banen door den pijpesteel; Kien hield er een lichtje bij en keek
verrukt naar de vlam die ontstond.
"Prachtig; dol," riep hij. "Zie je wel dat er een massa gas in die
kool zit?"
Een paar jongens waren er nu bij komen staan; ze gluurden over den
schouder van Kien aan wiens proefnemingen op natuurkundig gebied
ze blijkbaar waren gewend, want ze sloegen weinig aandacht op
den wetenschappelijken onderzoeker. Het gevecht met Dester was nu
afgehandeld; de meesten spraken over eenige kwesties die het nieuwe
voetbal-seizoen betroffen.
Plotseling werd "Sst", "sst" geroepen, waarop een algemeen geschuifel
van voeten volgde. Kien liet onmiddellijk zijn lessenaar dichtklappen
en toen de leeraar binnen kwam zaten we allemaal even netjes en
correct in de bank.
Hij liep naar mij toe en liet me eenige boeken te voorschijn halen,
waarin hij me het een en ander aanwees. Ik wierp een zijdelingschen
blik naar Kien die geheel in zijn werk scheen verdiept, ofschoon de
geur die zijn toestel verspreidde hoe langer hoe sterker werd. Zoodra
de leeraar dan ook bij de volgende rij lessenaars stond, knikte hij me
toe om me met trots te kennen te geven dat het gas nog lustig brandde.
"Ik weet precies hoeveel gas je met dien pijpekop kan maken,"
fluisterde hij, terwijl hij in een schrift decimale getallen begon
op te schrijven. Hij had de kool van te voren gewogen en wist nu
nauwkeurig hoeveel gas hij hiermede zou verkrijgen, en hoe zwaar het
gewicht zou zijn van het overschot dat in den pijpekop achterbleef.
Hij werd nu bij den leeraar geroepen; ik verwachtte niet anders dan dat
hij was gesnapt en dat zijn gas-toestel zou worden verbeurd verklaard,
maar de heer Kijkers stelde enkele vragen aan Kien over een examen
waarvoor hij zich wilde opgeven.
Toen Kien nog bij het podium stond, ging de deur open en kwam de heer
Wilson binnen, die terstond een snuivend geluid maakte.
"In dit vertrek hangt een eigenaardige lucht, mijnheer Broes!" zei
hij. Snuf, snuf. "Ik denk dat het in den schoorsteen brandt. Ja
bepaald, het is een sterke brandlucht."
HOOFDSTUK XII.
MIJN VERDER OPTREDEN ALS NIEUWELING.
Ik was hoogst verbaasd dat ik den heer Kijkers nu als mijnheer Broes
hoorde aanspreken. Geen oogenblik was het in me opgekomen dat dit
een bijnaam zou kunnen zijn; ik rilde bij de gedachte dat ik in mijn
onwetendheid hem mijnheer Kijkers had kunnen noemen. Dien bijnaam
had hij zeker te danken aan de groote ronde glazen van zijn bril.
Hij wierp nu een verbaasden blik in de richting van den heer Wilson.
"Hé, ruikt u iets?" vroeg hij. "Het is me nog niet opgevallen."
"Er brandt wat," hernam de heer Wilson die stond te snuiven als een
politie-hond.
Kien gaf me een wenk uit de verte. De andere jongens keken allen even
ernstig; geen spier op hun gelaat vertrok.
"Ongetwijfeld," verklaarde de heer Wilson.
"Vreemd dat ik er niets van heb gemerkt," zei de heer Broes. "Als
er iets aan het branden is, dan moet het in den schoorsteen zijn,
of het is ergens anders."
De heer Wilson liep plechtig naar den schoorsteen, zoodat hij een
oogenblik met den rug naar de klas stond.
Kien gaf me wederom een wenk. Wat wou hij toch van me? Aan den anderen
kant van hem zat niemand, want zijn lessenaar was de laatste uit die
rij. Wou hij dat ik de vlam uitdoofde? Die scheen al dien tijd lustig
te branden; op mijn plaats kon ik de hitte voelen. Maar als ik het
deksel van den lessenaar opklapte, zou ik natuurlijk worden gesnapt;
de rook zou dan naar buiten slaan, zoodat we er nog leelijker aan toe
zouden zijn. Kien, en ik zeker ook, zouden er in dat geval geducht
tegen aanloopen.
