uitgeput geraakte, zoodat het geschutvuur verminderde. Maar toen
deden we een kostelijke vondst--een heel pak voetzoekers hadden we
over het hoofd gezien.
"Z-zeg, als we hiermee eens v-vochten tegen elkaar," stelde Burns voor;
"twee aan iederen kant."
"Best," zei Stenford. "We moeten ze dan precies verdeelen. Kien en
ik tegen Ellinghem en Burns. Vooruit, wie het best kan gooien. Alleen
die achter den vijand terecht komen tellen mee."
Het gevecht begon; aan beide zijden werd hard gestreden.
"Niet te hoog, niet te hoog!" riep Burns, want de wind was nu hevig
gaan opsteken.
Ik geloof dat Stenford op den dwazen inval kwam om te zien hoe ver
we konden gooien, zoodat het laatste zestal over de oranjerie werd
geworpen, zonder dat wij er ons om bekommerden waarheen die voetzoekers
zich een weg baanden.
Toen de voorraad geheel was uitgeput, stonden we een oogenblik
te luisteren naar het geschetter en lawaai dat we achter den muur
vernamen, terwijl nu en dan een lichtstraal omhoog flitste.
"Hoor die 's," zei Stenford, die zich maar half op zijn gemak scheen
te gevoelen. "Wat maakt dat ding een herrie in dien tuin."
"In t-twee t-tuinen," verbeterde Burns.
We wachtten tot het lawaai was verstomd.
"Gelukkig," zei Stenford, die een zucht slaakte van verlichting.
Terwijl hij dit zei, scheen een van de voetzoekers niet van plan
om een roemloozen dood te sterven; ze gaf nog drie knallen en het
leek ons dat we bij den derden knal den angstigen gil vernamen van
een vrouw in den tuin aan onzen rechterkant, terwijl we een nijdige
mannenstem meenden te vernemen in den tuin links van ons.
"Ze hebben het gemerkt," fluisterde Kien. "Als we er 's vandoor
gingen?"
In den tuin waar de nijdige mannenstem weerklonk zagen we echter het
schijnsel van een licht; die persoon bevond zich blijkbaar op een
hoogte, zoodat we onmiddellijk zouden worden ontdekt als het licht
over den muur viel.
"Hier onder den muur!" fluisterde Stenford; "als we in de richting
van het huis rennen, dan zouden ze ons zien."
We hadden beter gedaan als we die kans maar hadden gewaagd en het op
een loopen hadden gezet, maar in onze besluiteloosheid volgden we den
raad van Stenford en gingen we met onzen rug tegen de oranjerie staan,
vlak bij den hoogen muur.
"Werkelijk, mevrouw, dergelijke aardigheden drijft u toch wat al te
ver," hoorden we den man zeggen, die zich blijkbaar diep beleedigd
gevoelde. "Ik kan vermoedelijk niet uw dwaasheid beletten om vuurwerk
af te steken in uw tuin, maar het eigendom van anderen zou u ten
minste kunnen eerbiedigen."
"Ik begrijp u niet, mijnheer," antwoordde een driftige vrouwenstem.
"Dan zal ik nog duidelijker zijn," hernam de man. "Ik sta op een van
de hoogste sporten van mijn ladder, waardoor ik een overzicht heb
van uw tuin."
"Heel vrijpostig," merkte de vrouwenstem op.
"En daardoor kan ik heel duidelijk den rook zien van het vuurwerk--en
ik ruik het--" nu werd hard gesnoven--"Ik kwam nog juist bijtijds om
me te vergewissen waarmede u zich onledig hieldt en ik ben overtuigd
dat het de ontploffing was van een voetzoeker..."
"Dus u wilt mij beschuldigen van..." hernam de vrouwenstem.
"Ik beschuldig u van niets," zei de ander. "Ik geloof niet dat ik het
recht bezit om te verbieden dat u de buurt onbewoonbaar maakt door
al dat lawaai en dien vreeselijken stank. Maar wel kan ik eischen
dat u het eigendom van anderen eerbiedigt..."
"Mijnheer..." wierp de ander tegen.
