niet," hernam Juniper. "Maar wel weet ik dat ik het je hoogst kwalijk
neem, dat we door jouw schuld bijna onzen Kitsjin kwijt zijn geweest,
die wel tienmaal zooveel waard is als jij. Ik hoop dat je me wilt
vergeven, dat ik dit ronduit zeg in je gezicht."
"Daarin heb je gelijk," zei ik met nadruk.
"Ik vond het mijn plicht, zie je, om je dit openlijk mede te deelen,
omdat het hoogst onwaarschijnlijk is dat Kitsjin je zelf deze waarheden
onder het oog zal brengen. Laat ik je ten slotte vertellen, waarde
heer," voegde hij er bij, terwijl hij zich met sierlijke gebaren in
de richting begaf van de deur, "dat Kitsjin de beste vent is dien je
ooit in dit tranendal zal ontmoeten."
Met een zwaai van zijn arm wuifde hij ons toe om afscheid te nemen
en verdween. De andere drie werden door juffrouw Geebel weggejaagd,
daar ze eigenlijk al veel te lang waren gebleven.
Blijkbaar had ze het heele gesprek verstaan, want toen we wederom
alleen waren zei ze:
"Het zal me benieuwen of jij ooit weer in zee durft, al ben jij zeker
niet voorbestemd om te verdrinken."
's Middags kwam Bob me een bezoek brengen. Hij liep naar me toe en zei:
"Ik ben hier al geweest, maar toen sliep je. Hoe is het met je?"
"Heel goed," antwoordde ik. "De dokter zegt dat ik morgen mag opstaan."
"Je bent dus weer beter?" vroeg Bob lachend.
"Ja," antwoordde ik. Ik kreeg een kleur en zei: "Bob, hoe zal ik
ooit--"
Hij ging vlak voor me staan en strekte de hand uit om mij het zwijgen
op te leggen. "Ik begrijp wel wat je wilt zeggen, maar dat hoeft
niet, kerel."
"O Bob," riep ik uit, terwijl de tranen me over de wangen stroomden
toen ik zijn hand greep, "je bent een kraan."
HOOFDSTUK XXI.
HET VUURWERK VAN KIEN.
Na mijn avontuur ging het leven op school eenige weken lang geregeld
voort. Mijn werk bracht ik er tamelijk goed af, hoewel we altijd
volop te doen hadden en nooit klaar dachten te komen voor de heeren
Kijkers en Wilson. We speelden verbazend veel voetbal, een spel waar
ik weinig om gaf, al durfde ik dit niet bekennen. Ik sloeg hierbij
dan ook een tamelijk slecht figuur.
Ik zag Bob veel te weinig naar mijn zin en dit zei ik eens tegen
Stenford.
"Dat is nog al glad," antwoordde hij; "hij is een van de hooge lui,
een prefekt nog wel en jij bent maar een van de kleine jongens en
nog niet eens zoo'n schitterend exemplaar," voegde hij er lachend bij.
"Hij was vroeger toch heel wat vriendelijker tegen me dan nu," hield
ik vol.
"Zeur toch niet, kerel!" riep Stenford kregelig; "een jongen uit
de zesde kan niet zulke dikke maatjes zijn met een van de kleinere;
hij heeft warempel wel wat anders te doen."
"Ja, dat merk ik ook," zei ik schamper.
"Kitsjin is heel dik met Norman en Juniper, omdat hij die lui den
heelen dag ziet," hernam Stenford; "hij werkt met ze en voetbalt met
hen, en zoo wat meer."
"Als ik in de kamer van Norman ben en als Bob binnen komt, dan ziet
ie ternauwernood naar me om," zei ik.
"Waarom zou hij zich zoo druk met je bemoeien?" antwoordde
Stenford. "Hij vind het natuurlijk veel beter dat je er jezelf alleen
doorheen slaat; als ie zoo druk met je was, dan zou je misschien te
veel idee van je persoontje krijgen; daarvoor zal hij bang zijn."
"Het is mogelijk dat je gelijk hebt," zei ik.
"Heb je je er op de een of andere manier ingewerkt?" vroeg Stenford.
"Nee," antwoordde ik.
