kwam; "het water is zoo lauw als melk! Kom erin! Gauw wat!"
Bob scheen me eerst nu gewaar te worden; tot nu had hij met Juniper
staan praten; hij liep naar me toe en zei bijna fluisterend: "Martin,
als ik jou was, dan ging ik er nog maar niet in."
"Waarom niet?" vroeg ik een weinig geraakt.
"Omdat je nog niet bepaald een kampioen bent in de edele zwemkunst,"
antwoordde hij glimlachend.
"Maar ik mag toch wel een bad nemen," zei ik.
"Dat mag je zeker," hernam hij, "maar ga er dan in van het strand;
dan loop je eerst en zwem dan. Je weet dan dat je niet te ver bent
gegaan. Als je een beetje gewend bent geraakt, neem dan het bassin."
In plaats dat ik Bob, die ouder en wijzer was en bovendien een prefekt,
dankbaar was voor zijn goeden raad dien hij me had gegeven, zonder aan
de anderen te laten merken dat ik nog een nieuweling was in het vak,
nam ik het hem eigenlijk kwalijk dat hij zich met mij had bemoeid.
"Best," zei ik kortaf, daar ik wel inzag dat hij gelijk had, waarop
ik me begaf in de aangeduide richting.
"Waar ga je heen?" riep Stenford.
"Naar het strand," antwoordde ik.
"Sufferd, die je bent," riep hij me toe; "je komt dan vol zand."
Toch liep ik door.
"Ga niet te ver," zei Bob toen ik langs ging, "en vergeet niet wat
ik je heb gezegd van hoe je adem moet halen."
"Onderwijs je de jeugd die zich naar den Oceaan begeeft," vroeg
Juniper. "Leve Canada!"
"Kom zelf maar 's in Canada," antwoordde Bob lachend. "Als je eerst
wat hebt gezwommen, ga dan naar het bassin," riep Bob me achterna;
"ik ben er dan ook in; ik zal je dan leeren duiken."
De zee was heerlijk; het water voelde lauw aan en klotste om ons
heen. Verscheidene jongens waren al aan het zwemmen; ze probeerden
allerlei verschillende manieren om uit te slaan en plasten als
walrussen; ik merkte echter op dat geen van allen zich ver waagde en
als een enkele dit deed, dan werd onmiddellijk van het strand geroepen
dat hij terug moest keeren.
Ik zwom en zwom totdat ik me zoo trotsch begon te voelen over de
hoogte waarop ik het reeds had gebracht, dat ik tegen mezelf zei dat
Bob wel heel voorzichtig was uitgevallen.
Ik kwam nu naar den oever en liep over het warme, mulle zand naar
het bassin, waarin Bob zich bevond met nog eenige andere geoefende
zwemmers.
"Kitsjin is de beste zwemmer van de heele school," zei Stenford,
die zich nu flink stond te wrijven en af te drogen.
"Dat is zoo," zei Burns, die het roode gezicht stond af te
vegen. "M-maar d-doen je handen n-niet pijn?"
"Zeewater is goed voor ze," antwoordde Stenford. "Maar het is eigenlijk
zonde en jammer om op zoo'n dag je kleeren aan te trekken."
"W-waarom g-ging jij erin van het s-strand?" vroeg Burns.
"Dat is een heel leuke manier," antwoordde ik ontwijkend. "Vooral op
een dag als vandaag, als het water zoo om je heen klotst."
"Ik moet toch niets van die manier hebben," zei Stenford. "O, daar
komt Kitsjin aanzetten."
Bob kwam nu aanzwemmen; hij liet zich bijna drijven.
Jim Juniper stond zich op zijn doode gemak aan te kleeden op een klip
die boven het bassin uitstak.
"Zoo, nobele meermin," riep hij tegen Bob. "Wat voor nieuws breng je
mee uit de diepte?"
"Dat zal ik je vertellen als ik er eerst ben geweest," antwoordde Bob.
"Ik dacht dat je voor goed was verdwenen," zei Juniper.
"Ik ben onderdoor gezwommen naar die andere kom," zei Bob. "Heb jij
dat wel 's gedaan?"
