4. DE STERRENHEMEL.

Wanneer de zon onder is, ziet men aan den nachtelijken hemel,

wanneer het helder is, de sterren en somtijds de maan. Willen wij

hun verschijnselen nagaan, dan kost dat wat meer moeite dan bij de

zon, daar zij grootendeels plaats vinden, wanneer de menschen

slapen. Toch kan men op de lange winteravonden, een enkele maal door

waarnemingen in de latere uren van den nacht aangevuld, alle

verschijnselen leeren kennen, die noodig zijn om ons een juist

inzicht in de bewegingen aan den hemel te verschaffen.

Wij beginnen met de _maan_. Letten wij op de plaats, waar zij zich

op den een of anderen tijd bevindt, en kijken dan een paar uur later

nog eens, dan bemerken wij, dat zij zich aan den hemel verplaatst

heeft, en wel _juist zoo, als de zon zich op dezelfde plaats ook

beweegt_. Zoo ziet men nu en dan bij het begin van een winteravond

de volle maan in het Noordoosten opkomen; in schuine richting klimt

zij aan den hemel omhoog, te middernacht staat zij hoog in het

Zuiden boven ons hoofd, en kort voor het aanbreken van den dag ziet

men haar laag in het Noordwesten neerdalen -- alles precies zoo, als

de zon het 's zomers doet. Staat zij op een herfstavond als een

sikkel laag in het Zuiden, dan daalt zij na weinige uren in het

Zuidwesten onder den horizon, evenals de winterzon het doet. Bij de

maan is dat alles vrij gemakkelijk waar te nemen, omdat men haar ook

overdag kan zien, als een bleek wit wolkje, dat door zijn scherpe

begrenzing en zijn onbeweeglijkheid van de werkelijke wolken te

onderscheiden is. Het is niet zoo heel moeilijk, zich ervan te

overtuigen, dat hare banen aan den hemel nauwkeurig met die van de

zon overeenstemmen: gaat zij juist in het Oosten op, dan staat zij 6

uur later in het Zuiden op een gemiddelde hoogte en gaat zij nog

weer 6 uur later in het Westen onder; komt zij in het Zuidoosten op,

dan gaat zij in het Zuidwesten onder, bereikt in het Zuiden slechts

een geringe hoogte en blijft slechts 8 uren zichtbaar; enz. Op welke

tijden van den dag en het jaar zij deze verschillende kringen

doorloopt, daarom bekommeren wij ons nu nog niet; dat zullen wij

later nauwkeuriger nagaan. Voor het oogenblik stellen wij ons met

deze wetenschap tevreden: _de maan loopt in juist zulke schuine

kringen om ons heen als de zon_.

Hoe staat het nu met de _sterren_? Richten wij op een avond ons oog

op een heldere ster en kijken wij een paar uur later weer, waar zij

dan staat, dan zien wij, dat ook zij zich juist zoo beweegt als de

zon, wanneer die zich op dezelfde plaats bevindt. Sterren in het

Oosten klimmen schuin naar rechts omhoog, in het Zuiden bewegen zij

zich alleen naar rechts en in het Westen dalen zij schuin rechts

naar beneden.

Wanneer echter de morgen aanbreekt, verdwijnen de sterren. Zij

vluchten van den hemel weg, zooals een dichter uit de oudheid het

uitdrukte. Waar zijn zij gebleven? Zijn zij werkelijk verdwenen of

weggevlucht? Wanneer men een heldere ster 's morgens meer en meer

ziet verbleeken en steeds kleiner worden tegen den blauwen hemel,

dan dringt zich vanzelf de gedachte op, dat zij er nog altijd is, al

zien wij haar tegen den hel lichtenden hemelgrond niet meer. Wanneer

des avonds een fijn lichtpuntje opduikt en bij toenemende donkerheid

aldoor schitterender wordt, dan moet het er te voren ook al geweest

zijn. _Niet de ster zelf ontstaat en wordt sterker, maar alleen haar

indruk op ons oog_.

Het is ook gemakkelijk te begrijpen, dat de nachtelijke sterren

overdag niet zichtbaar kunnen zijn. Bij helderen maneschijn zien wij

's nachts ook maar weinig sterren; de geheele hemel wordt door de

maan flauw verlicht, waardoor de kleinste sterren onzichtbaar worden

en slechts de heldere zeer verzwakt overblijven. Was de maan nog

schitterender, dan zou zij ook nog helderder sterren onzichtbaar

maken. De zon overtreft de maan duizenden malen in glans; zij

verlicht den hemel zoo sterk, dat alle sterren onzichtbaar worden.

Slechts een enkele, de allerhelderste, de avondster, is nu en dan,

wanneer men haar plaats aan den hemel ongeveer kent, ook overdag als

een flauw lichtpuntje tegen het felle blauw te zien. Al lijkt het

dus op het eerste gezicht wat vreemd, toch moeten wij aannemen, dat

_ook overdag de hemel vol sterren zit_, die alleen door de felle

verlichting van den hemel door de zon voor ons onzichtbaar zijn.

