Wanneer wij de sterren aan den nachtelijker hemel beschouwen, zien
wij, dat zij groepen en figuren met elkaar vormen, die steeds
onveranderlijk hun vorm behouden. De merkwaardigste onder deze zijn
den menschen reeds in den vroegsten tijd opgevallen, toen zij voor
't eerst op den hemel gingen letten; zij kregen bijzondere namen
evenals ook enkele aparte sterren. In de oude Grieksche
heldenliederen van Homerus worden Orion, de Boötes en de Wagen
vermeld en evenzoo de Hondster Sirius, die voor duizenden jaren in
Egypte vereerd werd. Overal zijn de primitieve volken met eenige
opvallende stergroepen bekend; hier te lande kennen de boeren
onafhankelijk van alle schoolonderwijs de Zevenster en den Wagen.
Waar de menschen zich dan meer en geregelder met den sterrenhemel
bezighielden, ontstond de behoefte om ook aan andere groepen namen
te geven, die, al naar een uiterlijke gelijkenis of een
mythologischen samenhang, aan de dierenwereld, de menschenwereld of
de sagenwereld ontleend werden. Zoo zag men in een kruis van 5
sterren een vliegenden vogel, b.v. een zwaan; in een smallen,
rechtopstaanden vierhoek een menschelijke gestalte. De Babyloniërs
hebben reeds meer dan 10 eeuwen v. Chr. vele sterrebeelden en aparte
sterren van namen voorzien; de Grieken uit de klassieke oudheid
hebben deze gedeeltelijk van hen overgenomen en aangevuld. De
moderne wetenschap heeft deze verdeeling van de sterrenwereld in
sterrebeelden bewaard, omdat dit een uitstekend middel is om die
anders zoo onoverzichtelijke, onregelmatige massa te ordenen, vlug
den weg te vinden aan den hemel en ook de kleinere sterren door een
letter of een nummer in zulk een sterrebeeld aan te duiden. Omdat
het moderne West-Europa zijn wetenschap voortgebouwd heeft op de
grondslagen, die aan de Grieksche oudheid ontleend waren, zijn de
meeste nu gebruikelijke namen aan de Grieksche goden- en sagenwereld
ontleend; andere volken, zooals de Chineezen, hebben geheel andere
sterrebeelden en namen.
Wanneer wij nu met behulp van sterrekaarten de voornaamste
sterrebeelden en sterren willen leeren kennen, moeten wij wel op een
omstandigheid letten, die ons anders licht in de war zou kunnen
brengen. Wij treffen aan den hemel nu en dan heldere sterren aan,
die niet op de kaarten staan en waardoor een sterrebeeld er geheel
anders uitziet dan op de kaart. Deze sterren konden echter op de
kaart niet opgenomen worden, omdat zij geen vaste plaatsen hebben,
maar voortdurend tusschen de andere sterren ronddwalen. Het zijn de
zoogenaamde _dwaal-sterren_, of, naar het Grieksch, _Planeten_
(planeta beteekent "de rondzwervende"), en tot hen behooren de
allermooiste en schitterendste sterren.
[Illustratie: Kaart I. Noordelijke hemel.]
Zij bevinden zich altijd in een smalle strook van den hemel, die op
de kaarten als "_dierenriem_" aangeduid is; vinden wij dus ergens in
deze strook een heldere ster, die op de kaart ontbreekt, dan is het
stellig een planeet, en na eenige dagen of weken zullen wij haar op
een andere plaats vinden.
