"Nee, nee," zei hij; "die heeft er niets mee te maken."
Alles wat niet op Bob betrekking had liet me onverschillig, zoodat
ik ongeduldig met het hoofd schudde.
"Het is iets van Brunton," hernam Stenford.
"Wat?" vroeg ik onverschillig.
"Die is weg."
"Weg?"
"Ja, weggejaagd, Kolman heeft hem op staanden voet
weggestuurd. Gisterenavond heeft de chef hem zelf gesnapt en toen
heeft ie eindelijk alles opgebiecht. Zijn vader is vandaag hier geweest
om nog een goed woord te doen, maar de chef denkt er niet aan om hem
terug te nemen."
"Blij dat ie weg is," zei ik uit den grond van mijn hart. "Als het
maar eerder was gebeurd, dan zou misschien..."
"Hij scheen een massa geld van allerlei lui te hebben geleend," hernam
Stenford; "de oude Brunton zei dat hij het allemaal zou terug betalen,
maar Kolman bleef op zijn stuk staan; hij schijnt het jonge mensch
al sinds lang niet te hebben vertrouwd."
"Hoe weet je dat allemaal?" vroeg Kien verwonderd.
"Mijn knappe kop weet alles," zei Stenford die met de hand tegen het
voorhoofd sloeg. "Maar vindt je het niet gek, Ellinghem, dat Kitsjin
hem het meest geld heeft geleend of gegeven. Het lijkt me een raadsel
dat Kitsjin zich heeft ingelaten met een vent als Brunton!"
Ik dacht aan het geheim dat Bob voor mij wilde verborgen houden en
dat als gif in mijn ziel scheen te hebben gewerkt, tot het dien dag
tot een uitbarsting was gekomen,
"Het is ook zoo gek dat een van de jongens hem iets over Kitsjin
heeft hooren zeggen, toen ie bezig was zijn boeltje te pakken,"
hernam Stenford.
"En wat dan?" vroeg ik gejaagd.
"Praat niet zoo hard," zei Stenford; "Kijkers komt er aan. ""Als
iemand hier op school een malle vent is, dan is het Kitsjin,"" schijnt
hij te hebben gezegd en toen heeft hij er lachend aan toegevoegd:
"Maar voor ik weg ga zal ik hem nog een poets bakken.""
"Wat bedoelde hij daarmee?"
"Weet niet, maar houd nou je mond."
Ik zat met mijn Latijnsche woordenboek voor me, want ik was bezig aan
een vertaling van Virgilius; toen Kijkers langs kwam begon ik hierin
met grooten ijver te bladeren, en ontdekte een couvert dat tusschen de
bladeren was gelegd. Het was een tamelijk groote langwerpige enveloppe;
op het adres stond "Martin Ellinghem" en dit was kennelijk geschreven
door den jongen die op staanden voet van St. Martin was weggejaagd.
Mijn gedachten werden zoo geheel in beslag genomen door het ongeluk
van Bob, dat het mij bijna onverschillig liet om den inhoud te leeren
kennen. Ik schoof den brief onder mijn boek en toen Kijkers langs me
was geloopen scheurde ik het couvert open. In een oogwenk was mijn
belangstelling opgewekt.
In mijn hand hield ik een bundel papieren die er allemaal even zakelijk
uitzagen. De stukken die door Finsberie en Koster werden verzonden
waren op dezelfde manier geadresseerd en opgesteld.
Eén ding viel me terstond op. Ofschoon ik maar weinig papieren onder
de oogen had gekregen die mijn persoontje betroffen, had ik toch wel
opgemerkt dat ze altijd door een klerk die zijn krachten ten beste
gaf aan cliënten van Finsberie en Koster waren geschreven.
Maar nu herkende ik diezelfde hand; op wat manier had Brunton die
stukken te pakken kunnen krijgen en waarom liet hij me dat pak toekomen
voor zijn vertrek? Ik begreep heel goed dat hij me geen dienst had
willen bewijzen en dat hij me evenmin een cadeautje als herinnering
zou achterlaten.
