er niets was gebeurd.--"Het spijt me, Brys, dat we werden gestoord,"
hernam hij, terwijl hij zich naar den jongen keerde met wien hij had
staan schermen. "Willen we voortgaan?" En een oogenblik later had
hij kranig gepareerd en kletterden de degens tegen elkaar.
Dester was Brunton gevolgd. Toen ze buiten waren gekomen keerde Brunton
zich naar Dester om, wien hij een slag om zijn ooren gaf. "Kleine aap
die je bent!" snauwde hij Dester toe. "Waarom heb je me niet gezegd
dat hij Kitsjin kent?"
"Die was goed, hoor," zei Stenford die met me bij de deur was blijven
staan. "Kitsjin is de eenige voor wien de ellendeling bang is. Ik
kan me eigenlijk niet begrijpen waarom, want ze hebben nooit iets met
elkaar gehad. 't Schijnt dat Kitsjin hem op de een of andere manier
in zijn macht heeft. Weet jij er misschien het rechte van?"
"Neen," antwoordde ik. Bob had nooit over Brunton tegen me gesproken.
"Je mag van geluk spreken dat Kitsjin een vriend van je is," hernam
Stenford. "De vent zal je voortaan met rust laten; daar kan je van
op aan, en Dester ook," voegde hij er lachend bij. "De arme rekel
heeft nu van twee lui op zijn kop gekregen."
"B-Brunton z-zal je t-toch w-wel krijgen," viel Burns in; "en hij
z-zal het K-Kitsjin betaald z-zetten, al m-moet hij m-misschien
t-tijden w-wachten voor hij w-w-wraak kan nemen."
"Keurig uitgedrukt, zooals Kijkers zegt," merkte Stenford lachend op.
"Je zal het z-zien," hield Burns vol.
Later zou blijken dat hij gelijk had.
"Kom, laten we nu over wat anders praten," hernam Stenford. "Zeg,
Ellinghem, ga je morgenmiddag mee verkennen?"
"Heel graag," antwoordde ik, ofschoon ik eigenlijk niet goed begreep
wat hij bedoelde.
"En je luchtpomp?" vroeg Kien bezorgd.
"Och jij met je luchtpompen," riep Stenford. "Jij zou maar het liefst
den heelen dag in het laboratorium hokken en van tijd tot tijd zelf
eens in de lucht vliegen. Pas maar op, Ellinghem; die vent zal nog al
je zakgeld leenen om proefbuisjes en scheikundig goedje te koopen.--Jij
moet ook meegaan, hoor Kien!"
"En ik heb zoo'n hoop strafwerk van Kolman," wierp Kien tegen op
somberen toon.
"Ik wed dat je dat met de eene hand schrijft, terwijl de andere met
de luchtpomp bezig is," merkte Stenford spottend op.
"Och, je leutert," zei Kien. "Vooruit, Ellinghem, ga mee. Stenford
is tegenwoordig dol op verkennen. De vent heeft altijd de een of
andere manie."
"'k Ben blij dat ik er tenminste jouw manie niet op nahoud," zei
Stenford lachend.--"Maar ik reken vast op je, Ellinghem; er gaan een
hoop lui mee van onze klas."
"Best," antwoordde ik, en toen was het tijd om maar binnen te gaan.
"Ik zal je naar Norman brengen," zei Bob, toen ik 's avonds in zijn
kamer kwam. "Maar vertel eerst 's wat je met Brunton hebt gehad?"
Ik legde hem uit wat er was gebeurd.
"Je begrijpt toch dat je altijd bij me kunt komen om me alles te
vertellen," zei Bob heel kalm.
"Dat weet ik wel," antwoordde ik; "maar ik wil niet met allerlei
kleinigheden je komen lastig vallen."
"Dat is flink van je," zei Bob; "maar Brunton wist zeker niet dat je
een vriend van me was."
Ik kreeg een kleur van pleizier dat Bob mij rondweg zijn vriend noemde
op St. Martin, waar hij blijkbaar zoo hoog in aanzien stond en zulk
een voorname rol speelde.
"Als hij dat had geweten, zou hij zich wel op een afstand hebben
gehouden," ging Bob voort.