Wij beginnen onze beschouwing met den ~herfst~, laten wij zeggen in
Oktober 's avonds om 10 uur, en wij richten het oog eerst naar het
Noorden. Wat wij daar zien, toont ons kaart I, wanneer men de kaart
zóó houdt, dat het woord "herfst" onder komt; de boog, waar dit
woord onder staat, stelt den horizon voor, terwijl het toppunt des
hemels recht boven ons hoofd door een cirkeltje met de letter H
wordt aangeduid. Juist in het Noorden op geringe hoogte staat de
_Wagen_, of, zooals de sterrekundigen hem noemen, de _Groote Beer_,
een figuur van 7 heldere sterren, die wel het meest van alle
sterrebeelden bekend is. Bij de boeren heet hij vaak de _Ploeg_, wat
zijn vorm nog veel treffender weergeeft. De dissel of de staart is
naar links gekeerd; de beide meest rechtsche sterren van den
vierhoek wijzen naar boven bijna precies naar de _Poolster_. Van de
Poolster gaat links naar beneden een boog van kleine sterretjes, die
ook in een vierhoek eindigt; wegens de gelijkenis in vorm heeft men
dit beeld de _Kleine Beer_ gedoopt; de Poolster vormt de punt van
zijn staart. Tusschen de beide Beren en dan links naast den Kleinen
Beer slingert zich een sterrenrij, de _Draak_, die naar het
Noordwesten toe in een kleinen scheeven vierhoek eindigt. Links
daarnaast staat in het Noordwesten de heldere ster _Wega_ in de
_Lier_. De kleinere sterren links boven de Poolster vormen het
sterrebeeld _Cepheus_; en recht boven ons hoofd staat als een
driehoek met een staart of ook als een misvormde letter W het
opvallende beeld _Cassiopeia_.
Gaan wij nu tot de sterrebeelden aan den westelijken hemel over, dan
gebruiken wij kaart II, die wij zóó houden, dat de lijn, die den
zuidwestelijken horizon voor den herfst aanduidt, naar onderen ligt;
de plaats H duidt het toppunt van den hemel boven ons hoofd aan.
Juist in het Westen staat de _Zwaan_ als een kruis van sterren, de
heldere ster aan den staart boven, de beide vleugels links en
rechts, en den kop diep naar beneden. Een flauwe lichtband, grillig
uit wonderbare wolkjes en banden samengesteld, de Melkweg, loopt
door dit beeld heen, naar boven naar Cassiopeia, naar beneden naar
den _Arend_ met de heldere ster _Altaïr_.
[Illustratie: Kaart II. Zuidelijke hemel in zomer en herfst.]
Meer naar het Zuiden toe liggen in den Dierenriem de uit kleine
sterretjes bestaande beelden _Steenbok_ en _Waterman_, en daaronder,
laag in het Zuiden, de heldere maar steeds door de dampen van den
horizon verzwakte ster _Fomalhaut_. Hoog in het Zuiden ligt als een
groot opvallend vierkant het dichterpaard _Pegasus_ op zijn rug, met
den kop naar rechts gekeerd.
Met behulp van kaart III, waar een getrokken lijn den
Zuid-oosthorizon voor den herfst voorstelt en de letter H weer het
toppunt, zien wij, dat aan den vierhoek van Pegasus zich naar het
Oosten de sterrenrij van _Andromeda_ aansluit; daar beneden staat de
_Ram_ en nog lager in het Zuidoosten de _Walvisch_, alle met minder
heldere sterren. Vlak in het Oosten klimt naast Andromeda _Perseus_
naar boven. Onder hem ligt een dicht opeen gedrongen hoopje sterren,
de _Zevenster_ (of de _Pleiaden_) en de roodachtige _Aldebaran_,
waaraan een groepje kleine sterren in de gedaante van een liggende V
vastzit; beide groepen behooren tot den _Stier_. Onder den Stier
duikt in het Oosten _Orion_ juist boven den horizon op, door zijn
rijkdom aan heldere sterren het schoonste sterrebeeld; links staat
de schitterende roode _Betelgeuse_,1) rechts de even heldere
blauwwitte _Rigel_; in het midden staan de _Drie Koningen_, de
gordel van Orion, een rij van drie iets minder heldere sterren, die
in een rechte lijn vlak boven elkaar staan. Links van Orion staan
laag in het Noordoosten de _Tweelingen_; daarboven schittert in het
Noordoosten in het sterrebeeld de _Voerman_ als helderste ster de
geelachtige _Capella_, die van de Poolster gescheiden is door een
groote leege ruimte zonder een enkele heldere ster.
1) De meeste sternamen zijn min of meer verminkte Arabische woorden.
