Wanneer de zon onder is, ziet men aan den nachtelijken hemel,
wanneer het helder is, de sterren en somtijds de maan. Willen wij
hun verschijnselen nagaan, dan kost dat wat meer moeite dan bij de
zon, daar zij grootendeels plaats vinden, wanneer de menschen
slapen. Toch kan men op de lange winteravonden, een enkele maal door
waarnemingen in de latere uren van den nacht aangevuld, alle
verschijnselen leeren kennen, die noodig zijn om ons een juist
inzicht in de bewegingen aan den hemel te verschaffen.
Wij beginnen met de _maan_. Letten wij op de plaats, waar zij zich
op den een of anderen tijd bevindt, en kijken dan een paar uur later
nog eens, dan bemerken wij, dat zij zich aan den hemel verplaatst
heeft, en wel _juist zoo, als de zon zich op dezelfde plaats ook
beweegt_. Zoo ziet men nu en dan bij het begin van een winteravond
de volle maan in het Noordoosten opkomen; in schuine richting klimt
zij aan den hemel omhoog, te middernacht staat zij hoog in het
Zuiden boven ons hoofd, en kort voor het aanbreken van den dag ziet
men haar laag in het Noordwesten neerdalen -- alles precies zoo, als
de zon het 's zomers doet. Staat zij op een herfstavond als een
sikkel laag in het Zuiden, dan daalt zij na weinige uren in het
Zuidwesten onder den horizon, evenals de winterzon het doet. Bij de
maan is dat alles vrij gemakkelijk waar te nemen, omdat men haar ook
overdag kan zien, als een bleek wit wolkje, dat door zijn scherpe
begrenzing en zijn onbeweeglijkheid van de werkelijke wolken te
onderscheiden is. Het is niet zoo heel moeilijk, zich ervan te
overtuigen, dat hare banen aan den hemel nauwkeurig met die van de
zon overeenstemmen: gaat zij juist in het Oosten op, dan staat zij 6
uur later in het Zuiden op een gemiddelde hoogte en gaat zij nog
weer 6 uur later in het Westen onder; komt zij in het Zuidoosten op,
dan gaat zij in het Zuidwesten onder, bereikt in het Zuiden slechts
een geringe hoogte en blijft slechts 8 uren zichtbaar; enz. Op welke
tijden van den dag en het jaar zij deze verschillende kringen
doorloopt, daarom bekommeren wij ons nu nog niet; dat zullen wij
later nauwkeuriger nagaan. Voor het oogenblik stellen wij ons met
deze wetenschap tevreden: _de maan loopt in juist zulke schuine
kringen om ons heen als de zon_.
Hoe staat het nu met de _sterren_? Richten wij op een avond ons oog
op een heldere ster en kijken wij een paar uur later weer, waar zij
dan staat, dan zien wij, dat ook zij zich juist zoo beweegt als de
zon, wanneer die zich op dezelfde plaats bevindt. Sterren in het
Oosten klimmen schuin naar rechts omhoog, in het Zuiden bewegen zij
zich alleen naar rechts en in het Westen dalen zij schuin rechts
naar beneden.
Wanneer echter de morgen aanbreekt, verdwijnen de sterren. Zij
vluchten van den hemel weg, zooals een dichter uit de oudheid het
uitdrukte. Waar zijn zij gebleven? Zijn zij werkelijk verdwenen of
weggevlucht? Wanneer men een heldere ster 's morgens meer en meer
ziet verbleeken en steeds kleiner worden tegen den blauwen hemel,
dan dringt zich vanzelf de gedachte op, dat zij er nog altijd is, al
zien wij haar tegen den hel lichtenden hemelgrond niet meer. Wanneer
des avonds een fijn lichtpuntje opduikt en bij toenemende donkerheid
aldoor schitterender wordt, dan moet het er te voren ook al geweest
zijn. _Niet de ster zelf ontstaat en wordt sterker, maar alleen haar
indruk op ons oog_.
Het is ook gemakkelijk te begrijpen, dat de nachtelijke sterren
overdag niet zichtbaar kunnen zijn. Bij helderen maneschijn zien wij
's nachts ook maar weinig sterren; de geheele hemel wordt door de
maan flauw verlicht, waardoor de kleinste sterren onzichtbaar worden
en slechts de heldere zeer verzwakt overblijven. Was de maan nog
schitterender, dan zou zij ook nog helderder sterren onzichtbaar
maken. De zon overtreft de maan duizenden malen in glans; zij
verlicht den hemel zoo sterk, dat alle sterren onzichtbaar worden.
Slechts een enkele, de allerhelderste, de avondster, is nu en dan,
wanneer men haar plaats aan den hemel ongeveer kent, ook overdag als
een flauw lichtpuntje tegen het felle blauw te zien. Al lijkt het
dus op het eerste gezicht wat vreemd, toch moeten wij aannemen, dat
_ook overdag de hemel vol sterren zit_, die alleen door de felle
verlichting van den hemel door de zon voor ons onzichtbaar zijn.
