Stenford was misschien kwaad op zichzelf dat hij niet op dien inval was

gekomen. Hij wilde tegenover een nieuweling als ik niet onmiddellijk

toegeven.

"Een zonderling plan," merkte hij op.

"Maar het is best te doen," antwoordde ik. "Toe ga mee."

"Maar zou het touw lang genoeg zijn?" vroeg hij.

"Natuurlijk," zei ik; "die touwen reiken hier toch bijna tot den

vloer. We gooien er een buiten het raam met dat gebroken luik dat

zich gelukkig juist aan den anderen kant als het dorp bevindt--we

behoeven dan niet meer dan een kleinen sprong te doen om op den grond

terecht te komen. 't Is geen oortje waard. Bij dat gedeelte van den

toren loopt de grond zelfs een beetje op."

"J-ja, d-dat is zoo," viel Burns bij. "Toe, Stenford, ga mee."

"Maar op die touwen zit zoo'n dikke laag stof dat ze niet door de

gaten van den vloer heen kunnen," wierp Stenford tegen.

"Ik heb gezien dat een van de touwen nieuw is," antwoordde ik. "Dat

zullen we nemen; dit is het, want het had onderaan een lus. Als we

die los maken, dan reikt het zeker tot den grond."

"Toe, St-Sten ga mee," drong Burns aan. "We zullen p-probeeren of

het g-gaat."

"Maar waaraan zitten die touwen vast gemaakt?" vroeg Stenford. "Geloof

je, dat zoo'n touw ons zou kunnen houden?"

"We zullen zien of ze stevig genoeg zitten," zei ik. "Dit touw is

dus van de verste klok aan den rechterkant Dat treft; het is juist

de kant van het raam dat we door moeten."

Burns was intusschen al bezig met de lus uit het touw te halen,

waarmede hij spoedig gereed was.

"Zie je wel; het sleept zelfs op den grond," zei ik; "zit er geen

knoop of knoest meer in, Burns?"

"Nee, je k-kan het ophalen," verklaarde Burns.

Zonder verder bij Stenford aan te dringen, dat hij zou meegaan,

begon ik de trap op te klimmen, door Burns op den voet gevolgd.

We hoorden Stenford achter ons aankomen en de klokkekamer gingen we

met ons drieën binnen.

"Waarom kunnen we ons niet van hier af naar beneden laten

glijden?" vroeg hij.

"Dat is nog al glad," antwoordde ik. "Hier is toch geen raam om het

naar buiten te krijgen."

"Ja, dat is zoo," mompelde hij. De vensters waren hier in den steenen

muur aangebracht en konden niet worden geopend.

In de dakkamer was het iets lichter dan op de trap; we konden het

bewuste touw duidelijk onderscheiden; het bleek te zijn vast gemaakt

aan het rad van een van de grootste klokken.

"Trek maar op." zei ik; "dan zien we gauw genoeg of we het goede touw

hebben te pakken."

Zes handen begonnen aan het touw te trekken alsof een emmer uit een

put werd gehaald.

Het ging gesmeerd; in een oogenblik hadden we het naar boven gekregen

en lag het als een kabel aan onze voeten.

"Ja, het is het goede," verklaarde Stenford. "Zou het stevig genoeg

zijn vastgemaakt? Hè, was het maar wat lichter!"

"Ik durf het er op wagen," zei ik. "Het heeft toch die zware klok in

beweging moeten brengen."

"Ik w-waag het er op," zei Burns.

"Bravo, Robert Burns!" riep Stenford, wiens vroolijke, opgewekte aard

weer boven kwam. "Zou jij het eerst durven gaan?"

"Zeker," verklaarde Burns heel beslist.

"Nee, Stenford, jij moet eerst gaan," zei ik. "Jij bent handiger. Houd

jij het touw vast als je beneden bent; dat is voor ons gemakkelijker."

"Best," antwoordde Stenford. "Geloof je dat het door de zwaarte recht

zal afhangen?"

"Dat zullen we gauw genoeg gewaar worden," antwoordde ik; "laten we

dat luik weg halen."

In een oogwenk hadden we het luik er af, en lieten we het touw door

het raam vieren. In de schemering zagen we het heen en weer zwaaien,

terwijl onze drie hoofden zich voor het raam verdrongen om het touw

te volgen dat langzaam daalde.

