Ik gevoelde dat hij me eens goed opnam; ik was koud en vermoeid na

die lange reis en hongerig en dorstig, zoodat mijn voorkomen nu niet

bepaald ontzag inboezemde. Die jongen toonde althans weinig eerbied

voor mijn persoon.

"Een van de wetten hier op school is dat al de nieuwelingen beginnen

met een mep te krijgen," zei hij.

Voor ik wist wat er met me gebeurde had hij me een slag in mijn

gezicht gegeven.

Er zijn oogenblikken waarin een felle woede ons een moed doet toonen

dien we eigenlijk niet bezitten. In zijn handelwijze was zoo iets

grievends en vernederends dat ik kookte en ziedde van drift. Al was hij

een reus geweest, dan geloof ik nog dat ik op hem zou zijn aangevlogen.

Bliksemsnel had ik hem een stomp tusschen zijn oogen gegeven, en het

scheen wel of die met juistheid toegebrachte slag mij aanspoorde tot

verdere wraakneming, want ik diende hem nog twee stompen toe voor

mijn tegenstander zich kon verweren. Als een blok viel hij tegen den

muur en tot mijn verbazing zag ik dat hij uit den neus bloedde.

"Heb je genoeg gehad?" riep ik met een stem die mijzelf zonderling

in de ooren klonk.

Een oogenblik bleef hij me hijgend aanzien; op zijn gezicht was nu

een nare uitdrukking verschenen: zooals hij daar stond met dat bloed

dat langs zijn mond droop was hij een monster. Plotseling stiet hij

een snerpenden kreet uit en vloog als een wilde kat op me aan.

Mijn woede was eenigszins bedaard; ik dacht nu aan de lessen in het

boksen die ik van Bob Kitsjin had gekregen. Ik ontweek hem door een

sprong en bracht hem een slag toe terwijl hij langs me vloog. Het

was meer geluk dan wijsheid dat ik hem had geraakt. Ik geloof dat de

stomp bij zijn oor was aangekomen; bovendien bleef zijn voet haken,

zoodat hij met een smak op den grond neerplofte.

"Zoo'n klein lief lammetje," hoorde ik plotseling naast me zeggen;

ik keek op en werd Jim Juniper gewaar dien ik al even in den trein met

Burns had gezien. Hij scheen het geval hoogst vermakelijk te vinden,

want zijn gezicht straalde van pleizier.

Hij keerde zich nu naar den jongen die langzaam overeind krabbelde

en zei: "Dester, ik geloof dat je nu genoeg hebt gehad. Ik vermoed,

vrindje, dat je vandaag den verkeerde voor hebt. Wees in het vervolg

wat meer op je hoede, hè? Het beste is nu voor je om je neus wat onder

de pomp te houden; je treft het dat het water niet al te koud is voor

dezen tijd van het jaar. Leg ook een lapje biefstuk op je oog, Dester,

maar het biefstukje mag niet gaar zijn; een rauw stukje vleesch,

hoor, dat zou een dokter je zeker aanraden."

Dester--want ik wist nu welken jongen ik op den grond had gegooid--was

weer overeind gerezen. Ik dacht niet anders dan dat hij me zou

aanvallen, maar na me een blik te hebben toegeworpen waarin felle

haat stond te lezen, sloop hij weg terwijl hij de roode druppels van

zijn neus veegde.

"Dester heeft voorloopig genoeg gehad," zei Juniper op vaderlijken

toon, terwijl hij zich naar mij keerde. "De vent schijnt zich dit

keer te hebben vergist."

"Hij is begonnen," antwoordde ik. Mijn adem ging nog hijgend op

en neer, en hoe ik mijn best ook deed het beven van mijn stem te

beletten--dit was me onmogelijk.

"Dan is het in orde," zei Juniper lachend. "Als nieuweling zou het

ook niet bijster beleefd zijn geweest als jij de vijandelijkheden

had aangevangen."

"Het spijt me," zei ik; ik had mijn kalmte nu weer herkregen.

"Ik zou er maar geen spijt van hebben," merkte Juniper wijsgeerig

op. "Wat zeg jij Burns?" vroeg Jim die zich nu naar Burns keerde; mijn

nieuwe vriend had staan toekijken met wijd-open mond van verbazing.

