Dr. Lloyd, de dokter van St. Martin. Hij zag er even dik en gezond
en vroolijk uit als anders; op vriendelijken toon wenschte hij den
stationschef goeden morgen en vroeg of de trein precies op tijd zou
binnenrijden. Hij kwam natuurlijk den beroemden Robertson afhalen,
maar dat hij onder deze omstandigheden zich zoo vroolijk kon voordoen,
dat leek me een raadsel. Hij sprak over het feit dat de treinen zich
zoo dikwijls verlaten, en over den afstand tusschen St. Martin en
Londen, en over allerlei onbelangrijke onderwerpen meer, alsof in
die duistere ziekenzaal geen arme Bob was die op de uitspraak van
het vonnis lag te wachten.
"Hij komt er aan!" zei de stationschef toen een stoomwolk kronkelde
om de bocht van den weg.
Mijn hart begon onrustig te kloppen.
In den trein zaten maar enkele menschen--slechts één passagier
eerste klas. Op die coupé vlogen de kruiers aan om den knop van het
portier om te draaien, terwijl Dr. Lloyd met eenigszins verhoogde
kleur naderbij kwam, gevolgd door den stationschef die eerbiedig in
positie ging staan.
De passagier stapte op zijn doode gemak uit; de plechtige ontvangst
scheen hoegenaamd geen indruk op hem te maken.
Het was een groote magere man met een langwerpig gladgeschoren gezicht;
hij had een langen neus en kleine spleetjes van oogen zonder eenige
bepaalde uitdrukking. Het was mogelijk dat ik zoo dwaas was geweest om
me te verbeelden dat ik aan zijn gezicht zou kunnen zien of hij Bob zou
kunnen beter maken of niet, maar ik begreep terstond hoe onzinnig die
inval was geweest. De specialiteit droeg een lange prachtige pelsjas;
over den rechterarm had hij een bonte reisdeken geslagen en in de
linkerhand hield hij een zwart valies, waarop mijn oogen onafgebroken
bleven turen. De instrumenten die in de tasch zaten zouden beslissen
over het lot van Bob!
Ik begon te beseffen wat voor beroemdheid die Dr. Robertson was toen ik
zag met welk een eerbied hij werd begroet door Dr. Lloyd die zichzelf
waarlijk niet weggooide. De kruiers vlogen letterlijk voor hem en de
stationschef scheen zeer vereerd toen het woord tot hem werd gericht.
Want de specialiteit schonk eerst weinig aandacht aan den buigenden
Dr. Lloyd. "Hoe laat kan ik terug?" vroeg hij aan den chef. "Wanneer
gaat de volgende trein?"
De stationschef beijverde zich om hem op de hoogte te brengen,
waarna Dr. Lloyd wederom eerbiedig het woord nam en den grooten man
al buigend aansprak als mijnheer en niet als "Dr." Robertson.
"Ja, het is koud," zei Dr. Robertson op tamelijk onverschilligen toon.
"U wilt zeker eerst ontbijten?" vroeg Dr. Lloyd.
Dr. Lloyd wilde niet dat een van de kruiers de bonte reisdeken met een
vinger aanraakte; hij nam dien zelf aan; ook het valies waarvoor hij
blijkbaar een eerbied gevoelde alsof het de heiligste relieken bevatte.
"Ja, graag," antwoordde de heer Robertson, "maar het is de vraag of
ik er tijd voor zal hebben. Is het ver?"
"Mijn rijtuig staat buiten," antwoordde Dr. Lloyd.
"Is het een ernstig geval?" vroeg de heer Robertson.
"Buitengewoon ernstig," klonk het antwoord.
Ze naderden intusschen al meer en meer den uitgang, en ik liep achter
hen aan met een vast besluit.
"Zoo buitengewoon ernstig," herhaalde Robertson.
Toen stelde hij eenige technische vragen die ik niet begreep en waarop
Dr. Lloyd met groote woordenrijkheid en eveneens in technische termen
antwoordde, zoodat ik niets wijzer werd uit hun gesprek, maar ik ving
het woord "glas" op, zoodat ik begreep dat Dr. Lloyd hem op de hoogte
bracht. De beroemde man scheen nu voor het eerst belangstelling te
toonen, al zei hij niet veel meer dan ""hm"" en ""zoo.""