"Misschien heeft hij deze stukken in handen gekregen die aan mij
waren geadresseerd," zei ik tegen mezelf. Maar toen ik ze nauwkeuriger
beschouwde zag ik dat ze niet onlangs waren geschreven; de inkt was
heelemaal opgedroogd en de datum--ja in dien tijd was ik nog heel
klein, het was het jaar waarin al die ellende ons trof en waarin mijn
vader verdween en stierf.
Op den eersten brief waren een paar kolommen geplakt uit een oude
courant waarvan het papier geel was geworden. Het opschrift luidde:
""VREESELIJK ONGELUK TE MALLORIE.
NOODLOTTIG SCHOT.""
Met de grootste belangstelling begon ik te lezen. Eindelijk zou
ik dus precies te weten komen wat er toen op de jacht was gebeurd
en waarvan de Horners me maar een enkel woord hadden verteld. Dat
die courant de waarheid behelsde, bleek uit het feit dat ze door
het kantoor was bewaard geworden en gevoegd bij de stukken die de
Ellinghem-zaak betroffen.
De courant gaf eerst allerlei nauwkeurige bijzonderheden over
het landgoed en de omgeving en toen werd verteld dat de eigenaar,
de heer Martin Ellinghem, op de jacht was gegaan met een van de
jachtopzieners en zijn gast, een heer uit Canada, een zekeren heer
Kitsjin uit Toronto.
Een schok voer door me heen toen ik dit las. "Wat is er?" fluisterde
Stenford, die me waarschijnlijk had zitten begluren en me daardoor
had zien ontstellen.
"Niets bijzonders," mompelde ik, terwijl ik al weer verder las.
In het verslag stond vermeld dat 's morgens druk en met succes was
gejaagd, waarna het gezelschap terugkeerde langs den Welfield-weg die
aan weerskanten met boomen is beplant en die een opstap heeft aan het
begin en aan het einde. Bij dien laatsten opstap gebeurde het ongeluk.
De heer Kitsjin was al aan den anderen kant van het hek waar hij op
zijn gastheer stond te wachten, toen een haas het pad overstak, waarop
hij zich omkeerde en het geweer ophief. Op dit oogenblik klom de heer
Ellinghem over het hek waarbij de trekker van het geweer op de een
of andere manier bleef haken en overging. De heer Kitsjin kreeg de
volle lading in den rug. Hij stortte neer en ofschoon onmiddellijk
hulp werd verleend, was hij na eenige minuten dood gebloed. Een
onderzoek werd ingesteld. Enz.
Hierop kwam de inhoud neer van het uitvoerige artikel. Dit was de
eerste maal van mijn leven dat ik om zoo te zeggen in aanraking kwam
met het drama dat in mijn kindsheid was voorgevallen, en nu eerst
besefte ik hoe zorgvuldig de feiten voor mij waren verborgen gehouden.
De naam Kitsjin had me echter het meest getroffen. Ik begon nu alles
bij mezelf na te gaan en dacht aan mijn eerste ontmoeting met Bob. Ik
herinnerde me hoe vreemd hij had opgekeken toen ik hem mijn naam had
genoemd en ik zag weder Horner flauw vallen toen we uit het rijtuig
stapten. Het leek me nu ook zoo zonderling dat Bob dien tocht naar
Mallorie had ondernomen. Zou hij dat hebben gedaan uit een gevoel
van pijnlijke nieuwsgierigheid om de plek te zien waar zijn vader
bij ongeluk door mijn vader was doodgeschoten?
Het kostte mij moeite om mijn kalmte te bewaren. Bij de andere brieven
vond ik nog eenige uitknipsels van couranten, die van hetzelfde blad
afkomstig waren. Hiervan luidde het opschrift:
"ONDERZOEK INGESTELD NAAR HET JACHT-ONGELUK TE MALLORIE. ZONDERLINGE
ONTDEKKING."
