Gelukkig wist ik door Bob Kitsjin wat tot de waardigheid van een
prefekt behoorde, zoodat deze mededeeling den noodigen indruk op mij
maakte. Ik vond nu het oogenblik gekomen om met mijn nieuwen vriend
voor den dag te komen. "Ken je een zekeren Kitsjin?" vroeg ik.
Burns knikte van ja.
"Is hij een prefekt?"
"Nee; m-maar later w-wordt hij het st-stellig."
"Ik ken hem heel goed," zei ik, alsof hij een vriend was uit mijn
kinderjaren.
Deze tijding maakte indruk op Burns. Maar toen dacht hij weer
uitsluitend aan zijn eigen verdrietelijkheden.
"Ik zit zoo vreeselijk in de rats," zei hij op somberen toon.
Bob Kitsjin had me op het hart gedrukt om als nieuweling altijd bereid
te zijn om anderen van dienst te zijn als de gelegenheid zich hiertoe
voordeed. Zelf zou hij dit ook doen, want het lag nu eenmaal in zijn
aard om de menschen te helpen; de hulp die ik nu echter aanbood sproot
eigenlijk meer voort uit eigenbelang, omdat ik bij dien jongen in
een goed blaadje trachtte te komen staan.
"Kan ik je ook van dienst zijn?" vroeg ik aarzelend.
"Ja," antwoordde hij terstond; mijn aanbod nam hij blijkbaar gretig
aan.
Met jongens had ik weinig omgegaan en een type als Burns had ik nog
nooit ontmoet, anders zou ik mijn diensten zeker niet zoo grif hebben
aangeboden. Ik gevoelde me integendeel gevleid dat die niet uit de
hoogte werden afgeslagen. Het was dan ook alleen uit bescheidenheid, en
niet omdat ik terug wilde krabbelen dat ik hem vroeg of hij misschien
meer zou hebben aan de hulp van Juniper, zooals die jongen immers
heette, dan aan de mijne.
"Je w-wilt dus l-liever n-niet?" vroeg Burns op wiens gezicht nu
wederom die sombere uitdrukking verscheen.
"Jawel," antwoordde ik haastig; "ik zal alles doen wat je maar wilt."
"Ik-ik heb meer aan jou dan aan Jim, zie je," hernam hij langzaam,
alsof hij eerst diep had nagedacht voor hij die woorden uitsprak.
"Zoo?" zei ik; ik gevoelde me zeer gevleid dat hij me blijkbaar zoo
gunstig beoordeelde.
"J-ja--want jij b-bent hier nieuwer," hernam hij.
Niemand zou een oogenblik hebben getwijfeld aan mijn "nieuwheid." Ik
gevoelde me nieuw, akelig nieuw. Ik begreep alleen niet dat hij dit
als een verdienste beschouwde. De reden hiervan vroeg ik maar niet aan
Burns, omdat hij me dan misschien een verhaal zou gaan doen waaraan
geen eind zou komen door zijn gestotter; daarom vroeg ik hem alleen
wat er eigenlijk was gebeurd.
"L-luister," zei hij; "w-we hebben g-geen oogenblik te verliezen."
HOOFDSTUK IX.
HET GEVAL MET BURNS.
"We zijn er!" riep Burns plotseling.
De trein verminderde de vaart en weldra hielden we stil voor een
klein station; op de lantarens wier flikkerend licht ons bescheen,
zag ik St. Martin staan; de lange reis was dus eindelijk voorbij. Het
oogenblik was nu aangebroken waarop ik mijn intrede zou doen op een
school en waarop ik me zou bevinden in een nieuwe jongenswereld;
zeer zeker zou dit vooruitzicht een benauwend gevoel bij me hebben
opgewekt, als ik niet had moeten denken aan andere dingen die mijn
onmiddellijke aandacht vorderden.
"Dus je-je b-begrijpt het?" vroeg Burns, toen we ons gereed maakten
uit te stappen en onze bagage uit het net haalden.
"Ja," antwoordde ik. "Maar geloof je heusch dat er niets anders
op zit?"
"Je h-hebt 't b-beloofd," zei Burns op een toon van verwijt.
Dit was de waarheid; ik moest er dus maar het beste van hopen.
"G-ga m-mee voordat iemand ons z-ziet," zei Burns; "de m-man zal onze
b-bagage en die v-van Jim w-wel met de r-rest meenemen."