"Neem me niet kwalijk mevrouw, maar ik heb nog niet uitgesproken," ging
de mannenstem voort. "Ik had den heer Brunton die u zeker wel van naam
kent bij mij genoodigd; heden avond heeft die mij met zijn gezelschap
vereerd. Daar het weer zacht was zaten we eerst met het raam open, doch
toen u met dat vuurwerk begon, verspreidde dit zulk een ondraaglijken
stank, terwijl die herhaalde ontploffingen zulk een lawaai maakten,
dat wij wel genoodzaakt waren het venster te sluiten; ons diner werd
daardoor geheel bedorven. Is het niet, mijnheer Brunton?"
"Volkomen waar," antwoordde een stem, waaraan ik onmiddellijk den
heer met de dubbele kin herkende.
"Als u denkt dat..." viel de dame in.
"Pardon, mevrouw, ik heb nog niet uitgesproken," hernam de ander. "Ik
liet u uw gang gaan totdat het al te erg werd en het vuur in mijn
perken verwoesting begon aan te richten."
"Mijnheer, u heeft mij diep beleedigd," zei de dame; "mag ik u echter
doen opmerken, dat wij het zijn geweest die een half uur lang door
een oorverdoovend lawaai zijn gemarteld. Eindelijk vroeg juffrouw
Burnip me of ik niet eens wilde gaan kijken en vragen of er nu mede
kon worden uitgescheden, maar juist toen ik uit de zijdeur kwam zag
ik dat gloeiende voorwerpen naar ons werden gegooid--ik meen over
den muur van uw tuin en--"
"Dus u verdenkt mij dat ik mijn geld en vrijen tijd verspil met het
afsteken van voetzoekers en vuurpijlen," hernam de mannenstem op
diepbeleedigden toon. "Die zou ik dus volgens u staan te gooien over
den muur van uw tuin? Ongehoord! Ongehoord! Hoe durft u me van zoo
iets verdenken? Ik geloof dat uw schoenejongen de schuldige is. Vraag
maar eens wat die van de zaak af weet; en als hij..."
"Hier is hij," riep de dame; "ik zal hem dadelijk
ondervragen.--Thomas," zei ze op strengen toon; "heb jij vuurwerk
afgestoken?"
"Nee, mevrouw," klonk het antwoord dat zonder eenige aarzeling werd
gegeven.
"Hoort u nou wel, mijnheer," riep de dame zegevierend uit.
"Dus u gelooft maar dadelijk wat die jongen zegt," zei de heer. "Ik zal
hem beschijnen met licht; dan kan ik zien of zijn kleeren rooken. Zou
u niet willen nagaan of hij soms ruikt naar kruit?"
"Het ruikt hier overal naar kruit," antwoordde de dame; "bovendien
weet Thomas heel goed dat hij onmiddellijk zou worden ontslagen als
hij zulke streken uithaalde. Wou je iets zeggen, Thomas?"
"Ja mevrouw--als dat het uit den tuin kwam," antwoordde de jongen.
"Uit wat voor tuin?"
"Daar," zei Thomas, die zeker een richting aanduidde.
"Uit dien tuin," hernam de heer op spottenden toon; "de tuin van een
leeg huis! In geen twee jaar heeft iemand daar een voet gezet. Ik ben
vast overtuigd, mevrouw, dat vuurwerk niet afgaat of het moet worden
aangestoken. Het spijt me dat ik moet zeggen dat uw bediende liegt."
"Maar het zijn jongens van de school, mevrouw," hernam Thomas. "Ik sta
al wel een half uur naar ze te kijken,"--die laatste woorden klonken
als een juichkreet. "Ze hebben een stuk of wat voetzoekers gegooid,
eerst over den eenen muur en toen over den andere; er is maar één
plek in den tuin vanwaar je alles kunt zien--"
"En je hebt daarnaar staan te kijken zonder me te waarschuwen?" riep
de dame driftig uit. "Ga er onmiddellijk heen en zeg--"
"Neen," viel de heer Brunton in; "laat hij om het huis heenloopen;
je houdt ze dan tegen en ziet wie het zijn. Mijn zoon is daar op
school en zal deze zaak wel onder handen nemen."
"Als je een politie-agent tegenkomt--" zei de ander.
