"Bob," zei ik, terwijl ik zijn arm greep, want ik zag dat hij met

het oog den afstand mat tusschen de ladder en de ramen van de eerste

verdieping: "Bob, je mag niets wagen voor het gebouw. Je weet dat

niemand in dit gedeelte woont."

"Kijk daar eens," zei Bob als antwoord, terwijl bij naar het venster

wees.

Tot mijn schrik en ontsteltenis werd ik de gedaante van een man gewaar.

"O Bob, wie is dat?" riep ik uit.

De oude Horner, die ook in de richting had gekeken die door Bob werd

aangewezen, liet zich nu op de knieën vallen en wederom riep hij

jammerend uit; "Och, mijn arme meneer! Red mijn armen meneer!"

Bob schonk geen aandacht aan ons, doch met gebaren gaf hij den man voor

het raam te kennen dat hij het venster moest openen of open breken en

op de ladder stappen; hij begreep wat Bob van hem verlangde, want we

zagen hem met beide handen aan het houtwerk schudden; zijn pogingen

bleven echter vruchteloos.

"Hij kan het niet doen!" riep Bob. "Het gaat niet open. Waarom slaat

hij de ruiten dan niet in?"

Al dien tijd stonden we te blakeren in den vuurgloed, want de brand

verspreidde zich met ongelooflijke snelheid. Het was of we door

stralen van de ondergaande zon werden beschenen. De man kon ons zeker

heel duidelijk onderscheiden, hoewel we hem maar vaag konden zien,

zoodat ik niet wist of hij oud of jong was.

Op dit oogenblik gelukte het hem echter een van de paneelen stuk te

slaan, zoodat hij zijn hoofd naar buiten kon steken. Het was een man

van middelbaren leeftijd met een grijzen baard en grijs haar.

"Sla het hout kapot!" riep Bob. "Sla het in! Vlug! Stap op de

vensterbank en dan op de ladder!"

De vlammen sloegen nu uit twee ramen tegelijk naar buiten.

"Hij kan het niet," riep Bob. "Hij heeft er geen kracht genoeg voor,

of de schrik heeft hem verlamd!"

Hij greep de bijl en zette den voet op de onderste sport van de

ladder. Toen bedacht hij zich even.

"Zullen we de ladder onder het volgende raam zetten?" zei hij. "Want

het is best mogelijk dat hij niet bij dat venster kan komen; anders

zou hij daar wel voor zijn gaan staan. We zullen het probeeren. Houd

de ladder stevig vast!"

Ik greep zijn arm. "Bob," riep ik, "je mag je leven niet wagen! De

brandweer komt zoo dadelijk aanrukken."

"Weet je wie het is?" vroeg hij heel kalm, terwijl hij zich omkeerde

om de ladder op te klimmen.

"Neen."

"Je vader."

Toen was hij uit mijn bereik verdwenen, want met de bijl in de hand

was hij de ladder opgevlogen.

In ademlooze spanning volgden we hem, toen hij op de vensterbank

sprong en met een paar ferme slagen het houtwerk aan stukken deed

vliegen. Door de opening die nu was gemaakt zagen we de donkere

gestalte van den man zich afteekenen tegen den vuurgloed.

"De kamer staat al in brand!" riep Tetsjer. "Het is hoog tijd."

De bijl kwam nu kletterend op den grond terecht; Bob had beide handen

noodig om den man op te tillen en naar het raam te sleuren.

"Hij heeft 'm op de vensterbank," riep Tetsjer uit. "Bravo! Het is

hem gelukt!"

"Groote genade!" schreeuwde de arbeider. "De vlammen slaan naar

buiten! Ze zijn er allebei om koud!"

"Een is al op de ladder!" riep Tetsjer. "Nu zijn ze er allebei op! Houd

goed vast, zeg ik je!"

"De top van de ladder staat al in brand!" riep de arbeider.

"Ze komen eraan," schreeuwde Tetsjer. "Groote hemel, wat gaat dat

langzaam. De vlammen zitten ze op de hielen!"