"Maar wat wou je dan van hem? Als je een moeilijkheid had, dan zou
je naar hem toe kunnen gaan om zijn hulp te vragen; nu dit niet het
geval is, laat je hem maar met rust. Ik kan niet uitstaan als kleine
jongens als klissen aan de grooten hangen."
"Ik ben ook niet van plan om als een klis aan Kitsjin te hangen,"
wiep ik tegen.
"Daar heb je nou b. v. die Dester en Brunton," hernam Stenford. "Dester
moet al de gemeenste karweitjes voor dien vent doen, en nu en dan
krijgt ie een pak ransel van Brunton, maar toch loopt Dester achter
hem aan, kwispelstaartend als een geslagen hond, en de kleinere
jongens plaagt en sart ie weer op zijn beurt. Juniper noemt hem den
"Jakhals van Brunton"."
"Brunton heeft anders niet veel van een leeuw," zei ik.
"Zeg dat wel! Ik snap dan ook niet dat iemand als Kitsjin met dien
man staat te praten, en dat doet hij toch."
"Heusch?" vroeg ik en spitste de ooren.
"Ja, ze zijn wel in dezelfde club, dus het kan wezen dat ze spreken
over dingen die het voetbal betreffen."
"Misschien hebben ze ook nog wel andere onderwerpen waarover ze samen
praten," zei ik, daar het gesprek me te binnen schoot dat ik op dien
avond had afgeluisterd.
"Verleden zag ik ze ten minste bij elkaar staan, alsof het heel dik
tusschen ze aan was," hernam Stenford.
Ik haalde nu een couvert uit mijn zak dat ik hem liet zien. "Van wien
is die poot?" vroeg ik.
Stenford bekeek de enveloppe van alle kanten en keerde die om en
om; toen zei hij: "Dat is geschreven door iemand die zijn hand wil
verdraaien."
"En wie heeft dat geschreven?"
"Dester."
"Dat dacht ik ook," riep ik uit, "Maar hoe weet je dat?"
"Ik zie het aan zijn g; daar maakt ie altijd zoo'n haal aan."
"Maar z'n hoofdletters A en M schrijft ie toch heel anders," zei ik.
"Dat is juist z'n slimheid; hij wil je van de wijs brengen, maar die
haal van zijn g's heeft ie laten staan. Je kunt ervan op aan dat die
brief van Dester afkomstig is. Wat staat er in?"
"O niets bijzonders," antwoordde ik, terwijl ik het couvert weer in
mijn zak liet glijden. "Ik wou alleen maar weten of jij ook Dester
voor den schrijver hieldt."
"Zonder twijfel, maar vraag het nog aan een derde. Daar komt Kien
aanzetten."
"Nee, spreek er tegen niemand van," zei ik haastig; "de sop is de
kool niet waard."
"Waarover hebben jullie het zoo druk?" vroeg Kien, die naar ons
kwam toeloopen.
"Over iets dat niet in betrekking staat tot de wetenschap," antwoordde
Stenford, "dus voor jou van geen belang. We spraken over Brunton en
zijn jakhals Dester."
"Te veel eer voor dat soort lui," zei Kien. "Maar ik weet wel dat als
Kolman te weten komt dat Brunton in alle gemeene kroegen in de stad
bekend is en dat hij aan een massa lui geld schuldig is en dat ie
zich ophoudt met race-weddingschappen en dat ie nu en dan 's nachts
dronken thuis komt en dan wordt binnengelaten door Dester--"
"Is dat zoo?" vroeg Stenford.
"Ja, wist je dat niet? Als dat Kolman ter oore komt, dan snap je dat
ie op staanden voet wordt weggejaagd," zei Kien.
"Ja, maar aangezien Kolman dit niet weet, zal hij hier blijven,"
merkte Stenford wijsgeerig op. "Ik heb je nog nooit zooveel woorden
achter elkaar hooren zeggen, Kien."
"Ik kwam niet hier om mijn tijd te verleuteren," hernam Kien op
wreveligen toon.
"Waarom dan? Wou je weer proeven doen? Vertel op!"
"Ik wou vuurwerk aansteken door middel van een electrische vonk,"
verklaarde Kien op ernstigen toon.
"Wou je zien of het daarmee afgaat?"
"Ja; ik wou het aansteken met een electrischen draad."
"En hoe lang is die draad?"
"Vijftien meter."