"Waarom?" vroeg ik.
"Och, de vent is wat bang voor me," hernam Bob; "waarom, dat doet
er niet toe. Ik zou je wel de reden kunnen vertellen, maar ik heb
beloofd het niet te doen."
"Burns beweert dat hij het jou en mij op de een of andere manier zal
betaald zetten," zei ik.
"Laten we ons niet bezorgd maken over de toekomst," hernam Bob op
luchtigen toon. "Dat doen we niet in Canada," voegde hij er bij,
terwijl hij de borst vooruit zette. "Maar ga nou mee naar Norman."
Ik gevoelde het gewicht van het oogenblik toen ik de kamer binnenging
van den chef der school, den grootwaardigheidsbekleeder onder de
jongens.
Het was een lange jongen met een bedaard, ernstig voorkomen;
hij zat aan de tafel in een kamer die grooter was dan de gewone
studeervertrekken, wat echter niet wil zeggen dat hij een wijde ruimte
om zich heen had. Tegenover hem zat Jim Juniper een appel te schillen.
"Kom binnen, Bob," zei Norman, die mij vriendelijk toeknikte.
"Weest welkom, heeren!" riep Juniper die zich tot ons keerde, terwijl
hij met een lange schil om zijn hoofd zwaaide.
"Houd je nu eindelijk eens bedaard--" begon Bob.
"Maar ik ben de bedaardheid in persoon," wierp Jim tegen. "Is het
niet, Dick?"
Ik stond verbaasd dat iemand den chef van de school bij den voornaam
durfde noemen. Norman vond dit blijkbaar heel gewoon, want hij
antwoordde doodleuk: "Ik weet maar alleen dat je hier bij mij aan
één stuk door zit te ratelen."
"Zeg, ik verkies niet door jou te worden belasterd," riep
Juniper. "Maar laten we onzen kostbaren tijd toch niet met
beuzelingen verspillen; we moeten onze aandacht op gewichtiger dingen
concentreeren, zooals Kolman zegt. Laat dit jonge mensch nu eens een
proef afleggen van zijn kookkunst."
Voordat ik wist wat er gebeurde zat ik bij het vuur met een pannetje
in de handen, waarop een stuk of wat vette saucijsjes lagen, die
weldra begonnen te spatten en te sissen.
"Vanmorgen heb je het met Brunton aan den stok gehad," merkte Juniper
op. "Dat heeft Brys me verteld."
"Och, ik heb het eigenlijk niet met hem aan den stok gehad," antwoordde
Bob. "Prik er in met je vork, Martin, en keer ze telkens."
Deze laatste woorden werden tot mij gericht, omdat hij blijkbaar
een andere wending wilde geven aan het gesprek, want ik stond de
saucijsjes al te prikken en te keeren.
"Hij doet het prachtig," zei Juniper; "laat hem maar zijn gang gaan,
Kitsjin. Dick, je hebt een juweel van een keukenmeid, zooals de dames
zeggen op het naaikransje. Brys heeft me verteld dat je als een ridder
uit den ouden tijd hem den degen uit de hand hebt geslagen."
"Hij liet zich nog al gemakkelijk ontwapenen," mompelde Bob. "Hij
had me niet zien aankomen, dus de slag kwam onverwachts aan."
"Brys vond het zoo vreemd dat hij niet op je aanvloog."
"Ja, hij liet me met rust," antwoordde Bob kortaf.
"Hij is veel zwaarder gebouwd dan jij."
"Ja, dat is zoo," zei Bob.
"Waarom wilde hij dan niet jouw edel bloed vergieten?"
"Hè, scheid nu uit met dat gezeur over Brunton," riep Bob ongeduldig;
"hij is zooveel drukte niet waard."
Norman had zitten schrijven terwijl wij aan het praten waren. Hij
vouwde den brief nu dicht en sloot het couvert. "Hebben jullie het
zoo druk over Brunton?" vroeg hij. "Binnenkort zal er herrie komen
met dien vent; ik vertrouw dat jullie mijn partij zult opnemen."
"Verklaar je nader. Waarop doelen die geheimzinnige woorden?" riep
Jim met het gebaar van een volleerd acteur.
