was dat hij naar boven zou moeten. "Van hier af k-kunnen we t-toch
ook een m-massa zien."
"Nee, dat kunnen we niet," riep Stenford kwaad. "Vooruit, Ellinghem,
samen kunnen we het best. De ladder is steviger dan je denkt. Jij
laat me toch niet in den steek wel?"
"Nee, ik denk er niet aan," antwoordde ik om me groot te houden.
Behoedzaam klauterde ik naar boven langs de ladder die vervaarlijk
begon te kraken. Toen ik halverweg was hoorde ik plotseling het lawaai
en gegons van een reusachtig raderwerk; de heele omgeving dreunde en
schudde als bij een aardbeving. Ik bleef roerloos staan en hield me
krampachtig aan de ladder vast om niet naar beneden te tuimelen.
Toen begon de klok de kwartieren te slaan, wat een oorverdoovend
lawaai maakte. Stenford riep me iets toe, maar ik kon er geen woord
van verstaan. Zelfs toen de aardbeving had opgehouden zoemde en gonsde
het nog zoo om ons heen dat ik half suf was in mijn hoofd toen ik
verder naar boven klauterde.
"Wat een herrie, hè," zei Stenford toen ik eindelijk naast hem
stond. "Veel plaats hebben we niet met z'n beiden."
Hierin had hij gelijk, maar om het luik open te kunnen krijgen moesten
we wel naast elkaar op de ladder staan.
"Ik heb een gevoel dat de ladder achterover zal vallen als we heel
hard duwen," zei ik met bevende stem. "Van boven zit ze niet vast,
is het wel?"
"Nee, jammer genoeg," zei Stenford, "maar als de ladder even zou
wippen, dan geloof ik dat ze toch weer terug zou vallen tegen den
muur."
Ik hoopte dat dit het geval zou zijn, doch ik betwijfelde sterk of
Stenford in dit opzicht gelijk had.
"Vooruit," riep Stenford; "één hand aan de ladder en de andere tegen
het luik. Juist. Wacht tot ik tot drie tel, en dan duw je uit alle
macht."
"Best," zei ik.
"Klaar? Een, twee, drie."
Het luik vloog omhoog, doch niet verder dan ongeveer tien
centimeter. We zagen een helle lichtstraal; een windvlaag streek
tegen ons aan; toen plofte het luik weer dicht met een geweldigen smak.
Ik had de ladder onder ons voelen bewegen, en het kwam me voor dat
ze iets was verschoven. Ik maakte Stenford hierop opmerkzaam.
"Burns," riep Stenford op bevelenden toon, terwijl hij een blik wierp
in de diepte waar Burns tusschen de klokken en touwen stond en angstige
blikken wierp in de hoogte. "Jij moet op de onderste sport gaan staan;
hang erop met je heele gewicht."
"D-die s-slag w-was zoo hard d-dat alles d-dreunde," zei Burns met
trillende stem; hij riep dit op zulk een schrillen toon dat het me
toescheen of de klokken wederom begonnen te gonzen en zoemen.
Stenford wachtte tot de dikke Burns op de onderste sport had plaats
genomen. "Vooruit, Ellinghem," zei hij toen, "we zullen het nog 's
probeeren. Als het luik iets naar boven gaat, dan stap je een sport
hooger; pas op dat het niet weer neerploft zooals straks."
Toen hij wederom tot drie had geteld begon het duwen opnieuw. Het
luik ging de hoogte in.
"Houd vol," riep Stenford hijgend.
Ik had een gevoel dat een vijand het luik uit alle macht naar beneden
duwde, terwijl wij onze uiterste krachten inspanden om het naar boven
te krijgen. Eindelijk hadden we het luik zóó ver open dat we het op
zij van ons hadden, en een oogenblik later schoot het omhoog met een
vaart, waarop wij hijgend en blazend maar zegevierend door de opening
kropen op het platte dak.
HOOFDSTUK XVI.
DE TOREN.
We wierpen haastig een blik om ons heen en toen doken onze hoofden
gelijktijdig naar het gat om Burns toe te roepen dat hij bij ons
moest komen. Van onzen vriend werden we niets gewaar dan het roode
hoofd dat naar ons werd opgeheven.