"Niet lang genoeg, waarde heer; het afsteken van particulier vuurwerk
is niet geoorloofd in deze streken, en op vijftien meter afstand loop
je groote kans te worden gesnapt."
"Ik ben niet zoo gek om het hier in de buurt af te steken," antwoordde
Kien spottend; "je denkt misschien dat ik Kolman en Kijkers zal
uitnoodigen om van de partij te zijn."
"Als je dat doet, dan kom ik niet," zei Stenford. "Ik houd dol
van vuurwerk, maar als je den chef er bij vraagt, dan zal je mijn
gezelschap moeten ontberen."
"Leuter nou niet," hernam Kien kwaad. "Ik zal je vertellen wat ik
van plan ben te doen.--Jij doet zeker ook mee, is 't niet, Ellinghem?"
"Goed," antwoordde ik, "maar eerst moet ik weten hoe je het wilt
aanleggen."
"Dat is gauw genoeg gezegd," zei Kien opgewekt, daar hij meende dat ik
evenzeer naar wetenschappelijke proefnemingen hongerde en dorstte als
hijzelf. "Je maakt het vuurwerk eerst heelemaal klaar; dan breng je het
in verbinding met den electrischen draad--je weet wel hoe dat gaat."
"Dat bedoelt ie niet," viel Stenford hem in de rede. "Hij weet dat
het verboden is om vuurwerk af te steken--als ie dit nog niet wist,
dan vertel ik het hem bij deze--hij wou alleen maar weten hoe je het
wilt aanleggen om niet te worden gesnapt."
"Ja," zei ik, "want vuurwerk is nu eenmaal een goedje dat..."
"Dat ruikt en lawaai maakt," viel Stenford in, die den zin voor mij
voltooide. "Vertel op, Kien; hoe wou je het hem eigenlijk leveren?"
"Dat zal ik je zeggen als je me eindelijk eens rustig laat uitpraten,"
zei Kien ernstig. "Houd nu eens je mond."
"Ik zal zwijgen," hernam Stenford. "Vertel dan gauw op."
"Ik heb een stille plek gevonden die uitnemend hiervoor is geschikt."
"Waar dan?" vroeg Stenford. "Een kelder misschien?"
"De tuin van een huis dat leeg staat," zei Kien.
"Niet kwaad bedacht," riep Stenford. "De vent is practischer dan ik
dacht, Ellinghem."
"Het is een tuin met hooge muren er omheen; hierop kunnen we al die
dingen vastmaken; we hechten dan den draad eraan vast en klaar ben je."
"Je bent tenminste in den tuin," zei Stenford; "maar om zes uur is
het donker, dus hoe kom je op tijd weer thuis..."
"Dat heb ik ook al bedacht," antwoordde Kien. "Je weet dat
a.s. Woensdag de groote voetbal-match in Triston wordt gespeeld."
"Ja, wat zou dat?"
"We mogen thuis komen met den trein die om half acht vandaar
vertrekt. Maar er is er ook een om zes uur en dien zullen wij
nemen. Dan hebben we den tijd tot acht uur; we steken het vuurwerk
op ons gemak af en komen gelijk met de anderen thuis."
"Ellinghem, is die vent geen listig monster?" vroeg Stenford. "Als
eenige verontschuldiging kunnen we aanvoeren dat hij handelt uit
liefde tot de wetenschap!"
"En je weet precies waar dat huis en die tuin ligt?" vroeg ik.
"Ja, ik heb lang naar een geschikte plek uitgekeken," antwoordde
Kien. "Het moest een groote tuin zijn en een buurt waar de huizen
ver van elkaar staan om in geen geval te worden gesnapt."
"Waar is het?" vroeg Stenford.
"Op den Nelson-weg."
"Daar wonen alleen deftige lui. Dat is heelemaal buiten de stad."
"Des te beter. Maar als het nu eens werd bewoond vóór aanstaanden
Woensdag?"
Aan die mogelijkheid had Kien nog niet gedacht.
"Hoe kom je in dien tuin?" vroeg Stenford.
"Je denkt zeker dat ik naar den huisbewaarder trek om den sleutel
te halen," antwoordde Kien op minachtenden toon. "Het is nog al glad
dat je over den muur moet klimmen. Ik ben er een paar maal in geweest."
"Je bent een leperd, hoor Kien," zei Stenford.
