reeds was beklonken.
"Dat kan ik niet doen," verklaarde Bob heel beslist, terwijl hij het
hoofd ontkennend schudde.
"Je moet het doen," riep ik uit.
"Het is onmogelijk," antwoordde Bob kortaf, die zijn boek weer opnam,
alsof hij een eind wilde maken aan het onderhoud.
"Het is een schandaal," viel ik driftig uit; "als hij door een van de
leeraren was gesnapt, dan was het wat anders; dan zou hij natuurlijk
een pak ransel of strafwerk hebben gekregen, maar nu hij door een
van de jongens is verraden..."
"Hoor 's," zei Bob terwijl een lichte blos zijn wangen kleurde; "als
een ander me op die manier kwam lastig vallen, dan zou ik hem gewoon
de deur uitzetten, maar nu jij het bent zal ik je het geval uitleggen."
"Heel graag," zei ik kwaad, "want van zulke gemeene dingen snap
ik niets."
Bob ging niet in op deze woorden, hoewel het bloed hem wederom naar
de wangen steeg.
"De prefekten zijn mede belast met de handhaving der orde," zei hij;
"daarvoor zijn ze in zekeren zin verantwoordelijk en als ze het
noodzakelijk achten dan mogen ze straffen uitdeelen."
"Maar in dit geval..." begon ik.
"Laat me uitspreken," zei hij heel kalm. "In dit geval is een vader
van een van de jongens het te weten gekomen."
"Ja, de oude Brunton," mompelde ik.
"Juist; hij heeft aan Brunton gezegd dat als de prefekten de zaak niet
in handen namen, dan zou hij er Kolman mede in kennis stellen, en dan
zou het er heel wat leelijker uitzien voor Kien. De chef is volstrekt
niet overdreven streng, maar hij verkiest niet dat de menschen in de
stad overlast hebben van de jongens."
"De jongens halen toch allerlei streken uit," wierp ik tegen. "Die
Brunton is me zelf een lieverdje. De kerel moest worden weggejaagd."
"Dat weet ik wel," zei Bob op matten toon, alsof hij eraan begon
te wanhopen om mij een goed begrip van de zaak te doen krijgen. "In
het geval van Kien is een vreemde erin gemoeid, en als wij hem niet
straffen, dan zou Kolman er bij worden gehaald. En in het geval van
Brunton is tot nu toe niemand gemoeid; dat is alles. Als ik Kien had
gesnapt, denk je dan dat ik hem zou hebben aangeklaagd?"
"Ik was er ook bij en nog twee anderen," mompelde ik.
"Noem alsjeblieft niet hun namen," zei Bob haastig. "Van de rest
weet ik natuurlijk niets. En nu hebben we er heusch lang genoeg over
gepraat. Ik heb geen minuut meer te verliezen."
"Dus Kien krijgt een pak ransel?" vroeg ik op uitdagenden toon.
"Ja, dat hebben we afgesproken. Kien zal er heusch niet onder
bezwijken. Zoover als ik hem ken zal hij de zaak luchtig opnemen."
"Dat is niet de vraag," hernam ik nijdig, toen Bob zijn boek weer
opnam, daar hij het gesprek blijkbaar als afgeloopen beschouwde. "Ik
begrijp er alles van. Jullie durven niets tegen Brunton. Misschien
zijn niet àlle prefekten bang voor den vent, maar jij bent het in
elk geval wel."
Bob hief het hoofd op en wierp me een doordringenden blik toe.
"Hij wil er zeker achter komen hoeveel ik weet," zei ik bij mezelf.
"Ja," ging ik ook voort; "zeg me maar eens wat Brunton voor mij moet
geheim houden."
"Ik raad je aan dit onderwerp te laten rusten," zei Bob langzaam;
ik zag echter dat het hem moeite kostte om zijn kalmte te bewaren.
"Daar heb ik niets geen lust in," zei ik. "Kijk dit 's!" Ik haalde
den brief die niet was onderteekend uit den zak en waarvan ik Dester
voor den schrijver hield. Ik reikte hem het epistel over.
Een oogenblik werd Bob doodsbleek; zijn hand beefde toen ik hem den
brief toestak. Wat dacht hij te zullen lezen? Wat kon het geheim zijn
waarvan hij mij onkundig wilde houden?