"Die vooruitstekende rand is een leelijk ding," zei Stenford; "dat

is bij de verdieping van de klokkekamer. Als het daar maar niet

blijft haken."

Dit gebeurde echter niet. Al zwaaiend en bengelend zakte het touw,

dat eindelijk in de volle lengte afhing, en volgens onze berekening

zeker wel tot den grond moest reiken.

"Dat zullen we ten minste maar hopen," zei Stenford. "We zullen het

gauw genoeg ondervinden."

"Het touw leek me verschrikkelijk lang," zei ik; "misschien sleept

het wel op den grond."

Ik trok het nu recht van het rad naar het raam.

"Hoe voelt het?" vroeg Stenford.

"Stevig als een muur," antwoordde ik. "Geen verwikken of verwegen aan."

"H'm," zei Stenford, die voor het raam stond en naar beneden keek. "Het

lijkt me een heele reis."

Burns lachte, doch scheen zich nu minder op zijn gemak te gevoelen

dan straks. "Het touw zwaait wel erg," merkte hij op.

"Als je eraan hangt zal het wel niet meer zwaaien," antwoordde ik. Ik

had het plan gemaakt en kon nu niet velen dat telkens bezwaren werden

geopperd.

"Ik voor mij zou graag zien dat een flinke kerel het beneden strak

hield," zei Stenford. "Dus--ik moet het eerst gaan?"

Zonder antwoord af te wachten klauterde hij op de vensterbank; hier

keerde hij zich om en greep het touw met beide handen vast, terwijl

hij het ook zooveel mogelijk tusschen de knieën hield.

"Niet naar beneden kijken," riep ik, toen ik zag dat hij het hoofd

wilde omdraaien. "Blijf maar naar boven zien en houd je handen

goed vast!"

Op dit oogenblik dacht ik aan Bob die den avonturier zeer zeker

moed zou hebben ingesproken. Burns en ik hielden het touw zoo strak

mogelijk en een weinig in de hoogte, omdat ik bang was dat het zou

slijten als het te veel tegen de vensterlijst schuurde, want het hout

was ruw en scherp.

"Nou, ik ga er vandoor," zei Stenford met een eigenaardigen klank in

zijn stem, terwijl hij zich langzaam van de vensterbank liet glijden.

HOOFDSTUK XVIII.

WAT IK VERNAM.

Door het gewicht van zijn lichaam werden we in een oogwenk naar het

raam meegetrokken. Ik kon het rad achter ons hooren kraken onder de

strakke spanning van het touw; even was ik bang dat de klok nu toch

zou gaan luiden, doch daarvoor was de richting te zijdelingsch.

"Als een st-steen d-die naar beneden rolt!" riep Burns uit.

Toen ik mijn hoofd over de vensterbank boog had Stenford den

vooruitstekenden rand bereikt bij de verdieping van de klokkekamer; een

oogenblik liet hij de voeten hierop rusten, maar het touw slingerde

als een wijzer heen en weer en bijna onmiddellijk werd de tocht

voortgezet. Even later, naar het ons toescheen, voelden we het touw

weer slap hangen.

"Ben je beneden?" riep ik.

"Ja," antwoordde hij, "maar laat Burns niet komen voordat ik het

zeg. Als ie kan moet ie zijn beenen om het touw zien te kronkelen."

Zijn stem drong ternauwernood tot ons door. Ik begreep dat het toch

niet zoo gemakkelijk was om langs dat touw naar beneden te glijden. Een

rilling voer door me heen bij de gedachte dat hij het touw zou hebben

kunnen loslaten en te pletter zijn gevallen; dan zou ik zijn dood op

mijn geweten hebben gehad. Zelf had ik het eerst moeten gaan om den

sleutel ergens vandaan te halen; dan had ik de deur voor de anderen

kunnen open sluiten, al zouden we dan ook zijn gesnapt.

"Het is te gewaagd, Burns," zei ik. "Ga niet."

Burns scheen echter vast besloten het wel te wagen. Hijgend en blazend

zat hij op de vensterbank te wachten tot Stenford het sein zou geven.

Het touw werd nu plotseling strak gespannen doordat er van beneden

aan werd getrokken. We zagen in de diepte een donkere stip, de pet

van Stenford.