Dezelfde bijzonderheden werden wederom herhaald, doch het een en ander
werd er nu bijgevoegd. De jachtopziener was gehoord als getuige en
een oude man die aan een struik had staan snoeien was ook als getuige
gehoord en deze beiden verklaarden eenparig dat niets van een haas
op het pad was te zien geweest en dat de heer Kitsjin zijn geweer
niet had opgelicht en dat hij juist van het hek afstapte toen hij
onverwacht de volle lading in den rug kreeg uit het geweer van den
heer Ellinghem. Enz.
Toen de heer Ellinghem als getuige werd voorgeroepen, bleek dat deze
niet was verschenen. Hij moest zich in alle stilte uit de voeten hebben
gemaakt; het ongeluk schijnt zijn verstand als te hebben verbijsterd,
want hij heeft heel vreemd en zonderling gehandeld en men vreest dat
hij de hand aan zichzelf heeft geslagen.
Uit een Londensche courant was ook een stuk uitgeknipt en
opgeplakt. Dit luidde:
"Langzamerhand is eenig licht opgegaan in de duistere Mallorie-zaak,
die de gemoederen in den laatsten tijd zoo hevig in beweging
heeft gebracht. Het schijnt dat de heer Kitsjin, de heer uit
Canada die op zulk een geheimzinnige wijze om het leven kwam,
naar Engeland was getrokken omdat hij recht meende te hebben op het
Mallorie-landgoed. Hij heeft kennis gemaakt met den tegenwoordigen
eigenaar den heer Ellinghem en had alle hoop dat de zaak door een
minnelijke schikking in het reine zou worden gebracht. Zijn rechten
dagteekenden van ongeveer honderd vijftig jaar geleden. De kansen
stonden blijkbaar gunstig voor den heer Kitsjin en dit feit, gevoegd
bij zijn onverwachten dood en onmiddellijke verdwijning van den heer
Ellinghem--dit alles werpt een eigenaardig licht op de zaak. Tot nu
toe is taal noch teeken van den heer Ellinghem vernomen. Thans wordt
zijn dood voorondersteld zoodat wettelijke vertegenwoordigers zijn
benoemd om het landgoed te beheeren voor het eenig overgebleven lid
van de familie, een nog zeer jeugdigen knaap.
""Het is nog niet bekend of de vertegenwoordigers van de
Kitsjin-affaire de zaak zullen voortzetten; gedurende de
minderjarigheid van den zoon die nog in Canada vertoeft, is dit niet
waarschijnlijk. De heer Kitsjin was een welgesteld grondeigenaar.""
Er waren nog eenige andere couranten bijgevoegd, doch deze behelsden
weinig bijzonderheden. Ik stak het heele pak in mijn zak en tuurde
toen weer op mijn boek, zonder een woord te kunnen lezen, want de
letters dansten voor mijn oogen.
HOOFDSTUK XXVI.
IN DE ZIEKENZAAL.
Het was me een raadsel hoe Brunton aan die stukken was gekomen
die mijn particuliere zaken betroffen, en evenmin kon ik begrijpen
waarom hij me die in handen had gespeeld voor hij de school voor
goed verliet. Maar de reden waarom hij op deze wijze had gehandeld,
deed er eigenlijk weinig toe. Ik was nu eenige gewichtige feiten te
weten gekomen; en hieraan moest ik voortdurend denken naarmate de
zaak me al helderder en duidelijker voor den geest begon te staan.
Ten eerste was het meer dan waarschijnlijk dat het Ellinghem-landgoed
dat aan mij zou komen bij mijn meerderjarigheid, mij nooit zou
toebehooren en dat ik doodarm op straat zou staan. Ja, het was zelfs
mogelijk dat het schoolgeld van St. Martin door een vreemde voor mij
werd uitbetaald.
En de vader van Bob was dus door mijn vader gedood!
En omdat mijn vader onmiddellijk na het ongeluk was verdwenen was
overtuigend gebleken (althans volgens de couranten-verslagen) dat
het een moord met voorbedachten rade was geweest, omdat mijnheer
Kitsjin naar Engeland was vertrokken om zijn rechten op het landgoed
te doen gelden.