"Burns, 't is hier dol leuk," riep Stenford; "kom dan toch, jongen!"
"Heusch?" vroeg Burns aarzelend. "Maar kan de l-ladder m-me w-wel
houden?"
"Gerust; zeker wel vijftig van jouw soort kunnen er bij!" riep
Stenford terug.
"Houd z-ze d-dan bovenaan beet," zei Burns.
Weldra zagen we zijn vollemaansgezicht in onze nabijheid; Stenford
en ik grepen hem ieder bij een arm en trokken hem door het open luik.
"Allemenschen," riep Stenford hijgend; "als je nog een paar centimeter
grooter omvang hadt, dan zouden we het 'm niet kunnen leveren."
Nu hij die paar centimeter er nog niet bij had, slaagden we erin om
hem naar boven te hijschen; een stuk of wat knoopen bleven in den
strijd; verder kreeg hij echter geen ongeval.
"We moeten niet heelemaal recht staan," riep Stenford, "want we mogen
niet worden gezien."
Om den vierkanten toren was een hooge flinke borstwering in het rond
aangebracht, zoodat we ons "uitstekend verdekt" konden opstellen,
zooals Stenford het uitdrukte. We gingen op onze hurken zitten ieder
voor een verschillend kijkgat en tuurden in de diepte.
"Laat dien rooden bol van jou niet boven de borstwering uitpiepen,"
zei Stenford, "want anders zouden de menschen nog denken dat de kerk
in brand stond. Zeg, vinden jullie het hier niet moppig?"
"Moppig en winderig," antwoordde ik. "Zorg maar dat je pet op het
hoofd blijft staan."
"Wat kan je hier een massa zien," hernam Stenford. "Maar kijk nu uit
naar Sjarp!"
Het was goed dat hij ons hieraan herinnerde, want aan Sjarp en zijn
briefkaarten hadden we eigenlijk niet meer gedacht; we zagen nu
oplettend alle richtingen uit, overtuigd dat we hem moesten ontdekken
als hij zich hier in den omtrek bevond.
Stenford hield den kijker voortdurend voor de oogen.
"Zie je 'm?" vroegen we telkens.
"Nee, nog niet," antwoordde hij dan, terwijl hij den kijker wederom
naar een anderen kant richtte.
"Van zoo'n hoogte zou hij zeker niet grooter dan een vlieg lijken,"
merkte ik op. "Kijk maar 's naar dien man die nu door de dorpsstraat
loopt."
"M-moest hij hier d-die briefkaart op de bus d-doen?" vroeg Burns
plotseling.
"Weet niet," antwoordde Stenford die nog altijd den kijker voor de
oogen hield.
"O, ik dacht dat je zeker wist dat dit het dorp was," zei ik.
"Er is daar ook een dorp, en iets verder is er ook een, en daar zie
ik ook een kerktoren," antwoordde Stenford. "Kijk zelf maar 's!"
Burns en ik hielden het ding beurtelings voor de oogen en moesten
bekennen dat van Sjarp geen spoor was te zien.
"Maar waar zijn we toch eigenlijk?" vroeg ik.
Burns bleek toch een kaart bij zich te hebben; we spreidden die plat
uit op het dak en begonnen ze te bestudeeren.
"Je braadpan," beval Stenford, waarop Burns het kompas te voorschijn
haalde; na het flink te hebben heen en weer geschud lei hij het ding
op de kaart.
"Ik denk dat we hier zijn," zei Stenford die een punt met den vinger
aanwees. "Hier ligt een dorp en hier staat een kruis, waarmee ze de
plaats aangeven van een kerk."
"En de zee dan?" vroeg ik. "Die is toch aan dien kant." Ik lichtte
het hoofd op en tuurde door het kijkgat. "Vanhier kan ik de zee
duidelijk onderscheiden, maar volgens de kaart ligt ze juist aan den
anderen kant."
"En d-dit dorp l-ligt wel t-tien kilometer v-van St. Martin af,"
merkte Burns op; "we z-zullen n-nooit op t-tijd thuis z-zijn."
"'t Is te hopen van wel," mompelde Stenford.
We begonnen nu allerlei dorpen aan te wijzen, waar we ons konden
bevinden volgens onze berekening; alleen die te ver waren afgelegen
kwamen niet in aanmerking.