"Dank je stichtelijk," antwoordde Jim. "Ik ben veel te blij als ik
weer springlevend te voorschijn kom uit het water; mijn leven is te
kostbaar om het te wagen in zulke onderaardsche, of beter gezegd,
onderwatersche streken. Wat zou je eigenlijk moeten zeggen?"
"Je kan allebei zeggen," antwoordde Bob. "Maar het is een gekke
gewaarwording. De vloed komt op en daardoor komt het water van de eene
kom in de andere; als het weg stroomt zuigt het zich aan je vast en
dat is een ellendig gevoel."
"Dat zou ik denken," zei Jim. "Maar ik dank je lekker voor dat gezuig."
"Tweemaal probeerde ik eronder door te komen, maar telkens werd ik
terug geslagen," zei Bob. "Den derden keer nam ik het waar toen een
geduchte golf kwam aanzetten, en toen ging het als gesmeerd."
"Wat een zwemmer, hè!" zei Stenford tegen me. "En dat is onder water,
begrijp je?"
Ik knikte van ja. Voor Bob gevoelde ik oprechte bewondering; ik was
alleen maar beleedigd dat hij zoo weinig dunk had van mijn zwemkunst.
"Kijk 's, Jim," zei Bob, die zich nu flink stond af te wrijven;
"je kan het water zien in en uitgaan."
"Ik geloof je graag, nobele zeeheld," antwoordde Jim, die nu zijn
buis aantrok. "Zou een Canadees ooit een leugen vertellen?"
Juniper en Bob waren dikke vrienden, al plaagden ze elkaar graag. Bob
hield dol van Engeland, maar als Jim er bij was, dan verhief hij
zijn eigen land tot in de wolken, waarop Juniper dan Canada als een
woeste streek voorstelde door beren bevolkt, een land waar de menschen
slechts heentrokken in de uiterste noodzakelijkheid.
Bob kreeg me nu in het oog. "Martin, wil je nog duiken, of heb je er
genoeg van?" riep hij me toe.
"O, best," zei ik, want ik was nog niet begonnen met me aan te kleeden.
"Vooruit dan maar!" riep hij; "je moet het leeren. Begin maar met
het hier te doen. Als je verdrinkt zal ik er je wel uithalen," voegde
hij er lachend bij.
"Toe vooruit, kerel," zei Stenford. "Ik wou dat ie het mij ook
leerde. Hij duikt prachtig."
Ik gevoelde me nog eenigszins beleedigd en tamelijk onwillig begaf
ik me naar de plek waar hij stond.
"Vanhier moet je duiken," zei hij en gaf me eenige raadgevingen.
Een heele troep jongens was al weggetrokken, maar er waren nog genoeg
toeschouwers overgebleven; ik gevoelde me dan ook weinig op mijn
gemak. Hoe bang ik ook was, ik wilde mijn angst niet doen blijken. Ik
wou geen mal figuur slaan.
"Kijk, zoo moet je doen; het is dood gemakkelijk," riep hij.
Met een sierlijken zwaai maakte hij een prachtige
duikeling. "Bravo!" riep Stenford.
"Ja, zoo moet je doen!" zei Jim spottend.
Bob kwam weer opdagen, al watertrappend. "Vooruit," riep hij me toe;
"probeer het maar."
Ik gehoorzaamde het bevel, maar als een zware zak plofte ik in het
water. Toen ik te voorschijn kwam, hoorde ik de toeschouwers het
uitschateren.
"Heel goed, Ellinghem," schreeuwde Stenford.
"Probeer het nog maar 's," zei Bob, die me weer op het droge
haalde. "Zoo iets kan je maar niet dadelijk. Je zwemt anders beter
dan ik dacht."
De tweede maal ging het niet zoo erbarmelijk slecht, maar ik vond het
toch een beproeving en ik zei tegen mezelf dat ik het in elk geval
bij den derden keer zou laten.
"Je gaat vooruit," zei Bob. "Stoor je maar niet aan die lui; je moet
het op die manier leeren. Je slaat nu heel goed uit."
"Ik had hier toch wel den heelen tijd kunnen zwemmen," zei ik;
"wat voor gevaar is daar nu in?"
"Er loopt een stroom bij het verste gedeelte," antwoordde hij;
"daar trekt het water."