"Nou, gaan jullie mee?"
"Ik weet het nog niet. Het lijkt mij zoo iets als een plannetje
van Burns."
"Als Burns ervan hoort zal ie zeker ook mee willen," zei Kien.
"Ellinghem, hoe denk je erover?" vroeg Stenford; "zullen we meegaan
of niet?"
"Mij goed," antwoordde ik. "'t Is misschien wel moppig."
"Vooruit dan maar!" riep Stenford. "En hoeveel vuurwerk heb je? Willen
we er nog wat bij koopen?"
"Nou, wat graag," riep Kien verrukt; "dat is natuurlijk veel beter
om de kracht van de electrische vonk te kunnen nagaan."
Ik had pas een som geld ontvangen zoodat Kien in de wolken was over
het aandeel dat ik wilde bijdragen tot welslagen van de onderneming.
"Wat zullen we een pret hebben!" riep hij. "Als het huis nu maar niet
in dien tijd is verhuurd."
Die mogelijkheid vervulde hem met angst en vervolgde hem als een
nachtmerrie. Den volgenden dag nam hij me heelemaal naar den Nelson-weg
mee om huis en tuin zoo nauwkeurig mogelijk te bespieden of we ook
het een of ander gewaar werden waaruit zou kunnen blijken dat het
huis binnenkort zou worden bewoond.
"Misschien zijn er nu al menschen in," zei hij angstig toen we het
huis naderden.
Dit bleek niet het geval. Op de ramen waren groote papieren aangeplakt
die ons gerust stelden en borden waren bij den ingang geplaatst. De
omgeving zag er doodsch en tamelijk verwaarloosd uit.
"'t Lijkt wel of het huis in geen jaren is bewoond," merkte ik op. "'k
Zou me dan ook maar niet ongerust maken dat voor Woensdag verandering
zal komen in dezen toestand. En al werd het huis een dezer dagen
verhuurd, dan kunnen de menschen er toch zoo maar niet in trekken."
"Dat weet je nog niet," zei Kien die zijn angst maar niet van zich
kon afzetten, en nu begon hij alle voordeelen op te sommen die het
huis bood en de tuin.
Ik geloof dat hij er in de volgende week elken dag heen trok om
zich te overtuigen dat de villa nog onbewoond was; het was dan ook
een opluchting voor hem toen de gewichtige Woensdag eindelijk was
aangebroken.
Stenford, Burns en ik hielden hem ongemakkelijk voor den gek met zijn
vuurwerk, doch hij ging zoo geheel op in zijn toebereidselen voor de
grootsche onderneming dat geen glimlach op zijn gelaat verscheen.
Toen we eindelijk in den trein zaten die om zes uur uit Triston
vertrok, zooals we hadden afgesproken, toen werd hij iets opgewekter.
"Voel je je nu wat beter?" vroeg Stenford.
Kien knikte van ja.
Stenford voelde hem den pols. "Ja," zei hij, "de pols is sterker
geworden; nog is de slag niet heelemaal regelmatig, doch een merkbare
vooruitgang is waar te nemen."
"Zeur toch niet," zei Kien wrevelig. "Ik wou jullie nu precies
uitleggen wat we moeten doen."
Dit geschiedde met de grootste nauwkeurigheid, zoodat hij bijna
uitsluitend aan het woord was tot we St. Martin bereikten.
"Nu als de wind naar Smit om de dingen te koopen," zei hij, toen we
het station waren binnengestoomd.
"Moeten wij die ontplofbare stoffen in onze zakken steken?" vroeg
Stenford.
"Ja, er zijn drie pakken vuurwerk," antwoordde Kien ernstig. "Ieder
neemt er een voor zijn rekening."
"W-wat d-draag jij d-dan?" vroeg Burns.
"Ik neem het electrische toestel en den draad," zei Kien. "Dat zou
ik niet graag aan jullie hoede toevertrouwen. Vanmiddag heb ik het
eerst bij Smit gebracht."
Een paar minuten later waren we klaar met Smit--want Kien had alles met
groot beleid en kennis van zaken geregeld--en klommen we den heuvel op
die buiten de stad was gelegen en waar zich de meeste villa's bevonden.
"W-weet je n-nog t-toen we hier het eerst s-samen waren?" vroeg Burns
aan me.