We wachtten niet af tot deze zin was voltooid. We dachten dat we daar
zoo veilig stonden onder het afdak; als we het onmiddellijk op een
loopen hadden gezet, zouden we door het licht van die lantaren zijn
beschenen, maar nu moesten we er wel vandoor gaan.
"Zoo gauw als je kunt," fluisterde Stenford, die bijna stikte van
het lachen.
We renden over het hoog opgeschoten gras, klauterden over het hek en
belandden veilig en wel op den straatweg, hoewel Burns boven op het
hek aan iets was blijven haken, zoodat we hem naar beneden hadden
moeten trekken.
"Mooi zoo," zei Stenford. "Nu er als de wind vandoor. Dan kunnen we
nog bijtijds thuis wezen."
Nauwelijks hadden we het op een loopen gezet, of Kien slaakte een
kreet en bleef stilstaan. "Ik heb mijn electrische toestel vergeten,"
riep hij uit. "Ik moet terug."
"L-laat dat d-ding maar," ried Burns aan; "anders wordt je z-zeker
g-gesnapt."
"Ik moet het hebben," riep Kien wanhopig; "jullie hebt zelf gezien
hoe prachtig het werkte."
"Daarvan heb ik niets gezien," zei Stenford, die de voorhoede
vormde, maar nu terugkeerde toen hij bemerkte dat wij waren blijven
stilstaan. "Laat dat ding nu toch in den steek. Ze komen ons anders
heusch nog achterop."
"Het heeft zoo prachtig de lont aangestoken," riep Kien.
"Dat denk je maar," zei Stenford. "Dat heb ik gedaan met een lucifer."
"Nee maar, die is g-goed!" riep Burns lachend.
"Ik wil het terug hebben," verklaarde Kien heel beslist. "Gaan jullie
maar door. Ik zal je wel inhalen. Blijf maar niet op me wachten."
"Wees nu niet zoo uilig," riep Stenford, die hem bij den arm greep.
Kien rukte zich echter los en zette het op een loopen.
"Als hij zich in het hol van den leeuw wil wagen om dat malle ding
terug te krijgen, dan is het nog geen reden voor ons om ons te laten
snappen," merkte Stenford op. "Laten we doorloopen en een eind verder
op hem wachten. Kien is een goede draver; hij zal ons wel inhalen."
We renden den Nelson-weg af en nog heel wat andere wegen, waarvan ik
de namen niet eens kende, totdat we begrepen dat nu geen gevaar meer
viel te duchten.
"Hè, hè!" riep Stenford hijgend; "laten we nu maar 's even
uitrusten. Geloof je dat we de lui nog kunnen inhalen die van het
station komen?"
"Dat zal nog juist gaan," antwoordde Burns.
We wachtten nog even in de hoop Kien te zien opdagen, doch we zagen
onzen vriend niet verschijnen.
"We moeten nu gaan," zei Burns.
"Ik vind het ellendig om Kien aan zijn lot over te laten," zei ik. "Als
ie 's werd gepakt?"
"Geen denken aan," antwoordde Stenford. "Kien is veel te handig om
zich te laten knippen."
"Hij zal een anderen weg hebben g-genomen," vooronderstelde Burns.
"Dat denk ik ook," viel Stenford bij. "Hij zal een omweg hebben
gemaakt om die lui niet in handen te vallen; 'k denk dat we hem aan
het station zullen vinden."
Die voorspelling kwam echter niet uit. De trein was juist
binnengestoomd en troepen jongens verlieten het station. In
het halfdonker viel het ons niet moeielijk om ons ongemerkt bij
hen te voegen, zoodat we gelijk met de anderen het schoolgebouw
bereikten. Allen hadden het druk over de match en over het schitterend
spel van Norman en Bob Kitsjin; aan die twee was het te danken dat voor
de eerste maal een uitstekende club was verslagen op wie St. Martin
nog nooit een overwinning had behaald.
Door ons avontuur hadden we eigenlijk weinig meer aan die overwinning
gedacht, maar nu juichten we de twee helden even uitbundig toe als
de anderen, en zoo naderden we met den zegestoet het schoolgebouw,
alsof we nooit in ons leven zelf vuurwerk hadden afgestoken.
"Ik d-denk d-dat K-Kien al thuis is," zei Burns.
