"Van die specialiteit uit Londen die er bij komt, bedoel je?"

"Nee, nee," zei hij; "die heeft er niets mee te maken."

Alles wat niet op Bob betrekking had liet me onverschillig, zoodat

ik ongeduldig met het hoofd schudde.

"Het is iets van Brunton," hernam Stenford.

"Wat?" vroeg ik onverschillig.

"Die is weg."

"Weg?"

"Ja, weggejaagd, Kolman heeft hem op staanden voet

weggestuurd. Gisterenavond heeft de chef hem zelf gesnapt en toen

heeft ie eindelijk alles opgebiecht. Zijn vader is vandaag hier geweest

om nog een goed woord te doen, maar de chef denkt er niet aan om hem

terug te nemen."

"Blij dat ie weg is," zei ik uit den grond van mijn hart. "Als het

maar eerder was gebeurd, dan zou misschien..."

"Hij scheen een massa geld van allerlei lui te hebben geleend," hernam

Stenford; "de oude Brunton zei dat hij het allemaal zou terug betalen,

maar Kolman bleef op zijn stuk staan; hij schijnt het jonge mensch

al sinds lang niet te hebben vertrouwd."

"Hoe weet je dat allemaal?" vroeg Kien verwonderd.

"Mijn knappe kop weet alles," zei Stenford die met de hand tegen het

voorhoofd sloeg. "Maar vindt je het niet gek, Ellinghem, dat Kitsjin

hem het meest geld heeft geleend of gegeven. Het lijkt me een raadsel

dat Kitsjin zich heeft ingelaten met een vent als Brunton!"

Ik dacht aan het geheim dat Bob voor mij wilde verborgen houden en

dat als gif in mijn ziel scheen te hebben gewerkt, tot het dien dag

tot een uitbarsting was gekomen,

"Het is ook zoo gek dat een van de jongens hem iets over Kitsjin

heeft hooren zeggen, toen ie bezig was zijn boeltje te pakken,"

hernam Stenford.

"En wat dan?" vroeg ik gejaagd.

"Praat niet zoo hard," zei Stenford; "Kijkers komt er aan. ""Als

iemand hier op school een malle vent is, dan is het Kitsjin,"" schijnt

hij te hebben gezegd en toen heeft hij er lachend aan toegevoegd:

"Maar voor ik weg ga zal ik hem nog een poets bakken.""

"Wat bedoelde hij daarmee?"

"Weet niet, maar houd nou je mond."

Ik zat met mijn Latijnsche woordenboek voor me, want ik was bezig aan

een vertaling van Virgilius; toen Kijkers langs kwam begon ik hierin

met grooten ijver te bladeren, en ontdekte een couvert dat tusschen de

bladeren was gelegd. Het was een tamelijk groote langwerpige enveloppe;

op het adres stond "Martin Ellinghem" en dit was kennelijk geschreven

door den jongen die op staanden voet van St. Martin was weggejaagd.

Mijn gedachten werden zoo geheel in beslag genomen door het ongeluk

van Bob, dat het mij bijna onverschillig liet om den inhoud te leeren

kennen. Ik schoof den brief onder mijn boek en toen Kijkers langs me

was geloopen scheurde ik het couvert open. In een oogwenk was mijn

belangstelling opgewekt.

In mijn hand hield ik een bundel papieren die er allemaal even zakelijk

uitzagen. De stukken die door Finsberie en Koster werden verzonden

waren op dezelfde manier geadresseerd en opgesteld.

Eén ding viel me terstond op. Ofschoon ik maar weinig papieren onder

de oogen had gekregen die mijn persoontje betroffen, had ik toch wel

opgemerkt dat ze altijd door een klerk die zijn krachten ten beste

gaf aan cliënten van Finsberie en Koster waren geschreven.

Maar nu herkende ik diezelfde hand; op wat manier had Brunton die

stukken te pakken kunnen krijgen en waarom liet hij me dat pak toekomen

voor zijn vertrek? Ik begreep heel goed dat hij me geen dienst had

willen bewijzen en dat hij me evenmin een cadeautje als herinnering

zou achterlaten.