"N-nee," antwoordde Burns met nadruk; "ik v-vond het zoo l-leuk."

"Dester heeft er flink van langs gehad, niet?"

"N-nou--of ie!"

"Mijn lief, mak lammetje," hernam Jim die nu weer het woord tot

mij richtte; "ik moet er je aandacht op vestigen dat op je wijze

van aanvallen kritiek zou kunnen worden uitgeoefend, hoe flink die

ook was, maar die stomp met je linkerhand was goed. Van wien heb je

boksen geleerd?"

"Van Bob Kitsjin," antwoordde ik; "ken je hem?"

"Of ik Bob Kitsjin ken? Dat zou ik denken," riep Juniper die met een

theatraal gebaar de armen ophief. "Dat zou ik denken!"

"Nou, of ie," zei Burns wederom.

"Is Kitsjin een vriend van je?" vroeg Jim.

"Ja, ik ken hem nog al goed," antwoordde ik bescheiden.

"Dan deel ik je bij deze mede, dat je een bovensten besten kerel kent,

jonge vuistvechter. Maar hoe heet je eigenlijk?"

"Ellinghem," zei ik.

"Dan ben jij het exemplaar naar wien Bob overal loopt te zoeken;

hij snapt maar niet waar je toch uithangt."

"Ik ging met Burns mee om--" begon ik, doch dit heerschap greep

plotseling mijn arm, zoodat ik den zin maar afbrak.

"Als je met hem meegaat, dan zal hij er je wel gauw leelijk laten

indraaien," riep Jim lachend. "Onze dichter Burns is een gevaarlijk

sujet. Maar zeg 's, Burns, hoe kwam het in je op om onzen nieuwen

makken vriend af te leiden van het pad der deugd?"

"Het w-was bij vergissing," bracht Burns met moeite uit.

"Dat spreekt," hernam de ander. "Jij vergist je maar eens. Ga nou

maar door, en jij, Ellinghem, kom mee, dan zal ik je brengen naar

Kitsjin om zijn vaderlijk bezorgd hart gerust te stellen."

"Zeg 's, J-Jim," zei mijn roodharige vriend toen Juniper met me

weg trok.

"Wat moet je van me, Burns?" vroeg Jim.

"Als D-Dester het v-vertelt aan B-Brunton--"

"Daar kan je van op aan."

"Dan z-zal ie--"

"Ja, dat zal ie zeker."

"D-dan moet je Ellinghem w-waarschuwen."

"Maar die kent Kitsjin en daarom zal het wel zoo'n vaart niet loopen."

"M-misschien niet, m-maar toch ..." antwoordde Burns aarzelend, waarop

hij verder trok, terwijl Juniper zijn arm door den mijne stak--een

eer waardoor ik me bijzonder gevleid gevoelde--en zoo liepen we samen

de gang af en een steenen trap op; toen hielden we stil voor een deur

waarop Jim op een eigenaardige manier klopte.

"Binnen!" riep een bekende stem.

We gingen de kamer in waar Bob Kitsjin bezig was water te koken boven

een spiritus-licht.

HOOFDSTUK XI.

WIJ MAKEN KENNIS MET STENFORD, KIEN EN COMPAGNIE.

"Mag ik dit heerschap onder Uw Edele's aandacht brengen," zei

Jim Juniper, met de zwierige gebaren van een spullebaas op de

kermis; "de beroemde bokser is zijn werkzaamheden begonnen op

St. Martin. Geen oogenblik heeft hij gedraald. Onmiddellijk is hij

aan den arbeid gegaan. Dagelijks slaat hij blauwe oogen. Specialiteit

in bloedneuzen! Kom op, kom maar op! Jullie ligt op den grond voor

je het weet!"

Terwijl ik deze toespraak aanhoorde, stond ik tamelijk sullig naar Bob

te kijken; die scheen de drukte die Jim maakte echter heel gewoon te

vinden; hij lachte alleen maar en zei toen: "Zoo, Martin, waar heb

jij al dien tijd uitgehangen? Ik dacht dat ik je hier zou vinden,

maar niemand had een glimp van je gezien. Ik begon heusch ongerust

te worden dat je was zoek geraakt. Waar ben je geweest?"

