7. DE BEWEGING VAN DE ZON.

Bij onze beschouwing van de jaargetijden vonden wij, dat de

dagelijksche zonnekring in den loop van het jaar heen en weer

schuift en in Juni zijn noordelijksten, in December zijn

zuidelijksten stand inneemt. Wat wij toen voor een aparten

zonnekring hielden, ontstaat echter, zooals wij nu weten, doordat de

draaiende hemelbol de zon meeneemt. Deze draaiing is nu afgehandeld;

wij vragen op het oogenblik alleen de plaats van de zon aan den

hemelbol. En dan bewijst het heen en weer schuiven van onzen

vroegeren zonnekring, dat de zon zelf haar plaats aan den hemel

verandert; in Juni staat zij dichter bij de Noordpool, in December

meer naar het Zuiden toe. Wat wij eerst voor heen en weer schuiven

van een zonnekring hielden, komt eenvoudig hier op neer, dat _de zon

zelf zich in den loop van het jaar aan den hemelbol op en neer

beweegt_, zoodat zij in Juni het noordelijkst, in December het

zuidelijkst komt. Op de dagen der beide nachteveningen passeert zij

den aequator des hemels en gaat van het noordelijke halfrond naar

het zuidelijke over of omgekeerd.

Maar dit op en neer schommelen, dat dus de oorzaak van de wisseling

der jaargetijden is, is niet de eenige beweging van de zon aan den

hemel. Er moet nog een andere beweging bijkomen; want wij hebben

intusschen _nog een verder onderscheid tusschen de jaargetijden_

leeren kennen. Bij de beschouwing van de sterrebeelden hebben wij

opgemerkt, dat ook het beeld van den nachtelijken hemel in den loop

van het jaar verandert.

Wanneer men op een zekeren tijd den hemel beschouwt, en men kijkt

een maand later op hetzelfde uur nog eens, dan ziet men de sterren

in een anderen stand; de oostelijke zijn hooger, de westelijke zijn

lager gekomen; het is alsof het niet een maand, maar twee uren later

dan de vorige waarneming is. Een tijdsverloop van drie maanden

brengt, zooals al bij de beschrijving van de sterrebeelden in de

verschillende jaargetijden bleek, dezelfde verandering in het

uiterlijk van den hemel teweeg als een tijdsverloop van 6 uren; in

beide gevallen draait de hemelbol een kwartslag om. _Voor de

verandering in den stand van den hemelbol beteekent het verloop van

een maand precies hetzelfde als het verloop van 2 uren in denzelfden

nacht_. Om over een maand denzelfden stand van den hemel terug te

vinden, moet men 2 uren vroeger kijken. De winterhemel, dien wij

midden Januari om 10 uur 's avonds aantroffen, vinden wij precies

zoo midden December te middernacht, midden November om 2 uur, midden

Oktober om 4 uur 's nachts, en evenzoo midden Februari om 8 uur 's

avonds, midden Maart om 6 uur -- maar dan zien wij geen enkele ster,

daar dan de zon juist ondergaat en het dus nog licht is. Maar wij

mogen aannemen, dat de sterren in April om 4 uur, in Mei om 2 uur 's

namiddags, in Juni 's middags om 12 uur, in Juli om 10 uur, in

Augustus om 8 uur, in September om 6 uur 's morgens telkens

denzelfden stand hebben als aan den winterhemel, al kunnen wij er

niets van zien. Evenzoo vinden wij onzen herfsthemel in Augustus om

2 uur, in September om 12 uur 's nachts, in November om 8 uur, in

December om 6 uur 's avonds terug. In December met zijn lange

nachten kunnen wij dus om 6 uur 's avonds den herfsthemel, te

middernacht den winterhemel en om 6 uur 's morgens den

voorjaarshemel waarnemen.

Kennen wij eenmaal dezen regel, dan is het niet moeilijk de beweging

van de zon te vinden, die er de oorzaak van is. Denken wij ons den

stand van den hemelbol op den een of anderen dag 's middags om 12

uur, wanneer de zon in het Zuiden staat. Een maand later, weer om 12

uur, is de hemel een twaalfde deel van zijn omtrek naar het Westen

verder gedraaid; in het Zuiden, om de zon heen, staan nu de sterren,

die in de vorige maand zooveel meer naar links, naar het Oosten

stonden. De zon staat dus telkens een maand later op een plaats van

den hemelbol, die zich een twaalfde van zijn omtrek verder naar

links bevindt; zij loopt dus langs den hemelbol van rechts naar

links.