"Misschien heeft hij deze stukken in handen gekregen die aan mij

waren geadresseerd," zei ik tegen mezelf. Maar toen ik ze nauwkeuriger

beschouwde zag ik dat ze niet onlangs waren geschreven; de inkt was

heelemaal opgedroogd en de datum--ja in dien tijd was ik nog heel

klein, het was het jaar waarin al die ellende ons trof en waarin mijn

vader verdween en stierf.

Op den eersten brief waren een paar kolommen geplakt uit een oude

courant waarvan het papier geel was geworden. Het opschrift luidde:

""VREESELIJK ONGELUK TE MALLORIE.

NOODLOTTIG SCHOT.""

Met de grootste belangstelling begon ik te lezen. Eindelijk zou

ik dus precies te weten komen wat er toen op de jacht was gebeurd

en waarvan de Horners me maar een enkel woord hadden verteld. Dat

die courant de waarheid behelsde, bleek uit het feit dat ze door

het kantoor was bewaard geworden en gevoegd bij de stukken die de

Ellinghem-zaak betroffen.

De courant gaf eerst allerlei nauwkeurige bijzonderheden over

het landgoed en de omgeving en toen werd verteld dat de eigenaar,

de heer Martin Ellinghem, op de jacht was gegaan met een van de

jachtopzieners en zijn gast, een heer uit Canada, een zekeren heer

Kitsjin uit Toronto.

Een schok voer door me heen toen ik dit las. "Wat is er?" fluisterde

Stenford, die me waarschijnlijk had zitten begluren en me daardoor

had zien ontstellen.

"Niets bijzonders," mompelde ik, terwijl ik al weer verder las.

In het verslag stond vermeld dat 's morgens druk en met succes was

gejaagd, waarna het gezelschap terugkeerde langs den Welfield-weg die

aan weerskanten met boomen is beplant en die een opstap heeft aan het

begin en aan het einde. Bij dien laatsten opstap gebeurde het ongeluk.

De heer Kitsjin was al aan den anderen kant van het hek waar hij op

zijn gastheer stond te wachten, toen een haas het pad overstak, waarop

hij zich omkeerde en het geweer ophief. Op dit oogenblik klom de heer

Ellinghem over het hek waarbij de trekker van het geweer op de een

of andere manier bleef haken en overging. De heer Kitsjin kreeg de

volle lading in den rug. Hij stortte neer en ofschoon onmiddellijk

hulp werd verleend, was hij na eenige minuten dood gebloed. Een

onderzoek werd ingesteld. Enz.

Hierop kwam de inhoud neer van het uitvoerige artikel. Dit was de

eerste maal van mijn leven dat ik om zoo te zeggen in aanraking kwam

met het drama dat in mijn kindsheid was voorgevallen, en nu eerst

besefte ik hoe zorgvuldig de feiten voor mij waren verborgen gehouden.

De naam Kitsjin had me echter het meest getroffen. Ik begon nu alles

bij mezelf na te gaan en dacht aan mijn eerste ontmoeting met Bob. Ik

herinnerde me hoe vreemd hij had opgekeken toen ik hem mijn naam had

genoemd en ik zag weder Horner flauw vallen toen we uit het rijtuig

stapten. Het leek me nu ook zoo zonderling dat Bob dien tocht naar

Mallorie had ondernomen. Zou hij dat hebben gedaan uit een gevoel

van pijnlijke nieuwsgierigheid om de plek te zien waar zijn vader

bij ongeluk door mijn vader was doodgeschoten?

Het kostte mij moeite om mijn kalmte te bewaren. Bij de andere brieven

vond ik nog eenige uitknipsels van couranten, die van hetzelfde blad

afkomstig waren. Hiervan luidde het opschrift:

"ONDERZOEK INGESTELD NAAR HET JACHT-ONGELUK TE MALLORIE. ZONDERLINGE

ONTDEKKING."