"Dat mag je wèl vragen," zei Jim die het woord nam voordat ik een

klank had kunnen uitbrengen. "Werp een blik op dit jonge mensch dat

zoo juist voor de eerste maal den drempel heeft overschreden van

dit eerwaardige gebouw. Waarmee denk je dat hij zich onledig heeft

gehouden, Kitsjin? Het is nog geen tien minuten geleden, dat hij hier

is binnen gekomen."

"Heeft ie wat te eten gehad?" vroeg Bob. "Want ik ben juist bezig om--"

"Eten!" riep Juniper die op de tafel ging zitten en een gemakkelijke

houding aannam; "deze jongeling bezit een ziel, of beter gezegd een

maag, die ver is verheven boven eten. Neen; hij heeft een strijd op

leven en dood gestreden."

"Och jij met je praatjes," zei Bob lachend. "Wat kan je toch ratelen,

Jim. Hierin ben je ieder de baas. Zoo'n kletsmajoor als jij bent heb

ik nog nooit van m'n leven gezien!"

"Vraag het hem maar zelf!" riep Juniper die een sierlijk handgebaar

maakte in mijn richting, terwijl ik nog altijd even sullig naar Bob

stond te kijken; "vraag het hem zelf maar! Hij heeft reeds het bloed

doen vloeien van een onzer glorierijkste medescholieren."

"Als je je nu eens minder dichterlijk uitdrukte en gezonder taal

gebruikte, dan zou ik misschien beter snappen wat je wilt zeggen,"

hernam Bob lachend. "Martin, wat heb je uitgehaald? Vooruit, vertel

op, en gauw wat, want het water kookt en dan kan ik thee zetten. Ik

zal je te eten geven en je dorst lesschen."

"Het spijt me dat ik zoo laat ben, maar ik kan het heusch niet helpen,"

begon ik. "Een jongen gaf me een slag, en--en toen sloeg ik terug."

"Toen sloeg ik terug!" riep Jim Juniper. "Nou, of ie. Ik zeg je,

Kitsjin, dat je voor hem moet rillen en beven. In de gang komt ie

Dester tegen..."

"O, heb je het met Dester aan den stok gehad?" vroeg Bob die nu

blijkbaar belang ging stellen in het verhaal.

"Ja, met niemand anders. Dester had ditmaal echter den verkeerde

voor zich. Hij was zoo dwaas om ons lammetje te rekenen tot dat

soort jongens waarop hij het gewoonlijk heeft begrepen. Maar hij

werd zijn vergissing gauw genoeg gewaar. Ons lammetje geeft hem een

stuk of wat stompen die raak zijn. Dester rolt gewoon tegen den muur,

maar dan springt hij als een tijger op ons lammetje, maar jawel hoor,

hij krijgt er nu een, geheel volgens de regelen der kunst, en tuimelt

op den grond. Dester af. In het vervolg zal hij ons lammetje wel

met rust laten. Als je nog aan de waarheid van mijn verhaal mocht

twijfelen, vraag het dan maar aan dichter Burns die getuige was van

het heele tooneel."

"Je bent er wel gauw bij geweest, Martin," zei Bob op ernstigen toon,

hoewel ik kon zien dat hij toch schik had in het verhaal.

"Het spijt me dat het is gebeurd," zei ik.

"Het spijt mij geen zier," zei Juniper. "Hoera voor onzen oorlogsheld;

Kitsjin, geef hem te eten en schenk hem troost en steun. Je kunt

nog eer aan hem behalen; als hij zoo voortgaat zal hij onze school

met lauweren bekransen. Zijn naam zal nog op het prospectus komen te

staan. Maar wees maar op je hoede voor hem. Vaarwel Kitsjin!--Vaarwel

kampioen!--Je naam weet ik niet meer precies. Een volgend keer ben ik

weer tot je orders." Hij liet zich van de tafel glijden en verdween,

na ons een sierlijk gebaar te hebben toegeworpen tot afscheid.

"Typische vent, maar een beste kerel," zei Bob. "Soms weet je niet of

hij je voor den gek houdt of werkelijk meent wat hij zegt. Ga zitten,

je zal wel honger hebben. Kijk, dit kan ik je aanbieden. O, het water

kookt. Trek dien stoel wat bij en schuif die boeken maar weg. Vertel

nu maar op."

"Ik kwam in een coupé te zitten met een zekeren Burns--" begon ik.