"Nou, of ik," antwoordde ik. "Ik ben blij dat Kien nu de leiding op
zich neemt en niet jij."
"Vertrouw nooit op Burns," zei Stenford. "Vooronderstel eens dat Kien
b.v. in de lucht vliegt met z'n vuurwerk, dan zou Burns misschien de
leiding willen overnemen, maar dan verzeker ik je dat ik onmiddellijk
rechtsomkeer zou maken."
Burns lachte.
"Praat nu niet zoo hard," zei Kien; "we zijn al vlak bij den weg."
In dezen tijd van het jaar was het om zes uur al heelemaal donker. Een
paar armzalige gaslantarens die in den wind stonden te flikkeren,
waren het eenige schijnsel dat we gewaar werden. Niemand scheen zich
op den Nelson-weg te bevinden.
"'k Zou hier niet graag wonen," zei Stenford; "veel te stil en
eenzaam. Die weg schijnt niet eens een dwarspad te hebben."
"Nee, daarom leek deze buurt me juist zoo geschikt. Er staan in
't geheel maar zes huizen en ons huis is het allerlaatste."
"'t Is of je het hebt gehuurd," merkte ik op. "Is het hier?"
"Ja," antwoordde Kien. "Maar maak nu zoo min mogelijk leven."
Deze aansporing tot voorzichtigheid scheen overbodig. We waren nu al
de huizen langs geloopen waarvan de ramen waren verlicht, zonder dat
we taal of teeken van een levend wezen hadden gezien, en nu stonden
we voor een donker verlaten gebouw, het laatste van de reeks villa's.
"Een somber oord," zei Stenford die onwillekeurig de stem liet dalen.
"Welke kant?" vroeg ik. "Het is hier zoo donker."
"Hierheen," zei Kien; "ik zal je wel den weg wijzen. Ik ben hier nu
al zoo dikwijls geweest."
Naast het huis bevond zich een hek van houten latten, dat toegang
gaf tot den tuin.
"Hierover heen," zei Kien heel kalm.
"Dank je stichtelijk," zei Stenford; "een leuk spelletje om in het
donker over een waggelend hek te klauteren met een pak dynamiet of
weet ik wat in je hand."
"Leg dat goed hier neer bij elkaar," beval Kien. "Dan klim ik er eerst
over. Ellinghem, ga jij er bovenop zitten; dan geven we zoo den boel
aan elkaar."
Dit plan werd stipt ten uitvoer gebracht, zoodat we een oogenblik
later met onzen voorraad aan den anderen kant van het hek stonden.
"En die andere huizen?" vroeg Stenford fluisterend, toen we in het
donker bij elkaar stonden om de nadere orders van Kien af te wachten.
We behoefden niet te vragen welke huizen hij bedoelde. De villa's lagen
evenwijdig met den Nelson-weg en de tuinen grensden aan elkaar. We
konden de verlichte ramen zien van de achtergevels, zoodat het ons
bijna onmogelijk leek, dat de menschen onze aanwezigheid niet zouden
bemerken als ze naar buiten keken.
"Och wat, jij met je huizen," antwoordde Kien verontwaardigd, hoewel
hij de stem toch niet durfde verheffen.
"Natuurlijk staan daar huizen, maar een afstand van twee tuinen is
tusschen ons in."
"Ik zou het toch prettiger vinden als die huizen er niet waren,"
zei Stenford. "Maar daar is nu eenmaal niets aan te doen."
"Bij dag heb ik de heele buurt bespied," hernam Kien op eenigszins
uitdagenden toon, "en ik verzeker je dat het hier veilig is en dat
je niet bang behoeft te zijn."
"Laten we dan maar den boel zoo gauw mogelijk afsteken," zei Stenford.
"Over het gras," beval Kien; "er staat hier geen bloem of struik;
regelrecht naar het verste gedeelte."
"Zeg 's, je bent toch niet van plan om je zoo dicht bij die andere
huizen te wagen?" vroeg Stenford.
"Jawel," zei Kien, "wat ben jij een ezel! Je snapt toch dat we dat
goedje moeten afsteken, zonder dat ze dit uit die huizen kunnen zien?"
"Ga je gang dan maar," antwoordde Stenford, "maar wat loop je akelig
in dat lange gras. Voor deze feestelijke gelegenheid hadt je het wel
kunnen laten maaien."
