6. DE HEMELBOL.

De beschouwing van de sterren en de sterrebeelden aan den hemel

heeft ons, naast vele andere later te pas komende uitkomsten, dit

eerste belangrijke feit leeren kennen: _de figuren, die de sterren

met elkaar vormen, behouden steeds onveranderlijk dezelfde gedaante_

-- natuurlijk afgezien van de planeten. Dit geldt zelfs voor

duizenden van jaren, want de Grieksche astronomen der oudheid zagen

de sterrebeelden precies zoo, als wij ze nu zien. Wat beteekent deze

onveranderlijkheid?

Wanneer wij in het donker in de verte eenige lichtjes zien, die zich

bewegen, maar daarbij altijd ten opzichte van elkaar denzelfden

stand behouden en te zamen op en neer of heen en weer gaan, dan

besluiten wij, dat zij op een of andere manier aan elkaar vast

moeten zitten, als deelen van een enkel bewegend voorwerp. Zien wij

nu op dezelfde manier, dat b.v. de sterren van den Groote Beer of

van Orion bij hun beweging steeds dezelfde plaats ten opzichte van

elkaar behouden, dan ligt ook hier dezelfde gevolgtrekking voor de

hand: de sterren gaan niet zelfstandig, onafhankelijk van elkaar,

ieder haar eigen bepaalden weg, maar _zij zitten aan elkaar vast_ en

gaan gezamenlijk hun weg. Dat geldt natuurlijk niet alleen voor een

enkel sterrebeeld, maar ook voor alle te zamen; als een vast met

elkaar verbonden geheel cirkelen ze om ons heen. Zij zijn òf door

onzichtbare stangen met elkaar verbonden, _òf zij zitten alle aan

een hemelbol vastgehecht_.

Deze voorstelling, dat de sterren evenals "gouden spijkers aan een

blauwen koepel" vastgehecht zijn aan een hemel, die zich langzaam

beweegt en ze daarbij alle meeneemt, heeft zich reeds zeer vroeg aan

de menschen opgedrongen. Zij sluit zich ook vanzelf aan bij den

allereersten indruk, dat de hemel een blauwe halve bol is, die zich

als een koepel boven ons hoofd welft. Maar wij kunnen nu niet meer

aannemen, dat deze halve bol aan den horizon op de aarde rust. Want

de sterren gaan op en onder; zij zetten na hun ondergang hun weg

voort en duiken later ongedeerd in dezelfde figuren weer boven den

oostelijken horizon op. Daaruit blijkt, dat het hemelgewelf zich ook

onder den horizon voortzet, zich onder de aarde door beweegt en ook

dáár de sterren meevoert, nadat zij ondergegaan zijn. De hemel is

dus geen koepel, geen halve bol, maar een geheele bol, die van

binnen hol is, terwijl wij ons in het middelpunt bevinden. _De hemel

beweegt zich om ons als een vaste, holle, bolvormige schaal, die de

daaraan vastzittende sterren door haar beweging met zich meevoert_.

Wij hebben nu een heel ander beeld van den hemel gekregen dan in het

begin. Toen was hij de verzamelnaam voor alles, wat zich boven ons

bevindt; regenboog en wolken behoorden even goed tot den hemel als

zon en sterren. Wolken en regenboog zijn echter een geheel ander

soort dingen dan zon en sterren; zij zijn vergankelijk en

onbestendig als regen en wind en behooren evenals deze tot de aarde.

De zon en de sterren zijn boven die onbestendigheid verheven; zij

zijn onvergankelijke hemellichamen, die in rustige majesteit hun

kringen beschrijven. De wolken zweven in horizontale lagen als een

hoogere verdieping boven het aardoppervlak en schijnen daarom aan

den horizon tot strepen samengedrongen en in elkaar geschoven. De

sterrebeelden daarentegen hebben aan den horizon denzelfden vorm als

hoog boven ons hoofd; voor den hemel zijn, zooals het bij een bol

behoort, alle richtingen gelijkwaardig. _Voor den hemel bestaat geen

boven en geen onder_, hij is niet slechts boven, maar ook onder de

aarde; _hij omgeeft de aarde aan alle kanten_. Daaruit volgt weer

nog overtuigender dan vroeger reeds, _dat de aarde een aan alle

zijden begrensd lichaam is_.