"Pas op voor dien vent," zei Bob die de thee nu inschonk. "De kerel is

niet kwaad; iemand die zoo verschrikkelijk stottert heeft misschien

nooit kwaad in den zin, maar Burns heeft er nu eenmaal slag van om

zichzelf er leelijk in te werken en er anderen mee te laten inloopen,

hoewel hij dit nooit met opzet doet. Nu, ga door."

Ik vervolgde mijn verhaal en vertelde wat ik met Burns had uitgevoerd,

tot ik was gekomen aan de beschrijving van den dikken man met den

horlogeketting en de onderkin. Intusschen lieten we ons het maal goed

smaken; Bob die juist bezig was met een potje jam stiet plotseling

een kreet van verbazing uit.

"Wat is er?" vroeg ik.

"Niets, het leek me alleen zoo toevallig," antwoordde hij. "Vertel

maar door."

"Ik vond het zoo vreemd dat hij mij van naam scheen te kennen en

jou ook."

Bob mompelde wat; ik kon zien dat hij zich niet op zijn gemak gevoelde.

"Wie is die man?" vroeg ik, "en hoe kan hij iets van ons weten? Hij

woont hier pas en als Burns niet..."

"Och, die uil van een Burns," riep Bob kwaad.

"Weet je hoe ie heet?"

"Ja: Brunton."

"Is het de vader van den jongen die hier op school is?"

"Ja."

"Is het dezelfde met wien Dester koek en ei is?"

"Ja."

"Dan zal Brunton er wel alles van hooren."

"'k Zie niet in dat jullie daardoor herrie zullen krijgen," zei

Bob. "Toe, neem nog wat jam; je eet veel te weinig, kerel. De Bruntons

hebben vroeger in de buurt van Londen gewoond, maar nu hebben ze om

de een of andere reden hun tenten hier opgeslagen."

"Maar hoe kan die man nu iets af weten van jou en mij?" vroeg ik.

"Och, die vent dien we hier op school hebben heeft hem zeker het

een of ander verteld," antwoordde Bob op luchtigen toon. "Wil je nog

wat thee?"

Het was duidelijk dat hij hierop niet wilde doorgaan; daarom durfde

ik hem geen vragen meer stellen, hoewel ik over deze zonderlinge zaak

bleef nadenken.

"Als we zoo meteen klaar zijn zal ik je naar Wilson brengen--je komt

in zijn klas, zie je; ik heb hem gezegd dat ik je zou ontvangen, want

hij dacht natuurlijk dat je bij hem zou komen. Niemand kon denken

dat je er met Burns op uit was getrokken."

Ik knikte bij wijze van instemming.

"In school zullen we niet veel van elkaar zien," hernam Bob; "maar hier

kan je altijd komen, wanneer je maar wilt. Ik zit nog niet in de zesde,

dus een feg houd ik er niet op na; maar ik heb met Norman afgesproken

dat die je zal nemen, en ik verzeker je dat dit een buitenkansje voor

je is."

We bespraken nog eenige zaken die het gewichtige voetbalspel betroffen

en toen bracht Bob me naar mijn toekomstigen leeraar, een man met een

ernstig gezicht en grijze bakkebaarden die op afgemeten toon sprak

en den indruk maakte alsof hij me op een grooten afstand voor zich

zag staan. Ik kreeg een gevoel alsof hij op een heuveltop stond en

ik op een anderen en alsof hij me iets zou toeschreeuwen, zoodat ik

heel verbaasd was toen hij op zachten plechtigen toon het woord tot

me richtte; hij stelde me allerlei vragen over mijn werk en over de

boeken die ik had gebruikt; op al mijn antwoorden volgde H'm, zoodat

ik volstrekt niet wist of mijn kennis hem mee of tegenviel.

Toen dit bezoek was afgeloopen werd ik gebracht naar den "chef",

een langen man met een gladgeschoren gezicht en heldere doordringende

oogen. Hij had een streng voorkomen, doch hij sprak zoo vriendelijk

tegen me en zei dat hij hoopte dat ik goed mijn best zou doen; ik

nam me dit dan ook onmiddellijk voor, al was het alleen maar om hem

genoegen te doen.

"Je bent bekend met Kitsjin, is het niet?" vroeg hij, toen het

onderhoud was afgeloopen en hij me goeden nacht wenschte.