"Dat doet er voorloopig niet toe," antwoordde Norman; "ik geloof dat
hij de anderen een wenk gaf om hun te beduiden dat geen geheimen in
mijn bijzijn moesten verhandeld worden."
"Als je er mij buiten kunt houden, dan zou me dit hoogst aangenaam
zijn," viel Bob in.
"Dat is onmogelijk," antwoordde Norman. "Als het eenmaal zoo ver is,
dan zal ik je hulp noodig hebben. Brunton houdt er een soort partij
op na en hij zal zich geducht weren als zijn leven op het spel staat."
"Zijn leven?" riep Juniper ontsteld uit.
"Je snapt best wat ik meen," hernam Norman; "zijn leven hier op school,
bedoel ik, de plaats die hij hier inneemt."
"Laat de vent maar met rust," mompelde Bob; "raak hem maar niet met
een stok aan, of...."
"Of met een schermdegen," viel Jim lachend in.
Nu begon het gesprek te loopen over het aanstaande voetbal-seizoen
en hoe de kansen stonden voor de verschillende clubs; voordat deze
onderwerpen echter waren afgehandeld, waren de saucijsjes klaar en
moest ik als de wind brood gaan roosteren, waarbij ik handen te kort
kwam om aan alle aanvragen te voldoen.
Den volgenden middag zou een heele troep er op uit trekken om te
gaan verkennen. Dit was toen nog een nieuwtje en ik wist eigenlijk
heelemaal niet wat dit wilde zeggen, maar ik wachtte er me wel voor
om mijn onwetendheid te laten blijken.
Met Burns stond ik in een hoek van het veld te praten, toen Stenford
kwam aanloopen.
"Vooruit, zijn jullie klaar?" vroeg hij. "Hoe eerder we er vandoor
gaan, des te beter."
"Wat m-moeten we d-doen?" zei Burns, die zijn onkunde liet blijken,
waardoor hij zich eerlijker toonde dan ik.
"Wel, we gaan verkennen!" riep Stenford.--"Dat heb ik je gezegd,
is het niet, Ellinghem?"
Ik knikte ernstig van ja.
"Hoe g-gaat dat," hernam Burns.
"Wel, Sjarp trekt er op uit naar Humbie, waar hij een briefkaart op de
bus moet doen als bewijs dat ie daar is geweest--en dan moet hij naar
Broekford trekken om daar een tweede briefkaart op de bus te doen."
"En w-wat d-doen w-wij?" vroeg Burns.
"We geven hem een kwartier voorsprong," antwoordde Stenford; "dat is
een heele boel, want hij loopt verreweg het hardst van ons allemaal;
en dan trekken wij er in drie troepjes van vier op uit, want er gaan
zoowat twaalf jongens mee--en dan moeten we--"
"Hem t-te p-pakken zien te krijgen?" viel Burns in.
"Nee, we moeten hem eerst nagaan, en we moeten trachten te beletten
dat hij die kaarten op de bus doet."
"Maar als hij langs den kortsten weg naar die dorpen trekt, dan blijft
hij ons den heelen tijd voor en kunnen we niets uitvoeren," zei ik,
want nu Burns zooveel vragen stelde, durfde ik ook iets in het midden
te brengen.
"Jawel, maar hij moet langs het lage pad naar Humbie en wij gaan
regelrecht erheen over den heuvel," antwoordde Stenford.
"Het is t-te hopen dat ie d-dat wezenlijk d-doet," zei Burns
grinnekend.
"Wij zullen in elk geval met ons drieën gaan," hernam Stenford. "De
anderen staan al klaar. We zullen ons pas scheiden bij de zijwegen."
"Maar k-kunnen we n-niet allemaal samen b-blijven?" stelde Burns voor.
"Nee, dat kan niet," antwoordde Stenford heel beslist. "Ik heb de
verschillende richtingen aangegeven en de signalen en zoowat meer."
"Wat heb je om je hals hangen?" vroeg ik.
"Een verrekijker," zei Stenford op heel gewichtigen toon. "Het is
er eentje van Kien. De vent wou dol graag mee, maar hij moet z'n
strafwerk maken.--Heb je je kompas bij je, Burns?"