Eigenlijk vond ik dit zoeken in den blinde een rare manier.
"En als we te ver zijn gegaan en niet op tijd thuis komen wat
dan?" vroeg ik.
"Geen sprake van!" riep Stenford. "We zijn pas op weg. Trouwens hebben
we op Zaterdag extra verlof."
"K-Kijkers heeft gezegd dat we dit n-niet meer z-zouden, krijgen,"
merkte Burns op.
"Kijkers is niet wijs!" zei Stenford, die de zaak hiermede als
afgedaan beschouwde.
"Gek dat we geen van de anderen hebben gezien," merkte ik op; "die
zijn zeker allemaal den anderen kant uit."
"Of we ze zien of niet zien, ik vind het hier wat leuk," verklaarde
Stenford.
We stemden hiermede in. Ons geweten stelden we gerust door nu en
dan een blik te werpen door de kijkgaten van de borstwering in de
hoop den onzichtbaren Sjarp in het oog te krijgen, doch het grootste
gedeelte van den tijd brachten we door met lui uitgestrekt te liggen
op het zinken dak dat door de namiddagzon werd bestraald en warm
werd gestoofd.
"Jammer dat Kien er niet bij is," zei ik, daar ik medelijden gevoelde
met den armen stakker die met dat heerlijke weer aan zijn strafwerk
zat te pennen.
"Wees maar blij dat ie niet hier is," antwoordde Stenford slaperig. "De
vent zou anders zeker de wetten van de zwaartekracht op je willen
beproeven en je over den rand van den toren gooien om te zien hoe
lang het duurt voor je op den grond bent beland; misschien zou onze
goede dikke Burns er ook aan moeten gelooven omdat hij het hoogst
belangrijk zou vinden om de vermeerdering van snelheid te bepalen
tusschen de eerste en de tweede sekonde van den val."
"B-best mogelijk," zei Burns lachend; de gedachte alleen maakte hem
wat huiverig en daarom schoof hij wat meer naar het midden toe.
"In een paar sekonden zijn we weer beneden," merkte Stenford op.
"Ja," zei ik, terwijl ik wederom den kijker nam, in de hoop Sjarp
ditmaal gewaar te worden.
"Zie je hem?" vroeg Stenford onverschillig.
"Nee," antwoordde ik; "'k zie niets en het dorp ligt als verlaten. Een
stuk of wat kippen die buiten loopen; dat is alles.
"Ze schijnen het zich in deze streek niet druk te maken!" merkte
Stenford op, die zich in een gemakkelijke houding uitstrekte. "Hebben
jullie ook zoo'n trek in chocola?"
"Of wat het maar is," zei Burns. "Ik k-krijg z-zoo'n honger."
"De zon gaat onder," merkte ik op. Ik begreep dat het niet vroeg meer
kon zijn. Wij hadden geen van drieën een horloge meer bij ons; wel
hadden we naar het slaan van de klok gehoord, doch het was eigenlijk
niet tot ons doorgedrongen welk uur ze aangaf. In mijn gevoel lagen
we al een heelen tijd op het dak. Stenford was ingeslapen. De zon was
nu heelemaal onder en het begon harder te waaien, zoodat we het koud
kregen. De klok liet drie slagen hooren.
"Kwartier voor vijf," zei Stenford die zich nu half oprichtte en
geeuwde. "Hoe zouden jullie het vinden als we over een kwartier
opstapten?"
"Best," zei ik. "Zouden we Sjarp nog te zien krijgen?"
"Geen denken aan," antwoordde hij. "'t Is mogelijk dat we 'm snappen
voordat ie thuis komt. We zullen naar hem blijven uitkijken. 't Zou
wel leuk zijn als het nog lukte."
Burns en ik waren dit met hem eens. De duisternis begon te vallen.
"Niemand zal ons nu toch in de gaten krijgen," zei ik, terwijl ik
opstond en heen en weer ging loopen langs de borstwering. Burns stak
de braadpan in den zak en vouwde zijn kaart op.
"Weet je den kortsten weg naar huis?" vroeg ik.