En nu wist ik ook dat Bob dit allemaal had geweten toen hij naar
Mallorie was getrokken om eens poolshoogte te nemen en te zien of hij
het een of ander kon ontdekken, maar dat hij de reden van zijn komst
had verzwegen, toen hij kennis had gemaakt met den zoon van den man
die zijn vader had doodgeschoten, en dat hij me van dit alles onkundig
had gelaten en dat hij, toen hij tot de ontdekking kwam dat Brunton
op de hoogte was, Brunton had omgekocht om de zaak geheim te houden.
En nu bedacht ik met schaamte, dat Bob niet den omgang had ontweken
van den jongen door wiens vader hij zulk een onherstelbaar verlies
had geleden, maar dat hij in alle opzichten een vriend voor hem was
gebleken, dat hij al het mogelijke voor hem had gedaan en meer dan
een broer voor hem was geweest.
En die jongen had hem beloond door in een vlaag van waanzinnige drift
op hem aan te vallen en hem zwaar lichamelijk letsel toe te brengen.
Geen wonder dat de woorden van mijn Virgilius voor mijn oogen bleven
dansen en dat allerlei gedachten dooreenwoelden in mijn hoofd,
doch telkens en telkens zag ik met vlammende letters gegrift staan
dat deze vriend die geen onrecht had willen wreken, maar die me op
alle mogelijke wijzen had voortgeholpen, aan wien ik alles had te
danken--dat deze vriend door mij levenslang ongelukkig was gemaakt.
Als versuft verliet ik het lokaal toen het uur was verstreken; ik keek
op toen iemand me op mijn schouder tikte. Jim Juniper stond naast me.
"Ga mee," fluisterde hij. "Het is nu de beste tijd."
Hij nam mijn arm en leidde me langs een omweg naar de ziekenzaal.
"Als iemand me snapte zou ik op m'n gezicht krijgen," zei Jim,
"maar niemand hoeft het te weten te komen."
"Ik ben je zoo dankbaar," zei ik, toen we de deur naderden en langzamer
begonnen te loopen.
"Stil, praat niet zoo hard," zei Jim. "Hij heeft een echte
verpleegster; die zou ons natuurlijk niet binnen laten, maar ze is
nu naar beneden gegaan om te eten en zoo lang zit juffrouw Geebel
bij hem."
"Zou die..." begon ik.
"O jawel," antwoordde Jim op luchtigen toon. "Moeder Geebel kan ik
altijd ompraten. Maar stil zijn, hoor!"
Hij opende voorzichtig de deur en we stapten naar binnen.
In de zaal heerschte bijna volslagen duisternis. De lamp was zoo laag
mogelijk ingedraaid en nog van een donkere kap voorzien om het licht
te temperen; ook stond een scherm om den haard.
De zware gestalte van juffrouw Geebel rees achter het scherm overeind.
"Ga maar op den tast naar het verste bed, maar geen leven maken,
hoor," zei ze fluisterend. "Die zuster is er eentje met wie niet valt
te spotten."
Zwijgend liepen we door; ik ging achter Juniper aan met angstig
kloppend hart.
Toen mijn oogen aan de duisternis gewend geraakten kon ik het witte
bed onderscheiden waarop een gedaante roerloos lag uitgestrekt. Een
oogenblik lang werd geen geluid vernomen, zoodat ik het bonsen en
kloppen van mijn hart kon hooren. Toen bewoog de gedaante even en
de stem van Bob die nu zoo zwak klonk, hoorden we vragen: "Is daar
iemand?"
"Ik ben het," zei Juniper op rustigen toon.
"Goede kerel," zei Bob; "jammer dat ik je niet kan zien," voegde hij
er bij met een poging om te schertsen.
"Ik heb iemand meegebracht," zei Jim.
"Wie?"
"Vooruit nou, Ellinghem," fluisterde Jim die me naar voren duwde,
waarop hij heel zacht terug sloop naar het andere einde van de kamer.
"Wie is het?" vroeg Bob voor de tweede maal.
"O Bob! Ik ben het,--Martin," zei ik, terwijl ik een paar stappen
naar voren deed.
Toen ik me nu zoo dicht bij hem bevond en ik hem daar zag liggen met
een doek voor de oogen, toen ging het als een schok door me heen en
liet ik me op de knieën vallen naast het bed, niet in staat een klank
uit te brengen.