Kien liet zijn wangen even bol staan; hij wou dus dat ik de vlam
uitblies. Ik wierp een zijdelingschen blik naar Stenford, maar die
zat met zijn neus in zijn boek.
De heer Broes keek naar den heer Wilson die nog altijd in den
schoorsteen stond te turen; toen trok ik de stoute schoenen aan. Ik
haalde diep adem om flink te kunnen blazen en lichtte den lessenaar
van Kien een paar centimeters op. Tot mijn ontzetting werd ik echter
gewaar dat de vlam zich had verspreid en dat in den lessenaar een
vuurtje lustig aan het branden was. Mijn blazen had geen andere
uitwerking dan dat het vuur werd aangewakkerd. Het hout zou zeker
ook gaan branden. Na een schichtigen blik te hebben geworpen in de
richting van den schoorsteen begon ik weer te blazen en nog eens
te blazen. Helaas de spiritus vormde een brandend meertje in den
lessenaar, dat al wijder en wijder werd. Hoe kon ik het vuur dooven?
In mijn onmiddellijke nabijheid had ik geen andere vloeistof dan
inkt. Mijn pas gevulde inktpot stond voor me op mijn lessenaar. Ik
greep dezen met de linkerhand, terwijl ik het deksel met de rechter
een weinig oplichtte en toen stortte ik den zwarten inhoud over de
vlammen uit.
Juist had ik den lessenaar weer dicht gedaan toen de heer Wilson het
hoofd oplichtte en een blik wierp door de klas. "Nee, daar is het
niet," zei hij. "Het komt me voor dat er iets in dien hoek brandt."
De angst sloeg me om het hart toen ik hem zag naderen, gevolgd door
den heer Broes.
Ik vermoed dat Kien hen het liefst was achterna geloopen, want zijn
oogen waren onafgebroken op de twee leeraars gericht.
"'t Is hier, dunkt me," zei de heer Wilson, die bij den lessenaar
van Kien bleef stil staan.
"Kijk eens, hoe zonderling," merkte de heer Broes op, die zich voorover
boog; "een zwarte vloeistof druipt op den grond--Kien!"
De heer Wilson had de hand nu op den lessenaar. Dit zag ik, hoewel
ik de oogen niet opsloeg van mijn boek. Plotseling weerklonk een
vreeselijke knal; de lessenaar vloog omhoog en een oogenblik trilde
de heele omgeving als bij een aardbeving.
De leeraren waren achteruit gesprongen. Door den schok en den schrik
was ik achterover getuimeld op den grond. Tegen de zoldering was
iets aangekomen en een sterke brandlucht verspreidde zich nu door
het lokaal.
Kien nam het eerst het woord. Hij richtte zich tot den heer Broes en
zei: "Het was--ik--ik deed een proef."
De beide leeraren vielen tegelijk tegen hem uit. Hun woorden waren
daardoor niet duidelijk te verstaan, evenmin als bij een duet dat
wordt gezongen. Ze zeiden zoo iets van: "Ongehoord om ontplofbare
stoffen in de klas mede te durven brengen! Hoogst gevaarlijk! Zelf
naar den chef trekken wegens verregaande onbeschaamdheid! Op gevaar
af van iemand te dooden, of blind of kreupel te maken!"
De heer Wilson werd eerst nu gewaar dat ik op den grond was
getuimeld. "Kijk," riep hij, "je hebt al iemand een ongeluk
bezorgd. Heb je je bezeerd, Ellinghem?"
"Ik geloof niet dat ik een ongeluk heb gekregen, meneer," antwoordde
ik, terwijl ik langzaam overeind rees en mijn knieën begon te wrijven.
"Hij zou geen ongeluk hebben kunnen krijgen, meneer," zei Kien
heel ernstig; "er zat geen kogel of iets in. Ik wou alleen maar wat
brandbare stof maken en die in een rots leggen bij de klip om ze door
electriciteit aan te steken."