Stenford stiet een brommend geluid uit wat zooveel als "ja" moest
beteekenen. Hij moest zijn best doen om zijn geeuwen in te houden. "Ik
geloof dat het nu tijd is om te gaan," zei hij. "Wat was het hier leuk,
hè! Vooruit, jongelui, nu naar beneden. Wie het eerst?"
"Ik," riep Burns, die onmiddellijk de beenen door het luik stak.
"Laat je handen niet los, voor je de voeten op een sport hebt,"
riep ik hem toe.
"N-nee, z-zoo wijs ben ik!" antwoordde Burns hijgend die zich nu
krampachtig aan den rand vastgreep terwijl zijn lichaam langzamerhand
in de diepte verdween. Weldra zagen we niets meer van hem dan het roode
sproetige gezicht waarop nu een kalm-gelukkige uitdrukking verscheen.
"Ben je d'r?" vroeg ik.
"Ja," stiet hij hijgend uit, "maar het is l-lastig voor je d-die
eerste sport h-hebt. K-kom niet te gauw achter me aan!"
"Wees maar niet bang," stelde Stenford hem gerust. "O, daar slaat de
klok weer."
Langzaam werden de kwartieren aangegeven.
"De l-ladder t-trilt ervan," verklaarde Burns op angstigen toon. "Laten
we even wachten tot het uur is geslagen. Die groote klok maakt
zoo'n heisa."
Boem klonk het en we begonnen allen tegelijk de slagen te tellen:
Een--twee--drie--vier--vijf--we dachten dat het toen uit was, maar
de klok liet nog een slag hooren.
"Zes uur!" riep Stenford. "Het is een uur later dan ik dacht. Maar
die klok is misschien gek. Anders konden we er wel 's leelijk
tegen aanloopen!--Vooruit, Burns! Kerel, wat ben je toch langzaam
uitgevallen!"
Na dit verwijt was Burns in een oogwenk verdwenen. Stenford volgde
hem zoo gauw dat het wel leek of hij door den ander met een touw naar
omlaag werd getrokken. Ik hoorde hun laarzen op de sporten kletteren
en ik vernam den kreet dien Burns slaakte toen Stenford hem onder
aan de ladder had ingehaald en op hem had getrapt.
Een oogenblik later stond ik naast hen. Stenford ging ditmaal voorop
en daalde de tweede ladder af met de snelheid van een acrobaat. Burns
volgde blazend en hijgend.
"N-niet te gauw," riep hij me toe.
Toen ik de klokkekamer had bereikt zag ik in het schemerlicht nog
juist het hoofd van Stenford die de wenteltrap reeds afdaalde.
"Stenford, luister 's," riep ik.
"Wat is er?" vroeg hij wrevelig.
"We hebben het luik open gelaten."
"Wat zou dat?" riep hij. "Wat kan ons dat luik schelen!"
"Het zou toch misschien beter zijn geweest als..." begon ik.
"Zou je het alleen kunnen?"
"Misschien."
"Best; dan zullen wij beneden op je wachten," riep hij me toe.
Ik rende wederom de ladders op; twee gedachten joegen me angst
aan. Ten eerste was ik bang dat ik het luik niet in mijn eentje zou
kunnen sluiten, en dan, en dan, maar die gedachte was zoo vreeselijk
dat ik er niet bij durfde stilstaan.
Ik moest wederom op het dak klauteren en mijn krachten beproeven met
dat zware monster, dat me nu wederom een vijand toescheen die uit
alle macht weerstand bood. Na een gevecht van man tegen man kreeg
ik het recht overeind waarna ik eronder kroop en het toen langzaam
liet zakken.
Dit zakken ging echter plotseling met zoo'n vaart dat ik langs de
ladder werd geduwd en tusschen de klokketouwen terecht kwam voordat
ik eigenlijk wist wat er met me gebeurde. Het luik was met zoo'n
kracht op mijn hoofd terecht gekomen hoe ik ook had gedoken om den
slag te vermijden, dat ik een oogenblik als versuft was. Toen ik de
klokkekamer had bereikt, had ik een gevoel dat ik mijn heele leven
niets meer met luiken wilde te maken hebben.