Ze hadden nu het station verlaten en begaven zich naar het
rijtuig--ditmaal was het de landauer--die hier stond te wachten. Het
was nu of nooit.
Dr. Lloyd rende er op af om het portier open te doen, en nu ging ik
vlak voor Dr. Robertson staan.
"Wat is er?" vroeg hij.
De moed ontzonk me toen ik den koelen blik op mij zag gericht,
maar ik was vast besloten om te zeggen wat ik te zeggen had, want
ik gevoelde dat hij te weinig belang stelde in het geval. Hij kon
spreken over onbeduidende dingen als kou en ontbijten, en zijn eerste
vraag was geweest wanneer hij weer terug kon gaan! Wat deed het er
toe al bleef hij een week; als hij maar de oogen van Bob kon genezen,
als hij Bob maar het gezicht terug gaf! Ik kon de gedachte niet van
mij afzetten, dat als die man niet zijn uiterste krachten inspande,
dan zou hij 's middags weer heentrekken met zijn valies en dan zou
Bob misschien levenslang blind blijven.
Terwijl die mogelijkheid me als radeloos maakte, barstte ik
hartstochtelijk uit. Ik riep dat alles mijn schuld was, dat ik het
had gedaan en dat--als hij blind bleef--dat ik hem dan levenslang
ongelukkig had gemaakt. Ik vertelde hem wat voor een nobel prachtig
karakter hij had en dat hij niet blind mòcht worden. Ik zei dat ik een
massa geld bezat en dat ik aan mijn voogden zooveel zou vragen als
hij maar wilde hebben, als hij maar bleef totdat hij Bob had beter
gemaakt. Ik zei nog een massa meer, dingen die al of niet iets met
de zaak hadden uit te staan, totdat een snik opwelde uit mijn keel
en ik geen klank meer kon uitbrengen.
Dr. Lloyd had eenige malen getracht den woordenstroom te stuiten,
doch ik had hoegenaamd geen aandacht aan hem geschonken. Hij was
immers niets vergeleken bij den beroemden Londenschen dokter die het
levenslot van Bob in handen had. Geen spier van zijn gelaat vertrok
toen ik zoo hartstochtelijk tegen hem uitviel, al dien tijd had hij
me staan aankijken met dien koel-nieuwsgierigen blik.
"Wie is die jongen?" vroeg hij aan Dr. Lloyd.
"Ik heb het gedaan," bracht ik snikkend uit.
"Zoo!" zei Dr. Robertson, "je schijnt nog al driftig
uitgevallen. Volgens Dokter--hoe heet u ook weer--o ja, volgens
Dr. Lloyd is het een hoogst ernstig geval. Ik geef echter de hoop
nog niet op, dat een operatie mogelijk is."
"En als die wel mogelijk is; als--"
"U zei dat hij in allebei de oogen glas kreeg is het niet, dokter? Dat
maakt de zaak bedenkelijk. Maar ik beloof je, jongen, dat we zullen
doen wat we kunnen. We mogen onzen tijd nu niet langer verpraten,
dokter."
Toen ze weg reden begreep ik dat Dr. Lloyd verontschuldigingen
aanvoerde voor mijn handelwijze, en er zat voor mij niets anders op
dan om naar school terug te rennen; de ontmoeting met den beroemden
man had me niet in het minst getroost of opgebeurd.
"W-waar b-ben je geweest?" vroeg Burns, toen ik nog bijtijds kwam
aanzetten voor het ontbijt; "Kijkers heeft gemerkt dat je er n-niet
was bij het ochtend-g-gebed."
"O Burns, ik heb den man gezien," riep ik uit. "Het kan den vent geen
zier schelen. Hij heeft geen hart in z'n lijf; hij denkt er alleen
maar aan hoe gauw hij weer terug zal kunnen gaan. Hij geeft geen
steek om Bob--of om mij."
Burns kon hierop alleen maar antwoorden dat het "zielig" was.
Toen we het binnenplein overstaken omdat de ochtendschool zou beginnen,
zagen we het rijtuig den stal binnenrijden.