"Alleen maar brandbare stof!" hernam de heer Broes op strengen
toon. "'t Is een wonder dat je het heele gebouw niet in de lucht hebt
laten vliegen. Zit er nog meer gevaarlijk goed in?" vroeg hij, terwijl
hij den lessenaar haastig liet dicht vallen bij die vooronderstelling.
"Neen, er zit niets meer in," verklaarde Kien.
"Ik zie stukken van een pijp," zei de heer Wilson, die den lessenaar
nu wederom oplichtte; "een--een pijp van leem met rood lak; in drie
stukken gebroken. Heb je gerookt?" vroeg hij op minachtenden toon.
"Neen, meneer," antwoordde Kien, zonder een oogenblik te aarzelen,
"De pijp is gebruikt," hernam de heer Wilson. "Deze kop is hard en
zwart en heeft het een of ander bevat, waarschijnlijk tabak. Wat is
dat voor een ding? H'm!" Hij stiet een kreet uit en liet het vallen,
"'t Is nog gloeiend heet!"
"Dat is de stop, meneer," zei Kien.
"De stop?" vroeg de heer Wilson.
"Ik heb koolgas gemaakt," hernam Kien. "In dien kop zit steenkool."
De heer Wilson liet een brommend geluid hooren.
"Maar de boel drijft van de inkt," viel de heer Broes in; "of is het
een andere vloeistof," voegde hij er bij.
"Bij de ontploffing heeft een vloeistof zich misschien chemisch
afgescheiden," zei Kien, die zich opnieuw man van de wetenschap toonde.
Ik wist wel beter, maar ik hield mijn mond.
"Het kan zijn dat die zwarte stof is ontstaan door het
verbrandings-proces," hernam Kien met zachte stem.
"En ik verzeker je dat je het in het vervolg wel zal laten om zulke
gevaarlijke spelletjes te spelen," verklaarde de heer Broes op
strengen toon.
De wetenschappelijke onderzoeker ging in de bank zitten. De heer Wilson
vertrok, na zich nog eens te hebben overtuigd dat ik geen letsel had
opgeloopen; de heer Broes begaf zich naar het andere einde van het
lokaal en Kien bleef al maar tegen me fluisteren, om me een verklaring
te geven van de oorzaak van die ontploffing en van het ontstaan van
die zwarte vloeistof, die hij hield voor een soort "ammonia-geest"
geloof ik, en hoe het kwam dat die stop van de pijp was gesprongen.
"Zonde en jammer dat ik niet op mijn plaats zat," zei hij, "want
dan had ik de kracht van de ontploffing veel beter kunnen nagaan;
ik had dan gezien hoever de ontlading doordrong in het hout."
Ik was blij dat hij me geen verwijten deed over de wijze waarop ik
was opgetreden; maar alles zou hij me geloof ik hebben vergeven, toen
ik tegen hem zei dat ik hem mijn luchtpomp zou leenen om proeven mee
te doen.
"Heusch?" vroeg hij, terwijl zijn gezicht nu opklaarde. "Ik denk dat
ik een pak zal krijgen van Kolman, maar die proef was toch wel leuk."
Ik begon in te zien dat ik voor Kien moest oppassen, hoe ijverig hij
zich ook toelegde op de natuurwetenschap; waarschijnlijk deed ik maar
het best om hem zijn proefnemingen alleen te laten doen.
Ik was blij toen het tijd was om naar bed te gaan. Ik had zooveel
jongens gezien en ik had al zooveel ondervonden en bijgewoond, dat
het me een raadsel scheen dat ik eerst twee uur geleden mijn intrede
had gedaan op St. Martin.
Nauwelijks was ik in mijn slaapkamer beland of een jongen stak zijn
hoofd om den hoek en haastig, op een toon die geen tegenspraak duldde,
zei hij: "Ellinghem, je moet dadelijk bij den chef komen."
"Moet ik nù naar den chef?" vroeg ik verbaasd.
"Ja, en 't is je geraden om hem niet te laten wachten."
"Maar waarom?" zei ik.
"Dat zal je gauw genoeg gewaar worden."
"Heeft hij je gestuurd om mij te halen?"
"Ja, natuurlijk; denk je soms dat ik anders zou zijn komen aanzetten?"