Ik vond den weg in het donker naar de wenteltrap. Straks toen het
nog klaarlichten dag was, was het hier al donker genoeg, maar nu
heerschte volslagen duisternis in de kerk, die zich als een zwarte
ruimte voor me uitstrekte; ik gooide een schop om die een zinken emmer
omver wierp. De echo weergalmde nog door het gebouw toen ik tusschen
de kerkbanken sloop in de richting van de deur.
Ja, Stenford en Burns hadden woord gehouden en stonden op me te
wachten. Ik rende tegen hen aan in het donker.
"Zeg, hoe vindt je nu zoo iets?" zei Stenford fluisterend. "De deur
zit op slot."
Ik had hier een voorgevoel van gehad. Dat was de gedachte die me zulk
een angst had aangejaagd.
Stenford liet het voorkomen of hij het geval tamelijk luchtig opvatte,
doch het was duidelijk merkbaar dat hij er geducht mee in zat.
"Op slot?" vroeg ik.
"Ja; dat oude mensch is naar huis; we zitten nu gevangen." Ik ruggelde
natuurlijk aan de deur om me van de waarheid te overtuigen. Dat doet
iedereen die voor een deur komt te staan en als hem wordt verteld
dat die op slot zit.
"Laat dat maar gerust," zei Stenford wrevelig. "Denk je soms dat wij
er niet aan hebben staan morrelen?"
"Ja, w-wij hebben het z-zeker wel t-tienmaal geprobeerd," beaamde
Burns.
De deur zat op slot. Ik draaide aan de kruk en duwde en trok, doch
tevergeefs.
"Ben je nu overtuigd?" vroeg Stenford.
"Dan moeten we er op een andere manier zien uit te komen," antwoordde
ik.
"Hoe dan?"
"Door het raam."
"Kan niet. Kijk maar."
De vensters konden ons niet helpen. We liepen met ons drieën het
geheele gebouw door; we speurden in alle hoeken en gaten en probeerden
nog of twee andere deuren ook op slot zaten. De ramen waren smal en
voorzien van ijzeren traliewerk; van boven waren kleine openingen
aangebracht voor toevoer van versche lucht. De kleine zijdeuren
schenen nog vaster op slot te zitten dan de hoofddeur.
Toen we het vruchtelooze van onze pogingen inzagen, gingen we naast
elkaar in een bank zitten alsof we naar een preek gingen luisteren. Een
minuut of wat bleven we zwijgen.
"We zijn er bij," zei Stenford. "Wat zou er voor ons op zitten?"
Ik was nog te weinig op de hoogte van de toestanden op St. Martin om
deze vraag te kunnen beantwoorden.
"Van K-Kijkers z-zullen we w-wel op ons ge-gezicht k-krijgen,"
zei Burns.
"Maak je maar niet druk over Kijkers," zei Stenford ongeduldig. "Ik
wou dat ik den man weer zag. De vraag is alleen; hoe zullen we hier
vandaan komen?"
"Zou iemand de kerk binnen gaan om de kachel aan te maken of zoo iets,"
merkte ik op.
"Ze stoken nog niet," antwoordde Stenford; "voor morgenochtend zal
hier wel niemand verschijnen."
"Ik kan me niet begrijpen wanneer dat oude mensch is weggegaan,"
hernam ik, "we hadden haar toch vanaf den toren moeten zien."
"Het doet er weinig toe wanneer ze is weggegaan," antwoordde Stenford
op bitteren toon. "Ze is weg en daarmee uit. Ze ging er zeker vandoor
toen we met dat ongelukkige luik bezig waren. 'k Wed dat ze toen heel
kalm naar huis is getrokken om haar kopje thee te drinken; dat doen
die oude vrouwen altijd," voegde hij er nijdig bij, alsof het mensch
zich hoogst onbetamelijk tegenover ons had gedragen.
"'k Heb z-zelf z-zoo'n trek in thee," verklaarde Burns.
"Wat zullen we doen?" vroeg Stenford die opstond. "We kunnen onzen
tijd hier niet zitten te verleuteren."
"We moeten de menschen in het dorp waarschuwen," zei ik; "ten minste
als zij mogen weten dat we hier zijn."
"Dat mogen ze, als wij daardoor eruit kunnen komen."
"M-maar hoe?" vroeg Burns.
"We kunnen op den toren gaan staan schreeuwen," antwoordde ik.