"K-Kolman is hem tegemoet gegaan," fluisterde Burns, toen we op onze
plaatsen gingen zitten.
Ik stelde me het onderhoud voor: Dr. Lloyd druk en beweeglijk; de
chef rustig, beleefd en ernstig en de groote man zou beiden koel en
onverschillig aankijken, terwijl hij er alleen maar aan dacht om zijn
trein te halen.
Met hun drieën zag ik hen in verbeelding naar de ziekenzaal trekken. Ik
vroeg me af hoe het Bob te moede zou zijn als ze kwamen aanzetten en
als Dr. Robertson alles begon gereed te maken voor het onderzoek.
Ik zag hem het zwarte valies uitpakken en de instrumenten
uitspreiden. Over enkele minuten zou de operateur beslissen of er
kans op redding bestond of niet.
Als het hopeloos was, dan zou hij zijn valies wederom inpakken en
vertrekken. Door het open raam hoorde ik het kraken van het grint,
daar de staljongen het paard liet heen en weer stappen. Met kloppend
hart luisterde ik of het rijtuig niet stil hield en wegreed.
Het eene kwartier na het andere verstreek. Onafgebroken tuurde ik op
de klok in de klas. Wat zouden ze nu doen? Zou Bob vreeselijke pijnen
moeten uitstaan? Zou er nog hoop zijn op redding? Een vurig gebed zond
ik op dat de beroemde dokter ditmaal nog schitterender zou opereeren
dan hij ooit in zijn leven had gedaan en dat hij Bob zou beter maken...
Toen de morgen bijna was verstreken en de minuten al langzamer en
langzamer begonnen te kruipen werd een briefje gebracht aan mijnheer
Wilson. De leeraar liep naar me toe en zei op rustigen toon: "Mijnheer
Kolman wil je spreken, Ellinghem."
Ik dacht dat bij den chef over me was geklaagd, omdat ik in de laatste
dagen mijn werk schandelijk had veronachtzaamd; alles liet me echter
onverschillig; met loome schreden begaf ik me naar het studeervertrek.
Toen ik dit naderde zag ik dat de chef de kamer juist uitging in
tegenovergestelde richting, zoodat hij me niet had zien aankomen.
Toen klopte ik op de deur, daar ik niet wist of iemand anders zich
misschien in het vertrek bevond. Dit bleek het geval, want onmiddellijk
werd: "Binnen" geroepen!
Bij den haard zag ik tot mijn verbazing de beroemde specialiteit staan,
koeler en onverschilliger dan ooit.
Een vraag brandde me op de lippen, doch toen ik een blik wierp op
dat koude gelaat kon ik geen klank uitbrengen.
"Mijnheer Kolman heeft me laten roepen," zei ik eindelijk; "maar--"
"Hij deed dit op mijn verzoek," viel Dr. Robertson in, terwijl een
schalksche uitdrukking in zijn oogen verscheen. "Het is in orde,
jongen; je vriend zal beter worden. De operatie is prachtig gelukt;
ik vond dat jij het goede nieuws wel het eerst mocht hooren."
Ik greep een stoel en ging zitten, want de kamer en de meubels schenen
plotseling in het rond te draaien. Ik wilde spreken en hem danken,
doch ik kon geen woord uitbrengen.
"Die vriend van je is een beste, dappere vent," hernam Dr. Robertson
die me onafgebroken bleef aanzien; "het zou zonde en jammer zijn
geweest van den jongen; maar het is alles prachtig gegaan. Hij zal
weer zoo goed kunnen kijken als de beste. Op zoo'n vriend mag je
trotsch zijn; een volgenden keer zal je wel niet zoo gauw een glazen
deur stuk slaan, denk ik. O, mijnheer Kolman, kunnen we gaan?" voegde
hij er bij toen de chef binnen kwam.
"Ja, het rijtuig staat voor," antwoordde de heer Kolman.
"Dan zullen we maar instappen," hernam hij op een toon die wederom
even koel en afgemeten klonk. Samen verlieten ze het vertrek, waar ik
nu alleen achterbleef; toen Dr. Robertson al bij de deur stond keerde
hij zich nog even naar mij om en, terwijl de zweem van een glimlach
op zijn gelaat verscheen, zei hij: "Ik zal je maar niet herinneren
aan de belooning die je me hebt beloofd."