"Ja, mijnheer," antwoordde ik terstond, want ik was trotsch op mijn

vriendschap met Bob.

Toen zei hij dat het veel waard was om een vriend te hebben op een

nieuwe school, vooral als die vriend een paar jaar ouder was, maar

toch moest ik zelf mijn weg banen op St. Martin; ik moest niet te

veel van een ander afhangen; in mijn later leven zou ik ook op eigen

beenen moeten staan.

Ik vermeld dit omdat die woorden betrekking hadden op hetgeen later

gebeurde. Op dat oogenblik hield ik ze voor een waarschuwing dat ik

Bob niet met alle mogelijke kleinigheden zou lastig vallen, maar er

me zelf doorheen moest zien te slaan.

Met dit vaste besluit kwam ik klasse B binnen, waar ik verscheidene

jongens aan lessenaars zag zitten. Allen waren ongeveer van mijn

grootte en leeftijd; de meesten waren druk bezig om hun boeken en

verdere benoodigdheden in lessenaars te schikken; de school zou den

volgenden morgen beginnen. In mijn nabijheid werd ik het roode haar

van Burns gewaar, en iets verder zag ik Dester zitten wiens gezicht

nog sporen droeg van het tweegevecht.

Ik voelde dat ik een kleur kreeg, toen ik verlegen en stoeterig mijn

weg baande tusschen al die jongens door naar de plaats die mij werd

aangewezen. Iedereen keek me aan, zoodat ik me als een solist gevoelde

die het podium betreedt; ik dacht dat die algemeene belangstelling

uitsluitend mijn nieuwelingschap gold, doch weldra kwam ik tot de

ontdekking dat ik in een zekeren zin reeds naam had gemaakt.

"Zeg 's, is het waar dat je met Dester hebt gevochten?" fluisterde

de jongen aan mijn linkerkant, zoodra ik had plaats genomen.

Ik begreep niet hoe hij dit nu al wist, maar ik knikte van ja.

"'t Is raak geweest, hoor," hernam hij lachend, terwijl hij eerst op

zijn neus wees en toen op zijn oog.

De leeraar die toezicht hield was met het een of ander bezig en

stond op het verste gedeelte van het podium, en dit oogenblik nam ik

waar om eveneens fluisterend te antwoorden: "Och--och--het was geen

gevecht eigenlijk."

Uit "Tom Brown's schooldagen" wist ik wat onder een gevecht moest

worden verstaan; ik begreep dan ook best dat het tusschen Dester en

mij niet veel meer was geweest dan een schermutseling.

"Niet?" hernam hij. "Hoe lang heeft het geduurd?"

"Een minuut misschien," antwoordde ik bescheiden. "Maar we mogen niet

praten, is 't wel?"

"Zoolang Kijkers daar bezig is merkt hij er niets van," antwoordde de

jongen heel kalm. "Maar je hebt 'm geducht op z'n kop gegeven. Burns

zegt dat het bloed uit z'n neus stroomde."

"O, dus je weet het van Burns?"

"Ja; je heet Ellinghem, niet?"

Ik knikte van ja.

"Ik heet Stenford. Toen je begon wist je dat natuurlijk niet?"

"Wat wist ik toen niet?"

"Van Brunton. Je moet weten dat Dester zijn page is. Brunton neemt

altijd zijn partij op."

"Toen we begonnen te vechten wist ik niet eens dat ie Dester heette,"

zei ik; "hij gaf me een slag en toen sloeg ik terug."

"Dat dacht ik wel," hernam Stenford, "want als je het hadt geweten,

dan zou je hem wel met rust hebben gelaten."

"Waarom?" vroeg ik eenigszins onthutst.

"Omdat je van Brunton op je gezicht zal krijgen," antwoordde Stenford

heel bedaard. "Je kunt ervan op aan dat Dester hem nu alles heeft

verteld. Toch ben ik blij dat de kerel 's op zijn kop heeft gehad."

"Wat is die Brunton er voor een?" vroeg ik, om te weten te komen of

Stenford hem eender beoordeelde als Burns.

"Een ellendeling," antwoordde Stenford kortaf. "Maar houd je mond:

hij komt eraan."