Ik had niets van een stroom gemerkt en dacht dat hij me tot de kleine
jongens wilde rekenen, maar ik zou hem wel toonen dat hij me niet
zoo geringschattend behoefde te beoordeelen.
Hij stond zich nu op zijn doode gemak af te drogen op de klippen;
toen ik voor de derde maal dook, gaf hij me nog eenige raadgevingen;
het viel hem blijkbaar mee dat ik zoo vlug en handig weer boven kwam.
Den derden keer ging het werkelijk veel beter. "Goed zoo!" hoorde ik
hem roepen, toen ik weer spartelend te voorschijn kwam en ik meende
dat Stenford in de handen stond te klappen. Met opzet begaf ik me in
de richting waar die stroom heette te loopen; ik zwom naar het verste
gedeelte waar zich de tunnel bevond naar het andere bassin.
"Niet dien kant," riep Bob op een toon die als een bevel klonk. "Daar
loopt die stroom! Kom terug!"
Ik schonk hierop geen aandacht, want ik gevoelde niets van een
stroom en zwom door. Ik wilde alleen maar een paar slagen doen in
die richting en dan omkeeren, alleen maar om hem te toonen dat hij
niet zoo min over me behoefde te denken.
"Kom terug!" riep Bob me toe; "Martin, je bent een uil!"
Nu ik me aldus door hem hoorde betitelen, werd ik kwaad en deed nog
een paar slagen om hem te toonen dat hij me niet als een klein kind
behoefde te behandelen.
"Keer je om op je rug!" hoorde ik hem roepen en toen vernam ik een
plof alsof iemand in het water sprong.
Plotseling werd ik een eigenaardige trekking gewaar die me met
bliksemsnelheid deed vooruitschieten; misschien liep hier dan toch
een stroom en bevond ik me nu dichtbij de lager gelegen rotsen; de
klip zag ik boven mijn hoofd vooruit steken. Ja, het was misschien
het best dat ik nu maar omkeerde.
Toen ik me wilde omdraaien kreeg ik een gevoel of die trekking
plotseling had opgehouden, doch de volgende golf die aankwam, deed
me wederom een eind vooruit schieten. Ik was nu als machteloos;
hoe ik ook uitsloeg en spartelde, aan terugkeeren viel niet te denken.
Ik begon nu in het wilde uit te slaan.
"Help, help!" schreeuwde ik, doch ik kon ternauwernood een kreet
uitbrengen. Ik werd machteloos heen en weer geslingerd door de
klotsende golven.
"Help!" riep ik wederom, waarbij ik een hoeveelheid water naar
binnen kreeg.
Ik vernam luide kreten van de rotsen en een stem in mijn nabijheid
riep me hijgend toe: "Draai je op je rug! Op je rug!"
Nog juist had ik besef genoeg om dit bevel op te volgen; toen voelde
ik dat het water me met kracht omlaag zoog totdat een groen waas
voor mijn oogen trok en het stemrumoer zich mengde met het geluid
van kiezelsteenen die door de golven heen en weer werden geschuifeld;
in mijn ooren begon het nu al harder en harder te suizen en stampen,
zoodat eindelijk alle geluiden werden overstemd. Alles werd nu donker
om mij heen. Het groene waas vervaagde; plotseling zag ik Mallorie voor
me opdoemen; ik dacht aan den dag, toen ik met Bob en Tetsjer was komen
aanrijden en wederom zag ik Horner flauw vallen, maar nu dacht ik dat
ik zelf flauw viel en dat iemand in de kamer kwam om naar me te kijken
en Bob zag ik loopen op dien vooruitstekenden rand langs den muur,
en toen zag ik mezelf daarop loopen en voelde ik dat, als het gonzen
in mijn ooren nog iets luider werd, dat ik dan naar beneden zou vallen
en dood neerstorten. Het rumoer in mijn hoofd werd nu zóó luid, dat ik
een gewaarwording kreeg of door mijn hersens werd gehamerd; ik klemde
me vast tegen den muur, doch tevergeefs--ik stortte in de diepte.
HOOFDSTUK XX.
JIM JUNIPER ZEGT ME DE WAARHEID.
Langzamerhand kwam ik tot het besef dat een lichtstraal door de
duisternis heendrong, en vernam ik een verward rumoer van stemmen om
mij heen. Toen gevoelde ik weer dat ik een lichaam had en dat lichaam
begon me hoe langer hoe meer pijn te doen.