Wij kunnen ons deze beweging van de zon nog op een andere manier

aanschouwelijk voorstellen. Daartoe zoeken wij in de verschillende

maanden steeds denzelfden stand van den hemelbol op. Wanneer wij

alleen op _die_ oogenblikken naar den hemel kijken, moet het ons

voorkomen, alsof hij steeds onveranderlijk zijn stand behoudt. Nemen

wij b.v. den stand, dien wij den zomerhemel noemden. Wij treffen hem

in Juni 's nachts om 12 uur aan, in Juli om 10, in Augustus om 8 uur

's avonds, in September om 6, in Oktober om 4, in November om 2 uur

's namiddags, in December 's middags om 12 uur, in januari om 10, in

Februari om 8, in Maart om 6, in April om 4 uur 's morgens. Waar

bevindt de zon zich op al die tijdstippen? In juni in het Noorden,

in Juli en Augustus in het Noordwesten onder den horizon, in

September in het Westen juist bezig onder te gaan; in Oktober en

November in het Zuidwesten boven den horizon, in December laag in

het Zuiden, in Januari en Februari laag in het Zuidoosten, in Maart

juist in het Oosten in opkomst, in April en Mei in het Noordoosten

een weinig onder den horizon. _De zon loopt in een jaar van rechts

naar links, van West naar Oost om den geheelen hemelbol heen_. Te

middernacht, als de zon in het Noorden staat, bevindt zich steeds

die streek van den hemelbol in het Zuiden, die recht tegenover de

zon ligt; daarom moet deze jaarlijksche omloop van de zon

noodzakelijk juist zulk een regelmatige verandering van het

uiterlijk van den hemel bewerken, als wij waarnemen.

Dit regelmatige voortwandelen van de zon langs den hemelbol kan men

ook heel mooi en duidelijk aan den westelijken avondhemel waarnemen.

De sterren, die bij het aanbreken van den nacht eerst in het Zuiden

stonden, trekken in de volgende maanden steeds meer naar het Westen

toe en naderen den westelijken horizon steeds meer; weldra ziet men

ze na zonsondergang nog slechts korten tijd in de schemering; en

eindelijk zijn zij verdwenen: zij zijn ondergegaan, voor het nog

geheel donker was. Wat is er gebeurd? De zon is steeds dichter bij

hen gekomen. Doordat zij naar links voortschuift, bereikt zij de

sterren, die te voren ver links van haar stonden, de een na de

ander, en zinken steeds nieuwe sterren in de schemering weg.

Tegelijk duiken 's morgens aan den oostelijken hemel, doordat zij

elken volgenden dag iets vroeger opkomen, steeds nieuwe sterren uit

de schemering op en verwijderen zich meer en meer van de zon. Zoo

zien wij, hoe de zon van dag tot dag, van week tot week in

oostelijke richting aan den hemel voortschuift, in haar

verblindenden lichtkring de linksstaande avondsterren de een na de

ander opslorpt en er de rechtsstaande morgensterren geleidelijk uit

loslaat.