"Ja," antwoordde Burns die een reusachtig kompas uit den jaszak te
voorschijn haalde.
"Het lijkt wel een braadpan," merkte Stenford op. "Maar dat ding kan
wel te pas komen."
"Heeft een van jullie een kaart?" vroeg ik.
"Waarom zouden we nu een kaart noodig hebben?" zei Stenford op
minachtenden toon.
"Ken je de streek dan zoo goed?" zei ik.
"Ja, op m'n duimpje," antwoordde Stenford op luchtigen toon; "maar
met zoo'n reusachtig kompas zullen we heusch niet verdwalen."
Dit was nog de vraag, maar ik durfde als nieuweling geen tegenwerpingen
meer maken.
We trokken er met z'n allen op uit, en toen we Sjarp genoeg voorsprong
hadden gelaten--de jongen was al een kwartier geleden vertrokken--toen
scheidden we bij de zijwegen. We waren in drieën verdeeld: oost,
midden en west. Stenford, Burns en ik vormden de westelijke partij.
HOOFDSTUK XV.
DE PADVINDERS AAN 'T WERK.
"Als het allemaal waar is wat jullie vertelt, dan is Sjarp een knappe
kerel als hij niet gezien en gesnapt wordt," merkte ik op.
"M-maar hij is zoo'n s-slimme v-vent," zei Burns.
"Ja," zei Stenford; "hij kan door greppels kruipen en zich op de
onmogelijkste plaatsen verstoppen. De weg maakt ook allerlei bochten."
"Hoe moeten we nu gaan?" vroeg ik toen we een hek hadden bereikt.
"Dwars door het veld, om hem den weg af te snijden," beval Stenford.
"Ja, maar welke richting, bedoel ik?" zei ik, terwijl ik een blik
wierp over het terrein dat zich golvend voor ons uitstrekte; ik had
een gevoel of we ons op zee bevonden.
"Welke richting?" herhaalde Stenford. "Ik geloof dat we dien kant
uit moeten."
Hij maakte een eenigszins vaag gebaar. "Laten we zeggen west, noordwest
eigenlijk.--Burns, je kompas!"
Het braadpannetje dat uit den zak van Burns te voorschijn kwam werd
op den top van den heuvel gelegd en wees geen bepaalde richting aan;
de naald draaide en draaide als een tol in de rondte.
"Zoo'n akelig ding!" zei Stenford; "houd 't dan stil. Nee, schud het
eerst 's flink, Burns."
Toen het kompas geducht heen en weer was geschud werd het wederom op
de paal van het hek gelegd en bogen we er ons overheen.
"Wat wiebelt dat ding!" mompelde Stenford toen de naald al maar bleef
dansen en zwaaien. "Maar kijk 's, dat is onze richting; 't is zoo
klaar als de dag. Houd dien boom in het oog. Allo, vooruit jongens!"
We zetten er een flinke vaart achter om den tijd in te halen dien we
met het kompas hadden verdaan. Burns was echter heel gauw buiten adem
en begon te hijgen van belang.
"Dat 's hard werk!" riep ik toen we drie of vier velden waren
overgestoken.
Burns stiet een brommend geluid uit; ik geloof dat hij iets wilde
zeggen, maar door zijn gestotter en gehijg kwam geen klank over
zijn lippen.
"We hebben nog niets in de gaten gekregen," zei Stenford toen we
even halt hielden bij een omheining die nog al lastig was om over
te klimmen.
Burns was er op gesteld om wederom de richting met het kompas te
bepalen, maar ik geloof dat het hem meer te doen was om op adem te
komen. Volgens het kompas waren we te veel westelijk gegaan; toen we
het hierover eens waren vervolgden we wederom onzen tocht. We zagen
niets of niemand; de streek leek doodsch en verlaten.
"Nu naderen we," zei Stenford, toen we het hoogste gedeelte van
den omtrek hadden bereikt; "hier kunnen we misschien het een of
ander zien."
"L-laten w-we eens r-rustig uitkijken," bracht Burns met moeite uit,
die nu stond te hijgen als een stoommachine.