Dezelfde bijzonderheden werden wederom herhaald, doch het een en ander

werd er nu bijgevoegd. De jachtopziener was gehoord als getuige en

een oude man die aan een struik had staan snoeien was ook als getuige

gehoord en deze beiden verklaarden eenparig dat niets van een haas

op het pad was te zien geweest en dat de heer Kitsjin zijn geweer

niet had opgelicht en dat hij juist van het hek afstapte toen hij

onverwacht de volle lading in den rug kreeg uit het geweer van den

heer Ellinghem. Enz.

Toen de heer Ellinghem als getuige werd voorgeroepen, bleek dat deze

niet was verschenen. Hij moest zich in alle stilte uit de voeten hebben

gemaakt; het ongeluk schijnt zijn verstand als te hebben verbijsterd,

want hij heeft heel vreemd en zonderling gehandeld en men vreest dat

hij de hand aan zichzelf heeft geslagen.

Uit een Londensche courant was ook een stuk uitgeknipt en

opgeplakt. Dit luidde:

"Langzamerhand is eenig licht opgegaan in de duistere Mallorie-zaak,

die de gemoederen in den laatsten tijd zoo hevig in beweging

heeft gebracht. Het schijnt dat de heer Kitsjin, de heer uit

Canada die op zulk een geheimzinnige wijze om het leven kwam,

naar Engeland was getrokken omdat hij recht meende te hebben op het

Mallorie-landgoed. Hij heeft kennis gemaakt met den tegenwoordigen

eigenaar den heer Ellinghem en had alle hoop dat de zaak door een

minnelijke schikking in het reine zou worden gebracht. Zijn rechten

dagteekenden van ongeveer honderd vijftig jaar geleden. De kansen

stonden blijkbaar gunstig voor den heer Kitsjin en dit feit, gevoegd

bij zijn onverwachten dood en onmiddellijke verdwijning van den heer

Ellinghem--dit alles werpt een eigenaardig licht op de zaak. Tot nu

toe is taal noch teeken van den heer Ellinghem vernomen. Thans wordt

zijn dood voorondersteld zoodat wettelijke vertegenwoordigers zijn

benoemd om het landgoed te beheeren voor het eenig overgebleven lid

van de familie, een nog zeer jeugdigen knaap.

""Het is nog niet bekend of de vertegenwoordigers van de

Kitsjin-affaire de zaak zullen voortzetten; gedurende de

minderjarigheid van den zoon die nog in Canada vertoeft, is dit niet

waarschijnlijk. De heer Kitsjin was een welgesteld grondeigenaar.""

Er waren nog eenige andere couranten bijgevoegd, doch deze behelsden

weinig bijzonderheden. Ik stak het heele pak in mijn zak en tuurde

toen weer op mijn boek, zonder een woord te kunnen lezen, want de

letters dansten voor mijn oogen.

HOOFDSTUK XXVI.

IN DE ZIEKENZAAL.

Het was me een raadsel hoe Brunton aan die stukken was gekomen

die mijn particuliere zaken betroffen, en evenmin kon ik begrijpen

waarom hij me die in handen had gespeeld voor hij de school voor

goed verliet. Maar de reden waarom hij op deze wijze had gehandeld,

deed er eigenlijk weinig toe. Ik was nu eenige gewichtige feiten te

weten gekomen; en hieraan moest ik voortdurend denken naarmate de

zaak me al helderder en duidelijker voor den geest begon te staan.

Ten eerste was het meer dan waarschijnlijk dat het Ellinghem-landgoed

dat aan mij zou komen bij mijn meerderjarigheid, mij nooit zou

toebehooren en dat ik doodarm op straat zou staan. Ja, het was zelfs

mogelijk dat het schoolgeld van St. Martin door een vreemde voor mij

werd uitbetaald.

En de vader van Bob was dus door mijn vader gedood!

En omdat mijn vader onmiddellijk na het ongeluk was verdwenen was

overtuigend gebleken (althans volgens de couranten-verslagen) dat

het een moord met voorbedachten rade was geweest, omdat mijnheer

Kitsjin naar Engeland was vertrokken om zijn rechten op het landgoed

te doen gelden.