Wij moeten dus, om hetzelfde uiterlijk van den hemel aan te treffen,

elke volgende maand 2 uren vroeger kijken. Dit beteekent, dat

dezelfde stand van den hemelbol elken volgenden dag 4 minuten

vroeger terugkomt. Het was dus niet heelemaal juist wat wij vroeger

vonden, dat de hemelbol zich in één dag om zijn as wentelt. In

werkelijkheid heeft hij daarvoor 4 minuten minder noodig, en zijn

werkelijke omdraaiingstijd is 23 uren 56 minuten. Dit tijdsverloop,

waarna de sterren precies in denzelfden stand ten opzichte van den

horizon terugkomen, heet een _sterredag_. Een ster, die tegelijk met

de zon in het Zuiden stond, staat na een sterredag weer precies in

het Zuiden. De zon echter, die in dit tijdsverloop een klein eindje

langs den hemelbol voortgewandeld is, tegen de draaiing van den

hemel in, dus bij de sterren achtergebleven is, is dan nog niet weer

in het Zuiden teruggekomen; de hemel moet nog iets verder draaien,

nog 4 minuten, en dan eerst is de zon weer in het Zuiden

teruggekomen en is er een _zonnedag_ verloopen. Na een half jaar,

wanneer de hemelbol 180 omwentelingen volbracht heeft, is de zon den

halven hemelomtrek, dus 12 uren achter geraakt; eerst na nóg een

halve omwenteling zijn 180 zonnedagen, maar 180 1/2 sterredagen

verloopen. Na een jaar van 365 dagen is de zon op dezelfde plaats

van den hemelbol teruggekeerd; zij is dan een geheelen dag bij de

sterren achter geraakt, de hemelbol heeft 366 omwentelingen

volbracht, terwijl er maar 365 zonnedagen verloopen zijn.

Twee verschillende bewegingen hebben wij dus nu bij de zon gevonden;

in een jaar loopt zij van het Westen naar het Oosten om den geheelen

hemel heen en tegelijk schommelt zij in dien tijd op en neer,

beurtelings naar het Noorden en naar het Zuiden. Wat is nu haar

werkelijke baan aan den hemelbol, waaruit die beide bewegingen

ontstaan?

Terwijl zij van haar Decemberplaats, die het dichtst bij de Zuidpool

ligt, naar links voortwandelt, klimt zij tegelijk naar het Noorden

op. Zij loopt dus schuin langs den hemelbol naar boven, totdat zij

een half jaar later aan den overkant van den hemelbol haar

noordelijksten stand, haar zomerplaats bereikt, juist tegenover de

winterplaats In het volgende halfjaar loopt zij aan den anderen kant

van den hemel schuin naar beneden, naar het Zuiden terug. _De zon

loopt dus in een schuinliggende baan rondom den hemel heen_;

daardoor komt het, dat zij gedurende haar omloop afwisselend naar

het Noorden en naar het Zuiden heen en weer schommelt. Deze baan

heet de _zonneweg of ekliptika_ (de beteekenis van dit woord zal

later blijken).

Wij behoeven er wel niet nog apart opmerkzaam op te maken, dat deze

schuine zonnebaan niets te maken heeft met onze vroegere schuine

dagelijksche zonnekringen. De ekliptika staat schuin ten opzichte

van de vaste punten van den hemelbol, de polen; de door de draaiing

van dezen hemelbol bewerkte dagelijksche zonnekring stond schuin ten

opzichte van den horizon, omdat de door de polen gaande hemelas zelf

scheef ten opzichte van den horizon stond.

[Illustratie: Hemelbol met zonneweg.]

De draaiing van den hemelbol neemt natuurlijk ook de ekliptika mee;

in de eerste figuur op de volgende bladzij, waar behalve de

ekliptika ook de schuine dagkringen aangegeven zijn, is de stand van

den hemel in een zomernacht weergegeven, wanneer het noordelijkste

punt van de ekliptika onder de pool staat. Twaalf uur later, wanneer

de hemel een halven slag gedraaid is en ieder punt van de ekliptika

een halven dagkring doorloopen heeft, neemt de hemel den stand van

den winternacht in, zooals in de tweede figuur, waarbij het

noordelijkste punt van de ekliptika hoog boven ons hoofd staat.

Door welke sterrebeelden loopt nu deze zonnebaan? Ze zijn in onze

afbeelding van den hemelbol reeds aangeduid; en wij kunnen ze ook

gemakkelijk vinden, wanneer wij van den regel gebruik maken, die ons

den sterrenhemel op ieder uur van den dag doet kennen, ook wanneer

wij zelf geen ster zien. De sterren, waartusschen de zon zich 's

middags om 12 uur in het Zuiden bevindt, staan precies zoo, maar dan

zonder zon, dus zichtbaar, aan den middernachtelijken hemel een half

jaar later.

[Illustratie: Oostelijke hemel met ekliptika.]

Wij beschouwen bij voorbeeld den hemel op 21 Juni te middernacht en

zoeken in het Zuiden de plaats, die juist even hoog ligt, als de zon

op 21 December 's middags om 12 uur staat; wij vinden dan een plaats

in het sterrebeeld de Schutter dicht bij de grens van den

Schorpioen; dat is de plaats van de zon op 21 December. Op dezelfde

manier vinden wij aan den middernachtelijken hemel van Augustus, dat

een plaats in het sterrebeeld de Waterman evenhoog in het Zuiden

staat als de zon 's middags in Februari; de Decemberhemel toont ons

te middernacht even hoog in het Zuiden, als de Junizon 's middags

staat, een plaats op de grens tusschen den Stier en de Tweelingen.