In het lokaal had ik dien jongen wel met Dester zien praten, maar ik
was nog te onervaren om eenige achterdocht te koesteren. Geen oogenblik
kwam het zelfs in me op dat hij me voor den gek kon houden. Ik vroeg
me dan ook alleen maar af waarom de chef me liet roepen.
"Is het om die geschiedenis met Kien?" zei ik.
"Weet ik het," antwoordde hij. "'t Is best mogelijk. Maar als je
langer treuzelt krijg je nog leelijker op je gezicht."
Ik dacht niet anders dan dat Kien bij het ondergaan van zijn straf
mij had genoemd als medeplichtige.
"Ga je nou haast?" vroeg de jongen, "of zal ik aan Kolman gaan zeggen
dat je ervoor bedankt om te komen?"
"Nee, ik zal wel gaan," antwoordde ik bedrukt, "maar vanhier weet ik
niet den weg naar de studeerkamer."
"O, die zal ik je wel wijzen," zei de jongen gedienstig. "Gauw,
ga mee! Hij zal toch al niet begrijpen waar je blijft."
Hij ging me voor door de gang en liep een kleine trap af; in dit
gedeelte was ik nog niet geweest.
"Dit is korter," zei de jongen die me even over den schouder aankeek.
Toen liepen we door een andere gang die flauw was verlicht en bleven
voor een deur stil staan.
"Zeg," fluisterde die jongen tegen me, terwijl hij de hand op de klink
hield; "langs die deur loopt een pad. Als je dat bent afgeloopen sla
je links af, dan loop je weer recht door en sla je weer links af,
en dan sta je voor de deur van Kolman."
"Ga je niet mee?" vroeg ik.
"Dank je stichtelijk," mompelde hij. "Ik trek alleen naar Kolman als
hij me laat roepen."
"Dus tweemaal links om?" vroeg ik nog, terwijl hij de deur open maakte.
"Ja! De weg is heel gemakkelijk te vinden; je kunt niet missen."
De deur was nu open en ik werd een heel donker pad gewaar.
"Ga er maar vandoor," zei de jongen; "je vindt het vanzelf."
"Wacht nog even," riep ik, toen ik een blik in de duisternis had
geworpen; "hoe kom ik terug?"
"Langs denzelfden weg," antwoordde hij kortaf. "Alsjeblieft, vooruit!"
Hij deed de deur achter me dicht. Ik ging een trede af en stond op
kiezelzand. Nu mijn oogen langzamerhand aan de duisternis gewend
geraakten, kon ik de richting van het pad volgen.
Ik bevond, me blijkbaar in een tuin; waarschijnlijk de tuin van den
heer Kolman. In de buurt was nergens een huis; anders zou ik toch wel
verlichte ramen hebben gezien. Misschien zou ik die ontdekken als ik
den eersten keer links was afgeslagen.
Ik gevoelde me alles behalve op mijn gemak, zoo alleen op dat donkere
pad. Hier en daar rezen aan weerszijden groote zwarte struiken op,
die nog zwarter schenen dan de nacht; de wind floot er doorheen en
liet ze heen en weer wiegen zoodat ze schenen te leven en me deden
denken aan monniken met zwarte kappen die tegen me stonden te knikken.
Mijn voetstappen deden het kiezel kraken toen ik verder liep tot ik
links zou kunnen afslaan. Maar die jongen had zich zeker vergist. Er
was wel een pad rechts.
Besluiteloos bleef ik stil staan. Nog eenige meters legde ik af,
maar nergens kon ik aan mijn linkerkant een zijweg gewaar worden. Toen
nam ik maar het pad rechts. Ook hier krakende kiezelsteenen en zwarte
struiken. Plotseling zag ik een weg aan mijn linkerhand. Ik sloeg dien
onmiddellijk in. Wederom krakend kiezel, hooge, wuivende struiken,
windvlagen die langs me streken. Doch nergens een huis te bekennen.
Plotseling bleef ik stil staan. Eindelijk begon ik de waarheid
te vermoeden; ik was het slachtoffer van een streek die met mij
was uitgehaald. Ik was hierheen gelokt om me op een dwaalspoor te
brengen! De chef had me niet laten roepen.
HOOFDSTUK XIII.
IK MAAK KENNIS MET BRUNTON.