En nu wist ik ook dat Bob dit allemaal had geweten toen hij naar

Mallorie was getrokken om eens poolshoogte te nemen en te zien of hij

het een of ander kon ontdekken, maar dat hij de reden van zijn komst

had verzwegen, toen hij kennis had gemaakt met den zoon van den man

die zijn vader had doodgeschoten, en dat hij me van dit alles onkundig

had gelaten en dat hij, toen hij tot de ontdekking kwam dat Brunton

op de hoogte was, Brunton had omgekocht om de zaak geheim te houden.

En nu bedacht ik met schaamte, dat Bob niet den omgang had ontweken

van den jongen door wiens vader hij zulk een onherstelbaar verlies

had geleden, maar dat hij in alle opzichten een vriend voor hem was

gebleken, dat hij al het mogelijke voor hem had gedaan en meer dan

een broer voor hem was geweest.

En die jongen had hem beloond door in een vlaag van waanzinnige drift

op hem aan te vallen en hem zwaar lichamelijk letsel toe te brengen.

Geen wonder dat de woorden van mijn Virgilius voor mijn oogen bleven

dansen en dat allerlei gedachten dooreenwoelden in mijn hoofd,

doch telkens en telkens zag ik met vlammende letters gegrift staan

dat deze vriend die geen onrecht had willen wreken, maar die me op

alle mogelijke wijzen had voortgeholpen, aan wien ik alles had te

danken--dat deze vriend door mij levenslang ongelukkig was gemaakt.

Als versuft verliet ik het lokaal toen het uur was verstreken; ik keek

op toen iemand me op mijn schouder tikte. Jim Juniper stond naast me.

"Ga mee," fluisterde hij. "Het is nu de beste tijd."

Hij nam mijn arm en leidde me langs een omweg naar de ziekenzaal.

"Als iemand me snapte zou ik op m'n gezicht krijgen," zei Jim,

"maar niemand hoeft het te weten te komen."

"Ik ben je zoo dankbaar," zei ik, toen we de deur naderden en langzamer

begonnen te loopen.

"Stil, praat niet zoo hard," zei Jim. "Hij heeft een echte

verpleegster; die zou ons natuurlijk niet binnen laten, maar ze is

nu naar beneden gegaan om te eten en zoo lang zit juffrouw Geebel

bij hem."

"Zou die..." begon ik.

"O jawel," antwoordde Jim op luchtigen toon. "Moeder Geebel kan ik

altijd ompraten. Maar stil zijn, hoor!"

Hij opende voorzichtig de deur en we stapten naar binnen.

In de zaal heerschte bijna volslagen duisternis. De lamp was zoo laag

mogelijk ingedraaid en nog van een donkere kap voorzien om het licht

te temperen; ook stond een scherm om den haard.

De zware gestalte van juffrouw Geebel rees achter het scherm overeind.

"Ga maar op den tast naar het verste bed, maar geen leven maken,

hoor," zei ze fluisterend. "Die zuster is er eentje met wie niet valt

te spotten."

Zwijgend liepen we door; ik ging achter Juniper aan met angstig

kloppend hart.

Toen mijn oogen aan de duisternis gewend geraakten kon ik het witte

bed onderscheiden waarop een gedaante roerloos lag uitgestrekt. Een

oogenblik lang werd geen geluid vernomen, zoodat ik het bonsen en

kloppen van mijn hart kon hooren. Toen bewoog de gedaante even en

de stem van Bob die nu zoo zwak klonk, hoorden we vragen: "Is daar

iemand?"

"Ik ben het," zei Juniper op rustigen toon.

"Goede kerel," zei Bob; "jammer dat ik je niet kan zien," voegde hij

er bij met een poging om te schertsen.

"Ik heb iemand meegebracht," zei Jim.

"Wie?"

"Vooruit nou, Ellinghem," fluisterde Jim die me naar voren duwde,

waarop hij heel zacht terug sloop naar het andere einde van de kamer.

"Wie is het?" vroeg Bob voor de tweede maal.

"O Bob! Ik ben het,--Martin," zei ik, terwijl ik een paar stappen

naar voren deed.

Toen ik me nu zoo dicht bij hem bevond en ik hem daar zag liggen met

een doek voor de oogen, toen ging het als een schok door me heen en

liet ik me op de knieën vallen naast het bed, niet in staat een klank

uit te brengen.