"Vooruit maar!" riep hij, en als een aal gleed Burns omlaag. Een

oogenblik dacht ik dat zijn plompe lichaam tegen den vooruitstekenden

rand zou aanbonsen, maar neen--hij ging er langs en even later voelde

ik wederom het touw slap hangen.

"Wacht nog even!" riep Stenford opnieuw. "Ja, zoo; kom maar!"

Ik kroop nu op de vensterbank en begon te dalen. Eerst dacht ik dat

het touw in brand zou vliegen, zoo gloeiend voelde het aan toen ik

er langs gleed, maar als ik het een sekonde los liet, dan zou ik

te pletter vallen. Ik was me nog bewust dat ik den vooruitstekenden

rand had bereikt; ik hoopte nu weldra vasten grond onder de voeten

te gevoelen, maar nog altijd had ik dat gloeiende touw in de handen;

eindelijk voelde ik iets zachts en stevigs onder me en kwam ik tot

het besef dat ik op mijn rug lag op een grasperk van het kerkhof.

"Je hebt het er goed afgebracht," zei Stenford. "Eerst is het een

beetje een raar gevoel, hè?"

"Mijn handen doen zoo zeer," antwoordde ik. "Ze bloeden," riep ik uit,

toen ik ernaar keek omdat ze ineens zoo nat aanvoelden.

"Dat is met Burns en mij ook het geval," zei Stenford. "Dat was nog

's wrijving. Maar we zijn beneden; dat is het voornaamste."

"Ja, w-we zijn b-beneden," beaamde Burns.

"Maar we zijn nog niet thuis," merkte ik op.

Een oogenblik gingen we naast elkaar zitten in het koele gras om te

beraadslagen, terwijl we onze verwonde handen met zakdoeken afveegden.

"Ik heb er genoeg van om langs touwen naar beneden te glijden," zei

Stenford. "Bij jullie hing het ten minste strak, maar ik bengelde

en bengelde als--ja, ik weet niet als wat. Maar ik ben dood op en ik

rammel van den honger."

"En we weten niet den weg naar huis," zei ik.

"En d-dien k-kunnen we n-niet vragen," viel Burns in.

"Ik w-weet wat," zei Stenford met een geeuw. "We zullen naar de

zee trekken."

"W-wou je niet t-terug?" vroeg Burns op een toon van angstige

verbazing.

"Jawel; ik ben niet van plan om als een zeeman het ruime sop te

kiezen, ten minste niet zoo gauw na die touwgeschiedenis. Aan boord

ben je immers den heelen dag met touwen en kabels bezig, is het niet,

Ellinghem?"

"Kom, zeur nou niet langer," antwoordde ik; "laten we liever 's

beraadslagen hoe we het gauwst naar huis komen."

"We weten van hier af niet aan welken kant de zee ligt. Daarom moeten

we om dit lamme dorp heentrekken en dan zullen we de zee zien. Vanaf de

klippen worden we natuurlijk dadelijk de lichten van St. Martin gewaar

en den vuurtoren in de eerste plaats. Dat zullen we dus maar doen, hè?"

"We zullen niet voor middernacht thuis komen," merkte ik op met

een zucht.

"Daarom moeten we ons op weg begeven, hoe eer hoe beter," antwoordde

Stenford. "Vooruit, Burns, als je langer blijft zitten, dan verander

je zelf nog in een struik, kerel."

We slopen behoedzaam over het gras en tusschen de zerken door die in

het schemerdonker ons spookachtige gestalten toeschenen; we liepen

daarna langs den muur en kwamen in een laan terecht en toen op een

straatweg en toen weer in een laan, en eindelijk hadden we de zee

bereikt en zagen we de lichten van St. Martin flikkeren in de verte.

Het was een geducht eind dat we moesten afleggen en toen we de school

waren genaderd staken we loom en vermoeid het vierkante plein over

zonder een woord tegen elkaar te zeggen.

We bleven nu stilstaan.

"We moeten niet tegelijk naar binnen," ried Stenford aan. "Het kan

zijn dat we niet zijn gesnapt bij het afroepen van de namen."

"Dat kan je begrijpen," zei Burns. "Ga jij maar voorop, dan kom ik

achter je aan."