HOOFDSTUK XXVIII.
GERED.
Het was de eerste dag van de zomervacantie; Bob en ik zijn aan het
station Ootlie uitgestapt en rijden met den ouden Tetsjer in de
richting van Mallorie.
"Precies als twee jaar geleden," zei Bob na een lange stilte.
"Ik kan het bijna niet gelooven," antwoordde ik.
"Hier was het zoowat dat ik het paard tegenhield van dien man met
dat roode haar," hernam Bob.
"Juist, mijnheer," viel Tetsjer in; "zoo'n kranig stukje heb ik nooit
van m'n leven meer gezien."
"En ik kreeg zoo'n gekke gewaarwording toen je je naam noemde,"
ging Bob voort; "dat herinner ik me best."
"En ik kon in de verste verte niet vermoeden dat jij mijn familie
van naam kende," zei ik.
"Toen ik wist dat jij Ellinghem heette, twijfelde ik een oogenblik
of ik je wel zou zeggen wie ik was, want ik was bang dat de heele
boel zou uitkomen."
"Ik wist toen van niets," zei ik.
"Dat leek me onbegrijpelijk," hernam Bob, "want ik wist alles en was
alleen maar hier naar toegekomen om eens poolshoogte te nemen."
"Stel je voor dat je dit niet hadt gedaan; dan zou ik niet op
St. Martin zijn gekomen en dan zou jij niet--"
"Och laat die veronderstelling maar rusten," merkte Bob wijsgeerig op.
Hij verzonk wederom in gepeins toen we Mallorie naderden; ik zweeg
ook. Tetsjer was de eenige die nu en dan een opmerking maakte. Bob
kwam niet bij me logeeren; hij zou maar één nacht overblijven op mijn
dringend verlangen, daar hij op weg was om eenige vrienden te bezoeken
uit Canada, die voor een tijd in de nabijheid van Mallorie waren komen
wonen. En hij scheen er nog zelfs op tegen te hebben om dien eenen
nacht bij mij door te brengen. Nooit had hij ronduit en openlijk
willen spreken over het drama dat ik uit die couranten-uitknipsels
had vernomen en dat ons beiden tot weezen had gemaakt. Misschien
drongen dezelfde sombere gedachten zich ook aan hem op toen we de
plek naderden waar het ongeluk was gebeurd.
Nu en dan verbraken we de stilte om de een of andere onbeteekenende
vraag aan Tetsjer te stellen.
"Hoe maken de Horners het?" vroeg ik toen we het huis in het gezicht
kregen; ik had dit natuurlijk eerder moeten vragen en wilde het nu
goed maken.
"O, die zijn dik en gezond," antwoordde Tetsjer; "van de Horners kom
je anders niet veel te weten," voegde hij erbij.
"Zeg heb je ze gewaarschuwd dat ik meekom?" fluisterde Bob me
toe. "Anders schrikt de man zich opnieuw een ongeluk."
"Ja, ik heb het geschreven," antwoordde ik. "Maar begrijp jij waarom
hij toen zoo schrok? Hij kende je toch niet."
"Nee, dat is zoo," gaf Bob toe. "Maar ik kan de reden toch wel
vermoeden."
"Waarom?" vroeg ik verwonderd.
"Begrijp je dat niet?"
"Nee, ik snap niet dat..."
"Ik lijk precies op hem," viel Bob me in de rede; "dat zegt iedereen
ten minste. Ik schijn het evenbeeld van mijn vader, en daarom viel
de man flauw van den schrik toen hij me zag."
Bob was dien dag zoo heel anders dan gewoonlijk. Hij sprak niet op dien
vroolijken opgewekten toon dien we van hem waren gewend; het kostte
hem blijkbaar moeite om de woorden over de lippen te krijgen en het
speet me nu dat ik erop had aangedrongen om hem mee te nemen naar een
huis, waaraan zulke pijnlijke herinneringen voor hem waren verbonden.
Ik wilde iets dergelijks zeggen, doch hij legde me het zwijgen op.