"Zoo, kom jij eens kijken naar de zieken en gewonden die in den strijd

zijn gehavend?" vroeg Bob die me even aanraakte met de hand.

"O Bob," riep ik uit, "het is zoo vreeselijk! Ze kunnen je toch

beter maken?"

"Dat is nog de vraag," antwoordde hij heel kalm.

Ik barstte uit in snikken en smeekte om vergeving in woeste

hartstochtelijke woorden.

"Het is nu eenmaal gebeurd, kerel," zei hij. "Het trof alleen maar

zoo ongelukkig dat ik juist achter de deur stond toen die ruit in

stukken vloog."

"Bob, ik weet alles," riep ik uit. "Ik heb al die dingen in de

couranten gelezen. Daarvan had niemand me ooit een woord verteld!"

Ik deelde hem hortend en stootend mede wat ik was te weten gekomen

en hoe schuldig en ellendig ik me gevoelde.

"Houd maar op," zei hij op heel rustigen toon. "Het is een schandaal

dat ze het je hebben verteld, al moest je toch op den een of anderen

dag de waarheid hooren. Van wien weet je het?"

Ik stelde hem op de hoogte.

"Zoo," mompelde hij; "echt iets voor Brunton."

"En als ik nu bedenk dat ik het was die--"

"Kom, begin niet weer opnieuw," viel hij me in de rede op moeden toon.

Ik hoorde Juniper naderbij komen, zoodat ik begreep dat het tijd werd

om te gaan.

Ik rees overeind en terwijl ik me over hem heenboog, vroeg ik

fluisterend of hij me ooit zou kunnen vergeven.

"Kom jongen," zei hij, "we zijn te oude vrienden om op die manier

met elkaar te praten. Je deedt het toch niet met opzet. Heb je gezien

dat ik in hetzelfde bed lig als waarin jij hebt gelegen toen je bijna

was verdronken."

Hij sprak op luchtigen toon; even tastte hij naar mijn hand die hij

wederom greep en drukte.

"Kom Ellinghem, we moeten gaan," zei Juniper; "we zijn toch al veel

te lang gebleven."

"Toe blijf nog wat," zei Bob op matten toon; "het is toch al zoo akelig

om met niemand te kunnen praten zoodat je je wel moet verdiepen in

nare gedachten."

Toen Jim naar Bob toeliep had ik terug willen gaan naar het andere

einde van de kamer, doch bij vergissing draaide ik me om naar den

verkeerden kant, zoodat Jim die nu bij het bed stond me den weg

versperde.

Ik wilde hun gesprek niet storen en bleef staan daar ik dacht dat ze

elkaar alleen met een enkel woord goeden nacht wilden wenschen. Beiden

meenden dat ik was weggetrokken; Bob was hier althans van overtuigd.

"Ja, ik kan begrijpen dat het vreeselijk is," zei Juniper op

deelnemenden toon.

"Het is afschuwelijk," zei Bob met dezelfde zwakke, matte stem.

"Is de pijn zoo erg?"

"Erg genoeg om flauw te vallen."

"Houd moed, kerel," zei Juniper hartelijk. "Denk eraan dat je een

Canadees bent."

"Waarom zou ik er den moed inhouden?" vroeg Bob.

"Ben je er dan zoo zeker van?"

"Ja, zoo goed als zeker."

"Wat zei de dokter?"

"Och, je weet dat doktoren je nooit vertellen, als de zaak hopeloos

staat; ze denken dat dit slecht voor je is. Maar ik kan je wel

vertellen dat hij het zwaar inziet."

Een stilte volgde.

"Maar Robertson is nu onderweg. Die schijnt een verbazend knap

operateur."

"Dat kan wel zijn, maar we kunnen toch niet het onmogelijke van hem

vergen, Jim."

"Misschien is het niet onmogelijk."

"Ik hoorde dat de dokter tegen Kolman zei toen ze samen weggingen--hij

dacht natuurlijk dat ik hem op dien afstand niet zou verstaan, maar

blinde menschen...." zijn stem haperde even--"blinde menschen hebben

zoo'n scherp gehoor en ik hoorde den dokter dan ook heel duidelijk

zeggen: "De kans is heel gering."