Ik besefte nu ook dat ik hard werd gestompt en gewreven, zoodat ik
wel om genade had willen roepen, doch ik was niet bij machte een
kreet te uiten. Het was als een nachtmerrie en het vreeselijkste was
dat ik voelde dat het geen echte nachtmerrie was, maar dat er iets
verschrikkelijks was gebeurd, hoewel ik niet kon begrijpen wat dit
eigenlijk was geweest.
"Hij komt bij," hoorde ik iemand zeggen in mijn onmiddellijke
nabijheid.
Wat konden die woorden beduiden? Had ik een operatie ondergaan en
was ik onder chloroform gebracht?
Het werd nu lichter om me heen en het klotsen van de zee en het gonzen
van de stemmen drong al luider en luider tot me door. Toch besefte
ik nog niet waar ik me bevond en wat er was gebeurd.
Plotseling flitste een gedachte door mijn hoofd. Ik had in zee
gezwommen en was verdronken of bijna verdronken--en nu keerden de
levensgeesten weder bij me terug.
"Hoe maakt Kitsjin het?" hoorde ik vragen.
Waarop de stem van Juniper antwoordde:
"Hij zit op en eet wat."
"Wat--wat is er met Bob?" bracht ik met moeite uit.
"Hij is er weer bovenop," zei iemand en na die geruststellende woorden
dommelde ik weer in.
Toen ik opnieuw tot bewustzijn kwam lag ik in een bed en die
gewaarwording was heerlijk. Ik strekte me zoo lang mogelijk uit en
wierp een blik om me heen. Ik lag niet in mijn eigen kamertje maar
in een net, eenvoudig vertrek met kale witte muren. De ramen stonden
wijd open en koele frissche lucht stroomde naar binnen.
Nu zag ik een dikke juffrouw op me afkomen; later vernam ik dat ze
Geebel heette. Glimlachend liep ze naar me toe, en toen ze me tot
heel nabij was genaderd vroeg ik fluisterend: "Waar ben ik?"
"In het hospitaal," antwoordde ze lachend met haar vriendelijke
stem. "Gisteren ben je hier binnen gebracht."
"Binnen gebracht," herhaalde ik.
"Ja, je was half verdronken of drie kwart eigenlijk. En nat dat
je was!" (Later heb ik gehoord dat mijn kleeren in de algemeene
ontsteltenis in het water waren gerold.)
"Je kleeren hangen nu te drogen in het waschhuis," ging ze voort; "'t
is te hopen dat ze niet zullen krimpen, want dat doen ze gewoonlijk."
Ik bedacht me dat mijn flanellen broek toch al wat krap zat en dit
zei ik aan juffrouw Geebel.
"Dan zal je die niet meer aan kunnen," merkte ze vroolijk op; "maar wat
komt dat er eigenlijk op aan nu je het er levend hebt afgebracht. Lig
je goed?" voegde ze er bij, "want je moet flink warm worden gehouden."
Ik verklaarde dat ik bijna het kookpunt had bereikt.
"Goed dat je van koken praat," hernam juffrouw Geebel, "want ik heb
bouillon voor je opstaan."
Ze verdween een oogenblik, waarna de glimlachende verschijning met
een dampenden kop terugkeerde.
"Ga wat opzitten," beval juffrouw Geebel, "maar sla dien doek eerst
om je heen. Zoo; pas op dat je je niet brandt. Voorzichtig hoor!"
Ik volgde haar raadgevingen en begon te drinken, terwijl ik het goede
mensch een verrukten blik toewierp over den rand van den kop.
"Smaakt het?" vroeg ze vriendelijk.
"Of het," antwoordde ik.
"Langzaam aan, hoor," zei ze nog eens. "Je hebt je maag te veel noodig
om die te verbranden door te heet te drinken."
Ik meende dit gezegde te kunnen beamen.
"Er zijn menschen die den boel maar inslikken en dan hebben ze er
natuurlijk heelemaal geen nut van."
Ik beloofde haar niet zoo roekeloos te zullen zijn.
"Zulke menschen worden nooit dik," verklaarde ze ten slotte.