Deze voorspelling kwam evenmin uit; ik begon me nu weinig op mijn gemak
te gevoelen en vond het gemeen dat we hem in den steek hadden gelaten.
"Hadden we 'm maar geholpen met dat ding terug te halen," zei ik.
Stenford mompelde wat; mogelijk was dezelfde gedachte ook bij hem
opgekomen. "Wat is de vent dan toch een uil geweest om dat ding met
alle geweld terug te willen halen," zei hij kwaad. "Hij had den boel
toch in den steek kunnen laten. Verbeeld je om de kans te wagen,
te worden geknipt om een eindje draad!"
"Misschien zit ie in de draden verward," zei ik. "Maar het is nu te
laat om te gaan zien waar hij uithangt, is het niet?"
Toen we alle drie beurtelings hadden verklaard dat het nu te laat
was en dat wij er geen van allen iets aan konden doen--trokken we
naar binnen voor het avondeten.
Onderweg kreeg Juniper Burns in het oog.
"Zoo, waarde dichter, waar heb jij al dien tijd gezeten," riep hij
uit. "Ik begon heusch bang te worden dat je was zoek geraakt."
"We hebben pleizier gemaakt," zei Burns.
"Zoo?" hernam Jim. "Maar, jongen, ik wou dat je heusch een echte
dichter was; dan zou je de roemrijke daden kunnen bezingen van Norman
en Kitsjin, het kranige tweetal aan wie het is te danken dat we de
voornaamste match van het heele seizoen hebben gewonnen. Maar ik geloof
heusch dat in mijn aderen dichterlijk bloed vloeit. Zeg 's, Ellinghem,
je mag trotsch zijn op Kitsjin," voegde hij er bij, terwijl hij zich
naar mij keerde. "Hoe vondt je die laatste, hè?" Even maakte hij een
gebaar om "die laatste" na te bootsen, en toen liep hij door.
"Hij is een b-beste vent," zei Burns toen Juniper was verdwenen.
"Ja, jij mag hem wel dankbaar zijn," merkte Stenford op. "Hij heeft
je al heel wat keeren geholpen als je in moeilijkheden zat.--Maar ik
wou dat Kien nu maar kwam opduiken!"
Mijn diensten werden verlangd in de kamer van Norman waar ik een
keurig souper moest gereed maken om den gelukkigen afloop van dien dag
te vieren; Bob en Jim Juniper waren de gasten die mede aanzaten. Ik
had het nu al een heel eind gebracht in de edele kookkunst, en dien
avond kreeg ik verscheiden complimentjes dat ik het er zoo goed
had afgebracht.
"Het jonge mensch verdient een woord van lof," zei Norman die
goedkeurend het hoofd schudde. "Je zal nog eer aan hem beleven,
Kitsjin."
"Alle Canadeezen die in kampen hebben gewoond kunnen uitstekend koken,"
zei Bob. "Ga maar 's met me mee, Martin, dan zal je 's zien hoe het
daar toegaat."
Het kwam me voor dat Bob dien avond bijzonder vriendelijk tegen me was;
ofschoon hij uitbundig was toegejuicht, was hij even kalm en bedaard
alsof niets bijzonders was gebeurd. Norman evenzoo. Over het souper
werd meer gesproken dan over de match.
"We zullen een lakei van je maken, Martin," zei Bob, toen we elkaar
goeden nacht wenschten. "Het gaat anders, geloof ik, best op school;
is het niet?"
"O ja," antwoordde ik.
"Geen last meer gehad van Brunton en dien kleinen aap?"
"Nee."
"Heeft hij je nooit het een of ander willen vertellen?" vroeg Bob
die me nu doordringend aankeek.
"Nee," antwoordde ik. Ik dacht nu weder aan dien avond toen ik dat
zonderlinge gesprek had afgeluisterd. Er moest iets zijn dat Bob voor
me verborgen wilde houden, maar wat kon dat wezen? Een oogenblik
vroeg ik me af of ik hem niet den brief zou laten lezen dien ik in
mijn zak had. Hoeveel leed zou ik mij niet hebben bespaard, als ik
hem toen in mijn vertrouwen had genomen!
Ik aarzelde even en liet deze gelegenheid voorbij gaan.
"Wou je me iets vertellen?" vroeg hij, terwijl hij me een eigenaardigen
blik toewierp.