"Heeft ie dat gezegd?" vroeg Jim.

"Ja en nu ik al dien tijd in donker heb gelegen en niets heb kunnen

doen dan denken," ging Bob voort, "nu ben ik alles bij mezelf nagegaan

wat ik wèl en wat ik nièt zal kunnen doen."

"Hoor 's, kerel, het moet slecht voor je zijn om zoo te praten,"

zei Jim.

"Nee, nee," riep Bob bijna heftig uit. "Ik ben nu zoo lang alleen

geweest; het doet me goed."

"Maar je doet alsof het ergste zal gebeuren," zei Juniper.

"Dat spreekt! Waarom zou ik er doekjes om winden? Zeg, Jim, je zal

een plaatsvervanger voor me moeten zoeken bij de volgende match. Ik

zal nooit meer kunnen voetballen."

"Toe, spreek zoo niet," vroeg Jim op smeekenden toon.

"Weet je wat ik had willen worden?" vroeg Bob. "Ik was van plan om heel

veel en heel lang te reizen; ik zou door de wereld zijn rondgetrokken

want ik weet dat ik rijk ben. Ik wou een massa zien om te beginnen. Ik

wou zièn," herhaalde hij op bitteren toon.

"En daarna zou ik naar Canada zijn getrokken, in de hoop wat te kunnen

doen voor mijn land," ging hij voort. "Canada kan het mooiste, rijkste

land van de wereld worden, maar er valt daar nog zoo oneindig veel

te doen. Een man met geld op zak en oogen in zijn hoofd--en oogen in

zijn hoofd," herhaalde hij nog eens, "die zou zoo'n massa kunnen doen,

als hij de handen aan het werk slaat."

"Maar je zal toch een massa voor je land kunnen doen," merkte Jim

aarzelend op.

"Wat kan een blinde man uitvoeren," hernam hij op een bitteren

toon. "Als ik een arm of been had verloren, dan zou het nog iets

zijn. Nelson liep met één arm bevelen te geven op het dek van het

achterschip bij den slag van Trafalgar--maar als zijn oogen hem waren

uitgeschoten," voegde hij er bij met haperende stem, "wat zou hij

dan hebben kunnen uitrichten? Blinde menschen moesten maar dood gaan."

"Toe, spreek zoo niet," zei Jim wederom.

"Het is de waarheid," hernam Bob heel beslist. "Een blinde

geeft iedereen last; hij moet rondgeleid en aangekleed worden en

gewasschen--o God, het is zoo vreeselijk," riep hij plotseling uit.

"Je windt je te veel op," zei Juniper. "Het is heusch beter dat ik

weg ga."

"Nee, het doet me goed," hernam Bob; "ik heb zooveel uren alleen

gelegen; eindelijk kan ik mijn hart voor iemand uitstorten."

"Maar de zuster zal dadelijk komen."

"Nee, die zal nog wel wat weg blijven, in elk geval wil ik eerst

uitspreken. In een vacantie hebben Norman en ik eens een voetreis

gemaakt door Schotland. We hebben toen bergen beklommen en zoowat

meer. Bij een van de meren hebben we eens een blinden man ontmoet

die door een jongen bij de hand werd geleid. Die man was op lateren

leeftijd blind geworden. Hij kende de streek door en door en hoorde

onze verhalen met de grootste belangstelling aan. En nu had hij op

een vlakken weg een jongen noodig om hem te leiden."

"Die man was zeker heel oud," viel Juniper in.

"Ja, maar ik heb nog misschien wel een leven van zestig jaar voor me,"

hernam Bob; "en in dien tijd zal ik ieder tot last zijn. Herinner je

je dien man uit dat boek van Kipling, die blind werd en toen...."

"Maar Bob, hoe het ook gaat, je vrienden zal je altijd houden,"

zei Juniper hartelijk.