De velden waren in deze streken niet door heggen gescheiden maar door
steenen dijken die met gras waren begroeid, en nadat we ons achter
een van deze hadden opgesteld tuurden we oplettend om ons heen of we
ook het een of ander konden gewaar worden. Stenford keek door zijn
kijker en Burns en ik moesten het met onze oogen doen.
"Zie je Sjarp?" vroeg ik aan Stenford.
"Nee," antwoordde hij. "Kijk zelf maar."
Ik bracht den kijker voor mijn oogen en zag niets dan een golvend
landschap met dijken en schapen.
"We zijn niet hoog genoeg," zei Stenford. "We moeten in de diepte
kunnen kijken."
"Wat denk je van dien boom daar?" vroeg ik, terwijl ik wees naar een
hoogen boom in het volgende veld die daar heel alleen stond.
"'t Zal me benieuwen of ik erin kan," zei Stenford, "maar we kunnen
het probeeren."
We renden er op af en tilden hem op, waarna Burns en ik op den grond
gingen zitten om uit te rusten, terwijl hij naar boven klauterde.
"'t Is gek dat we geen van de andere jongens zien," merkte ik op.
"Ja," zei Burns, die het braadpannetje wederom te voorschijn
haalde. "Wij gingen evenals straks de richting na en hielden het
kompas gereed om aan Stenford te toonen waarin we ons hadden vergist."
Plotseling weerklonk een kreet boven onze hoofden.
"Zie je wat?" riepen we tegelijk.
"Sjarp of een van de anderen zie ik niet," riep hij terug; "het is
niet zoo'n goede plaats als je zou denken, maar ik zie wel wat anders."
"Wat dan?" vroegen we.
"Rechts is een vierkante kerktoren; jullie kunt dien vandaar niet
zien."
"Wat zou dat?" riepen we.
"Als we daarop kunnen komen, dan ligt de heele streek als een kaart
voor ons uitgespreid--dan zien we alles en iedereen."
"Prachtig," riep Burns. "T-toe, kom dan beneden."
"Ik kom al," zei Stenford, die zich langs den stam liet afglijden.
We waren zoo in onzen schik met dien vierkanten toren als
verkenningspunt, dat we Stenford maar niet lastig vielen met het
kompas; we zetten het op een loopen in de richting die hij aanwees en
weldra werden we de kerk gewaar die zich in de verte donker afteekende
tegen den hemel.
"Hoe heet het daar?" vroeg ik, want plotseling was een gedachte
me ingevallen.
"Weet niet," antwoordde Stenford, die nu over een muurtje klauterde,
"en het kan me niet schelen ook. We kunnen dien toren toch best
als verkenningspunt gebruiken zonder dat we weten hoe de kerk heet,
is het niet?"
Hiertegen viel niet veel in te brengen, en ik draafde wederom met de
anderen mede. Toen we dwars over een veld holden, werden we een boer
gewaar die ons toeschreeuwde dat we moesten terug keeren. We schonken
echter geen aandacht aan de kreten van het eerste menschelijke wezen
dat we gewaar werden en draafden verder.
Zich regelrecht naar het een of andere punt begeven, dat klinkt heel
gemakkelijk; het lijkt zoo eenvoudig, maar dikwijls doen zich heel
wat moeilijkheden voor.
"Recht op den toren af," riep Stenford een paar maal, alsof dit het
wachtwoord was dat we hadden afgesproken. Hij liep iets voor ons uit,
want hij bleek meer gehard voor den strijd dan Burns of ik. Burns
hijgde nog altijd als een stoommachine en ik vond het heel aangenaam
toen Stenford een wandelpas aannam toen we het dorp naderden. We hadden
hem nu weldra ingehaald. "We moeten niet komen aandraven," zei hij.
"Nee," antwoordde ik hijgend en blazend; "dat trekt maar de aandacht."
De kerk stond op een glooiing van een kleinen heuvel die zich links
van ons bevond. Ze lag geheel alleen; door een veld en het kerkhof
werd ze van het dorp gescheiden.
"Als we een kleine bocht maakten en van den anderen kant aankwamen,
dan zou dit misschien beter zijn," merkte Stenford op. "Dan zal
niemand ons zien."
"Die m-man komt eraan," zei Burns plotseling, die een schichtigen
blik om zich heen had geworpen.