"Lees het," zei ik. "Ken je die hand?"
Bob las den brief overluid; ik zag dat zijn gezicht opklaarde. De
inhoud luidde: ""Er is een jongen hier op school die iets voor jou
wil geheim houden, wat voor jou van het grootste belang is. Vraag
hem wat dat is. Jullie zijt hierin beiden betrokken. Maar hij wil
het geheim houden.""
Bob gaf me het stukje papier terug; de angstige uitdrukking was nu
van zijn gelaat geweken. Zijn gewone kleur was teruggekeerd.
"Nu, wat wou je eigenlijk daarmee?" vroeg hij.
"Ik heb dat dingetje al weken in mijn zak," zei ik, "maar ik heb het
je tot nu toe niet laten zien. Wie heeft dat geschreven, denk je?"
"Het is de hand van Dester," antwoordde Bob heel kalm.
"Dus het is afkomstig van Brunton," zei ik.
"Ja, natuurlijk."
"Ben jij dengeen dien ze bedoelen?" vroeg ik, terwijl ik hem
onafgebroken aanzag.
"Ja; ik houd er niet van om om de dingen heen te draaien."
"Dus je wilt iets voor me geheim houden?"
"Ja."
"En dat is?"
"Dat zal ik je niet vertellen."
"Weet Brunton het?"
"Ja, maar van hem zal je niets hooren."
"Omdat jij precies doet wat hij wil," hernam ik.
"Het doet er niet toe waarom," antwoordde Bob kortaf.
"En daarom kan hij met Kien doen wat hij verkiest," viel ik plotseling
heftig uit. "Jullie durft niet. Jullie zijn lafaards. Ik dacht dat
de menschen in Canada zoo prat gingen op hun eerlijkheid, maar met
jullie is het nog een beetje erger gesteld dan met de andere lui;
dat is alles."
Bob stond op en wees naar de deur. "Je verveelt me," zei hij heel
bedaard. "Ruk uit alsjeblieft."
Bij de deur keerde ik me om, daar ik mijn laatste pijl wilde
afschieten. "Als je denkt dat ik die zaak met Kien laat rusten," zei
ik, "dan vergis je je deerlijk. Jullie zult hem niet ranselen; ik zal
het beletten. De heele school zal ik er mee bemoeien. 'k Zou wel eens
willen zien dat die Brunton iedereen naar zijn pijpen kan doen dansen."
HOOFDSTUK XXIV.
IK LEID DEN OPSTAND.
Voor het avond werd had ik een heele groep onder de juniores
overgehaald om deel te nemen aan het oproer dat ik wilde doen
uitbreken, hoewel Stenford mij aanhoudend voor oogen hield dat de
heele boel schromelijk zou mislukken. Niettegenstaande Kien ons
soms gruwelijk kon vervelen met zijn voorliefde voor scheikundige
proefnemingen, was hij toch heel bemind, en het kostte me dan ook
weinig moeite om de anderen te overtuigen dat hij schandelijk werd
behandeld.
Dit alleen zou echter niet voldoende zijn geweest om volgelingen te
werven. Ik gaf op Brunton af die ik alle mogelijke dingen naar het
hoofd slingerde. Ieder van ons had zooveel plagerijen van dien naren
jongen moeten verduren, dat hij in staat werd beschouwd tot al wat
laag en gemeen was.
"We moeten zoo'n herrie maken dat Kolman het hoort," zei ik
telkens. "Die moet er zich mee bemoeien."
"Waarom?" vroeg Stenford heel bedaard.
"Omdat Kolman dan natuurlijk navraag zal doen," antwoordde ik, "en
dan wordt Brunton voor en Brunton na genoemd, en dan zal uitkomen al
wat ie in de stad heeft uitgevoerd, en dan wordt ie zeker weggejaagd."
De mogelijkheid alleen dat Brunton weggestuurd kon worden als gevolg
van den opstand, bracht verscheiden aanhangers tot onze partij
over. Zelfs Stenford en Burns hielden op met het opperen van bezwaren
en keurden het plan niet meer zoo sterk af.
Kien was de eenige die onverschillig bleef. "Maak toch niet zoo'n
herrie," zei hij, toen hij vernam wat ik van plan was. "Je stelt je
aan als een gek en je zal zien dat je er zelf tegen aanloopt." Na
deze woorden liep hij door zonder zich verder te bekommeren over den
opstand die werd beraamd.