Wanneer iemand zich soms door de eenvoudige logika van deze

gevolgtrekking niet laat overtuigen, dan kan men hem de feiten

voorhouden, dat met een verrekijker de sterren ook bij zonneschijn

te zien zijn en dat bij een zonsverduistering overdag overal aan den

hemel sterren opduiken.

Hoe de sterren nu overdag bewegen, kunnen wij niet zien; maar er is

toch wel geen twijfel mogelijk, dat ze zich dan evenzoo bewegen als

des nachts of zooals zon en maan overdag. Zoo zien wij b.v. in een

nacht een ster dicht bij de maan staan; des morgens wordt de ster

onzichtbaar, maar de maan zien wij als een bleek wolkje haar kring

verder doorloopen; moeten wij dan niet aannemen, dat de ster nog

altijd in haar buurt blijft en met haar meeloopt? Wij zien van de

banen der sterren slechts gedeelten; maar in deze deelen bewegen zij

zich steeds juist zooals de zon en maan het ook op deze plaatsen

zouden doen; en telkens vinden wij een ster den volgenden avond op

dezelfde plaats van den hemel terug, waar zij den vorigen avond

stond. Dan is geen andere gevolgtrekking mogelijk als deze: _ook de

sterren bewegen zich van het Oosten naar het Westen in juist zulke

schuine kringen om ons heen, als de zon en de maan_. Van al deze

kringen ligt het hoogste punt in het Zuiden, het laagste in het

Noorden; iedere ster bereikt dus in het Zuiden haar grootste

hoogte. Hoe hooger de kring in het Zuiden ligt, des te kleiner is

het deel, dat de horizon in het Noorden van hem afsnijdt en des te

grooter deel van haar omloop blijft de ster zichtbaar; hoe geringer

haar hoogte in het Zuiden is, des te korter blijft zij boven den

horizon en des te verder liggen de plaatsen van opkomst en ondergang

naar het Zuiden toe. Het onderscheid tusschen de zon en de sterren

bestaat alleen hierin, dat _een ster altijd precies denzelfden kring

doorloopt_, terwijl deze bij zon en maan verschuift en wisselt.

Bovendien toonen de sterren nog eenige nieuwe verschijnselen, omdat

zij ook op plaatsen van den hemel staan, waar zon en maan nooit

komen. Staat een ster in het Zuiden nog lager, dan de zon in den

winter staat, dan is van haar kring een nog kleiner stuk zichtbaar

en zij blijft slechts een nog korter tijdje boven den horizon.

Omgekeerd bij sterren, die in het Zuiden hooger staan dan de

zomerzon; hun kring ligt overal nog boven den zomer-zonnekring en de

horizon snijdt er in het Noorden slechts een klein deel af. Gaat men

nu nog hooger en neemt men een ster, die in haar hoogsten stand

recht boven ons hoofd staat, dan ligt haar kring _heelemaal boven

den horizon_. Zulk een ster _gaat niet onder en komt niet op_: van

haar hoogste plaats in het toppunt des hemels daalt zij eerst wat

naar het Westen, draait bij het dalen steeds meer naar rechts naar

het Noordwesten toe, haar baan wordt steeds minder steil, steeds

vlakker en zij bereikt in het Noorden haar laagsten stand iets boven

den horizon; dan gaat zij naar het Noordoosten, steeds schuiner

omhoog klimmend, en nadert eindelijk weer van uit het Oosten het

toppunt. Zulk een ster beschrijft aan den noordelijken hemel een

vollen kring, dien wij geheel kunnen zien. Het is, alsof ze zich in

een cirkel om een middelpunt beweegt, dat zich aan den noordhemel

iets boven het midden tusschen horizon en toppunt bevindt.

[Illustratie: Baan van een ster in het Noorden.]

Let men op de verschillende sterren in het Noorden, dan bemerkt men,

dat dit voor alle geldt. _Iedere ster aan den noordelijken hemel

beschrijft dagelijks een kring om dit middelpunt, dat men de

hemelpool_ noemt; de kringen zijn natuurlijk des te kleiner, hoe

dichter de sterren bij de pool staan. En men bemerkt dan een vrij

heldere ster, die oogenschijnlijk steeds onbeweeglijk op dezelfde

plaats blijft staan; zij staat zeer dicht bij de pool en wordt

_Poolster_ of _Noordster_ genoemd. Alle andere sterren schijnen om

haar als middelpunt te draaien.

Wij hebben nu bij alle hemellichamen dezelfde soort beweging

gevonden; alle bewegen zich in kringen, die schuin van het Zuiden

naar het Noorden liggen. Dat wijst op een gemeenschappelijke oorzaak

voor hun beweging. Om deze te vinden moeten wij eerst onze aandacht

aan de afzonderlijke sterren wijden.

De Wonderbouw der Wereld · 第 12 / 64 题