"Zoo, kom jij eens kijken naar de zieken en gewonden die in den strijd
zijn gehavend?" vroeg Bob die me even aanraakte met de hand.
"O Bob," riep ik uit, "het is zoo vreeselijk! Ze kunnen je toch
beter maken?"
"Dat is nog de vraag," antwoordde hij heel kalm.
Ik barstte uit in snikken en smeekte om vergeving in woeste
hartstochtelijke woorden.
"Het is nu eenmaal gebeurd, kerel," zei hij. "Het trof alleen maar
zoo ongelukkig dat ik juist achter de deur stond toen die ruit in
stukken vloog."
"Bob, ik weet alles," riep ik uit. "Ik heb al die dingen in de
couranten gelezen. Daarvan had niemand me ooit een woord verteld!"
Ik deelde hem hortend en stootend mede wat ik was te weten gekomen
en hoe schuldig en ellendig ik me gevoelde.
"Houd maar op," zei hij op heel rustigen toon. "Het is een schandaal
dat ze het je hebben verteld, al moest je toch op den een of anderen
dag de waarheid hooren. Van wien weet je het?"
Ik stelde hem op de hoogte.
"Zoo," mompelde hij; "echt iets voor Brunton."
"En als ik nu bedenk dat ik het was die--"
"Kom, begin niet weer opnieuw," viel hij me in de rede op moeden toon.
Ik hoorde Juniper naderbij komen, zoodat ik begreep dat het tijd werd
om te gaan.
Ik rees overeind en terwijl ik me over hem heenboog, vroeg ik
fluisterend of hij me ooit zou kunnen vergeven.
"Kom jongen," zei hij, "we zijn te oude vrienden om op die manier
met elkaar te praten. Je deedt het toch niet met opzet. Heb je gezien
dat ik in hetzelfde bed lig als waarin jij hebt gelegen toen je bijna
was verdronken."
Hij sprak op luchtigen toon; even tastte hij naar mijn hand die hij
wederom greep en drukte.
"Kom Ellinghem, we moeten gaan," zei Juniper; "we zijn toch al veel
te lang gebleven."
"Toe blijf nog wat," zei Bob op matten toon; "het is toch al zoo akelig
om met niemand te kunnen praten zoodat je je wel moet verdiepen in
nare gedachten."
Toen Jim naar Bob toeliep had ik terug willen gaan naar het andere
einde van de kamer, doch bij vergissing draaide ik me om naar den
verkeerden kant, zoodat Jim die nu bij het bed stond me den weg
versperde.
Ik wilde hun gesprek niet storen en bleef staan daar ik dacht dat ze
elkaar alleen met een enkel woord goeden nacht wilden wenschen. Beiden
meenden dat ik was weggetrokken; Bob was hier althans van overtuigd.
"Ja, ik kan begrijpen dat het vreeselijk is," zei Juniper op
deelnemenden toon.
"Het is afschuwelijk," zei Bob met dezelfde zwakke, matte stem.
"Is de pijn zoo erg?"
"Erg genoeg om flauw te vallen."
"Houd moed, kerel," zei Juniper hartelijk. "Denk eraan dat je een
Canadees bent."
"Waarom zou ik er den moed inhouden?" vroeg Bob.
"Ben je er dan zoo zeker van?"
"Ja, zoo goed als zeker."
"Wat zei de dokter?"
"Och, je weet dat doktoren je nooit vertellen, als de zaak hopeloos
staat; ze denken dat dit slecht voor je is. Maar ik kan je wel
vertellen dat hij het zwaar inziet."
Een stilte volgde.
"Maar Robertson is nu onderweg. Die schijnt een verbazend knap
operateur."
"Dat kan wel zijn, maar we kunnen toch niet het onmogelijke van hem
vergen, Jim."
"Misschien is het niet onmogelijk."
"Ik hoorde dat de dokter tegen Kolman zei toen ze samen weggingen--hij
dacht natuurlijk dat ik hem op dien afstand niet zou verstaan, maar
blinde menschen...." zijn stem haperde even--"blinde menschen hebben
zoo'n scherp gehoor en ik hoorde den dokter dan ook heel duidelijk
zeggen: "De kans is heel gering."