"Nee," zei ik.
"Niets over Brunton?"
"Nee," zei ik wederom.
De angstige uitdrukking verdween van zijn gezicht.
"Nou, goeden nacht," zei hij opgewekt, want na mijn laatste ontkenning
gevoelde hij zich blijkbaar opgelucht.
Toen ik naar mijn kamer trok kwam Stenford me tegen die op me had
gewacht.
"Hij is thuis!" fluisterde hij.
"Wie--Kien?"
"Ja."
"Werd ie gesnapt?"
"Ja. Wat uilig van den vent, hè?"
"We hebben hem gemeen in den steek gelaten," zei ik.
"Hij beweert dat ie in zijn draad verward raakte en dat ie door een
klabak werd gegrepen toen ie door het hek holde. De man hield hem
voor een inbreker."
"Kon hij niet alles uitleggen?"
"Jawel; hij was druk aan het vertellen en redeneeren, maar toen kwamen
de andere menschen aanzetten."
"Hadden die de politie gewaarschuwd?"
"Nee. Daarvoor hadden ze nog geen tijd gehad. De agent had 'm maar
op zijn eigen houtje ingerekend, maar nu konden Brunton en die andere
man hem natuurlijk inhalen."
"De vader van Brunton die hier is?"
"Ja; die is zeker net zoo'n lievertje als z'n zoon. Hij zei tegen
Kien dat hij zijn zoon op de hoogte zou stellen."
"Heeft Kien bekend?"
"Ja, maar hij heeft ons niet verraden. Hij heeft zijn eigen naam
genoemd en verteld wat hij heeft uitgevoerd."
"En wat zal er nu gebeuren?" vroeg ik.
"O, Brunton--onze Brunton bedoel ik, zal het aan de andere
prefekten vertellen. De vent groeit er natuurlijk in; hij zal
overal rondbazuinen, dat de goede naam van de school moet worden
hoog gehouden en dat de prefekten ervoor moeten zorgen dat dien niet
wordt aangetast."
"Dat moet hij vooral zeggen die in kroegen zit te drinken en te
wedden," riep ik uit op minachtenden toon. "En wat zullen de andere
prefekten doen?"
"O ze zullen Kien bij zich laten komen," antwoordde Stenford die
de schouders ophaalde; "ze zullen hem een standje geven en een pak
ransel en Kolman zal er niets van hooren."
"En alleen omdat zoo'n vent als Brunton hem aanklaagt!" riep ik
verontwaardigd uit. "Dat zullen ze niet doen!"
"Wie zal het ze beletten?" vroeg Stenford.
"Ik! Ik zal Bob overhalen om dit te verhinderen. Ik weet zeker dat
hij het zal doen als ik het hem vraag."
"Bemoei je er niet mee," zei Stenford. "Kitsjin moet met de andere
prefekten rekening houden; hij kan zich niet ophouden met jouw
praatjes. Dat snap je toch?"
"Nee, dat snap ik niet," antwoordde ik heel beslist; "je zal zien
dat Kien er genadig afkomt. Bob zal het zeker beletten als ik het
hem vraag."
HOOFDSTUK XXIII.
IK GA NAAR BOB.
Tegen den avond van den volgenden dag was het algemeen bekend geworden,
dat Kien gesnapt was toen hij vuurwerk afstak in den tuin van een
leegstaand huis, en dat de vader van Brunton er iets mee had te maken
gehad, en dat die het aan Brunton had verteld, en dat die het weer
had overgebriefd aan de andere prefekten en dat die het geval onder
handen hadden genomen en dat Kien tot straf een pak slaag zou krijgen.
Heel wat verhalen en geruchten waren in omloop. Sommigen beweerden dat
Kien den vader van Brunton op straat was tegengekomen en dat hij toen
een paar vuurpijlen had afgestoken, die als een vonkenregen op diens
kaal hoofd waren nedergedaald. Anderen vertelden weer dat Kien door
een stuk of wat vijanden van Brunton was overgehaald, om de woning
van diens vader te bombardeeren met ontplofbare stoffen, bommen en
zoowat meer, die een vreeselijke verwoesting zouden aanrichten.