"Ondankbare rakker," merkte Stenford lachend op; "dat is nu weer echt
iets voor Kien om het zoo op te nemen."
Hoe Kien de zaak opnam liet ons echter onverschillig. We waren
vast besloten--dat was ik althans--om te verhoeden dat hij zulk een
schandelijke bejegening zou ondergaan.
"'t Kan me geen steek schelen of ik er tegen aanloop," zei ik
uitdagend. "'t Is best mogelijk dat ik op m'n gezicht krijg, maar ik
denk er niet aan den boel op te geven. Ik ben de aanvoerder, en als
iemand moet boeten, dan ben ik het."
Deze met gloed uitgesproken woorden werden met applaus begroet. "Hoe
wil je het aanleggen?" vroeg een van de jongens die practisch was
uitgevallen.
"Stenford zegt dat twee van de prefekten morgenochtend Kien zullen
afranselen," zei ik. "Het zijn er maar twee moet je niet vergeten."
"Jawel, maar ze hebben allemaal toegestemd," antwoordde die jongen. "Ze
trekken dus partij voor elkaar."
"Natuurlijk," hernam ik, "maar ze zullen maar met hun tweeën in
die kamer zijn, en denk je dan dat wij met ons twaalven niet kunnen
beletten dat ze Kien met een hand aanraken?"
"Hm! dat zou wel gaan," zei Stenford, "en daarna?"
"Als we Kien hebben ontzet en bevrijd, dan zal je er van hen nooit
meer iets van hooren. Ze hebben dan een allermalst figuur geslagen
en vertellen het natuurlijk aan niemand."
"En als dat nu eens niet gebeurde en er een geduchte herrie uit
voortkwam?"
"Dan halen we er Brunton bij en dan wordt die weggejaagd," riep ik
uit op zegevierenden toon.
Eenige juichkreten werden aangeheven.
"Ik verlang niets van jullie dan dat je me helpt," ging ik hoe langer
hoe opgewondener voort. "Natuurlijk is er wat moed voor noodig,
maar dan is er ook geen sprake van dat de boel mislukt."
Dit heele gesprek was gevoerd op het verst afgelegen gedeelte van
het speelterrein; toen ik me omkeerde en weg liep kwamen Stenford en
Burns me achterop.
"Als ik ook niet bij die vuurwerk-historie was geweest, dan zou geen
haar op m'n hoofd erover hebben gedacht om mee te doen," zei Stenford,
"maar nu vind ik het ellendig dat de arme kerel er alleen voor moet
boeten."
"Z-zoo d-denk ik er ook over," viel Burns in.
"Maar je zal toch ondervinden dat je niets hoegenaamd kunt uitrichten,"
hernam Stenford. "Nu hebben al die lui een heel hoog woord en zeggen
ze ja en amen op al wat je beweert, maar als het oogenblik daar is,
dan laten ze je allemaal in den steek."
"Ik zal volhouden," zei ik, terwijl ik fier het hoofd in den nek wierp.
"Je hadt beter gedaan met naar Kitsjin te trekken," zei Stenford. "Ik
dacht dat--"
"Och wat!" riep ik kwaad. "Sinds Kitsjin een prefekt is, is ie niet
meer dezelfde kerel."
"Ik w-wist wel dat ie m-met de anderen zou meegaan," zei Burns,
"d-dat zou J-Juniper ook doen."
"En wat zegt die ervan?" vroeg ik. "Je hebt hem natuurlijk alles
overgebriefd."
"D-dat heb ik n-niet gedaan," antwoordde Burns; "maar Juniper weet
altijd alles."
Op dat oogenblik kwam dit heerschap juist opdagen; hij wierp een
spottenden blik naar ons drieën. "Zoo, jeugdige aanvoerder," zei hij
tegen me, "hoe gaat het met den opstand? Is het aantal oproerlingen
voortdurend stijgend? Gehoorzamen ze stipt aan de bevelen van den
leider? Onze dichter Burns is er ook bij? Heb je al een krijgszang
in elkaar geflansd?"
Burns lachte. Hij was gewend aan dergelijke spotternijen van Jim.