Ja, zoowaar; hij bevond zich nog op eenigen afstand, maar hij volgde
dezelfde richting als wij.
"Ik d-dacht w-wel dat ie n-naar het dorp zou gaan," verklaarde Burns.
"Wat zou dat dan nog?" vroeg Stenford. "Maar des te meer reden om
geen sekonde te verliezen. Vooruit. Over dit hek!"
We volgden hem op den voet en wederom ging het in gestrekten draf.
"De m-man v-volgt ons niet," riep Burns hijgend, toen we een veld
waren overgestoken en hij een blik achter zich had geworpen.
"Hij gaat zeker naar huis om zijn kopje thee te drinken," zei
Stenford. "Maar wat kan die man ons eigenlijk schelen. Zeg, wat is
die toren hoog, hè? We zullen een prachtig uitzicht hebben!"
We beschreven nu een halven cirkel, zoodat de kerk zich weldra tusschen
ons en het dorp bevond.
"Ja, wat een hoogte," zei ik. "Maar hoe zullen we erin komen?"
"M-misschien z-zit de deur op s-slot," zei Burns.
"Je zal zien dat er de een of andere werkvrouw aan het boenen is,"
zei Stenford; "maar nu we eenmaal zoo dichtbij zijn, nu zullen we
erin komen; dat verzeker ik je."
Toen we de kerk waren genaderd werden we gewaar dat de deur zich aan
de andere zijde bevond.
"Dat is jammer," merkte Burns op; "want ze mogen ons niet zien."
"Het is t-toch eigenlijk heel n-natuurlijk d-dat die d-deur d-daar
is," zei Burns, "anders z-zouden d-de m-menschen om d-de k-kerk
m-moeten heenloopen."
"Zulke dingen vind ik juist zoo leuk," hernam Stenford; "een goede
oefening."
"Wat ga je doen?" vroeg ik.
"Ik ga poolshoogte nemen," antwoordde hij. "Ik ga eerst het terrein
verkennen; ik verschuil me achter de zerken, dan ziet niemand me;
ik moet natuurlijk eerst weten of de deur open is en of er niemand
in de kerk is. Als we vroegen om naar den toren te mogen gaan, dan
zouden ze dit misschien weigeren; daarom is het maar beter dat we er
op afgaan zonder verlof te vragen."
"M-moeten wij zoolang hier b-blijven?" vroeg Burns.
"Ja; verstop je achter dien hoop steenen," antwoordde hij; "ik zal
een sein geven als jullie kunt komen."
"Wat voor sein?" vroeg ik.
"Ik zal drie keer krassen als een kraai," antwoordde Stenford. "Nu
ik ga; houd me zoo lang mogelijk in het oog."
Hij sloop tusschen de zerken door en was weldra om den muur van de
kerk verdwenen.
"St-Stenford k-kan zoo g-goed verkennen," zei Burns, die diep onder
den indruk scheen.
"Ja, dat merk ik," antwoordde ik.
Daar wij geen van beiden eenige ervaring hadden op dit punt, was de
lof dien wij Stenford toezwaaiden van weinig waarde. Toen we het sein
vernamen kwamen we aanzetten en werden we Stenford gewaar die bij de
kerkdeur stond en geheimzinnig tegen ons wenkte.
"Van buiten is geen deur die toegang geeft naar den toren," fluisterde
hij; "die moet dus aan den binnenkant zijn."
"Maar ik hoor niemand," zei Burns.
"Sst, praat niet zoo hard! Een oude vrouw is aan het werk, maar
heelemaal in het andere gedeelte. Als we het slim aanleggen, dan zal
ze ons niet snappen."
Dit was nog de vraag; ik vond het echter maar het best om geen
tegenwerpingen te maken.
"De deur is van de klink en staat op een kier," fluisterde Stenford;
"we hebben niets te doen dan ze wat verder open te duwen. Volg me
maar niet te dicht; jullie doet maar wat je mij ziet doen."
"Wie zal eerst gaan?"
"Burns. Als jij erdoor bent, dan doe je de deur weer dicht."
"Best," fluisterde ik.