Er waren maar vier jongens die het rechte van de zaak af wisten, en
van die vier nam Kien het geval het luchtigst op. Hij praatte nooit
druk; alleen als hij iets wetenschappelijks moest uitleggen vloeiden
de woorden van zijn lippen.
"'k Snap niet dat jullie er zoo over leuteren," zei hij kortaf.
"Ik vind het een schandaal," riep ik uit.
"Och kom," zei Kien; "ik ben erin geloopen; anders niet. Het is
mijn eigen schuld. Als ik niet was terug gegaan, dan zou ik niet
zijn gesnapt."
"Waarom was je ook zoo stom!" zei Stenford.
"Dat is nu eenmaal gebeurd," hernam Kien; "en dit zijn de gevolgen. Wat
kan zoo'n pak ransel me schelen!"
"Dat is het hem niet," riep ik verontwaardigd uit; "we zijn alleen
zoo woest op dien ellendigen Brunton; de andere prefekten schijnen
heelemaal naar zijn pijpen te dansen. Het is meer dan erg."
"Ja m-maar--" begon Burns, maar ik wilde niet naar hem luisteren.
"Als een van de leeraren er achter was gekomen, dan was het wat
anders," ging ik voort. "Die moeten natuurlijk mee toezicht houden
en zoo wat meer. Maar dat jongens..."
"Je weet toch dat de prefekten ook orde en toezicht moeten houden;
ze mogen een jongen ranselen bij wijze van straf."
"Ja voor iets dat in de school gebeurt, maar niet daarbuiten," riep
ik driftig.
Stenford en Burns schudden beiden het hoofd, waarmede ze te kennen
gaven, dat ze het met mijn laatste bewering lang niet eens waren.
"Ik weet er wat op," zei ik wrevelig, daar ik niet kon velen dat ze
een andere meening waren toegedaan.
"Wat dan?" vroeg Kien tamelijk onverschillig.
"Ik zal zorgen dat het niet gebeurt."
Kien begon spottend te lachen.
"Wou jij het beletten?" vroeg Stenford ongeloovig.
"Ja," verklaarde ik heel beslist. "Je hebt me gezegd dat ze eerst
allemaal moeten toestemmen. Bob Kitsjin is ook prefekt en hij zal
zeker zijn toestemming weigeren als ik hem op de hoogte heb gebracht."
"D-dat zal ie n-niet," wierp Burns tegen.
"En ik zeg van wel," hield ik vol. "Ik zal wel zorgen dat het niet
gebeurt. Vertrouw maar op mij, Kien."
Kien wierp me een blik toe waarin geen diepe erkentelijkheid viel
te lezen. "'k Wou dat je de zaak maar met rust liet," zei hij;
"je laat me een gek figuur slaan als je je er mee bemoeit."
"Nee, dat doe ik niet," riep ik driftig uit. "Ik ben niet van plan
om lijdelijk aan te zien dat zoo'n vent als Brunton--"
"Luister 's," zei Stenford, "als je wezenlijk van plan bent
iets te doen, dan moet je je haasten, want veel tijd heb je niet
meer. Morgenochtend zullen de prefekten vergaderen en daarna zullen
ze Kien laten halen."
"Ik zal onmiddellijk naar de kamer van Bob gaan," zei ik; "ik weet
zeker dat hij Norman en Juniper zal overhalen.--Ik wil niet dat ze
je zullen straffen," voegde ik er bij op plechtigen toon, terwijl ik
me keerde naar Kien en me op weg begaf met statige schreden.
Ik vrees dat ik in dezen tijd in hevige mate leed aan een kwaal die
iedereen wel eens heeft te pakken in de jaren van onze jeugd. Ik had
namelijk een verbazend hoogen dunk van mezelf gekregen.
Op school bracht ik mijn werk er kranig af. In een wip was ik nummer
een van mijn klasse geworden, mijnheer Wilson was uitbundig in zijn
lof over mijn wiskunde en Kijkers beschouwde me heelemaal als een
model-leerling; daar ik tot nu toe niet in aanraking was gekomen met
oudere en knappere jongens, had ik een veel te hoogen dunk van mijzelf
gekregen. Wel besefte ik heel goed dat ik nog een treurig voetbalspeler
was en dat ik in de gymnastiekzaal een tamelijk zielig figuur sloeg,
maar je kan niet alles even goed doen, zei ik dan tegen mezelf om me
te troosten. Ik begrijp nu heel goed dat ik het aan mijn vriendschap
met Bob had te danken dat ik het er in dien eersten tijd zoo goed
afbracht. Niet alleen dat hij me dikwijls met mijn werk had geholpen,
maar hij gaf me goeden raad, wat boeken en sport betrof en hij was
bijzonder bemind op school, zoodat ik er voordeel van trok dat we
samen waren bevriend.