"Het moet een soort Marseillaise worden, jongen," zei Jim met een
sierlijk gebaar van den arm. "Er moet iets inkomen van bloed dat den
grond drenkt! Vindt je ook niet?"
"Wij zullen beletten dat het gebeurt," zei ik op uitdagenden toon.
"Heel goed," merkte de heer Juniper op even onverschilligen toon op,
alsof ik iets over het weer had gezegd.
"Ja, wij verdragen het niet," riep ik uit.
"Groot gelijk," hernam Juniper; "jullie moet zoo iets niet
verdragen. Mag ik ook weten, mijnheer, of u den raad hebt ingewonnen
van uw ouderen vriend Kitsjin, alvorens u is overgegaan tot het
uitvoeren van de plannen die door u werden beraamd?"
"Ja," zei ik kortaf.
"En hoe luidde het oordeel van uw vriend?"
Ik bleef het antwoord op die vraag schuldig, doch Burns bracht hem
op de hoogte.
"K-Kitsjin heeft het hem af-afgeraden," stotterde Burns.
"Och, kom," hernam Jim die het geval hoogst vermakelijk scheen te
vinden. "De aanvoerder zwijgt, maar onze dichter Burns neemt voor
hem het woord op als een dappere Trojaan."
"Ik verlang volstrekt niet dat iemand voor mij het woord neemt,"
mompelde ik.
"Maar dat is nu eenmaal gebeurd," zei Juniper, "en daarom zou ik u
ernstig in overweging willen geven om den raad van uw ouderen vriend
in deze zaak op te volgen."
Ik wierp hem een fonkelenden blik toe, waardoor hij nog grooter schik
scheen te krijgen in het geval.
"Wel allemachtig, nu wordt het ernst," riep hij uit. "Zulke blikken
worden geworpen bij gevechten op leven en dood. Ik word heusch
bang. Vaarwel, waarde heer en adjudant Burns. Mogen we elkaar spoedig
weer ontmoeten."
Hij groette met een keurig gebaar en liep door; zijn potsierlijke
houding liet hij echter varen en keerde terug om me in te fluisteren:
"Scheid uit met die malligheid, kerel."
Nu liep hij werkelijk door en liet ons staan.
"Type van een vent, die Juniper!" zei Stenford; "je weet nooit of ie
je voor den gek houdt of niet."
"Dat w-weet ik wel," zei Burns; "hij is een b-beste k-kerel."
"Hij kan mij geweldig vervelen," zei ik nijdig. "Toe vooruit; we
komen anders nog te laat."
We wisten niet precies hoe laat Kien den volgenden morgen voor zijn
rechters moest verschijnen, zoodat het nog duister was op welk uur
wij ten strijde moesten optrekken. In het rustuur na de ochtendschool
werd Kien geroepen.
"Wat moeten we doen, Ellinghem?" werd me van alle kanten gevraagd.
We waren nu allen te zamen in de gymnastiekzaal; wel had ik bemerkt
dat de oproerige geest voortdurend moest worden aangewakkerd, omdat
die anders zeer zeker zou zijn gedoofd.
"Zullen we hem vasthouden?" werd door een van de jongens voorgesteld.
"Als we hem 's verstopten," zei een ander.
"Als ie niet gauw gaat zal ie nog meer op z'n gezicht krijgen,"
zei een derde.
"Laat ie gaan," beval ik.
Kien was trouwens al op z'n eigen houtje vertrokken om zijn straf
te ondergaan.
"Hij moet eerst in de kamer van de prefekten zijn," hernam ik.
"Wie van de prefekten zijn het?" vroeg ik aan den jongen die Kien
was komen roepen.
"Norman en Kitsjin," antwoordde hij.
"Eerst krijgt ie een preek en dan krijgt ie een pak," zei Stenford.
"N-Norman z-zal hem d-de les lezen," zei Burns.
"Dus Kitsjin zal hem met den rotting geven?" vroeg iemand.
"Nee, dat zal ie niet," zei ik. "Vooruit jongens, ga mee. Zijn
jullie klaar?"
De plotselinge overgang tusschen praten en handelend optreden scheen
de meesten van mijn aanhangers te doen terugdeinzen. Ik kwam nu
tot de ontdekking dat de jongens die het hardst hadden geschreeuwd,
den minsten moed toonden nu het gewichtige oogenblik eindelijk was
aangebroken.