"Laten we die oude geschiedenis nu maar laten rusten," zei hij. "Het
zou een schandaal zijn als we geen goede vrienden bleven."
Bob was altijd een goede vriend voor me geweest, maar na het ongeluk
met zijn oogen had ik nog tienmaal grooter hartelijkheid van hem
ondervonden. Hij zag weer even goed als ooit, maar de herinnering aan
de vreeselijke angsten en spanning die ik in dien tijd had uitgestaan,
lagen me nog versch in het geheugen. Soms gebeurde het nog wel dat
ik wakker werd met een schok, om me af te vragen wat voor onheil ik
had aangericht.
Maar als zulk een hechte vriendschap tusschen twee personen bestaat,
dan gevoelt men onmiddellijk als er het een of ander begint te
haperen. Ik besefte dan ook duidelijk dat er iets was dat Bob wist
en dat ik niet wist; het een of andere geheim was aan dat oude huis
verbonden; mogelijk zou dit voor mij worden opgehelderd.
Ik was zekerder dan ooit dat dit geheim bestond, toen we binnen reden
door de oude hooge poort. Wederom welde die sombere gewaarwording
bij me op, toen ik die lijn van gesloten ramen met luiken gewaar
werd en die rechte steenen muren--alles even donker, naargeestig
en geheimzinnig.
"Zeg," fluisterde Bob me in, terwijl hij zijn best deed om zijn stem
zoo luchtig en natuurlijk mogelijk te doen klinken; "dat voorvaderlijk
slot is misschien heel mooi, Martin, maar ik kan niet zeggen dat het
een bijzonder vroolijken indruk maakt."
"Behalve het kleine gedeelte dat de Horners bewonen, ziet alles er
even naar en somber uit," antwoordde ik.
"Ik heb jullie vroeger al gezegd dat het er spookt," fluisterde de
oude Tetsjer me in, toen hij het rijtuigje liet stil staan. "In het
dorp zijn ze het daar allemaal over eens."
Het was waar, dat hij ons dit vroeger ook had medegedeeld, maar toch
vond ik het onaangenaam dit nog eens te hooren herhaald.
Met een zucht van verlichting stapte ik uit en schudde het echtpaar
Horner de hand; beiden waren ons glimlachend en vriendelijk tegemoet
geloopen om ons welkom te heeten. Ik wierp een onderzoekenden blik
naar den ouden Horner, toen die Bob begroette en zag den man van
kleur verschieten; hij wist zijn zelfbeheersching echter te bewaren;
de ontroering die zich van hem had meester gemaakt, toonde hij alleen
door den ouden Tetsjer snauwend eenige bevelen te geven, zoodat de
man zich al brommend met onze bagage verwijderde; toen hij den hoek
bij de stallen omsloeg, maakte zijn gemompel nog den indruk van het
gerommel van den donder in de verte.
Juffrouw Horner had de theetafel voor ons ingericht op dezelfde wijze
als den vorigen keer, en ze toonde dezelfde bezorgdheid dat we honger
zouden lijden.
"Ik kan me niet begrijpen dat het heusch twee jaar is geleden,"
zei Bob lachend; "alles is zoo precies eender."
"Ja, ik heb ook zoo'n gevoel dat wat er toen gebeurde, voor de tweede
maal zal gebeuren," zei ik.
"Deze pastei is ten minste even goed en lekker," hernam Bob, terwijl
hij zich ervan bediende.
"Maar we behoeven niet hetzelfde programma af te werken," merkte ik op.
"Wat bedoel je?" vroeg hij, terwijl hij me even oplettend aankeek.
"Wel, dien nachtelijken tocht door het onbewoonde gedeelte natuurlijk,"
antwoordde ik. "Ik dacht niet anders dan dat je een leelijken smak
zou doen."
"Nu, ik zal dat een tweede maal wel laten," zei Bob, die even huiverde.
We maakten een kleine wandeling na het maal, want het was nog licht;
het was echter geen heldere zomeravond; over alles scheen een somber
waas te hangen, zoodat dit er niet toe bijbracht om ons in een
opgewekte stemming te brengen.