Zij behoefde me niet te vertellen dat zij niet tot die menschen
behoorde, want zoo'n breede glimlach zou het hoofd van een mager
persoon in zijn geheel al hebben omspand als de bandjes van een
respirator.
Er werd nu op de deur getikt; juffrouw Geebel voerde een kort onderhoud
met een of meer personen die ik niet kon zien. "Als jullie niet te
lang blijft, komt dan maar even binnen," hoorde ik haar eindelijk
zeggen, waarop het drietal Kien, Stenford en Burns verscheen die om
mijn bed gingen staan en me aangaapten of ik een nieuw voorwerp was,
dat in een museum was aangeschaft en nu voor de eerste maal mocht
worden bezichtigd.
"Een buitenkansje voor je Ellinghem!" begon Stenford, die het eerst
de stilte verbrak.
"Vindt je dat," zei ik, daar ik de rol van patiënt nog wat moest
blijven spelen.
"Ja--geen schoolwerk heb je te maken, geen Kijkers, geen algebra voor
Wilson, enz.--en lekker goedje krijg je te drinken! Wat is het?"
"Bouillon," antwoordde ik.
"Die is alleen voor zieken," riep juffrouw Geebel uit de verte.
"Ik zal er geen mond aan zetten," zei Stenford. "Ik voor mij houd
meer van vast voedsel."
"Houdt je d-dan n-niet van s-sorbets?" viel Burns in.
"Och, jij met je sorbets," zei Stenford. "Maar, Ellinghem, hoe is
het nu met je?"
"Heel goed," zei ik.
"Het s-scheelde anders m-maar een haar of j-je was verdronken,"
verklaarde Burns.
Kien had tot dusver gezwegen, maar hij wierp me nu een ernstigen blik
toe en vroeg: "Heb je iets gemerkt van den atmosferischen druk?"
"Bravo, Kien," riep Stenford, die het nu uitschaterde; "schrijf zijn
woorden op, kerel, want als ie er het hachje bij inschiet, dan zijn
ze ten minste nog van nut voor de wetenschap."
Ik begreep best dat mijn eigenzinnigheid alleen de schuld droeg
van hetgeen was gebeurd. Ik gevoelde me dan ook diep beschaamd en
eenigszins aarzelend vroeg ik: "Vertel jullie me 's hoe het eigenlijk
is gegaan."
"Herinner je je den laatsten keer dat je dook?" vroeg Stenford.
"Ja," zei ik.
"Zeg 's," viel Burns in, "je k-kan n-niets van duiken."
"Dat weten we nu wel, Burns," hernam Stenford; "dat hoef jij hier
niet staan te vertellen."
"Dat doet trouwens niets tot de zaak af," zei ik tamelijk bits. "Vertel
maar door."
"Na die laatste duikeling was je heelemaal je kluts kwijt," hernam
Stenford.
"Dat is niet waar," riep ik verontwaardigd.
"Het had er toch veel van, want je zwom den verkeerden kant uit."
"En toen?" vroeg ik.
"Je dacht natuurlijk dat je terug zwom naar de plek waar je hadt
gedoken, want toen Kitsjin tegen je stond te roepen, begon je nog
harder uit te slaan."
Ik vroeg me een oogenblik af, of ik hun alles zou vertellen.
"Maar je zag al gauw in dat je je had vergist," hernam Stenford;
"toen wilde je omkeeren, maar de stroom had je al te pakken en greep
je zijdelings mee."
"Dat herinner ik me," zei ik.
"M-maar K-Kitsjin was al in het w-water g-gesprongen," viel Burns in.
"Hij zwom zoo hard als ie kon," zei Stenford; "hoorde je hem schreeuwen
dat je op je rug moest gaan liggen?"
"Dat kan ik me niet meer herinneren," antwoordde ik.
"Het was natuurlijk voor hem gemakkelijker om je er uit te halen,
als je dreef."
"H-hij was z-zeker b-bang dat je je aan hem z-zou v-vastklampen,"
zei Burns.
"De stroom had je heelemaal te pakken en sleurde je mee tot onder de
rots," hernam Stenford, "en--"
Kien viel hem nu in de rede. "Wat voelde je?" vroeg hij ernstig. "Was
de atmosferische druk krachtig? Was het een gewaarwording of--"
"Leuter toch niet kerel!" riep Stenford. "Hoe kon hij dat nu
weten? Waar waren we gebleven?"