"Ze zijn er, ze zijn er!" riep de landbouwer opgewonden uit.

Bob die den ouden man half had gedragen, gaf hem met een zucht van

verlichting over in onze uitgestrekte armen.

Toen liet hij zich op den grond vallen en zei: "Als ik niet zoo sterk

was, zou ik het onmogelijk hebben kunnen doen."

De oude Horner lag bij den ouden man geknield en riep al maar door:

"Och mijn arme meneer, mijn goede, arme meneer!"

"De kamer staat in lichte laaie!" riep Tetsjer. "Het scheelde geen

haar. Uit den weg, jullie! De ladder hoeft geen dienst meer te

doen. Dat hebben we 'm kranig geleverd!"

"Ja, we hebben het er goed afgebracht," viel de arbeider in.

Ik luisterde ternauwernood naar hetgeen ze beweerden. Ik lag geknield

naast mijn vader, die uit het rijk der dooden was herrezen.

HOOFDSTUK XXIX.

SLOT.

"Wat kunnen de dingen toch zonderling loopen, hè," zei Bob; "het

toeval speelt zoo'n groote rol in het leven!"

Het was de morgen na den brand; samen liepen we heen en weer over het

terras, dat door de zon werd beschenen. In de lucht hing nog een sterke

brandlucht; een paar brandweermannen waren bezig op de puinhoopen te

spuiten van den afgebranden vleugel die zwart en naargeestig opdoemde.

"Vindt je het zoo zonderling dat de boel hier in brand heeft

gestaan?" vroeg ik.

"Nee, ik doelde op onze kennismaking," antwoordde Bob. "Als je bedenkt

dat ik een paar jaar geleden niets van je af wist. Hé, ik ga wat op

den grond zitten, want ik ben moe na dit nachtje," zei hij, terwijl

hij zich met een zucht op het gras uitstrekte.

"Ja, maar hoe zoo?"

"Och," hernam Bob, "ik kwam toen hierheen om het huis en de streek

eens op te nemen. Daar in Canada hadden ze me altijd wijs gemaakt dat

die dood van mijn vader een geheimzinnig tintje had. Ik mag toch wel

openlijk tegen je spreken, is het niet?"

"Ja, toe ga voort."

"Toen ik nu een tijd in Engeland was, vond ik het het best om zelf

eens een kijkje te gaan nemen. Ik was toen al een heelen tijd op

St. Martin en in den zomer trok ik er op uit; ronduit gezegd was ik

niet bijster vriendschappelijk gezind tegen jou en het huis en den

heelen boel hier. Je moet het me niet kwalijk nemen, Martin, want er

was mij altijd voorgehouden dat anderen genoten van wat mij toekwam."

Bob lachte even alsof hij dit feit heel vermakelijk vond.

"Toen maakte ik onderweg kennis met jou, hals over kop kan je wel

zeggen, en den ouden Horner joeg ik een schrik op het lijf, omdat ik

als twee druppels water op mijn vader lijk, het verschil in leeftijd

natuurlijk uitgezonderd. Ik vond het toen vervelend dat ik als een

spion was komen aanzetten, en toch wilde ik je niet alles vertellen.

"'s Avonds nadat ik dien tocht had ondernomen door het onbewoonde

gedeelte kwam ik pas tot de ontdekking, dat je niets wist en

niets vermoedde. Jij kreeg er gauw genoeg van en ging terug; uit

nieuwsgierigheid drong ik verder door in mijn eentje en toen--liep

ik je vader tegen het lijf."

"Ik kon wel aan je zien dat er iets bijzonders was gebeurd," zei ik.

"Geen wonder. Toen ik tot de ontdekking kwam dat werkelijk iemand zich

bevond in dit zoogenaamde spookhuis, toen kreeg ik een schok van den

schrik; dat wil ik je gerust bekennen, maar teruggaan wilde ik niet. Ik

zou natuurlijk ongemerkt hebben kunnen wegsluipen, maar daarin vond ik

iets gemeens. Ik liep dus naar hem toe en, evenals Horner, herkende hij

in mij onmiddellijk den zoon van den man dien hij had doodgeschoten."