"Vooruit dan," riep Stenford; "als we ons niet haasten, zijn de lui
misschien naar bed."
Wederom ging het naar boven langs de wenteltrap en door de klokkekamer
en langs de eerste ladder; in het donker leken de klokken nog
reusachtiger dan straks.
"Heb je het luik dicht gekregen?" vroeg Stenford.
"Ja; een lastig karweitje."
"Jammer," zei hij.
Ik was dit met hem eens, want ik voelde nog den slag op mijn hoofd.
We trokken opnieuw aan het werk en na eenigen tijd stonden we wederom
op het dak; we keken in de richting van het dorp waar de lichten hier
en daar werden ontstoken. Aan den hemel verschenen reeds sterren;
de wind die nu hevig kwam opsteken woei met rukken tegen ons aan.
HOOFDSTUK XVII.
HET KLOKKETOUW.
"Vooruit dan," riep Stenford, die zichzelf als koorleider had
opgeworpen; "als ik drie zeg, dan gil je het uit zoo hard als je kunt."
"Maar wat moeten we uitgillen?" vroeg Burns.
"Schreeuw maar wat je wilt. Roep hal-lo, dat is toch misschien
beter.--Klaar?"
Zesmaal schreeuwden we "hal-lo" en wachtten wat er zou gebeuren;
wederom zesmaal geschreeuw en wederom wachten en toen gilden we het
voor de derde maal zes keer achter elkaar uit.
"De wind waait den verkeerden kant uit," zei ik; "het geluid gaat
juist van het dorp af."
Toch gaven we het niet op. Ons "Hal-lo" weerklonk op alle mogelijke
hooge en lage tonen; het was of we koorzangers waren die zich met
woesten ijver op de zangstudie toelegden. Toen we schor waren tuurden
we met de grootste aandacht in de diepte om te zien of er ook iemand
met een licht kwam aanzetten uit de richting van het dorp. Doch wij
konden geen levend wezen gewaar worden.
"Ze h-hooren ons n-niet," zei Burns.
"Die lui zijn zeker allemaal doof," zei Stenford, die ongeduldig
met zijn voet stond te stampen; "en als ze ons hooren, dan denken ze
misschien dat een haan staat te kraaien of een ander onmogelijk dier."
Heel vleiend voor onze stemmen klonk dit niet, maar ik hield die
opmerking maar voor me.
"Hanen kraaien niet 's n-nachts," zei Burns.
"Och, zeur niet, kerel! 't Is best mogelijk dat ze ons dan houden
voor loeiende koeien of balkende ezels, of wat je maar wilt."
"Ik voor mij geloof dat ze niets hebben gehoord," zei ik toen we
een tijd lang hadden gezwegen. "Als we maar wat licht konden maken,"
voegde ik er bij.
"Die lui zijn zeker even blind als doof," mompelde Stenford; "maar
hoe zou je licht kunnen maken?"
"Dat weet ik niet," antwoordde ik. "Had ik maar de electrische lamp
van Bob," dacht ik bij mezelf.
"Het geeft geen steek of we hier al blijven staan," zei Stenford. "Toe,
ga mee."
Ik zorgde er nu wel voor om niet de achterhoede te vormen, want ik
gevoelde weinig lust om dat luik voor de tweede maal op mijn hoofd
te krijgen. Het zware ding kwam neer met een plof die den toren
deed dreunen.
"'k Ga niet meer op het dak," zei Stenford, toen hij en Burns zich
wederom bij mij hadden gevoegd, blazend en hijgend. "Ik dacht dat we
er allebei het hachje zouden inschieten toen dat luik met een smak
dicht viel. Voor m'n heele leven heb ik genoeg van zware luiken."
"Wat zullen we nu doen?" vroeg ik, toen we in de klokkekamer waren
beland.
"Vraag dat aan je grootje," zei Stenford. "We zullen hier vannacht
wel moeten blijven."
De klok begon wederom te slaan. "Zouden we d-dat ding niet kunnen
laten stilhouden?" vroeg Burns.
"Waarom?" vroeg Stenford. "Denk je dan dat de tijd ook zou stil staan
en dat we daardoor minder op ons gezicht zouden krijgen van Kijkers?"