"Net als straks!" zei ik. "Dan ben ik nummer drie."

"Praat me niet meer van dat touw," zei Stenford; "mijn handen doen

nog zoo'n pijn. Het is het best dat je twee minuten wacht, Burns;

nou ik ga!" In een wip was hij verdwenen om den hoek van het gebouw.

"Ga jij nu," zei ik, toen de twee minuten, volgens mijn berekening

waren verstreken, waarop Burns verdween; ik bleef alleen achter.

Ik gevoelde me zoo dood-vermoeid na ons avontuur en het leek me

zoo ondenkbaar dat de afwezigheid van drie jongens niet zou zijn

bemerkt, dat ik zeer zeker regelrecht naar binnen zou zijn getrokken

als Stenford en Burns er niet op hadden aangedrongen om een voor een

binnen te sluipen. Door mijn roekeloosheid wilde ik niet de kans voor

hen bederven om niet te worden gesnapt. Ik leunde tegen den muur bij

de hoofddeur om een weinig uit te rusten, en het scheelde weinig of

ik was van vermoeidheid in slaap gevallen.

Plotseling werd ik klaar wakker, want ik vernam het geluid van

voetstappen en stemmen in dat gedeelte van het gebouw dat zich vlak

boven mijn hoofd bevond. Ik wist dat daar een gang liep, waarvan het

raam nu open stond. Die gang was spaarzaam verlicht, daar ze op dit

late uur zoo goed als verlaten lag. Na zes uur 's avonds kwam eigenlijk

niemand meer in dit gedeelte van het gebouw. De voetstappen klonken

luider. "Zeker een paar van de groote jongens," zei ik bij mezelf,

want ik kon hooren dat ze lange stappen namen. Toen herkende ik de

stemmen, en het leek me een raadsel dat die twee met elkaar liepen

op dit ongewone uur.

De stem van Bob had ik onmiddellijk herkend. Het was wel vreemd dat hij

zich op dezen tijd op zulk een afstand bevond van zijn studeerkamer,

maar nog vreemder was het dat ik aan die andere stem Brunton herkende,

en het vreemdst van alles was dat ik mijn naam hoorde noemen toen ze

kwamen aanzetten.

Ik had hun gesprek natuurlijk niet mogen afluisteren; ik weet dat ik

verkeerd deed, maar alles gebeurde zoo onverwacht, dat ik al het een

en ander had opgevangen voordat ik mijzelf rekenschap had gegeven

van hetgeen ik had gedaan; op dat oogenblik ging bovendien de deur

open en verscheen de portier om eens een luchtje te scheppen. Ik zag

zijn forsch gebouwd lichaam zich afteekenen tegen het licht dat nu

naar buiten straalde, en als ik maar even had bewogen, dan zou hij

me zeker hebben gesnapt.

"En als ik het je nu eens vroeg als een gunst?" zei Bob, die nu met

Brunton vlak bij het raam moest staan, want elk woord kan ik opvangen.

Ik kon mijn ooren niet gelooven: Bob die om een gunst vroeg aan

Brunton!

"En wat dan?" zei Brunton met zijn zware stem die zoo onaangenaam

klonk.

"Maar wat heb je eraan om het hem te vertellen," zei Bob; uit zijn

toon meende ik op te maken dat het hem geweldig hinderde dat hij op

die manier met dien ellendeling moest praten.

"Dat doet er niet toe," zei Brunton.

"Ik vraag je alleen of je de zaak op die manier wilt beschouwen,"

hernam Bob die hem blijkbaar tot iets wilde overhalen.

"Waarom zou ik dat doen?" vroeg Brunton.

"Als je het hem vertelt, dan doe je hiermee een hoop kwaad," hernam

Bob. "Hij vermoedt nu nog niets."

"Weet je dat zeker?" vroeg Brunton.

"Ja. Als je het hem vertelt, dan is er niets meer aan te doen. Dan

kan je je woorden niet herroepen."

"Nee, dat begrijp ik," zei Brunton. "Zoo'n uil ben ik ook niet."

"Dat weet ik," hernam Bob met een lichte beving in zijn stem, waardoor

ik begreep dat hij driftig werd. Hoe hij zich zoo lang had kunnen

goed houden (want Bob was driftig uitgevallen), terwijl Brunton op

zoo onbeschaamden toon tot hem sprak, dat leek me een raadsel, te

meer daar hij zoo'n hekel had aan dien akeligen jongen.