We zagen nu iets wits schemeren in het benedengedeelte van den tuin;
dit bleek een serre die tegen den muur was gebouwd.
"Wacht tot ik licht maak," zei Kien. "Ik heb de lantaren genomen van
de fiets van Burns."
"W-wel heb ik v-van m'n l-leven," zei Burns.
"Begrijp jullie nu niet hoe prachtig die oranjerie als scherm kan
dienen bij het afsteken van het vuurwerk," zei Kien, die nu een
lucifer afstreek.
"Dat is zoo," gaf ik toe, "maar de huizen die iets verder staan--"
"Die hebben een prachtig gezicht erop," viel Stenford in.
"Je kan toch niet alles verlangen," zei Kien.
"Ze z-zullen denken dat het huis is v-verhuurd," zei Burns, "en d-dat
ze n-nu vuurwerk afsteken v-voor de k-kindertjes."
"Die niet buiten mogen komen omdat het 's avonds te koud is," vulde
Stenford aan. "Vooruit dan maar."
"Ja, we moeten ons haasten," zei Kien. "Hecht die dingen op den muur
vast;" dit zeggend reikte hij me een van de pakken over. "Ik heb er
alles voor klaar gemaakt."
Dit bleek werkelijk het geval. Hij had spijkers ingeslagen voor
de zonnetjes en pijpjes bevestigd om de Romeinsche kaarsen en de
voetzoekers en vuurpijlen aan te bevestigen, zoodat de inhoud van
het eerste pak in een ommezien was geledigd.
Kien was nu bezig met het electrische toestel.
"Hoeveel kan je daarmee tegelijk aansteken?" vroeg Stenford.
"Een stuk of zes," zei Kien, die den draad stond los te wikkelen;
het gedrenkte papier dat als lont moest dienen had hij al gereed
liggen. Als de draad langer was, zou ik er misschien nog wel een paar
meer tegelijk kunnen aansteken.
"Zes is mooi genoeg," hernam Stenford. "Ik vind het zelfs een
prachtvertoon, dat me herinnert aan de grootste buitensporigste weelde
in de Romeinsche oudheid."
Kien gaf hierop geen antwoord. Hij maakte den draad vast en liep toen
achteruit met het toestel terwijl hij den draad langzaam los wikkelde.
"Ga nu mee tot vlak bij het huis," zei hij. "Vandaar zullen we de
electrische ontlading prachtig kunnen zien."
"En d-daar z-zijn we v-veilig," zei Burns.
"Draai de lamp met het licht naar den muur," zei Stenford; "dan zullen
we de rest nog beter kunnen zien."
"Pas op den draad!" waarschuwde Kien. "Struikel er niet over."
"Nee, daarvoor zal ik wel oppassen," zei Stenford. "Ik wil mijn
natuurlijken dood sterven. Steek den boel niet aan voor ik op een
veilige plaats ben beland."
"Nou, het begint!" zei Kien.
We stonden nu op een rij bij de plek waar de draad eindigde. De
oranjerie konden we vaag onderscheiden in de verte.
"Burns," zei Stenford op plechtigen toon, "nog één oogenblik en dan
zal het daarginds helder licht worden."
"Houd nou je mond," zei Kien. "Ik steek het nu aan!"
"Gauw wat alsjeblieft!" fluisterde Stenford. "De spanning is te groot."
HOOFDSTUK XXII.
HET SLACHTOFFER DER WETENSCHAP.
Het toestel dat Kien in de handen hield, liet een klikkend geluid
hooren; ik dacht niet anders of al de stukken vuurwerk zouden nu
tegelijk ontploffen. Doch niets gebeurde; we konden de oranjerie in
de verte nog slechts ternauwernood onderscheiden.
Kien klapte met de tong en toen vernamen we wederom een klikkend
geluid.
"Toe nou, vooruit," zei Stenford om hem tot spoed aan te sporen.
"Ze is al weg," zei Kien.
"Wie bedoel je?"
"De vonk."
"M-maar dan is ze al uitgegaan," riep Burns lachend.
"Nee, ze is door den draad heen," antwoordde Kien; "er moet iets aan
de lont haperen."
"Probeer het nog eens," zei Stenford; "je hebt maar tweemaal geklikt;
een derde keer gaat het misschien beter."