Stenford verdween. Burns verdween. Toen was het mijn beurt; ik volgde
hen, duikend achter de kerkbanken in de richting van het poortje
dat open stond en toegang gaf naar den toren. Het scheen hier zoo
donker na het helle licht buiten en het rook er zoo benauwd en duf,
wat een eigenaardigheid schijnt van alle dorpskerken.
Het was pikdonker onder den toren; de klokketouwen die een cirkel
vormden zagen er zoo geheimzinnig uit; we konden niet zien waar ze
eindigden. In een hoek was een klein laag deurtje dat open stond;
hierachter werden we een smalle steenen trap gewaar.
Stenford was het al door; Burns had het nu bereikt. Even wendde ik
het hoofd om om een blik door de kerk te werpen. Ik zag een oude
vrouw met een muts, die bezig was te vegen met stoffer en blik; ze
maakte hiermede zoo'n lawaai en de geluiden klonken zoo hard en hol
door het leege gebouw dat ze waarschijnlijk niets van ons binnenkomen
had bemerkt, hoewel Burns met zijn hak was uitgegleden bij den drempel
van het deurtje wat geducht leven had gemaakt.
Ik volgde Burns op de smalle trap; boven onze hoofden hoorde ik een
klok tikken; weldra werd het lichter om ons heen en hadden we de
klokkekamer bereikt. Ook hier zagen we de touwen, die wederom door
de zoldering verdwenen.
"Vinden jullie het niet dol?" vroeg Stenford verrukt.
"Wat maakt die klok een herrie!" zei Burns, die door de glazen kast
van het uurwerk stond te turen.
"We zullen een prachtig uitzicht hebben," merkte ik op, toen ik een
blik naar buiten had geworpen door een van de kleine zijramen.
"Ja, boven zullen we uren ver in den omtrek kunnen zien," zei
Stenford. "Burns, wat zie je wit; je hebt alle kalk van den muur
gewreven."
"Dan zal ik z-ze d'r w-weer opsmeren als we n-naar beneden gaan
st-straks," antwoordde hij lachend.
"We zullen eerst maar naar boven trekken," hernam Stenford. "Toe,
vooruit, jongens."
Nu ging het de hoogte in langs een breede ladder die in een hoek van
het vertrek was gezet, want de wenteltrap liep niet verder dan de
klokkekamer. In de zoldering was een open vierkant gat aangebracht,
zoodat de klokkekamer hel was verlicht en de wind drong hier binnen
door de luiken die waren opengeslagen.
"Wat een dingen," riep Burns uit, die met de hand streek over een
van de reusachtige klokken.
Er waren er acht; de grootste konden we aanraken; de kleinere hingen
recht boven ons hoofd dichtbij het dak. Alles zag er hier even vuil en
bestoven uit; toen we binnen kwamen vloog een vogel op van zijn nest.
"Ze mochten hier wel eens schoonmaak houden," zei Stenford, die het
stof van zijn jas afsloeg. "Val niet naar beneden, Burns, want je
zou er niet veel van kunnen navertellen, jongen."
Er was nog een ladder die ons nog hooger kon brengen; deze stond
tusschen balken, touwen en wielen.
"M-moeten we die op?" vroeg Burns aarzelend.
De ladder zag er dan ook tamelijk griezelig uit. Ze voerde bijna
loodrecht naar het luik in het dak en ze schudde van belang als ze
maar even werd aangeraakt.
"Stevig staat ze niet," erkende Stenford die er den voet op
zette. "Alle drie tegelijk zal ze ons niet kunnen houden."
Burns en ik toonden weinig lust om langs die ladder naar boven te
klauteren. Ze schudde geweldig toen Stenford langzaam de sporten
opging; ze stond bijna loodrecht, zoodat het wel leek of de geringste
schok haar naar beneden zou doen tuimelen waarbij Stenford in den
val zou worden medegesleept.
Toen hij het luik had bereikt begon hij dit met alle geweld naar
boven te duwen, doch tevergeefs. De ladder trilde en schudde onder
hem, doch hij kon het luik slechts een paar centimeter oplichten,
waarna het wederom met een slag dichtplofte.
"Zeg 's," riep Stenford uit de hoogte, "het is te zwaar voor mij
alleen; een van jullie moet me komen helpen."