"Ik was meegesleurd tot onder de rots," zei ik.
"O ja! Voor dien tijd hadt je al begrepen dat je er bij was, want je
gilde moord en brand. Maar toen verdween je in de tunnel; geen steek
was meer van je te zien, geen steek."
"Maar K-Kitsjin zwom achter j-je aan," zei Burns, die nu en dan ook
een woordje wilde meepraten.
"De jongens stonden nu allemaal klaar om jullie de hand toe te
steken als je weer boven kwam," zei Stenford. "Het was een vreeselijk
oogenblik toen we niets meer van jullie zagen, terwijl we wisten dat
jullie daar ergens onder de rotsen moesten zijn."
"T-toen s-sprong J-Juniper erin," zei Burns.
"Ja," hernam Stenford; "Jim had zijn kleeren uitgegooid en zwom van
den anderen kant naar de tunnel toe. Kitsjin kwam nu te voorschijn."
"W-wat zag d-die er akelig uit!" zei Burns.
"Ja, hij zag er ellendig uit!" verklaarde Stenford. "Hij was maar
even boven gekomen om adem te scheppen terwijl hij water trapte."
"Ik dacht dat hij iets tegen Jim riep."
"Ja, dat deed hij ook; we gilden het nu allemaal uit, omdat we dachten
dat hij je hadt kunnen grijpen, maar ineens hielden we onzen mond toen
we zagen dat dit niet het geval was. Juniper was nu vlak bij hem, Bob
schreeuwde hem toe: ""Terug, terug, de stroom!"" of iets dergelijks."
"Ik geloof zelfs dat ie tegen Jim vloekte," zei Kien.
"Kitsjin is een kraan," zei Stenford, wien het moeite kostte zijn
aandoening te bedwingen. "Hij wou niet dat iemand zou verdrinken om
hem te redden."
"M-maar Jim gr-greep zich v-vast aan het v-vooruitstekende g-gedeelte
van de rots..." zei Burns.
"Dat wou ik je nu juist gaan vertellen," zei Stenford. "Hij hield
één hand gereed om die te kunnen toesteken zoodra Kitsjin weer te
voorschijn kwam, want we hadden alle hoop opgegeven dat jij nog in
leven was."
Burns knikte met het roode hoofd om deze verklaring te beamen.
"Toen scheen een heele groote golf van de eene kom door de tunnel
naar het andere bassin te stroomen. Kitsjin kwam nu te voorschijn die
jou vasthield; in een oogwenk was Juniper in het water; met één hand
duwde hij, terwijl hij met de andere zwom."
"Jullie dreef nog mee met de golf," zei Kien.
"Toen jullie zoowat in het midden waren, begon het water terug te
trekken," zei Stenford; "dat was vreeselijk om te zien."
"We zagen dat het jullie w-wilde meesleuren!" verklaarde Burns.
"Juniper was onvermoeid," zei Stenford; "hij duwde uit al zijn macht en
heel langzaam naderden jullie de plek waar wij stonden om te helpen."
"Jij was n-net een l-lijk," zei Burns.
"Je zag donkerblauw," verklaarde Kien; "dat kwam omdat het bloed--"
"Scheid uit met je wijsheid, kerel!" riep Stenford; "anders kom ik
nooit klaar met m'n verhaal--We dachten niet anders of je hadt al den
laatsten adem uitgeblazen. Kitsjin viel flauw zoodra we hem naar boven
hadden gesleurd. Juniper zei dat dit kwam door te groote inspanning
van zijn hart."
"We lieten hem liggen en begonnen te p-probeeren of w-we je n-nog
bij konden krijgen," zei Burns.
"Ja," zei Stenford; "eerst moest je al het water kwijt raken dat je
binnen hadt gekregen, en toen pasten we de kunstmatige ademhaling toe,
je weet wel uit "Eerste Hulp bij Ongelukken", en toen begonnen we je
te wrijven en zoowat meer."
"We w-wreven t-tot w-we niet m-meer konden," zei Burns.