Een tijd lang zwegen beiden; toen deed Brunton of hij een geeuw moest

onderdrukken. "Heb je nog wat te zeggen?" vroeg hij.

Ik hoorde Bob even kuchen. "Luister 's, Brunton," zei hij toen;

"ik weet dat onze omgang niet al te vriendschappelijk is geweest...."

"Nee, dat is zoo," beaamde Brunton met een hoonlach.

"Als we voortaan hierin eens verandering brachten," hernam Bob;

"het spijt me als ik je op de een of andere manier heb beleedigd,

maar laten we het verleden laten rusten. Je weet nu wat ik van je

weet. Als je belooft dat nooit meer te doen dan kunnen we goede

kameraden worden, en dan beloof ik je op mijn woord dat ik er tegen

niemand ooit over zal reppen."

Brunton mompelde wat.

"Dus het is een koop dien we sluiten?" hield Bob aan. "Ik heb nu met je

willen bijleggen maar ik wil niet dat Ellinghem hier iets van hoort."

"Dat blijkt," zei Brunton.

"Als jij belooft dat je het hem niet zult vertellen, dan beloof ik

jou dat ik over die bewuste zaak zal zwijgen."

"Ik pas voor zoo'n belofte," riep Brunton nijdig. "Ik dank je

stichtelijk voor zoo'n ruil."

"Heel goed," zei Bob met een zucht, "als je het op die manier opneemt,

dan kan ik er niets aan doen. Ik heb nu al het mogelijke beproefd."

"Dat heb je niet," snauwde Brunton hem toe.

Wederom een stilte.

"Wou je soms zeggen," hernam Bob op aarzelenden toon, "dat ik je zou

kunnen afkoopen met geld?"

"Natuurlijk, dat spreekt," zei Brunton die een onaangenamen lach

uitstiet.

"Heb je geldgebrek?"

"Wat een vraag! Wie heeft nou ooit geld genoeg!"

"Ben je met tien of twaalf gulden tevreden?"

Ik had hooren zeggen dat Bob heel rijk was, maar toch schrok ik ervan

toen ik hem zoo'n som hoorde noemen alsof het maar een kleinigheid was.

"Jawel, geef op," antwoordde Brunton nijdig.

"Dus het is een koop dien we sluiten en die Ellinghem betreft,"

hernam Bob.

"Twaalf gulden?" vroeg Brunton.

"Ja."

"Maak er vijftien van."

"Zooveel kan ik niet missen," antwoordde Bob; "me dunkt dat twaalf

gulden mooi genoeg is!"

"Nou, vooruit dan," zei Brunton.

"Dus de koop is gesloten?"

"Ja," snauwde Brunton.

"Ga mee naar mijn kamer," zei Bob, waarop het geluid van de voetstappen

langzamerhand vervaagde.

HOOFDSTUK XIX.

ZWEMMEN EN DUIKEN.

Daar de portier een tijd lang naar den hemel en de sterren stond te

kijken kon ik niet van den muur vandaan. Het avontuur van dien middag

was ik al bijna vergeten door hetgeen ik zoo even had vernomen.

Wat kon dit beduiden? Wat beteekende dit? Ik wist hoe trotsch Bob was,

en nu stond die gunsten te vragen aan een jongen als Brunton met wien

hij koopjes afsloot en dien hij iets beloofde in ruil voor een andere

belofte! Wat kon dat zijn?

Ik dacht aan hetgeen in de gymnastiekzaal was gebeurd. Het was toen

heel duidelijk dat Brunton bang was voor Bob. Het liefst zou hij op

Bob zijn aangevlogen om hem af te ranselen, doch blijkbaar had hij

dit niet gedurfd. Nu scheen hij echter niet meer bang te zijn voor

Bob. Was Bob eigenlijk niet bang voor hem?

Wat of hiervan de reden was? Brunton scheen het een of ander te

weten, waarvan Bob mij met alle geweld onkundig wilde houden. Dit

was een geheim, zóó belangrijk, dat Bob om het te kunnen bewaren aan

het sjacheren was gegaan met een ellendeling als Brunton, voor wien

hij zich had vernederd en geld had aangeboden, als ik er maar buiten

zou blijven.