Bob zweeg even en hernam toen:

"Je vader en ik waren beiden ontsteld; ik vond het maar het best

om hem ronduit alles te vertellen en dat deed hij ook. Na het

ongeluk was hij als krankzinnig van verdriet; de menschen bleven

maar beweren dat hij met opzet mijn vader had doodgeschoten, omdat

die recht meende te hebben op het landgoed; daarom trok hij voor een

tijd naar het buitenland, zonder iets van zich te laten hooren. Later

kwam hij terug, zonder dat iemand dit wist; hij stelde vertrouwen in

de Horners; de menschen hebben al dien tijd gezwegen en uitstekend

voor hem gezorgd. Kranige lui zijn het; dat zeg ik!

"Met je vader heb ik toen lang en breed gesproken. Hij vertelde me

dat hij nooit den schok was te boven gekomen; hij voelde zich een

moordenaar; niets kon zijn daad ongedaan maken en hoe langer hij als

een kluizenaar leefde, des te meer besefte hij dat hij zich nooit meer

onder de menschen zou durven vertoonen. Als het heelemaal donker was

liep hij wat in den tuin; verder leefde hij in een paar kamers met

zijn boeken."

"Wat een vreeselijk leven!" riep ik uit.

"Hij geraakte eraan gewend," hernam Bob, "en de Horners ook; zoo

verliepen eenige jaren. Je vader wist dat je thuis zou komen en toen

je op dien avond zoo zeker was dat iemand in je kamer was geweest,

toen hadt je gelijk, want je vader had naar je staan kijken. Hij heeft

me verteld hoe vreeselijk het voor hem was om niet tegen je te mogen

spreken, jij die toch zijn eigen zoon was; maar hij vond het beter

dat je bleef denken dat hij dood was."

Bob zweeg even; ik wilde wat zeggen, doch spreken was me onmogelijk.

"Ik heb je al gezegd dat we een lang gesprek met elkaar hadden," hernam

Bob; "en als ik ooit mocht hebben getwijfeld of het een ongeluk was

geweest of niet, dan wil ik je wel zeggen dat die twijfel onmiddellijk

verdween toen ik kennis had gemaakt met je vader. Hij zei dat ik

hem zeker nooit zou vergeven," hernam Bob wiens stem even haperde;

"en hij sprak me zoo vriendelijk en hartelijk toe dat ik hem de hand

drukte, en toen vroeg hij of ik een oogje op jou wilde houden. Voor

jou was het beter dat hij zijn kluizenaarsleven voortzette, zei hij;

na zooveel jaren in de eenzaamheid te hebben doorgebracht, was het

hem onmogelijk om in de wereld terug te keeren, maar als ik je wat

zou willen voorthelpen, dan zou hij dit heerlijk vinden."

"Mijn vader wist toch dat ik van dit alles onkundig was gehouden,"

zei ik.

"Ja, en hij vond het beter dat ik je maar niets vertelde," antwoordde

Bob, "omdat er dan een soort scheidsmuur tusschen ons zou ontstaan,

waardoor we misschien nooit echte vrienden zouden worden. Ik beloofde

hem te zullen zwijgen, en zonder dien ellendigen Brunton zou je nog

van niets weten," riep Bob plotseling heftig uit.

"Maar hoe kwam Brunton achter dit alles?" vroeg ik.

"Dat zal ik je vertellen; de vader van Brunton met wien je al kennis

maakte voor je nog een voet hadt gezet op St. Martin, was een tijd

lang mede-directeur van de firma. Finsberie & Koster. Hij vroeg toen

immers of jij me kende?"

"Ja."

"Hij was van alles op de hoogte, omdat hij al die stukken en papieren

had gelezen die betrekking hadden op de bewuste zaak. Onze vriend

Brunton, den zoon bedoel ik, schijnt nog al nieuwsgierig te zijn

uitgevallen, want hij heeft in de papieren van zijn vader zitten

snuffelen en daardoor is hij er achter gekomen.