Onmiddellijk keerde ik om, daar ik zoo spoedig mogelijk weer de
zijdeur wilde bereiken waardoor ik me naar buiten had begeven. Ik
begreep nu dat de jongen die met die boodschap was komen aanzetten
een handlanger was geweest van Dester.
Op deze wijze had die wraak willen nemen; hij had me in den tuin
gelokt!
Ik ging terug langs het pad dat ik was afgekomen, maar het was zóó
donker en die boomen leken zóó op elkaar dat ik zeker verkeerd was
afgeslagen, want weldra was ik de kluts kwijt geraakt. Ik zette het
nu op een loopen in de juiste richting naar ik dacht, terwijl ik
schichtige blikken om me heenwierp, in de hoop ergens een licht te
ontdekken. Het was toch niet denkbaar dat in dit avonduur geen enkel
raam van de school meer zou zijn verlicht; daarom bleef ik zoeken
naar het een of andere schijnsel.
Het duurde niet lang of ik stiet met mijn knieën tegen een
ijzeren traliewerk, dat de grens vormde van het terrein waarover ik
rondzwierf. Ik kon het pad onderscheiden dat hier aan den anderen kant
langs liep en ik hoorde de zee klotsen, waaruit ik opmaakte dat ik
me in de nabijheid van de klip bevond. Ik keerde om, geraakte opnieuw
verdwaald tusschen de struiken; nergens kon ik een lichtstraal gewaar
worden, en ten slotte kwam ik weer terecht bij het ijzeren traliewerk.
Intusschen moest het al aardig laat zijn geworden. Als ik eens was
buitengesloten! Dan zou het er zeker geducht leelijk voor me uitzien
en dan zou ik wel degelijk bij den chef moeten komen. Ik volgde nu
maar een pad op goed geluk om te zien waar dit me bracht, maar het
kronkelde zoo verschrikkelijk dat ik een gevoel kreeg of ik in een
kring rondliep, als menschen die verdwaald zijn geraakt in de woestijn
of in de bergen.
Het slot was dat ik voor de derde maal bij het traliewerk was
beland! Toen bleef ik hier langs loopen; dat hek moest toch ergens
eindigen!
Ik kwam aan een gebouw, waarschijnlijk de stallen, want ik hoorde
gerammel van kettingen en stampen van hoeven. Een hond had blijkbaar
gemerkt dat ik aan kwam sluipen, want het dier begon verwoed te
blaffen. Tastend vervolgde ik mijn weg langs de donkere muren, tot
ik een deur bereikte waar het gebouw een hoek maakte; de klink week
onmiddellijk toen ik die oplichtte. Ik ging binnen en werd nu voor
de eerste maal een licht gewaar; in die richting begaf ik me over
een wijde open vlakte waarin ik plotseling het binnenplein herkende
van het hoofdgebouw.
Ik had nu zoo genoeg van mijn zwerftocht en was zoo blij dat ik
eindelijk eenig teeken van leven bespeurde dat ik onmiddellijk
mijn krachten op de deur begon te beproeven, waarboven een raam
was aangebracht dat helder werd beschenen. Ik dacht niet anders dan
dat die deur op slot zou zitten: voor ik echter schelde, probeerde
ik eerst het handvat om te draaien om me hiervan te overtuigen, en
tot mijn onuitsprekelijke verbazing en verrukking was het slot niet
omgedraaid aan den binnenkant. Een oogenblik later stond ik in het
voorportaal waar ik dien avond met Burns mijn intrede had gemaakt--hoe
lang scheen dit niet geleden!
Toen ik de deur heel zacht had gesloten, liep ik als een muis door
een lange gang, in de hoop het een of ander te ontdekken dat als
wegwijzer zou kunnen dienen om mijn kamer terug te vinden. Toen ik
een hoek omsloeg waar het donker was en geen licht brandde liep ik
onverhoeds tegen een grooten jongen aan die van den anderen kant
kwam aanzetten. Hij was zoo forsch en stevig gebouwd, dat ik bij de
botsing tegen den muur terecht kwam.
"Uil, die je bent! Waarom maak je zoo'n kabaal?" vroeg hij nijdig,
zonder dat hij zijn stem echter durfde uitzetten.