Betelgeuse komt van bed-el dsjaoedza == schouder van den reus; Rigel
van ridsjl-el-dsjaoedza == voet van den reus; Wega komt van el-waki
== de vallende (arend). Altair van el-tair == de vliegende (arend);
Algol van râs-el-goel == kop van het monster, Deneb beteekent
staart, el-debaran (Aldebaran) == de (op de Zevenster) volgende;
foem-el-hoet (Fomalhaut) == bek van den visch, achir-nahr (Achernar)
== einde van de rivier. Aan het Grieksch zijn ontleend: Sirius
(seirios == de vurige, brandende), Arkturus (arkt-oeros ==
berenhoeder), Antares (beteekent aan Ares (Mars) gelijk), Procyon
(aan den hond, nl. Sirius, voorafgaand). Latijnsche namen zijn:
Capella (het geitje), Spica (de korenaar) en Regulus (de vorst).
[Illustratie: Kaart III. Zuidelijke hemel in herfst en winter.]
Beschouwen wij nu den hemel in den ~winter~, b.v. in Januari 's
avonds om 10 uur. Wij vinden dan in het Noorden weer dezelfde
sterrebeelden als in den herfst, alleen in een anderen stand, zooals
kaart I ze toont, wanneer men het woord "winter" beneden houdt.
_Wega_ is verdwenen, het vierhoekje van den _Draak_ staat beneden,
en links daarvan, op dezelfde hoogte, bevindt zich _Deneb_, de
helderste ster in den Zwaan. _De Groote Beer_ klimt in het
Noordoosten omhoog, _Capella_ schittert recht boven ons hoofd en
_Cassiopeia_ daalt in het Noordwesten naar beneden. In het Westen
zien wij met behulp van kaart III, waar W het toppunt van den hemel
aanduidt, de sterrebeelden _Perseus_, _Andromeda_, _Pegasus_, _Ram_,
_Walvisch_, die wij van den herfsthemel kennen, naar beneden dalen.
In het Zuiden staat nu een overvloed van de mooiste sterrebeelden
met de helderste sterren; iedereen kent de fonkelende pracht van de
vriezende winternachten. In het midden, recht in het Zuiden, staat
de reus _Orion_, als een opstaande rechthoek, met de roode
_Betelgeuse_ aan den linkerschouder boven, de witte _Rigel_ aan den
rechtervoet beneden. Een krans van heldere sterregroepen ligt in een
wijden kring om hem heen. Rechts boven staat de _Stier_ met de
roodachtige _Aldebaran_ en het _Zevengesternte_; juist boven staat
de _Voerman_ met de geelachtige _Capella_ hoog boven ons hoofd;
schuin links boven ziet men de _Tweelingen_ met de beide heldere
sterren _Castor_ en _Pollux_; vlak links staat de eenzame _Procyon_
in den _Kleinen Hond_, en schuin links beneden de helderste van alle
vaste sterren, de blauwachtig-witte hondster _Sirius_, die met een
aantal lager liggende sterren het sterrebeeld de _Groote Hond_
vormt.
Onderzoeken wij met behulp van kaart IV den Oostelijken hemel
verder, zoo zien wij daar als voornaamste sterrebeeld den _Leeuw_
met een vrij heldere ster _Regulus_ omhoogstijgen. Rechts daarvan
steekt de _Waterslang_ haar kop omhoog. Boven den Leeuw staan in het
Noordoosten een aantal kleinere sterren, die tot den Grooten Beer
behooren.
[Illustratie: Kaart IV. Zuidelijke hemel in winter en lente.]