De leeraar daalde van het podium af en verliet de klasse, waarop

onmiddellijk een gegons van stemmen ontstond. De jongens verlieten

bijna allemaal de banken en weldra kwam ik tot de ontdekking dat

ik het middenpunt vormde van een kring belangstellenden. Er waren

nog meer nieuwelingen, doch met die bemoeide bijna niemand zich. Ze

zagen er zoo echt nieuw uit, want ze zaten doodstil en spraken geen

woord. Ik zou zeer zeker ook niet veel hebben gezegd als ik niet door

vragen was bestormd.

"Zeg, hoe heet je?"

"Hoe?--Ellinghem?"

"Kan je boksen?"

"Ben je een Piet met voetbal?"

"Houd je van blokken?"

"Hoeveel rondes hadt je met Dester?"

"Smeet je 'm op den grond?"

"Is het waar wat Burns vertelt?"

"Zeg, je zal er van Brunton van langs krijgen."

Op al die vragen moest ik antwoord geven. Het viel me op dat het

iedereen blijkbaar genoegen deed dat Dester leelijk te pas was gekomen,

hoewel niemand dit openlijk durfde bekennen. Hij scheen er een soort

partij op na te houden, want een stuk of wat jongens stonden om hem

heen en ik ving nu en dan een paar woorden op als "zoo'n onbeschaamde

rekel"--"hij moest zelf een pak slaag hebben" enz. Ik begreep maar

al te goed op wien dit allemaal doelde.

Tot mijn verwondering hoorde ik de stem van Burns plotseling boven het

rumoer uit. "Als hij een p-pak m-moet hebben, d-dan m-moet D-dester

hem nou m-maar een r-rammeling g-geven."

"Vooruit, Dester," riepen verscheiden jongens: "Kijkers is naar

Kolman. Tijd genoeg. Vooruit, Dester, geef hem dan op z'n gezicht!"

Ik merkte heel goed op dat sommigen dien kreet aanhieven om jongeheer

Dester werkelijk te believen, doch op de gezichten van de meeste

jongens lag een spottende uitdrukking, omdat ze heel goed wisten

dat dit heerschap het wel zou laten om opnieuw te gaan vechten. Een

heel troepje stond dan ook om hem heen om zich aan te bieden als

secondanten, dokter en weet ik al wat meer.

"Vooruit, Dester!"--"Dester, hoe laf!"--"Toe, geef 'm dan op z'n kop,

Dester!"--"Sla 'm ook een blauw oog,"--al dergelijke kreten klonken

dooreen.

Dester bleef echter stokstijf zitten en vergenoegde er zich mede om

vreeselijke bedreigingen te uiten. Verschrikkelijke dingen schenen

mij boven het hoofd te hangen.

Het viel me op dat Burns hoegenaamd niet bang voor hem scheen te

zijn. Telkens en telkens moest Burns onze schermutseling in kleuren

en geuren vertellen en ik moet erkennen dat hij het verhaal wel wat

aandikte. Zoover als ik hem kon verstaan te midden van het rumoer

stelde hij me voor als een Samson of een wereldberoemd kampvechter,

zoodat er op het laatst heel wat jongens waren die met eerbied tot

me opzagen en bij zichzelf zeiden dat het geraden was om het niet

met mij aan den stok te krijgen.

"Is het niet kostelijk om Burns zoo te hooren kakelen?" zei Stenford.

"Hij schijnt zich niet druk te maken om Dester," antwoordde ik.

"Nee, dat zal wel uitkomen. Hij heeft Juniper toch achter zich. Ken

je Jim?"

Ik knikte van ja.

"Een leuke, gladde vent. Hij is verschrikkelijk dik met Norman."

Toen al dat gepraat en rumoer aan den gang was, was me opgevallen

dat de jongen aan mijn rechterhand op niemand of niets acht sloeg en

niemand keek evenmin naar hem om. Hij had me een oogenblik aangezien

toen ik naast hem was gaan zitten; daarna had hij onmiddellijk zijn

bezigheden weder hervat. Zoodra de heer Kijkers het vertrek had

verlaten, had hij zijn lessenaar opgeslagen waarachter zijn hoofd

verdween en wat hij uitvoerde scheen zijn volle aandacht te vorderen.

Stenford had opgemerkt dat ik een paar maal dien kant uitkeek. "Dat is

Kien maar," zei hij; "de vent is dol op proeven. 't Liefst zou ie den

heelen dag in het laboratorium zitten, maar in zijn lessenaar en op

zijn kamer zit ie altijd te knoeien. Op een goeden dag vliegt ie nog

's in de lucht."