"Toe vooruit!" riep ik, terwijl ik een verachtelijken blik om mij
heen wierp. "De jongens die niet bang zijn volgen me!"
Het was mogelijk dat de een zich voor den ander wilde groot houden,
want een heel troepje kwam, hoewel schoorvoetend, achter me aan toen
ik de gymnastiekzaal verliet. Ik had met halters staan zwaaien en
had een van de zware ijzeren dingen in de hand gehouden; ik wilde
hem niet terug brengen en niet neergooien, zoodat ik het ding maar
als een wapen mee droeg.
We trokken het plein over en door de gang, waar de kamer der prefekten
zich aan het einde bevond. De bovenhelft van de deur was van matglas
dat daarin was aangebracht om de gang eenigszins te verlichten,
daar dit gedeelte anders bijna geheel in donker zou zijn gehuld.
Toen we deze bewuste deur naderden, bleven mijn aanhangers eenigszins
achter, alsof ze hoe langer hoe banger werden nu het oogenblik van
den aanval was aangebroken.
"Toe nou, maak voort," zei ik, terwijl ik over mijn schouder een blik
achter me wierp en regelrecht naar de deur toe liep.
Ik voelde zelf wel dat mijn hart klopte van angst, en daarom was het
maar beter om overhaast te werk te gaan.
Ik klopte hard en nijdig op de deur.
In de kamer hoorde ik praten; het was de stem van Norman; die was
zeker bezig met een standje te maken aan dien armen Kien. Toen ik
geen antwoord kreeg op mijn geklop, dacht ik dat ze het in de kamer
niet hadden gehoord.
Ik keek om me heen en zag op eenigen afstand de jongens op elkaar in de
gang staan; mijn optreden werd met de grootste belangstelling gevolgd.
Ik gaf zoo'n geweldigen slag op de deur dat ze het binnen wel moesten
hooren.
Het spreken in de kamer hield op; ik hoorde een paar menschen te samen
praten; toen weerklonk een haastige stap; de kruk werd omgedraaid en
de deur op een kier geopend.
"Wat is er?" vroeg Bob op strengen toon.
"Laat ons eerst binnen; dan zullen we het je vertellen," zei ik.
Hij keek eerst naar mij en toen naar de groep jongens die in de gang
stond samengeschoold.
"Jullie kunt niet binnen komen," antwoordde hij heel beslist.
"Dat kunnen we wel," antwoordde ik; "we willen niet dat jullie Kien
zult slaan."
Ik zag dat hij op het punt stond de deur met een slag dicht te gooien:
voor hij hiertoe den tijd had, had ik mijn voet er tusschen gezet.
Een sekonde slechts kwam de deur tegen mijn laars aan. Toen werd op de
een of andere geheimzinnige manier niet alleen mijn voet weggeduwd maar
ik werd achteruit gegooid, zoodat ik het aan een aantal struikelingen
had te danken dat ik niet met een smak op den grond terecht kwam.
Razend van drift snelde ik op de deur toe, maar die zat nu op
slot. Woedend stond ik aan den knop te ruggelen, terwijl ik op de
deur begon te beuken en te hameren.
"Open!" gilde ik. "Open! Jullie raakt Kien met geen vinger aan,
versta je. Laat hem eruit! Toe dan jongens, trap de deur in!"
Ik voelde dat een hand op mijn schouder werd gelegd. Het was
Stenford. "Houd nou op, kerel," zei hij. "Je kunt er immers niets
aan doen."
"Ja, g-ga m-mee," zei Burns. "Maak n-niet zoo'n k-kabaal."
Beiden grepen me bij een arm en trachtten me weg te voeren.
"Laat me los," schreeuwde ik. "Jullie bent lafaards en ellendelingen,
allemaal!"
"Onraad!" werd in de gang geroepen.
"Toe ga nu mee; we kunnen er nog vandoor gaan," zei Stenford. "Je
kan niets tegen ze uitvoeren!"
"Dat denk je maar," riep ik uit, terwijl ik me losrukte. "Dan zal ik
wel alleen de deur inslaan."
Toen ik achteruit was gegooid was de halter me uit de hand gegleden
en neergeploft.