Het zonderlinge geval nam al mijn aandacht in beslag, zoodat ik als in

een droom het schoolgebouw binnen ging toen de portier was verdwenen;

het liet me dan ook heelemaal onverschillig toen ik voor Kijkers werd

gebracht omdat ik niet op tijd was thuisgekomen.

Even later trok ik naar de kamer van Norman om hem een boek te brengen

waarom hij had gevraagd. Hier trof ik Bob aan.

"Hem vertrouwen?" hoorde ik Norman zeggen toen ik binnen kwam. "De

vent bezit geen greintje eergevoel."

"Ik ben een idioot geweest," zei Bob met een zucht.

Ik begreep dat Bob aan Norman had gevraagd of die dacht dat Brunton

zijn woord zou houden en dat Norman die vraag beslist ontkennend

had geantwoord.

Bob en ik trokken weg; hij nam me nu mee naar zijn eigen kamer.

"Wat heb je al dien tijd uitgevoerd?" vroeg hij op een toon die hij

zoo luchtig mogelijk deed klinken. "Vertel maar op, heerschap."

Ik bracht hem op de hoogte van hetgeen dien middag was gebeurd.

"En dat noemen jullie verkennen?" vroeg hij lachend. "Ik zal je

binnenkort 's meenemen om je te laten zien wat verkennen is."

"De andere schijnen Sjarp te hebben gesnapt," merkte ik op.

"Ja, en die zijn uren geleden al thuisgekomen. Maar jongen, wat zien

je handen er uit."

"Heb jij je wel eens langs een touw naar beneden laten glijden?" vroeg

ik.

"Meer dan eens," antwoordde hij lachend, "maar ik denk dat ik wat

langzamer ben gedaald. Als jullie het weer 's doet, zet er dan niet

zoo'n vaart achter. Maar hoor 's Martin, met je verkennen en torens

en klokketouwen, moet ik toch zeggen dat je heel aardig begint voor

een nieuweling."

Ik voelde dat hij me nog iets anders wilde zeggen; toen ik hem goeden

nacht wenschte, kwam het er eindelijk uit.

"Wacht nog even, Martin," begon hij aarzelend; "je kent Brunton?"

Ik knikte van ja.

"Ik wou je voor iets waarschuwen, zie je."

"En dat is?"

"Misschien is het onnoodig, maar het zou kunnen zijn dat..."

"Ja?"

"Dat Brunton je iets zou vertellen," ging hij langzaam voort; "iets

dat op jou betrekking heeft--of--of--op mij..."

"Ja?" zei ik wederom, omdat zijn woorden er met zulke lange

tusschenpoozen uitkwamen.

"Beloof me dan dat je hem niet zult gelooven."

"In geen geval, bedoel je?"

"Ja," antwoordde hij, terwijl hij even een korten lach uitstiet. "Dat

is het beste. Geloof geen woord van wat hij vertelt."

"Maar waarom zou hij..." begon ik.

"'t Is ook niet zeker dat hij het zal doen," viel Bob me in de rede;

"maar hij kon je iets vertellen dat betrekking heeft op jou--of op

mij--en," voegde hij er bij, terwijl hij nu op elk woord nadruk legde:

"geloof dan niet wat hij zegt."

"Ik zal er aan denken," zei ik.

"En houd mij op de hoogte," hernam hij gejaagd. "Ik wil weten of hij

het doet of niet, begrijp je? Die Brunton is een gluiperd."

Ik knikte bij wijze van toestemming.

"Hij zal uit je buurt blijven en mag geen woord tegen je kikken," zei

Bob. "Laten we er nu maar niet meer over praten. Ik zal den portier

wat van dat goedje gaan vragen om je handen mee in te smeren; anders

zullen ze morgen geducht pijn doen."

"Ze doen me al pijn," mompelde ik, en zonder eigenlijk te weten waarom

verliet ik de kamer in een neerslachtige stemming.

Bij de trap liep ik tegen Burns aan.

"Heb j-je al g-gehoord van den n-nieuwen pr-prefekt?" vroeg hij.

"Nee," antwoordde ik tamelijk onverschillig. "Wie is het?"