Zelf hield ik ook van proefnemingen. Ik was de gelukkige bezitter

van een galvanische batterij, een luchtpomp, een Leidsche flesch en

weet ik wat al niet meer; met eenige belangstelling keek ik dan ook

naar den wetenschappelijken onderzoeker.

Ik kreeg een glimp te zien van hetgeen in zijn lessenaar gebeurde;

tot mijn verbazing zag ik tusschen een massa rommel een pijp en

een spirituslamp die helder brandde, hoewel ik hem geen lucifer had

hooren afstrijken. Ik begreep dan ook niet hoe hij die had kunnen

aansteken. Door die pijp vatte ik echter waarmee hij zich bezig

hield. "Maak je koolgas?" vroeg ik fluisterend.

Hij keek me even aan met oogen, die straalden van pleizier. "Ja,

heb jij het wel 's gedaan?"

Ik knikte van ja. De lezer weet op welke wijze men hierbij te werk

gaat. Men neemt een lange aarden pijp, de kop wordt gevuld met kool die

tot poeder is fijn gewreven, een stop vormt de sluiting. De pijpekop

werkt als een retort; het gas dat gevormd wordt, kan niet ontsnappen

door de stop (hoewel dit in de praktijk toch wel gebeurt), en moet

zich een uitweg banen langs den steel naar het mondstuk, waar het kan

worden ontstoken en alleraardigst branden, een lust voor het oog. De

eenvoudigste manier om den pijpekop te verhitten is om dien in het

vuur te zetten, de steel steekt dan uit tusschen de staven, maar de

wetenschappelijke methode is om een Bunsen-brander te gebruiken of

een spiritus-lamp waarboven je de pijp vasthoudt met een tangetje.

"Wat voor soort leem gebruik jij altijd," zei Kien, alsof ik bijna

dagelijks koolgas vervaardigde.

"Wat ik maar kan krijgen," antwoordde ik op een toon van diepen ernst,

dien men dient aan te nemen als men het woord richt tot een beroemden

specialiteit.

"Stourbridge is verreweg de beste," zei hij "maar toch ontsnapt nog

te veel gas."

Hierin moest ik hem helaas gelijk geven.

"Het leem barst," merkte hij op.

"Ja, dat is zoo," gaf ik toe.

"Nu ook weer," hernam hij, terwijl hij weer met het hoofd achter den

lessenaar wegdook. "Kijk maar!"

Ik rekte den hals uit en gluurde over zijn schouder; de scherpe reuk

van brandende spiritus drong tot me door.

"De leem was te nat," zei Kien, terwijl hij den barst pleisterde met

wat vochtige leem die hij op een schoteltje had gereed staan; "het

moest eigenlijk een halven dag drogen, maar je moet het vlug doen,

of anders kan je het wel laten."

Ik gaf dit toe. Met verbazing keek ik naar dien jongen die scheikundige

proeven in zijn lessenaar durfde doen, waarbij hij kans liep om ieder

oogenblik door een leeraar te worden gesnapt.

"Ben je--ben je? niet bang om brand te maken?" vroeg ik.

"O nee," antwoordde hij heel bedaard; "in het laboratorium is het

natuurlijk veiliger. Maar ik wou niet wachten tot morgen; ik wilde

die leem vandaag probeeren; in deze kool zit een massa gas. Kijk,

het komt er prachtig uit; het zal zoo gaan branden."

"Ben je niet bang voor... voor..."

"Voor Kijkers?--Nee, want die ruikt niets," voegde hij er lachend

bij. "Anders..."

Ja, ik moest toegeven dat hij er anders wel eens leelijk tegen aan

zou kunnen loopen. Brandende spiritus verspreidt nu eenmaal een

eigenaardigen geur, om van gas dat ontsnapt niet eens te spreken,

al geschiedt de proef ook op kleine schaal, zooals hier het geval was.

"'k Had de spiritus klaar," zei Kien, "en de pijp ook; toen Kijkers

er vandoor ging had ik alleen maar een lucifer af te strijken. Leuk

goedje, hè?"

Bravo, Bob! De padvinder uit Canada · 第 4 / 15 段