Ik raapte het ding nu schielijk op en greep het beet om hiermede een
aanval te doen op de deur als met een stormram. Stenford trachtte me
nog terug te houden, doch ik duwde hem weg.
Toen ik op de deur toesnelde en de hand uitstrekte om den slag met
al mijn kracht te doen aankomen kon ik juist achter het matglas den
vorm van een hoofd gewaar worden--het was het hoofd van Bob.
Terwijl ik een snerpenden kreet uitstiet deed ik een aanval met den
halter. Het glas vloog aan duizenden stukken die met helsch lawaai
op den grond kletterden en rinkelden.
Achter de deur weerklonk een vreeselijke gil en door de gebroken deur
zag ik het bebloede gelaat van Bob die de handen voor de oogen hield
en over zijn gansche lichaam trilde.
"Groote hemel," riep Stenford uit; "hij heeft het in z'n oogen
gekregen!"
HOOFDSTUK XXV.
HET LEGAAT VAN BRUNTON.
Ik kan me niet goed meer herinneren hoe de rest van dien dag
verliep. Wel weet ik dat onmiddellijk een eind kwam aan het "oproer"
en dat we heel stil op onze plaatsen gingen zitten in de klas toen
het rustuur was verstreken, en dat Kien zich weer bij ons had gevoegd
zonder dat hij zijn straf had ondergaan, en dat iedereen me aankeek
alsof ik een vreemd wild dier was.
Na schooltijd hoorden we van Kien dat Bob Kitsjin naar het hospitaal
was gebracht en dat om den dokter was gezonden.
"Heb je van Norman op je gezicht gehad?" vroeg een van de jongens.
"Nee," antwoordde Kien op bitsen toon. "Maar dat heeft met het ongeluk
niets te maken. Hij zei dat ik kon gaan en toen greep hij Kitsjin
bij den arm en bracht hem weg naar het hospitaal."
"Wat zei Norman tegen hem?" vroeg Stenford.
"Precies weet ik het niet, maar ik geloof zoo iets van: ""Heb je het
in je oogen gekregen, arme kerel?"" want Kitsjin hield er den heelen
tijd zijn hand voor."
"En wat zei Kitsjin?"
"Hij mompelde iets maar hij kon ternauwernood spreken. Met gebogen
rug liep hij weg met Norman, heelemaal als een oude blinde man."
"Zei hij--heelemaal niets?" bracht ik met moeite uit, want ik kon
bijna geen klank uitbrengen. "Hij--zei hij iets van mij?"
Kien wierp me een oplettenden blik toe. "Hij zei iets toen ze de
kamer uitgingen, maar hij sprak zoo zacht dat ik hem haast niet
kon verstaan."
"Was het iets over mij?" vroeg ik gejaagd.
"O was jij het die de ruit insmeet?" zei Kien. "Ik wist niet dat jij
het was. Ik dacht dat jullie met een heelen troep waren."
Eerst kon ik niet antwoorden daar een brok me in de keel schoot. Toen
ik dit had weggeslikt, zei ik: "Nee, ik deed het alleen."
"Dan begrijp ik het," zei Kien; "want ik meende dat ik Kitsjin hoorde
zeggen: ""Laten ze niet te weten komen wie het heeft gedaan."""
Ik kon een snik niet weerhouden en keerde me om. Dus op dat oogenblik
had Bob zelfs nog aan me gedacht!
"Trek het je niet zoo aan, kerel," zei Stenford die zijn arm door
den mijne stak. "Het was een ongeluk."
"Dat was het niet," antwoordde ik op bitteren toon.
"Jawel," hield hij vol. "Je hadt je driftig gemaakt en je gooide de
ruit in, omdat je nu eenmaal met alle geweld wou binnen komen. Je
kon toch niet weten dat Kitsjin vlak achter de deur stond."
"Dat wist ik wel," zei ik. "Ik wist dat ie daar stond."
"Maar je wou hem toch niet op die manier aanvallen," zei Stenford die
me nu eenmaal moed en troost wilde inspreken. "Wie kon nu denken dat
hij stukken glas in zijn oogen zou krijgen?"
Als antwoord stiet ik een kreunend geluid uit, want ik besefte maar
al te goed dat ik in mijn razende drift hem had kunnen dooden.
"Het is n-nu eenmaal gebeurd," zei Burns op somberen toon.