Op wat voor wijze beweegt zich nu deze bolvormige hemelschaal? Wij

kunnen de beweging van den noordelijken hemel gemakkelijk nabootsen

door een opgestoken paraplu schuin naar het Noorden boven ons te

houden en haar dan om den stok als as te laten ronddraaien. De

plaats, waar de stok door de paraplu gaat, verplaatst zich daarbij

niet en alle andere deelen van de paraplu draaien om deze plaats in

cirkels rond, die des te grooter zijn, naarmate zij verder naar den

rand toe liggen. Dus juist zooals de sterren in het Noorden om de

hemelpool draaien. In het Noorden draait het hemelgewelf om een as,

die het in de pool treft, juist zooals de paraplu om haar stok

draait. Een ander voorbeeld, dat ons de verschijnselen bij zulk een

draaiing voor oogen stellen kan, vinden wij in den draaimolen. Gaan

wij in het midden staan, dan zien wij de zitbanken in een kring om

ons heen draaien, terwijl hooger gelegen dingen, b.v. de lampen,

boven ons een kring beschrijven. Konden wij nu de as van den

draaimolen scheef zetten, naar het Noorden toe, dan kwamen alle

kringen schuin te liggen; elk ding bereikte dan in het Zuiden zijn

hoogste, in het Noorden zijn laagste plaats. Spanden wij dan over

den draaimolen nog een ballon van tentdoek met de sterrebeelden er

netjes op geschilderd, dan hadden wij een sprekend gelijkend beeld

van den hemelbol. Draait de ballon met den draaimolen langzaam om de

as, dan doorloopt iedere ster een schuinen kring, die naar het

Zuiden toe het hoogst ligt.

Zoo vinden wij voor de dagelijksche beweging der sterren een uiterst

eenvoudige verklaring: _de hemelbol, waaraan de sterren vastzitten,

draait regelmatig eens per dag om een as, die naar het Noorden

schuin naar boven gericht is_. Wat ons vroeger als een merkwaardig

toeval voorkwam: het feit -- dat de oorzaak van alle bijzonderheden

in opkomst en ondergang der hemellichamen is -- dat de dagelijksche

kringen van alle sterren even schuin liggen, openbaart zich hier als

het vanzelf sprekende gevolg van een enkele oorzaak: omdat alle

sterren meegevoerd worden door den hemelbol, die zich om een scheef

opstaande as wentelt, daarom moeten hun banen alle even schuin zijn

en evenwijdig met elkaar. De as zelf zien wij natuurlijk niet, omdat

zij geen vaste stang maar een denkbeeldige lijn is; haar plaats

kennen wij daaraan, dat zich daar de rustende hemelpool tusschen de

sterren bevindt, die er om heen draaien. Natuurlijk moet zich aan

den anderen kant van den hemelbol, daar, waar de schuin naar het

Zuiden omlaag gerichte as hem treft, juist tegenover de zichtbare

pool, ook een rustende pool bevinden, de voor ons onzichtbare

_Zuidpool_ des hemels. De sterren, die zich in haar buurt bevinden

en in kringen om haar heen bewegen, bereiken den horizon nooit en

blijven altijd onzichtbaar voor ons.

[Illustratie: Draaiende hemelbol, van buiten gezien.]

Wij kunnen dus aan den hemelbol met zijn sterren drie verschillende

gebieden onderscheiden; een kap om de Noordpool heen omvat de

sterren, die nooit ondergaan en altijd zichtbaar blijven; een kap om

de Zuidpool heen omvat de sterren, die nooit opkomen en altijd

onzichtbaar blijven; daartusschen ligt een breede gordel, die alle

sterren bevat, die aan den oostelijken horizon opkomen en aan den

westelijken ondergaan. In het midden van dezen gordel loopt de

_aequator des hemels_ om den hemelbol heen, als een kring, die

overal even ver van beide polen verwijderd blijft. Hij verdeelt den

hemel in een noordelijke en een zuidelijke helft, en doorsnijdt den

horizon precies in het Oosten en in het Westen.

Bij onze beschouwing van de hemelverschijnselen zijn wij begonnen de

beweging van de zon nauwkeurig na te gaan, en wij bemerkten

vervolgens, dat de maan en de sterren juist zulke kringen als de zon

beschrijven. Thans hebben wij de beweging van alle sterren tot een

enkele, eenvoudige oorzaak teruggebracht, tot de draaiing van den

hemelbol. Het ligt nu voor de hand, de vraag te stellen, of

misschien ook de dagelijksche kringen van zon en maan denzelfden

oorsprong hebben.

Voor de maan ligt het bevestigend antwoord dadelijk voor de hand.

Wij zien haar aan den hemel tusschen de sterren staan en met de

sterren langzaam voortwandelen. Wij zien met onze eigen oogen, dat

de maan op een bepaalde plaats aan den hemel zit en door den

hemelbol in zijn draaiing meegenomen wordt.