Terwijl hij dit zei keek hij schichtig om zich heen, zoodat ik begreep
dat hij er in zijn eentje op uittrok en zich schuldig maakte aan de
een of andere overtreding.
"Allo, wat voer je hier uit?" vroeg hij, terwijl hij me bij den kraag
greep en me heen en weer schudde.
Hij was blijkbaar zoo kwaad en ik was er zoo zeker van dat het er
leelijk voor hem zou uitzien als hij werd gesnapt, dat ik het maar
het best vond om heel gewoon te antwoorden; dan zou hij me misschien
het gauwst weer loslaten.
"Ik wou naar mijn kamer gaan," zei ik.
"Houd je koest, uil die je bent," beet hij me toe. "Vooruit, ga dan
maar naar je kamer."
Hij sprak tegen me of ik een hond was en gaf me een schop toen ik me
omkeerde om door te loopen.
"Wat zou dat voor een vent zijn," vroeg ik me af, toen ik eindelijk
verdrietig en vermoeid mijn kamer had terug gevonden en veilig onder
de dekens kroop. Het was een plompe jongen met een stiere-nek; hij
miste een voortand, waardoor hij eenigszins lispelde. Als mijn wenschen
waren vervuld, dan zouden al zijn tanden uitgeslagen mogen worden; hij
had dan kunnen mummelen totdat de dentist hem onder handen had genomen.
Den volgenden morgen gaf ik een korte beschrijving van hem aan
Stenford.
"O, dat is natuurlijk Brunton geweest," zei hij. "Een nare vent. Zorg
maar dat je uit zijn buurt blijft."
Ik was niet anders van plan. We bevonden ons nu op het speelterrein en
ik zag Dester telkens een kwaadaardigen blik werpen in mijn richting;
zijn gezicht zag nog bont en blauw en een naar gevoel welde bij me op
toen ik zag dat hij op me wees, terwijl hij stond te praten met den
grooten jongen, tegen wien ik den vorigen avond was aangebonsd. In
de verte werd ik Bob Kitsjin gewaar; ik wou naar hem toeloopen om hem
die ontmoeting te vertellen, maar bij nader inzien deed ik dit niet,
want dan had ik ook moeten bekennen dat ze me voor den gek hadden
gehouden en dat ik er zoo leelijk was ingevlogen. En ik wilde Bob
ook niet telkens komen lastig vallen.
Burns kwam nu op me toeloopen. Hij wees naar den jongen met wien
Dester stond te praten en zei: "D-dat is B-Brunton," zoodat mijn
laatste zweem van twijfel was verdwenen.
"En is hij de zoon van dien man bij wien we gisteren zijn
geweest?" vroeg ik.
"Ja," zei Burns. "Hij is een ellendeling," voegde hij er met
overtuiging bij.
Stenford keerde zich naar me toe en merkte op: "Hij is een prefekt,
Ellinghem; hij zit in de zesde."
"Ja," antwoordde ik. "Maar wat zou dat?"
"Niets; ik wou je alleen maar zeggen dat je geen steek tegen 'm kunt
doen als hij je slaat."
"Dat weet ik ook wel," hernam ik; "de jongen is zoo groot, en hij
ziet er zoo sterk uit dat je niet bang behoeft te zijn dat ik met
hem zal gaan vechten."
"Nee, dat snap ik," zei Stenford met een hoonlach. "Dat bedoelde ik
niet. Ik wou je alleen maar zeggen dat hij als prefekt mede orde moet
houden--dit wordt ten minste voorondersteld--en dit kan hij altijd
als voorwendsel nemen om je een rammeling te geven."
"Ja," zei ik. Bob Kitsjin had me hiervan al op de hoogte gebracht.
"Wie heeft je als feg genomen?" vroeg hij.
"Norman," antwoordde ik.
"Prachtig; dan mag je van geluk spreken."
"Ik ben nog niet bij hem geweest," zei ik. "Bob--Kitsjin, bedoel
ik--heeft gezegd dat hij me mee zou nemen naar de kamer van Norman."
"Hij en Norman zijn dikke vrienden," hernam Stenford, "en Juniper
is nummer drie. Je ziet hen bijna altijd samen. Vraag het maar aan
Burns. Die is de feg van Juniper."