Ja, het was nu eenmaal gebeurd; niets ter wereld kon mijn daad ongedaan
maken. Ik zou alles en alles hebben willen geven en opofferen als ik
het verleden maar had kunnen uitwisschen.
's Avonds trok ik naar de kamer van Norman die met Juniper een ernstig
gesprek scheen te voeren.
In plaats dat hij me, zooals anders, vriendelijk aanzag wierp hij me
een koelen blik toe.
"Wat is er?" vroeg hij op ijskouden toon.
"Moet ik ook iets voor je doen," bracht ik stamelend uit.
"Nee," antwoordde hij kortaf.
Nog bleef ik dralen.
"Wat is er?" vroeg hij voor de tweede maal.
Ik moest even slikken en kon toen een paar klanken uitbrengen. "Hoe-hoe
is het met hem?" vroeg ik.
"Over wien spreek je," zij Norman, ofschoon hij natuurlijk wel begreep
wien ik bedoelde.
"Over Kitsjin," zei ik bijna fluisterend; "ik mag niet naar hem toe."
"Dat is te begrijpen," antwoordde Norman koel. "Zoo'n kleine duivel
als jij bent, zullen ze wel uit zijn nabijheid houden."
"Maar jij hebt 'm gezien," hernam ik. "Toe, zeg me hoe het met
hem gaat."
"Luister 's," zei Norman, die nu opstond en plotseling bleek werd
van drift. Nooit had ik gedacht dat hij zoo woest en hartstochtelijk
kon uitvallen. Zijn stem klonk zoo anders dan gewoonlijk, dat zelfs
Juniper hem verbaasd aankeek. "Kwade rekel, die je bent, weet je wat
je hebt gedaan? Je hebt hem blind gemaakt! Hij is misschien levenslang
blind! Hoor je wat ik zeg? Je bent niet waard zijn schoenen te poetsen,
en zoo'n kleine aap heeft den besten vent die op aarde bestaat blind
gemaakt." Hij zweeg plotseling en liet zich op een stoel neervallen,
terwijl hij zijn oogen met de handen bedekte.
Ik wierp een smeekenden blik naar Juniper. "Is er niets aan te
doen?" mompelde ik.
Norman schonk geen aandacht meer aan mij, maar Juniper antwoordde
op vriendelijken toon, waarvoor ik hem mijn leven lang dankbaar
ben gebleven:
"De dokter is bij hem geweest," zei hij.
"En kan die niets doen?" vroeg ik radeloos. "Kan die hem niet genezen?"
"Een operatie is het eenige dat kan worden beproefd," antwoordde
Juniper.
"En wanneer...." begon ik.
"O, de dokter doet het niet zelf," zei Juniper; "hij zegt dat ie
daartoe geen kans zou zien. Een specialiteit komt er bij. Ze hebben
getelegrafeerd naar Robertson in Londen. Dat schijnt de beste. Als
die het niet kan, dan is hij reddeloos verloren."
"En wanneer komt hij?" vroeg ik.
"Hij heeft bericht gezonden dat hij den nachttrein neemt; morgenochtend
komt hij hier aan."
"Weet Bob dit allemaal?"
"Ja."
"En weet hij ook dat--dat--"
"Ja; hij heeft den dokter uitgehoord; die wou hem niet precies alles
zeggen en draaide er wat om heen; de dokter zei dat hij hoop had dat
alles zou terecht komen en dat Robertson de grootste specialiteit
was van heel Engeland en zoowat meer, maar het is een feit dat hij
den toestand heel donker inziet."
Ik kon mijn snikken niet meer inhouden.
"Luister 's," zei Juniper; "ik begrijp dat je het je aantrekt; in
jouw geval zou ik dat ook doen. Maar zou je hem heel graag zien?"
"Ja, ja, niets liever dan dat!" riep ik in mijn wanhoop.
"Ik zal mijn best doen," zei Juniper, "als het lukt dan zal ik je
laten halen om negen uur b.v., voor we naar bed gaan."
"O Juniper, ik ben je zoo dankbaar," riep ik uit.
"Maar ruk dan nu uit," hernam Jim. "Ik beloof je dat ik mijn best
zal doen."
Toen we ons huiswerk zaten te maken, boog Stenford zich naar me toe
en fluisterde: "Heb je het nieuws gehoord?"