Wederom een klikkend geluid. "Hier houd 's vast," zei Kien tegen
Burns wien hij het electrische toestel overhandigde.
"Het k-kan toch n-niet ontploffen?" vroeg Burns angstig, maar Kien
was al op weg naar de oranjerie en gaf geen antwoord.
"Het is zeker een vonk die van haar gemak houdt," zei Stenford;
"daarom heeft ze er zooveel tijd voor noodig. Misschien komen de vonk
en Kien daar tegelijk aanzetten."
Weldra keerde Kien terug. "De lont is in orde," deelde hij mede;
"het moest afgaan."
"Het moest, het moest," herhaalde Stenford; "als we maar altijd deden
wat we moesten doen. Zelfs electrische vonken schijnen soms niet te
willen gehoorzamen."
Kien deed nog eenige malen het toestel klikken.
"Het moet de lont zijn," verklaarde hij ten slotte.
"Ik heb verstand van lontjes," zei Stenford. "Ik ga eens poolshoogte
nemen."
Hij gaf me een wenk--wat hij daarmee wilde zeggen begreep ik echter
niet--en toen zette hij het op een loopen over het gras. We konden zien
dat hij de fietslamp in de hoogte hield om het licht achtereenvolgens
te laten schijnen op de lont en op het vuurwerk. Toen keerde hij den
rug naar ons toe, zoodat we niet konden zien wat hij uitvoerde.
"Ik heb de lont in orde gemaakt," riep hij; terwijl hij het hoofd
even omdraaide. "Probeer het nu nog 's, Kien!"
Wederom liet Kien het toestel klikken, waarop de lont werkelijk begon
te gloeien.
"Hij doet het!" riep Kien zegevierend uit. "Ik wist wel dat het
eindelijk zou gaan!"
"Zie je wel dat ik verstand heb van zulke dingen?" riep Stenford die
nu naar ons terugkeerde.
"'t Is al-leen m-maar de vraag of het n-nu zal afgaan," zei Burns.
Dit gebeurde niet. De lont en het gedrenkte papier brandden op en
doofden uit, de stukken van het vuurwerk bleven in duisternis gehuld.
Kien wilde wederom van voren af aan beginnen, doch daartegen kwamen
wij in verzet.
"Weten jullie hoe laat of het is?" vroeg ik. "We zullen nauwelijks
tijd hebben om den boel zoo maar aan te steken en dan kunnen we nog
juist de anderen inhalen die met den volgenden trein komen."
"Je hebt nu getoond dat het kan," zei Stenford lachend.
"Ja, misschien is het beter," gaf Kien toe op ernstigen toon.
Aldus geschiedde. We liepen naar het vuurwerk toe om het aan te
steken. In het begin traden we behoedzaam op en lieten we maar één stuk
tegelijk ontbranden, doch weldra zagen we in, dat we met verdubbelde
kracht aan het werk moesten als we hiermede op tijd wilden klaar komen.
Het duurde dan ook niet lang of wieletjes draaiden en sisten,
voetzoekers knetterden en vuurpijlen schoten omhoog om als
vonken-regens omlaag te storten, en roode en blauwe lichten gloeiden
en Romeinsche kaarsen maakten een herrie van belang--korten tijd
was het een oorverdoovend lawaai, terwijl de tuin schitterend werd
verlicht en het overal rook naar kruit en chemische stoffen.
"Dol, kostelijk!" riep Stenford, die een brandende voetzoeker door
de lucht zwaaide en toen weggooide, zonder er zich natuurlijk over
te bekommeren waar die neerkwam.
Zelfs de bedaarde Kien geraakte in hevige opwinding. Hij stak bij
voorkeur de vuurpijlen aan, die hij niet zooals gewoonlijk regelrecht
de lucht in deed gaan, doch hij gaf die alle mogelijke richtingen,
zoodat sommige eerst langs den grond kropen en andere wrongen zich
eerst in bochten voor ze omhoog schoten. Hij schreeuwde ons wat toe
over kronkelingen en snelheid, doch het lawaai was te groot om precies
te kunnen verstaan wat hij zei.
"Geen lucifers verspillen!" riep Stenford; "geen enkele mag er
uitgaan! We hebben er nog maar een paar. Het eene kunnen we wel met
het andere aansteken."