Zoo vinden wij, dat vanaf het zuidelijkste punt van haar baan de zon

de volgende, steeds noordelijker sterrebeelden doorloopt: den

_Schutter_, den _Steenbok_, den _Waterman_, de _Visschen_, den _Ram_

en den _Stier_; en dan weer naar het Zuiden afdalend de

sterrebeelden: de _Tweelingen_, de _Kreeft_, den _Leeuw_, de

_Maagd_, de _Weegschaal_ en den _Schorpioen_. In de Visschen, waar

de zon den aequator passeert, ligt het lentepunt, in het begin van

de Maagd ligt het herfstpunt.

Deze 12 sterrebeelden, waarvan de zon er telkens één in ongeveer een

maand doorloopt, heeten de _sterrebeelden of de teekens van den

dierenriem_. Zij verdienen onze bijzondere belangstelling, omdat het

_dezelfde sterrebeelden zijn, waarin de planeten zich óók altijd

bevinden_. Daarom hebben zij reeds in den vroegsten tijd de aandacht

getrokken en zij behooren tot de oudste sterrebeelden, die

bijzondere namen gekregen hebben.

Wil men de plaats van de zon of van een planeet nog nauwkeuriger

aangeven dan door den naam van het sterrebeeld, dan verdeelt men,

naar een van de Babyloniërs afkomstig gebruik, de geheele ekliptika

in 360 gelijke deelen, die _graden_ genoemd worden en waarvan de zon

-- die een middellijn van ongeveer een halven graad heeft -- er

ongeveer één per dag doorloopt (voor nog nauwkeuriger opgaven wordt

een graad in 60 minuten en een minuut in 60 seconden onderverdeeld).

Het aantal graden, dat de zon van af het lentepunt, waar zij den

aequator passeert, in haar baan heeft doorloopen, wordt haar

_lengte_ genoemd. Met dezelfde maat meet men ook, hoe ver een

planeet of een ster ten noorden of ten zuiden van de ekliptika

staat; deze afstand heet hun _breedte_. Op de beide kaarten van den

dierenriem achter in dit werk stelt de rechte lijn in het midden de

ekliptika voor, die door streepjes in graden (ieder == 2 mM.)

verdeeld is; de lengte wordt door de getallen aan den bovenrand

aangegeven, terwijl de namen der sterrebeelden onder de kaarten

staan. Van elke ster op die kaarten zijn dus lengte en breedte

gemakkelijk af te lezen, en hetzelfde geldt voor een planeet of voor

de maan, als hun plaats tusschen de sterren op de kaart is

ingeteekend.

De verdeeling van de ekliptika in 360 graden, die ongetwijfeld met

de 365 dagen van het jaar samenhangt, is naderhand op andere

cirkels, die om den hemel loopen, en ten slotte op alle cirkels

overgebracht. Iedere afstand aan den hemel wordt met deze maat

gemeten; de afstand tusschen toppunt en horizon, evenals die

tusschen hemelpool en aequator bedraagt 1/4 van den omtrek des

hemels, dus 90 graden. De hoogte van de noordpool boven den horizon,

die aangeeft hoe schuin de hemelas staat, bedraagt ruim 50 graden.

Het Noordelijkste punt der ekliptika ligt 66 1/2 graad van de

noordpool af, dus 23 1/2 graad van den aequator; dit getal geeft dus

de schuinschheid van de ekliptika aan.

Wij zijn nu met de verklaring van de verschijnselen, die met het

jaargetij wisselen, een heel stuk verder gekomen. De zon wandelt

jaarlijks aan den hemelbol rond in een baan, die scheef ten opzichte

van zijn omwentelingsas staat en komt zoo beurtelings dichter bij de

Noordpool en bij de Zuidpool. De draaiing van den hemelbol, die ook

de zon meevoert, doet de wisseling van dag en nacht ontstaan. En de

beweging van de zon in haar jaarlijksche baan bewerkt, dat deze

wisseling van dag en nacht in de verschillende jaargetijden

verschillend is, en dat tegelijkertijd het uiterlijk van den

nachtelijken sterrenhemel met het jaargetij verandert.

De Wonderbouw der Wereld · 第 15 / 64 题