"De oude Brunton trok zich uit de zaken terug en kwam te St. Martin

wonen--zeker om dicht bij zijn lief zoontje te zijn--de papieren en

stukken schijnt hij van het kantoor te hebben meegenomen; onze Brunton

kon ze daardoor te pakken krijgen en toen hij werd weggejaagd wilde

hij ze zeker jou als een erfenis nalaten."

"Waarom zou hij dat hebben gedaan?" vroeg ik.

"Dat deed hij alleen om mij te plagen," antwoordde Bob, "want ik had

een soort koop met hem gesloten; toen hij nu werd weggejaagd en me

dus geen geld meer kon aftroggelen, toen vond hij het zeker aardig

om voor het laatst nog een gemeenen streek uit te halen.

"Ik had je dol graag alles verteld," hernam Bob, "maar ik had je

vader beloofd de zaak geheim te houden, dus ik moest zwijgen."

"Hoe heerlijk dat je met me bent meegegaan," zei ik op ernstigen toon,

daar het tooneel van dien nacht me nog steeds voor oogen stond.

"Ja," zei Bob; "gelukkig dat ik lang en sterk ben. Als ik kleiner

was geweest, zou ik het niet hebben kunnen doen. Maar weet je wien ik

voor den brandstichter houd? niemand anders dan den ouden Horner; de

man trok altijd naar dat gedeelte van het huis voor hij naar bed ging

met een kaars in de hand om zich bij te lichten. De vlam is zeker in

aanraking gekomen met een van die oude gordijnen die kurkdroog zijn en

die bijna voor elke deur hangen; dat herinner ik me nog heel goed. De

man heeft er zelf niets van gemerkt en de deur achter zich gesloten."

De klok begon te slaan.

"Elf uur," riep ik uit. "De dokter heeft gezegd dat we dan naar vader

mochten gaan."

"Best," zei Bob, die langzaam overeind rees. "Zeg, Martin, ik ben

nog wat stijf in de leden na die ladder-geschiedenis. Maar luister

's jongen. Ik wou je nog iets zeggen, maar dat is dan ook mijn laatste

woord over deze zaak."

"Wat dan?" vroeg ik.

"Ik ben vast besloten op dit punt," hernam Bob op heel beslisten toon;

"al zouden ook dozijnen advocaten aan mijn hoofd malen, ik laat

de zaak rusten; wie of ook het meest recht heeft op het landgoed,

dat kan me geen zier schelen; ik heb genoeg daarginds in Canada; ik

zou je Mallorie niet eens willen hebben. Je mag het houden, jongen,"

voegde Bob er glimlachend aan toe, terwijl hij me op mijn schouder

klopte. "Als ik er misschien meer recht op heb dan jij, dan geef ik

je den boel cadeau."

"O Bob..." begon ik.

"Geen woord meer erover!" riep Bob. "Anders geef ik je op je

gezicht. Het is best mogelijk dat jij er meer recht op hebt; we

zullen het niet onderzoeken. Dat is het beste. O, daar komt de dokter

aan... We mogen nu naar boven, is het niet, mijnheer?"

"Ja," antwoordde de dokter die in zijn koetsje stapte; "de heer

Ellinghem maakt het heel goed. Hij is den schrik nog niet geheel te

boven en hij verlangt ernaar jullie beiden te zien."

We gingen de kamer binnen. Toen mijn vader, dien ik zoo lange jaren had

dood gewaand, ons ieder bij de hand vatte en Gods zegen over ons beiden

afsmeekte, toen gevoelde ik dat de herinnering aan het vreeselijke

drama was uitgewischt en dat we een nieuw leven konden beginnen.

EINDE.

AANTEEKENINGEN

[1] Jongens uit de hoogste klasse op Engelsche kostscholen die mede

zijn belast met de handhaving der orde.

[2] Naam van beroemd Engelsch dichter.

[3] Jongens uit de laagste klassen die diensten moeten bewijzen aan

de jongens uit de hoogste klasse.

Bravo, Bob! De padvinder uit Canada · 第 15 / 15 段