Burns knikte bevestigend met het hoofd.
Op dit oogenblik kwam Kien aanzetten op wiens bleek gelaat nu de
zweem van een glimlach was verschenen.
"Zoo, hoe heb jij het gehad?" riep Stenford hem vroolijk toe. "Heb
je er geducht van langs gekregen van Kolman?"
"Nee," antwoordde Kien; "'t is toch een beste vent."
"Heb je geen straf gekregen?" vroeg ik.
"Jawel, maar ik heb hem alles verteld van die koolgas-geschiedenis en
die ontploffing," hernam Kien. "De man is zelf zoo dol op natuurkunde,
en daarom ben ik er afgekomen met een geweldigen uitbrander en een
hoop strafwerk, zoodat ik in de volgende weken bijna geen vrij uur
zal hebben. Ga mee naar het laboratorium, Ellinghem, en laat me die
luchtpomp 's zien."
"Ik voor mij zou liever een pak ransel hebben gehad," zei Stenford.
"Maar dat zou mijn rapport hebben bedorven," hernam Kien, "en als
dat goed is dan heeft mijn oom in Londen me een heelen boel chemische
apparaten beloofd.--Vooruit, Ellinghem, ga nu mee."
"Dan zal je ons zeker in de lucht laten vliegen, als je die dingen
krijgt. Maar daar komt die ellendige Brunton aan. Laten we maken dat
we wegkomen."
Kien en ik hadden ons juist omgekeerd toen ik mijn naam hoorde roepen;
ik herkende de stem en de angst sloeg me om het hart.
"Ellinghem, kom hier!"
Ik bleef besluiteloos staan.
"Het is het best dat je naar hem toegaat," fluisterde Kien.
"Waarom kom je niet dadelijk als ik je roep?" schreeuwde
Brunton. "Hier, zeg ik!"
Ik keerde me om en liep naar hem toe. Dester stond naast hem en keek
me aan met een loerenden blik.
"Hoe durf jij op een jongen aanvallen als je nauwelijks een voet hier
hebt gezet?" snauwde hij me toe.
"Hij begon," zei ik.
"Zoo'n leugenaar!--Jij hebt 'm niet geslagen, is het wel Dester?"
"Alleen nadat hij was begonnen," antwoordde Dester, zonder een
oogenblik te aarzelen.
"Dat dacht ik wel," hernam Brunton; "en jij was het ook die gisteravond
door de gang liep te wandelen. Je weet heel goed dat je daar niets
hebt te maken op dat uur. Je begint mooi, dat moet ik zeggen, maar
ik zal je wel leeren. Ga mee!"
Hij greep me bij den kraag en duwde me door de deur van de
gymnastiekzaal die open stond.
"Geef me een van die dingen, Dester," zei hij.
In een hoek stonden een paar schermdegens; de gehoorzame Dester greep
er een en reikte dien over.
Brunton gaf me een stomp en zei: "Je blijft doodstil staan; begrepen?"
Hij hief den arm op, maar de degen werd hem uit de hand geslagen en
viel kletterend op den grond.
Toen ik omkeek zag ik Bob Kitsjin, die zelf een schermdegen in de
hand hield. In zijn oogen lag een eigenaardige blik. "Je scheidt uit,"
zei hij heel kalm. Blijkbaar was hij aan het schermen geweest met een
jongen aan het andere einde van de zaal, en zeker had hij hiermede
opgehouden toen hij ons had zien binnenkomen.
Brunton werd bleek van woede. Een groep jongens stond in de verte
toe te kijken om te zien wat er zou gebeuren, nu Bob tusschenbeide
was gekomen.
HOOFDSTUK XIV.
DE STUDEERKAMER VAN NORMAN.
"Nou, sla je er niet op?" vroeg Bob heel kalm en bedaard, terwijl
hij Brunton zoo doordringend aanzag dat die de oogen neersloeg.
Brunton stond te koken en zieden van drift; zijn gezicht vertrok
krampachtig en ik dacht niet anders dan dat hij als een tijger op Bob
zou aanvliegen. Maar dit gebeurde niet. Hij keerde zich om en verliet
de gymnastiekzaal; zijn gang had iets waggelends alsof hij dronken was.