"Kitsjin was ook weer in orde--hij kon ten minste weer praten, al
zag hij er nog ellendig uit. "Is hij goed?" vroeg hij. "Gek dat hij
niet eens scheen te weten dat hij er je uit had gekregen. Hij kon
zich al gauw weer overeind richten en zijn eerste vraag was hoe het
met je was."
"We hadden hem nog niet verteld dat we dachten dat je dood was,"
zei Kien.
"We zeiden dat we ons best deden je bij te krijgen," hernam Stenford,
"en toen stond hij op; de jongens hadden hem afgedroogd en hem geholpen
met wat kleeren aan te schieten; toen liep hij naar de plek waar jij
lag; zoodra hij je zag riep hij: "Groote hemel," en werd hij lijkwit.
"Probeer de andere manier, zei hij," viel Kien in; "hoe die heet ben
ik vergeten. We moesten je omdraaien en je rug wrijven; Juniper en
hij deden hun uiterste best, maar Kitsjin moest uitscheiden omdat
hij heelemaal op was."
"Toen die andere methode ruim twintig minuten was toegepast begon je
bij te komen," verklaarde de wetenschappelijke Kien.
"Op die eerste manier zou het ook wel zijn gegaan," hernam
Stenford. "We kunnen er nu kalm en rustig over praten, Ellinghem,
maar toen we met je bezig waren was het vreeselijk; die spanning of
je dood was of levend, dat was ontzettend."
"Maar hoe wist je of," begon ik.
"We keerden je nu en dan om," viel Stenford in; "eindelijk zagen we je
de oogleden even trillen. Juniper lei zijn hoofd tegen je aan en riep:
""Hij ademt.""
"Ja, zoo is het gegaan," zei Kien.
"En weet je wat het gekst was," hernam Stenford op peinzenden toon;
"je zou denken dat de jongens nu zouden hebben gejuicht van pleizier,
maar niemand zei een woord, en de lui die met je bezig waren geweest
stonden gewoon te huilen. En Kitsjin had moeite zijn tranen in te
houden; hij keerde zich naar Juniper en zei: ""Het spijt me dat ik
straks tegen je vloekte, maar je hadt het niet moeten doen; je waagde
je leven, beste kerel."" En toen droegen we je naar huis."
"De lui zeiden d-dat je z-zoo z-zwaar was," merkte Burns op.
"Thuis werdt je dadelijk in een warm bad gestopt en toen werdt je
naar bed gebracht."
"Nu weet je alles," zei Kien; "ik wou alleen maar dat je me kon
vertellen of de luchtdruk krachtig was in die tunnel."
"Was het geen vreeselijk gevoel?" vroeg Stenford.
"Ja vreeselijk," antwoordde ik.
"Hoe staat het met onzen meerman?" hoorden we nu zeggen. We keken om
en zagen Jim Juniper die ongemerkt was binnengekomen en glimlachend
naderde. Zonder antwoord af te wachten op zijn vraag voegde hij er bij:
"En Burns, jij hebt het heele geval zeker op rijm staan te vertellen
is het niet?"
Ik wilde hem nu danken voor hetgeen hij had gedaan. "Ik heb alles
gehoord," bracht ik stotterend uit, "en ik dank je hartelijk voor..."
"Och, ik heb bijna niets kunnen doen," viel Juniper me in de rede. "Ik
kon alleen maar als ceremonie-meester optreden door jullie in de
goede richting te duwen, waardoor de dappere meermannen het land
konden bereiken. Aan wal is het toch maar het best, vindt je ook niet?"
Ik gaf dit onmiddellijk toe.
"Maar als Kitsjin zich geen Hercules had getoond, dan zou je nu zeker
op den bodem van de zee liggen, waarde heer," hernam hij.
Op dit oogenblik keerde hij zich geheel naar mij en een andere
uitdrukking verscheen in zijn oogen toen hij zei: "Ik moet je ronduit
zeggen dat je gisteren bij het zwemmen een geduchte lastpost bent
geweest."
"Ja, dat is zoo," gaf ik toe, terwijl ik een kleur kreeg.
"Het is niet mijn gewoonte om krachtige, gekruide taal te gebruiken
zooals vriend Burns," zei Juniper; "maar toch geloof ik ditmaal wel
reden te hebben om je een geduchten lastpost te mogen noemen."
Ik beaamde dit wederom.