Ik verbeeldde me echter dat hij in den laatsten tijd minder vriendelijk
tegen me was, en daarom was ik niet meer zoo dikwijls naar hem
toegegaan om zijn hulp in te roepen. Hij vond het natuurlijk beter dat
ik op mezelf vertrouwde en niet altijd naar hem toeging om het een of
ander te vragen, maar in dien tijd zag ik dit niet zoo in en nam ik het
hem kwalijk dat hij zich op een afstand hield naar het me toescheen.
Op dezen dag kwam ik zijn kamer binnen vallen, diep verontwaardigd
over de wijze waarop Kien was behandeld. Ik dacht niet anders of ik
zou de zaak met een paar woorden in orde brengen, en onmiddellijk
mijn zin krijgen. Ik stelde me al voor dat ik op luchtigen toon,
als terloops, tegen Kien zou zeggen dat ik het zaakje had opgeknapt
en dat hij er niets meer van zou hooren.
Ik had geen ongelukkiger tijdstip kunnen treffen om Bob te spreken,
hoewel ik dit natuurlijk niet kon vermoeden. Hij zat druk te werken aan
iets dat de chef hem had opgedragen en hij had een heel onaangenaam
onderhoud gehad met Brunton; ook was hij dien morgen met zware
hoofdpijn opgestaan.
Van dit alles wist ik natuurlijk niets, en al was dit wel het geval
geweest, dan zou ik me hieraan toch waarschijnlijk niet hebben
gestoord.
"Bob, ik kom je wat vragen," riep ik toen ik zijn kamer kwam
binnenstormen.
Even fronste hij de wenkbrauwen toen hij opkeek van zijn boek. "Je
hadt geen slechter oogenblik kunnen treffen," zei hij kortaf. "Kan
je later niet terugkomen; ik ben zoo druk bezig."
"Nee, het kan geen uitstel lijden," verklaarde ik heel beslist,
daar ik me gekwetst gevoelde door de wijze waarop ik werd ontvangen.
"Vertel dan maar op," zei hij op vermoeiden toon. "Wat is er aan
de hand?"
"Je moet zorgen dat het niet met Kien gebeurt," zei ik gejaagd;
"ik heb hem beloofd dat jij dat wel op je zou nemen."
Bob wierp me een vragend verwonderden blik toe. "Dat het niet met
Kien gebeurt?" herhaalde hij.
"Ja, hij is gesnapt bij het afsteken van vuurwerk," ging ik voort;
"Brunton heeft hem verraden en nu willen ze hem een pak slaag geven."
"O ja, dat is waar ook," zei hij. "Ik was het vergeten. Norman heeft
het me verteld. Maar die zaak is beslist."
"Dat is niet zoo," riep ik kwaad. "Hij zal niet worden geslagen. 't
Is gewoon een schandaal."
"Wat weet jij er eigenlijk van?" vroeg hij rustig en bedaard.
Zonder namen te noemen vertelde ik hem op welke wijze de zaak zich
had toegedragen.
"Zoo, dus jij was er ook bij?" vroeg hij op zijn gewonen vriendelijken
toon terwijl de zweem van een glimlach op zijn gelaat verscheen,
zoodat ik niet anders dacht of ik had het pleit gewonnen. "Je haalt
nog al 's wat uit, Martin!"
"Als ze Kien willen afstraffen, moeten ze het mij ook doen," zei ik.
"Houd er jezelf en die twee anderen maar buiten," zei Bob. "Dat is
mij niet officieel ter oore gekomen; ik heb alleen gehoord dat Kien
gesnapt werd;--het spijt me voor den jongen--hij gaf zijn naam op en de
prefekten werden met het geval in kennis gesteld en niet de leeraren."