"Heeft ie dat gezegd?" vroeg Jim.
"Ja en nu ik al dien tijd in donker heb gelegen en niets heb kunnen
doen dan denken," ging Bob voort, "nu ben ik alles bij mezelf nagegaan
wat ik wèl en wat ik nièt zal kunnen doen."
"Hoor 's, kerel, het moet slecht voor je zijn om zoo te praten,"
zei Jim.
"Nee, nee," riep Bob bijna heftig uit. "Ik ben nu zoo lang alleen
geweest; het doet me goed."
"Maar je doet alsof het ergste zal gebeuren," zei Juniper.
"Dat spreekt! Waarom zou ik er doekjes om winden? Zeg, Jim, je zal
een plaatsvervanger voor me moeten zoeken bij de volgende match. Ik
zal nooit meer kunnen voetballen."
"Toe, spreek zoo niet," vroeg Jim op smeekenden toon.
"Weet je wat ik had willen worden?" vroeg Bob. "Ik was van plan om heel
veel en heel lang te reizen; ik zou door de wereld zijn rondgetrokken
want ik weet dat ik rijk ben. Ik wou een massa zien om te beginnen. Ik
wou zièn," herhaalde hij op bitteren toon.
"En daarna zou ik naar Canada zijn getrokken, in de hoop wat te kunnen
doen voor mijn land," ging hij voort. "Canada kan het mooiste, rijkste
land van de wereld worden, maar er valt daar nog zoo oneindig veel
te doen. Een man met geld op zak en oogen in zijn hoofd--en oogen in
zijn hoofd," herhaalde hij nog eens, "die zou zoo'n massa kunnen doen,
als hij de handen aan het werk slaat."
"Maar je zal toch een massa voor je land kunnen doen," merkte Jim
aarzelend op.
"Wat kan een blinde man uitvoeren," hernam hij op een bitteren
toon. "Als ik een arm of been had verloren, dan zou het nog iets
zijn. Nelson liep met één arm bevelen te geven op het dek van het
achterschip bij den slag van Trafalgar--maar als zijn oogen hem waren
uitgeschoten," voegde hij er bij met haperende stem, "wat zou hij
dan hebben kunnen uitrichten? Blinde menschen moesten maar dood gaan."
"Toe, spreek zoo niet," zei Jim wederom.
"Het is de waarheid," hernam Bob heel beslist. "Een blinde
geeft iedereen last; hij moet rondgeleid en aangekleed worden en
gewasschen--o God, het is zoo vreeselijk," riep hij plotseling uit.
"Je windt je te veel op," zei Juniper. "Het is heusch beter dat ik
weg ga."
"Nee, het doet me goed," hernam Bob; "ik heb zooveel uren alleen
gelegen; eindelijk kan ik mijn hart voor iemand uitstorten."
"Maar de zuster zal dadelijk komen."
"Nee, die zal nog wel wat weg blijven, in elk geval wil ik eerst
uitspreken. In een vacantie hebben Norman en ik eens een voetreis
gemaakt door Schotland. We hebben toen bergen beklommen en zoowat
meer. Bij een van de meren hebben we eens een blinden man ontmoet
die door een jongen bij de hand werd geleid. Die man was op lateren
leeftijd blind geworden. Hij kende de streek door en door en hoorde
onze verhalen met de grootste belangstelling aan. En nu had hij op
een vlakken weg een jongen noodig om hem te leiden."
"Die man was zeker heel oud," viel Juniper in.
"Ja, maar ik heb nog misschien wel een leven van zestig jaar voor me,"
hernam Bob; "en in dien tijd zal ik ieder tot last zijn. Herinner je
je dien man uit dat boek van Kipling, die blind werd en toen...."
"Maar Bob, hoe het ook gaat, je vrienden zal je altijd houden,"
zei Juniper hartelijk.