"B-Bob K-Kitsjin," hernam hij; "'k b-ben er w-wat b-blij om, w-want

hij is een k-kraan!"

En Bob was blijkbaar zoo vol van die Brunton-geschiedenis dat hij me

dit gewichtige nieuws niet eens had medegedeeld!

Op een van de dagen die nu volgden had ik een avontuur bij het baden,

dat een eind had kunnen maken aan mijn loopbaan op St. Martin.

"Ga je mee naar het bassin?" vroeg Stenford op den Maandagmiddag die

volgde op onzen verkenningstocht.

"Ja," antwoordde ik.

"Een massa lui gaan mee," hernam hij. "En Kien is vandaag warempel ook

van de partij, omdat hij een wetenschappelijk onderzoek wil instellen

zooals hij beweert."

"En B-Burns g-gaat ook mee," verklaarde dit heerschap dat zich in

het gesprek mengde.

"Het zeewater zal goed zijn voor onze handen," hernam Stenford. "Zijn

de jouwe weer in orde?"

"Nee," antwoordde ik; "ik kan nog haast geen pen vasthouden en ik

schrijf zoo slecht dat ik vanmorgen een geduchten uitbrander van

Wilson heb gekregen."

"Wilson houdt van uitbranders," merkte Stenford wijsgeerig op. "Dat

moet je je niet te veel aantrekken. Als ie je maar geen strafwerk

geeft, want daar heeft ie ook een handje van," voegde hij er bij.

Bij het zwem-bassin stonden al verscheidene jongens met Kijkers en

nog eenige leeraren om toezicht te houden. Het waren meest jongens

van mijn leeftijd; een paar van de ouderen waren er bij, o. a. Jim

Juniper en Bob. Bob scheen verbazend bemind; al de jongens, die ik

kende vonden het heerlijk dat hij tot prefekt was benoemd.

"'k Dacht eigenlijk dat hij het pas na de volgende vacantie zou

worden," zei Stenford, "maar Kolman scheen hem er nu al bij te willen

hebben. Groot gelijk trouwens, want Kitsjin is een kraan. Prachtig

zooals de man voetbal speelt. En heb je hem wel 's zien schieten?"

"Toe maak voort!" riep Kien. "Doe je spullen af; dan gaan we erin. Ik

geloof dat er een atmosferische druk is in het bassin onder de rots;

ik wou dat 's nagaan."

"Duik dan net zoo lang totdat je er achter bent," zei Stenford, "als je

dan weer levend komt opdagen, dan mag je er ons alles van vertellen."

Kien begaf zich naar de bewuste plek waar hij zijn wetenschappelijk

onderzoek zou gaan instellen.

Het bassin was een ideale zwemplaats; helder wit zand lag op den

oever, en lage steenen en rotsblokken dienden om op te gaan zitten

en als bewaarplaats voor kleeren en handdoeken, terwijl een gedeelte

een uitstekende gelegenheid bood om te duiken.

Dit bassin heette de Paardekom--waaraan het dien naam had te danken

zou ik niet kunnen zeggen--het lag ingesloten tusschen twee rotsen

en was met helder water gevuld. Het had een diepte van drie tot tien

of twaalf voet, daar de bodem afliep, zoodat men erin kon baden en

duiken op verschillende plaatsen. De eigenaardigheid was echter dat het

water bij het diepste gedeelte onder de klip doorliep naar de grot,

zoodat een goed zwemmer, die een beetje onder water kon zwemmen,

door een soort van tunnel die grot kon bereiken, en vandaar kon hij

weer in het volgende bassin komen.

Kien en Stenford hadden me dit allemaal onderweg verteld, toen we

ons naar de zwemplaats begaven.

"Kostelijke plek om te duiken," zei Stenford, die nu aan een knoop

van zijn laarzen zat te morrelen.

"Ja, dat zie ik," zei ik.

Ik kon maar weinig zwemmen en van duiken kon ik niets, Bob had me

in de vacantie een paar zwemlessen gegeven; voor dien tijd had ik er

nooit iets aan gedaan. Dit wilde ik echter niet bekennen aan Stenford

dien ik een benijdenden blik toewierp, toen hij een aanloop nam en

met een prachtige duikeling in het water plonsde.

Bravo, Bob! De padvinder uit Canada · 第 8 / 15 段