Het ~voorjaar~ toont ons om 10 uur 's avonds in April in het Westen
(zie kaart IV, waar L het toppunt van den hemel aanduidt) de
wegzinkende achterhoede van de heldere wintersterren. Orion is bezig
onder te gaan; nadat de _Drie Koningen_ als een liggend rijtje
ongeveer tegelijk met _Sirius_ verdwenen zijn, blijft alleen
_Betelgeuse_ nog eenigen tijd zichtbaar. Boven haar staan de
_Tweelingen_, links daarnaast schuift _Procyon_ achter hen aan, en
rechts van allen staat de _Voerman_ met _Capella_ in het
Noordwesten. Van het Zuidwesten door het Zuiden naar het Zuidoosten
strekt zich als een lange reeks van kleinere sterren de _Waterslang_
uit; daarboven staat hoog in het Zuiden de _Leeuw_, waarvan de
mooiste ster _Regulus_ lang niet de helderheid van de wintersterren
bereikt. Laag in het Zuiden valt ons een kleine scheeve vierhoek op
van matig heldere sterren: _de Raaf_: links daarboven (van hier af
gebruiken wij voor den oostelijken hemel kaart V) bevindt zich het
sterrebeeld _de Maagd_ met een enkele heldere ster _Spica_ (de
Korenaar), en nog hooger aan den hemel staat een vreemd vertakt
hoopje kleine sterretjes, _het Hoofdhaar van Berenice_. Prachtig
schittert hoog in het Zuidoosten de roodachtiggele _Arcturus_, de
helderste ster van den _Boötes_, en iets lager staat daarnaast een
boog van kleine sterren, de _Kroon_, met _Gemma_ (de Edelsteen) als
helderste tusschen de andere. Als een bochtige sterrenreeks stijgt
daaronder de _Slang_ naar boven. Een groot aantal meest kleinere
sterren in het Oosten vormen het sterrebeeld _Hercules_, en
daarnaast vinden wij in het Noordoosten de _Lier_ met de heldere,
witte _Wega_. De Noordelijke hemel toont ons het beeld van kaart I
met het woord "Lente" beneden. Hoog boven ons hoofd staat de _Groote
Beer_, laag in het Noorden dicht bij den horizon _Cassiopeia_; in
het Noordwesten daalt _Capella_ naar beneden, in het Noordoosten
stijgt _Wega_ omhoog.
De ~zomer~avonden in Juli en Augustus toonen ons, wanneer de
schemering verdwenen is, een pracht van sterren, die niet minder is,
maar van een andere, weekere natuur dan de strakke, tintelende
felheid van den winterhemel. Nu is het vooral de teere lichtband van
den _Melkweg_, die met zijn wonderbaar schilderachtigen en grilligen
vormenrijkdom van heldere nevelwolken, lichtstrepen, donkere holen
en groeven het oog treft.
[Illustratie: Kaart V. Zuidelijke hemel in lente en zomer.]
In zijn loop van het noordoosten naar het Zuiden wordt hij door een
reeks van mooie sterrenrijke beelden begeleid, al is ook het aantal
der allerhelderste sterren niet zoo groot als aan den winterhemel.
In het Noordoosten stijgt _Cassiopeia_ omhoog; aan haar sluiten zich
de kleine sterren van _Cepheus_ aan, en daarnaast zweeft, hoog in
het Oosten, als een groot sterrenkruis de _Zwaan_. Op zij naast den
Melkweg schittert hoog boven ons hoofd _Wega_ in de _Lier_. Meer
naar het Zuiden toe (zie kaart II, waar Z het toppunt van den hemel
beduidt) volgt de _Arend_ met de heldere ster _Altaïr_. Beneden den
Arend ligt een opvallende heldere melkwegvlak in den vorm van een
schild, die aan een sterrebeeldje met enkel kleine sterretjes dezen
naam heeft gegeven; en laag in het Zuiden toont ons de _Schutter_
een door de dampen van den horizon sterk verzwakt beeld van een
opgehoopt mengsel van sterren en vlokkige lichtnevels. Rechts
daarnaast (zie kaart V) staat het sterrenrijke beeld van den
_Schorpioen_ met de roode _Antares_, waar, door de nabijheid van den
horizon, van het melkweglicht nauwelijks meer iets te zien is. Boven
den _Schorpioen_ bevindt zich aan den Zuidwesthemel de _Slang_ met
den _Slangendrager_ en daarboven _Hercules_, alle zonder opvallende
sterren. Hoog in het Westen schittert als helderste ster van den
zomerhemel de roodachtige _Arcturus_ in den _Boötes_; diep onder hem
gaat _Spica_ juist onder. Hoog in het Noordwesten daalt de _Groote
Beer_ naar beneden; recht in het Noorden strijkt _Capella_ vlak
boven den horizon langs. In het Noordoosten stijgen eenige sterren
van _Perseus_, in het Oosten _Andromeda_ en daarbij aansluitend in
het Zuidoosten de vierhoek van _Pegasus_ boven den horizon omhoog.