"Dit oord zou me op den duur zenuwachtig maken," zei Bob, toen de
avond eindelijk was verstreken en we wederom het kleine verlichte
vertrek binnen gingen. "Ik ben blij dat we gauw samen onze tenten
ergens zullen opslaan. Je zal hier leelijk het land krijgen, denk ik."
Het gesprek begon weldra te verflauwen. Om de verveling te verdrijven
gingen we wat schaken, toen we eindelijk een oud bord uit de kast
van juffrouw Horner hadden opgediept en wat oude pionnen. Maar ook
dit hielp niet om ons in een opgewekter stemming te brengen.
"Laten we naar bed gaan," zei Bob eindelijk met een geeuw. "Die
menschen blijven misschien voor ons op zitten. Als we lekker hebben
geslapen, dan is het morgen misschien over."
"Wat is dan over?" vroeg ik met een poging om te schertsen.
"Och, de heele boel is hier beroerd," antwoordde Bob openhartig;
"morgen lijkt alles misschien anders. Berg dat schaakspel maar op."
Wij sliepen in dezelfde kamers als den eersten keer. Na de Horners en
elkaar goeden nacht te hebben gewenscht, begonnen we ons te ontkleeden.
Ik had gedacht dat ik niet gauw zou inslapen, maar voordat ik het zelf
wist was ik geraakt in dien half wakenden, half slapenden toestand
en toen begon ik te droomen.
Het waren vreemde, wonderlijke droomen; eindelijk kreeg ik een
gewaarwording dat ik een oorverdoovend leven om mij heen vernam, en
toen werden die verwarde geluiden plotseling als de slagen van een
zwaren hamer, het kloppen van mijn hart. Maar even later drongen die
harde metalen slagen wederom tot mij door en met een schok schrikte
ik wakker, daar beneden woest een bel werd geluid terwijl ik kreten
hoorde slaken.
Bijna op hetzelfde oogenblik kwam Bob half gekleed de kamer binnen
stormen.
"Martin, sta op," riep hij opgewonden. "Er is brand; de klok wordt
geluid."
Na haastig een paar kleedingstukken te hebben aangeschoten rende ik
met hem naar beneden en naar buiten. Ik denk dat het zoowat twee uur
zal zijn geweest, want het begon heel flauw te schemeren, hoewel de
sterren nog aan den hemel stonden.
"Waar is het?" vroeg ik hijgend, want ik was nog eigenlijk niet
heelemaal wakker en in het gedeelte van het gebouw waar wij onze
kamers hadden was geen spoor van brand te ontdekken.
"Daar!" riep Bob die de richting met den vinger aanduidde.
Tot mijn ontzetting werd ik bij een van de middenvensters van de lange
rij gesloten ramen met luiken een kronkelende rookkolom gewaar waar
de vlammen uit lekten. Het knappen van den houten vloer en zoldering
konden we zelfs op dien afstand hooren. Het glas van de bovenruiten
viel nu rinkelend en kletterend naar beneden, waarna de vlammen zich
een uitweg baanden om zich te voegen bij de vuurzuil die opsteeg uit
het dak.
Toen ik even den blik afwendde van den brand werd ik op het binnenplein
een paar menschen gewaar, die angstig en verschrikt heen en weer
draafden. De Horners waren naar buiten komen loopen. De oude Horner
scheen radeloos; hij stond als waanzinnig van angst naar het vuur
te wijzen en bracht stamelend een paar woorden uit, terwijl juffrouw
Horner snerpende kreten slaakte. Tetsjer stond onderwijl uit alle macht
de noodklok te luiden. Twee arbeiders, die den brand hadden gemerkt
en waren komen aanrennen, zwaaiden met de armen en schreeuwden me
wat toe. Als versuft en verwezen hoorde ik hen aan; het duizelde in
mijn hoofd.
Bob was de eenige die zijn zelfbeheersching niet had verloren. Hij
gaf een van de mannen een fermen slag op den schouder, zoodat die
plotseling zijn mond hield.
"Heb jullie een brandweer in het dorp," vroeg hij.
"Ja," antwoordde hij.
"Dan ga je onmiddellijk waarschuwen; zeg dat ze terstond aanrukken!"
"Ja," zei de man die het op een loopen zette.