"Nee, zoo'n uil b-ben ik n-niet," antwoordde Burns; "m-maar d-dat
zouden z-ze toch in het dorp m-merken?"
"Geen denken aan!" zei Stenford die blijkbaar weinig idee had van het
verstand van dorpbewoners. "Die lui weten misschien niet eens welke
maand van het jaar we op het oogenblik hebben."
Plotseling kwam ik op een inval.
"Ik weet wat," riep ik uit op zóó verheugden toon dat Stenford een
oogenblik werd opgevroolijkt.
"We kunnen de klok luiden," zei ik.
"Dan zullen ze denken dat de klokkeluiders bezig zijn te oefenen."
"Maar dat zullen de klokkeluiders zelf toch niet denken als ze rustig
en wel thuis zitten."
"Hm," bromde Stenford; "we zouden het kunnen probeeren, maar als
de kerels komen aanzetten, dan ziet het er misschien leelijk voor
ons uit."
"Als z-ze k-komen, k-kunnen we d-dan niet ontsnappen?" vroeg Burns.
"Het zou Kolman misschien ter oore komen," zei Stenford die ernstig
het hoofd schudde, "en dan zouden we er geducht van langs krijgen."
"Maar dan w-waren we hier t-ten minste v-vandaan," zei Burns.
"Dat is een feit. Wat dunkt jullie? Zullen we het er op wagen?"
We daalden de trap af tot waar de touwen binnen ons bereik hingen;
toen bleven we stil staan.
"Kunnen jullie klokken luiden?" vroeg Stenford.
"Nee," antwoordde ik. "Je hebt toch alleen maar aan het touw te
trekken, niet?"
"Heel g-gemakkelijk w-werk," verklaarde Burns.
"Jawel, maar ik heb wel 's hooren zeggen dat als je niet heel
voorzichtig bent, dan neemt het touw je mee in de vaart en dan wordt
je schedel tegen de zoldering gekraakt."
"Dat zal nog wel gaan," zei ik. "Toe vooruit; laten we de touwen met
ons drieën grijpen. Het is misschien zwaar werk."
We begonnen te trekken en te trekken, doch tevergeefs.
"L-lastig k-karweitje," verklaarde Burns die met zijn heele gewicht
aan het touw hing.
"Waarom kunnen die dingen niet behoorlijk in orde zijn," zei Stenford
kwaad.
We stonden nu in volslagen duisternis; ieder hing aan een touw en
we luisterden aandachtig of we ook een klank van metaal boven ons
hoofd vernamen.
"Weet je wat we konden doen?" zei Stenford. "Burns, luister, ik
kan geen steek van je zien. Als je het touw wat heen en weer laat
glijden door je handen, dan komt er misschien beweging in. Dat doen
klokkeluiders ook."
Nauwelijks had ik dit bevel opgevolgd, of ik kwam op een inval. "Scheid
uit met trekken; ik weet wat," riep ik.
"Ik verzeker je dat dit de manier is," wierp Stenford tegen.
"Maar ik weet iets veel beters dan de klok te luiden."
"Wat dan?"
"Kunnen jullie langs een touw naar beneden glijden?"
"Op gym dikwijls genoeg gedaan," antwoordde Stenford.
"En jij, Burns?" vroeg ik.
"Ik kan het tamelijk goed," antwoordde Burns nederig.
"Ik weet niet of ik het er behoorlijk zal kunnen afbrengen, maar ik
wil het graag probeeren."
"Wat wou je dan?" zei Stenford.
"Als we naar de klokkekamer trekken, kan kunnen we een van die
touwen naar boven halen door den vloer heen van de verschillende
verdiepingen."
"Dat kunnen we zeker."
"Dan halen we dat gebroken luik weg van het raam en gooien het touw
er door."
"Maar denk je dat de lui in het dorp dat ding zullen zien?" vroeg
Stenford.
"'t Is ten minste te hopen van niet," antwoordde ik.
"O, ik b-begrijp het!" riep Burns verrukt uit. "W-we g-gaan door het
r-raam en l-laten ons n-naar b-beneden g-glijden l-langs het touw!"
"Juist," zei ik, "en dan gaan we er vandoor, zonder door iemand te
zijn gesnapt."