"Och, geloof je dat?" zei Bob. "De menschen hebben het te druk om zich

veel te bekommeren om een sukkel dien ze den weg moeten wijzen. De

een of andere arme drommel zal zoo- en zooveel salaris krijgen om me

rond te leiden als een beer aan den ketting; tegen dien tijd zal ik

misschien ook wel zijn gaan lijken op een brombeer."

Juffrouw Geebel kwam nu aanstevenen. "Jongeheer Juniper, het is hoog

tijd om te gaan."

"Goeden nacht," bracht Jim met moeite uit, want spreken was hem

bijna onmogelijk.

"Mijn moeder zei altijd 's avonds: God zegen je, mijn jongen," hernam

Bob met zwakke stem. "In zulke dagen kan je zoo heel erg naar een

moeder verlangen."

Juffrouw Geebel die hem deze woorden had hooren zeggen, barstte in

snikken uit en Jim en ik verlieten zoo zacht mogelijk de zaal.

Het licht in de gang leek verblindend na de duisternis van de

ziekenkamer, zoodat we beiden de hand aan de oogen brachten.

"Als mijn moeder maar hier was," zei Jim, wien de tranen over de

wangen stroomden.

"O Jim, ik ben de rampzaligste jongen van de wereld," riep ik uit.

HOOFDSTUK XXVII.

DE SPECIALITEIT.

Dien nacht kon ik den slaap niet vatten. Ik lag te luisteren naar

de lange galmende slagen van de schoolklok terwijl ik me voortdurend

afvroeg of Bob nu ook wakker zou liggen--hiervan was ik bijna zeker--en

telkens en telkens drong zich de vurige wensch aan me op dat ik het

gebeurde ongedaan zou kunnen maken.

Eindelijk scheen ik toch in slaap te zijn gevallen, want ik herinner

me dat ik in den donkeren wintermorgen ontwaakte met een vaag gevoel

dat er iets vreeselijks was gebeurd. Plotseling schoot alles me weer

te binnen: Bob was blind gemaakt door mijn schuld; ik had zijn leven

verwoest; volgens zijn eigen zeggen zou het beter zijn geweest als

ik hem maar had gedood.

Ik stond op hoewel het pikdonker was en de anderen nog sliepen. Toen

ik buiten kwam in de kille ochtendlucht waren de sterren nog niet

verdwenen. Ik vroeg me af of Bob die ooit weer zou zien schijnen. Het

leek me zoo vreeselijk dat ik in een oogenblik van waanzinnige drift

zulk onherstelbaar leed had berokkend aan mijn besten vriend.

In de laatste dagen had ik het met de leeraren aan den stok omdat

ik mijn werk veronachtzaamde, doch dit liet me allemaal even

onverschillig. Plotseling kwam ik op een inval. Onmiddellijk zette

ik het op een loopen naar het station. Hoe laat zou die beroemde

specialiteit uit Londen aankomen?

Ik keek de lijst na en zag dat de nachttrein binnen het uur werd

verwacht.

Al dien tijd liep ik over het perron te drentelen, terwijl een

slaperige kruier me nu en dan een verwonderden blik toewierp, terwijl

hij woest met den bezem zwaaide en het stof in wolken opjoeg. Al de

advertenties had ik weldra gelezen en herlezen zoodat ik ze van buiten

kende; uit de verschillende kamers en bureaux kwam een eigenaardig

benauwde lucht naar me toe; aan het einde van het perron brandde een

sissende gasvlam en daar deed de koude wind snippers papier opdwarrelen

die tusschen de rails lagen; in de verte hoorde ik de zee klotsen en

ik vernam het klikken van een telegraaf-toestel; een jongen floot een

deuntje terwijl hij de knoppen en krukken stond te poetsen en al maar

bleef ik heen en weer loopen op het perron terwijl het langzamerhand

lichter begon te worden.

Toen het uur van aankomst naderde kwam er leven op het perron. De

kruiers verschenen; de meesten geeuwend. Het sein-toestel buiten

begon te klingelen.

"Hij komt er aan!" zei een van de kruiers die uit alle macht een

bel ging luiden, ofschoon ik de eenige persoon was die zich op het

perron bevond.

Bravo, Bob! De padvinder uit Canada · 第 13 / 15 段