Is het echter bij de zon wezenlijk anders gesteld? Ja, zoolang wij

dachten, dat de zon eenzaam en alleen als dagvorstin aan den hemel

troonde en haar baan beschreef, konden wij niet anders denken dan

dat zij zelfstandig haar eigen weg ging. Maar wij weten nu, dat ook

overdag de hemel vol sterren zit, die wij slechts door het schelle

daglicht niet kunnen zien. Ook de zon staat midden tusschen de

sterren en wandelt te zamen met hen voort, in het Oosten omhoog, in

het Westen omlaag. Zij staat niet alleen, zij is slechts één

hemellichaam, zij het ook het allerhelderste, tusschen de andere.

Het is volstrekt niet noodig voor haar een eigen dagelijkschen kring

aan te nemen. Wanneer zij, aan den hemel vastgehecht, door zijn

draaiing meegesleept wordt, moet zij dag aan dag juist zulk een

kring beschrijven, als wij bij haar gevonden hebben. _Ook de

dagelijksche kringen van zon en maan vinden hun oorzaak in de

wenteling van den hemelbol om zijn as_.

Zoo zijn wij dus hier tot een opvatting van den hemel gekomen, die

de verschijnselen op een uiterst eenvoudige manier weergeeft. Als

een reusachtige bolschaal, in wier middelpunt wij ons bevinden,

wentelt de hemel zich dagelijks gelijkmatig om zijn scheefstaande

as. Hij is met sterrebeelden bedekt, die alle hun vaste plaatsen

hebben. Ergens tusschen deze bevinden zich ook de zon en de maan. En

al deze hemellichamen worden door de wenteling in schuine kringen

meegevoerd. Bevinden zich zon en maan aan de onderste onzichtbare

helft van den hemelbol en wordt onze blik niet door wolken of nevels

belemmerd, dan zien wij den donkeren hemel met sterren bezaaid.

Klimt door de draaiing des hemels de plaats, waar de maan zich

bevindt, boven den horizon, dan verbleeken de zwakke sterren. Nadert

de plaats van de zon den horizon, dan worden de luchtlagen om ons

heen zoo helder verlicht, dat wij op den blauwen hemelgrond geen

ster meer kunnen zien; het is dag. De hemel draait verder; dat hij

sterren meevoert, daarvan zien wij niets; wij zien alleen het

helderste hemellicht, de zon, en aan haar beweging naar het Zuiden

en dan naar het Westen bemerken wij de draaiing van den hemel.

Sleept hij eindelijk de zon met zich mee onder den horizon, dan

houdt de verlichting van den dampkring om ons heen op; het wordt

nacht, en de sterren verschijnen weer, rustig en gelijkmatig als

altijd hun kringen beschrijvend, door den eindeloos regelmatig

voortdraaienden hemelbol meegevoerd.

Daarmee zijn de eerste vragen beantwoord, die de beschouwing van den

hemel ons stelde. Maar daardoor worden wij meteen voor nieuwe vragen

gesteld. Voor de eigenlijke sterren is het vraagstuk van haar

beweging opgelost; zij hebben vaste plaatsen aan den hemel -- zij

heeten daarom ook _vaste sterren_ -- en haar geheele beweging komt

hierop neer, dat zij eenvoudig door de draaiing des hemels

meegenomen worden. Anders staat het met de zon, de maan en de

dwaalsterren, de planeten. Deze blijken nu alle met elkaar verwant

te zijn, doordat zij geen vaste plaatsen aan den hemelbol hebben;

zij veranderen van plaats en bewegen zich langs den hemel tusschen

de sterren door. Wanneer wij nu hier en later over hun beweging

spreken, is dit in geheel anderen zin dan vroeger. Met de

dagelijksche kringen zijn wij nu klaar; alles, wat een gevolg van de

regelmatige draaiing van den hemel is, laten wij dus verder rusten.

Wat nu als beweging overblijft, en als hun eigen werkelijke beweging

het onderwerp onzer verdere beschouwing zal zijn, is enkel hun

_beweging langs den hemelbol_, waarbij de vaste sterren de

vaststaande mijlpalen zijn. Deze beweging zullen wij nu nauwkeuriger

onderzoeken. Bij de planeten en de maan is dat niet moeilijk; wij

kunnen hun plaats tusschen de sterren zoo vaak wij willen

onmiddellijk waarnemen, in een sterrenkaart inteekenen en zoo van

avond tot avond, van maand tot maand hun loop volgen. Bij de zon

gaat dat moeilijker, omdat zij de sterren in haar buurt onzichtbaar

maakt; hier moeten wij dus een anderen weg inslaan.

De Wonderbouw der Wereld · 第 14 / 64 题