen op de zon berustenden kalender treffen wij reeds in

de vroegste oudheid bij de Egyptenaren aan. Waar de geweldige

Nijlstroom zich door de regenlooze Lybische woestijn naar het

Noorden, naar de zee kronkelt, woonden zij op de smalle strook, die

jaarlijks door de overstroomingen van de rivier met een vruchtbare

sliklaag bedekt wordt. Van deze vruchtbaarmakende overstroomingen

hing hun geheele leven af. In Juli en Augustus begon, ten gevolge

van de regens in zijn bronnengebied en het smelten van de sneeuw in

Abessinië, de Nijl te stijgen en bedekte het land in September en

October; in November werd gezaaid, in April en Mei voor het laatst

geoogst, en dan kwam de hitte en de dorheid van den zomer. Zoo was

hun geheele leven streng aan de jaarlijksche periode gebonden. Geen

wonder, dat hier reeds in voorhistorische tijden de maankalender

opgegeven werd. In plaats daarvan kwamen 12 maanden van 30 dagen met

aan het slot nog 5 overschietende dagen, die als feestdagen

beschouwd werden. Het jaar werd dus op 365 dagen gerekend.

De Egyptische priesters wisten heel goed, dat het jaar in

werkelijkheid 1/4 dag langer is. Zij hielden echter aan de door de

traditie geheiligde 365 dagen vast, en bemerkten daarbij natuurlijk,

dat hun datums langzamerhand de natuurgebeurtenissen vooruitliepen,

elke vier jaar een dag. Wanneer wij zoo rekenden, zouden wij ook

zien, dat de laagste zonnestand, eenmaal op 21 December vastgesteld,

mettertijd steeds later kwam: na 40 jaar op 31 December, na 124 jaar

op 21 Januari, enz. De feesten, die met het landbouwbedrijf

samenhingen -- het doorsteken van de Nijldijken, het begin van

zaaien en maaien -- wandelden dus door alle maanden heen en kwamen

na 1460 jaar weer op hun ouden datum terug.

Toen Julius Caesar als alleenheerscher van het Romeinsche rijk

besloot aan de verwarring van den kalender een einde te maken,

schafte hij, op voorstel van den Alexandrijnschen sterrekundige

Sosigenes, de rekening naar de maan heelemaal af en voerde het

Egyptische jaar van 365 1/4 dag in. Van hem is dus de bij ons

gebruikelijke tijdrekening naar een _zuiveren zonskalender_

afkomstig, en ook de eenigszins zonderlinge vaststelling van de

lengte der maanden op 30, 31 en 28 dagen. Hij nam echter niet de

Egyptische methode van de verschuivende datums over. Om dezelfde

verschijnselen van de zon zooveel mogelijk op denzelfden datum te

houden, maakte hij elk vierde jaar tot een _schrikkeljaar_ van 366

dagen. Als de lengte van een jaar precies 365 dagen en 6 uur was,

moest deze tijdrekening altijd blijven uitkomen.

Dit is echter niet het geval. Reeds in de oudheid wisten de

Grieksche sterrekundigen, dat het jaar iets korter duurt. Daardoor

moest, hoewel in veel geringere mate en in tegengestelden zin,

mettertijd hetzelfde gebeuren, wat in Egypte plaats vond.

Langzamerhand moesten de nachteveningen en de zonnestilstanden op

vroegere datums vallen. Toen in het laatst van de middeleeuwen de

beoefening van de sterrekunde in Europa opleefde, bemerkte men

spoedig, dat de voorjaarsnachtevening op 11 Maart in plaats van op

21 Maart viel. Omdat daardoor het tijdstip van Paschen -- de eerste

Zondag na de eerste op de nachtevening volgende volle maan --

onzeker werd, moest de kerk aan een hervorming van het kalenderwezen

denken; na vergeefsche pogingen van andere pausen werd zij in 1582

door Gregorius XII naar de voorstellen van den sterrekundige Clavius

tot stand gebracht. Eerst werden 10 dagen overgeslagen om weer op

den goeden datum te komen; en om te verhinderen, dat het later weer

misliep, werd vastgesteld, dat in elke 400 jaar 3 schrikkeljaren

zouden uitvallen; de jaren 1600 en 2000 bleven schrikkeljaren, maar

1700, 1800 en 1900 werden gewone jaren.

Daarmee is het nu nog niet volkomen in orde, want de lengte van een

jaar bedraagt 365 dagen, 5 uren, 48 minuten en 46 seconden. Het

Egyptische jaar is dus 11 minuten 14 seconden te lang; dit verschil

hoopt zich in 128 jaren tot 1 dag, in 400 jaren dus tot 3 1/8 dag

op. Naar de Gregoriaansche tijdrekening blijft dus na 400 jaren een

fout van 1/8 dag over, die na ruim 3000 jaar tot 1 dag aangegroeid

is. Hoe daarmee te doen kunnen wij natuurlijk rustig aan de toekomst

overlaten. De Gregoriaansche kalender werd in de Katholieke landen

dadelijk, in de Protestantsche landen langzamerhand in den loop van

de 17de en de 18de eeuw ingevoerd. Rusland heeft nog tot 1917 aan de

oude Juliaansche tijdrekening vastgehouden, en daarom waren de

Russische datums 13 dagen bij de West-Europeesche ten achter.

De Wonderbouw der Wereld · 第 18 / 64 题