"Och, geloof je dat?" zei Bob. "De menschen hebben het te druk om zich
veel te bekommeren om een sukkel dien ze den weg moeten wijzen. De
een of andere arme drommel zal zoo- en zooveel salaris krijgen om me
rond te leiden als een beer aan den ketting; tegen dien tijd zal ik
misschien ook wel zijn gaan lijken op een brombeer."
Juffrouw Geebel kwam nu aanstevenen. "Jongeheer Juniper, het is hoog
tijd om te gaan."
"Goeden nacht," bracht Jim met moeite uit, want spreken was hem
bijna onmogelijk.
"Mijn moeder zei altijd 's avonds: God zegen je, mijn jongen," hernam
Bob met zwakke stem. "In zulke dagen kan je zoo heel erg naar een
moeder verlangen."
Juffrouw Geebel die hem deze woorden had hooren zeggen, barstte in
snikken uit en Jim en ik verlieten zoo zacht mogelijk de zaal.
Het licht in de gang leek verblindend na de duisternis van de
ziekenkamer, zoodat we beiden de hand aan de oogen brachten.
"Als mijn moeder maar hier was," zei Jim, wien de tranen over de
wangen stroomden.
"O Jim, ik ben de rampzaligste jongen van de wereld," riep ik uit.
HOOFDSTUK XXVII.
DE SPECIALITEIT.
Dien nacht kon ik den slaap niet vatten. Ik lag te luisteren naar
de lange galmende slagen van de schoolklok terwijl ik me voortdurend
afvroeg of Bob nu ook wakker zou liggen--hiervan was ik bijna zeker--en
telkens en telkens drong zich de vurige wensch aan me op dat ik het
gebeurde ongedaan zou kunnen maken.
Eindelijk scheen ik toch in slaap te zijn gevallen, want ik herinner
me dat ik in den donkeren wintermorgen ontwaakte met een vaag gevoel
dat er iets vreeselijks was gebeurd. Plotseling schoot alles me weer
te binnen: Bob was blind gemaakt door mijn schuld; ik had zijn leven
verwoest; volgens zijn eigen zeggen zou het beter zijn geweest als
ik hem maar had gedood.
Ik stond op hoewel het pikdonker was en de anderen nog sliepen. Toen
ik buiten kwam in de kille ochtendlucht waren de sterren nog niet
verdwenen. Ik vroeg me af of Bob die ooit weer zou zien schijnen. Het
leek me zoo vreeselijk dat ik in een oogenblik van waanzinnige drift
zulk onherstelbaar leed had berokkend aan mijn besten vriend.
In de laatste dagen had ik het met de leeraren aan den stok omdat
ik mijn werk veronachtzaamde, doch dit liet me allemaal even
onverschillig. Plotseling kwam ik op een inval. Onmiddellijk zette
ik het op een loopen naar het station. Hoe laat zou die beroemde
specialiteit uit Londen aankomen?
Ik keek de lijst na en zag dat de nachttrein binnen het uur werd
verwacht.
Al dien tijd liep ik over het perron te drentelen, terwijl een
slaperige kruier me nu en dan een verwonderden blik toewierp, terwijl
hij woest met den bezem zwaaide en het stof in wolken opjoeg. Al de
advertenties had ik weldra gelezen en herlezen zoodat ik ze van buiten
kende; uit de verschillende kamers en bureaux kwam een eigenaardig
benauwde lucht naar me toe; aan het einde van het perron brandde een
sissende gasvlam en daar deed de koude wind snippers papier opdwarrelen
die tusschen de rails lagen; in de verte hoorde ik de zee klotsen en
ik vernam het klikken van een telegraaf-toestel; een jongen floot een
deuntje terwijl hij de knoppen en krukken stond te poetsen en al maar
bleef ik heen en weer loopen op het perron terwijl het langzamerhand
lichter begon te worden.
Toen het uur van aankomst naderde kwam er leven op het perron. De
kruiers verschenen; de meesten geeuwend. Het sein-toestel buiten
begon te klingelen.
"Hij komt er aan!" zei een van de kruiers die uit alle macht een
bel ging luiden, ofschoon ik de eenige persoon was die zich op het
perron bevond.