"Hei!" riep Bob hem na. "Is er hier een telegraafkantoor?"
"Jawel," antwoordde de man, "maar dat is nu zeker gesloten."
"Dan maak je ze maar wakker," zei Bob; "telegrafeer onmiddellijk om
een stoom-brandspuit. Wat is het dichtstbij; Bindon? Goed. Heb je
het begrepen?"
"Ja," zei de man.
"Loop er dan heen zoo gauw als je kunt," beval Bob. "Tetsjer, houd nu
maar op met dat gebel! Waar is je langste ladder? Ga mee, dan kunnen
we die halen!"
"Om den hoek van den stal," antwoordde Tetsjer die met tegenzin het
touw los liet.
"Vooruit, ga mee," zei Bob; "en jij ook," voegde hij er bij tegen
den anderen arbeider. "En jij ook, Martin! We moeten allemaal aan
het werk!"
We dachten er geen van allen aan om hem te vragen wat hij van plan
was. Bob deelde bevelen uit en wij gehoorzaamden.
De ladder was heel lang; bij den stalmuur hing ze aan twee ijzeren
haken.
"Jullie moet er samen onder gaan staan," zei Bob. "Juist zoo, dan
gaat het best. Volg me maar, zoo gauw als je kunt!"
Bij den stal had iemand hout staan hakken; een zware bijl was blijven
liggen. Bob greep die en draafde voor ons uit. De Horners hadden zich
ook bij den stoet gevoegd en renden mede.
Ik wist dat zich tusschen ons en het gedeelte van het gebouw waar
de brand woedde een hooge steenen muur bevond, die met een deur in
den tuin uitkwam. Bob viel met zijn bijl op de deur aan, waarvan het
paneel met het slot na een paar krachtige slagen aan stukken vloog,
zoodat we de ladder er doorheen konden beuren.
We bevonden ons nu op het grasperk voor het brandende gedeelte; glas
en steenen lagen om ons heen en het gesmolten lood stroomde van het
dak naar beneden.
"Vooruit, aan het werk," riep Bob, toen de ladderdragers onthutst
bleven kijken naar de verwoesting die was aangericht. "Vooruit,
geen sekonde hebben we te verliezen!"
Het vuur verspreidde zich nu met groote snelheid. Het zou niet het
gedeelte aantasten waar wij onze kamers hadden, want de wind was den
anderen kant uit en wakkerde de vlammen aan die met ongelooflijke
snelheid voortwoekerden. Het was duidelijk dat over enkele minuten
die heele vleugel in lichte laaie zou staan en uitbranden.
Het eene raam na het andere sprong kapot, waarna de vlammen zich
zegevierend een uitweg baanden; hier was geen redding meer mogelijk.
Ik volgde Bob die nog altijd de bijl in handen hield en hielp hem
de ladder dragen. Eerst nu sloeg ik acht op de woorden die de oude
Horner schreiend uitstiet en die als een jammerklacht klonken, terwijl
hij met zijn vrouw huilend achter ons aanliep. "Mijn arme meneer,"
riep hij telkens en telkens uit; "red mijn armen meneer!"
Ik dacht dat de man zijn verstand kwijt was en dat hij zich het
drama, dat zich hier in vroeger jaren had afgespeeld, nu zoo levendig
herinnerde dat hij daardoor de beide rampen door elkaar haspelde.
Eindelijk hadden we het gedeelte van het gebouw bereikt dat niet door
het vuur was aangetast.
"Hier, bij dit raam," riep Bob. "Nee, het volgende. Het is hier al
te laat," voegde hij er bij, toen wederom een venster aan stukken
sprong en de vlammen naar buiten sloegen.
Tusschen ons en het uiteinde van den vleugel waren nog maar vier
ramen die waren gespaard. De ladder werd nu neergezet. Bob liet de
bijl vallen en hielp nu de ladder mede overeind zetten tegen den muur
waar ze reikte tot de ramen van de eerste verdieping.
Tot nu toe had ik de bevelen van Bob stipt opgevolgd; ik stelde het
volste vertrouwen in hem, maar thans vond ik het oogenblik gekomen
om een woordje in het midden te brengen.