Wanneer iemand zich soms door de eenvoudige logika van deze
gevolgtrekking niet laat overtuigen, dan kan men hem de feiten
voorhouden, dat met een verrekijker de sterren ook bij zonneschijn
te zien zijn en dat bij een zonsverduistering overdag overal aan den
hemel sterren opduiken.
Hoe de sterren nu overdag bewegen, kunnen wij niet zien; maar er is
toch wel geen twijfel mogelijk, dat ze zich dan evenzoo bewegen als
des nachts of zooals zon en maan overdag. Zoo zien wij b.v. in een
nacht een ster dicht bij de maan staan; des morgens wordt de ster
onzichtbaar, maar de maan zien wij als een bleek wolkje haar kring
verder doorloopen; moeten wij dan niet aannemen, dat de ster nog
altijd in haar buurt blijft en met haar meeloopt? Wij zien van de
banen der sterren slechts gedeelten; maar in deze deelen bewegen zij
zich steeds juist zooals de zon en maan het ook op deze plaatsen
zouden doen; en telkens vinden wij een ster den volgenden avond op
dezelfde plaats van den hemel terug, waar zij den vorigen avond
stond. Dan is geen andere gevolgtrekking mogelijk als deze: _ook de
sterren bewegen zich van het Oosten naar het Westen in juist zulke
schuine kringen om ons heen, als de zon en de maan_. Van al deze
kringen ligt het hoogste punt in het Zuiden, het laagste in het
Noorden; iedere ster bereikt dus in het Zuiden haar grootste
hoogte. Hoe hooger de kring in het Zuiden ligt, des te kleiner is
het deel, dat de horizon in het Noorden van hem afsnijdt en des te
grooter deel van haar omloop blijft de ster zichtbaar; hoe geringer
haar hoogte in het Zuiden is, des te korter blijft zij boven den
horizon en des te verder liggen de plaatsen van opkomst en ondergang
naar het Zuiden toe. Het onderscheid tusschen de zon en de sterren
bestaat alleen hierin, dat _een ster altijd precies denzelfden kring
doorloopt_, terwijl deze bij zon en maan verschuift en wisselt.
Bovendien toonen de sterren nog eenige nieuwe verschijnselen, omdat
zij ook op plaatsen van den hemel staan, waar zon en maan nooit
komen. Staat een ster in het Zuiden nog lager, dan de zon in den
winter staat, dan is van haar kring een nog kleiner stuk zichtbaar
en zij blijft slechts een nog korter tijdje boven den horizon.
Omgekeerd bij sterren, die in het Zuiden hooger staan dan de
zomerzon; hun kring ligt overal nog boven den zomer-zonnekring en de
horizon snijdt er in het Noorden slechts een klein deel af. Gaat men
nu nog hooger en neemt men een ster, die in haar hoogsten stand
recht boven ons hoofd staat, dan ligt haar kring _heelemaal boven
den horizon_. Zulk een ster _gaat niet onder en komt niet op_: van
haar hoogste plaats in het toppunt des hemels daalt zij eerst wat
naar het Westen, draait bij het dalen steeds meer naar rechts naar
het Noordwesten toe, haar baan wordt steeds minder steil, steeds
vlakker en zij bereikt in het Noorden haar laagsten stand iets boven
den horizon; dan gaat zij naar het Noordoosten, steeds schuiner
omhoog klimmend, en nadert eindelijk weer van uit het Oosten het
toppunt. Zulk een ster beschrijft aan den noordelijken hemel een
vollen kring, dien wij geheel kunnen zien. Het is, alsof ze zich in
een cirkel om een middelpunt beweegt, dat zich aan den noordhemel
iets boven het midden tusschen horizon en toppunt bevindt.
[Illustratie: Baan van een ster in het Noorden.]
Let men op de verschillende sterren in het Noorden, dan bemerkt men,
dat dit voor alle geldt. _Iedere ster aan den noordelijken hemel
beschrijft dagelijks een kring om dit middelpunt, dat men de
hemelpool_ noemt; de kringen zijn natuurlijk des te kleiner, hoe
dichter de sterren bij de pool staan. En men bemerkt dan een vrij
heldere ster, die oogenschijnlijk steeds onbeweeglijk op dezelfde
plaats blijft staan; zij staat zeer dicht bij de pool en wordt
_Poolster_ of _Noordster_ genoemd. Alle andere sterren schijnen om
haar als middelpunt te draaien.
Wij hebben nu bij alle hemellichamen dezelfde soort beweging
gevonden; alle bewegen zich in kringen, die schuin van het Zuiden
naar het Noorden liggen. Dat wijst op een gemeenschappelijke oorzaak
voor hun beweging. Om deze te vinden moeten wij eerst onze aandacht
aan de afzonderlijke sterren wijden.