Ik gehoorzaamde aan de bevelen van Burns en gooide mijn valies en
andere bagage op een handwagen, evenals al de St-Martinjongens die op
het kleine station waren uitgestapt. In de verte zag ik Jim Juniper
aankomen, maar mijn nieuwe vriend scheen hem nu te willen ontwijken,
wat niet moeilijk viel, want het station werd schaarsch verlicht en
op het perron was het een herrie van belang.
Ik moet eerlijk bekennen dat ik een onderzoekenden blik om me heen
wierp in de hoop een glimp van Bob Kitsjin gewaar te worden; Burns
scheen bang te zijn dat ik hem op het laatste oogenblik in den steek
zou laten, en daarom nam hij me bij den arm en liep haastig met me
het station uit.
We trokken eenige donkere straten door van het kleine stadje die alle
meer of min krom en opwaarts liepen; het duurde dan ook niet lang of
we hadden het station en de jongens en iedereen een heel eind achter
ons gelaten en het leek wel of we weer naar buiten trokken.
Eindelijk begon Burns langzamer te loopen; bij een bocht van den weg
bleef hij stil staan. "Dat is St.-M-Martin," zei hij, terwijl hij
een vaag gebaar maakte met de hand.
De lichten van de stad zagen we nu beneden ons glinsteren; ik keek
in de richting die hij aanduidde en werd een gebouw gewaar op den
heuvel achter de stad.
"Is dat de school?" vroeg ik aarzelend.
Burns stiet een brommend geluid uit, wat een bevestigend antwoord
moest beteekenen.
"Ze lijkt me zoo ver hier vandaan," merkte ik op.
"W-we l-loopen er ook vanaf," zei Burns heel kalm, alsof het de
gewoonste zaak van de wereld gold.
"Is het nog ver waar we heen moeten gaan?" vroeg ik.
"Heel dichtbij," antwoordde hij. "Hoe eerder we er zijn, hoe beter."
Van dit laatste was ik nog niet zoo zeker. In den trein had Burns een
verhaal gedaan, of eigenlijk gezegd had hij lange zinnen hortend en
stootend uitgebracht die in geen onderling verband stonden. Eerst had
hij me plechtig laten beloven dat ik er tegen niemand een woord van zou
reppen, en toen had hij me om zoo te zeggen als luitenant aangesteld
in den kleinen veldtocht dien hij van plan was op touw te zetten. Ik
had nu eenmaal mijn diensten aangeboden en die had hij aangenomen;
hij zat in de rats en ik moest hem eruit helpen.
Wederom dacht ik aan de woorden van Bob, die me den raad had gegeven
om als nieuweling altijd bereid en klaar te staan voor ieder die
om hulp vroeg; anders geloof ik niet dat ik dien tocht met Burns
zou hebben ondernomen. Toen we eindelijk voor een groote villa stil
hielden, die alleen stond in een tuin, en Burns zei: "Hier is het,"
toen zou ik het 't liefst op een loopen hebben gezet; dit zou ik dan
ook zeker hebben gedaan, als ik hem niet mijn hulp had beloofd.
"Eerst 's op-p v-verkenning uit," zei Burns. "W-wacht hier even."
Hij verdween om den hoek van het huis en liet me alleen in het donker.
Het moest tusschen zeven en acht uur zijn. Het was een koele avond
met bewolkten hemel; de wind kwam met vlagen uit zee. Vanaf de plek
waar ik nu stond, kon ik me eerst rekenschap geven van het omliggende
landschap; ik zag beneden ons de kleine schemer-verlichte stad die
als in een inham scheen gelegen, waarschijnlijk aan een rivier die in
zee uitkwam; aan weerszijden verhieven zich de klippen, waarvan de
omtrekken ternauwernood waren te onderscheiden; in de verte strekte
zich een wijde, donkere vlakte uit, wat natuurlijk de zee moest
wezen. Hetgeen zich aan de landzijde bevond kon ik niet zien, daar het
uitzicht door het huis werd belemmerd; toen mijn blik wederom op de
villa viel, werd ik herinnerd aan den tocht dien we hadden ondernomen.
Burns kwam nog maar niet opdagen; de wind stak nu zoo krachtig op dat
ik begon te huiveren. Als het geloei van de windrukken een oogenblik
vervaagde, drong het klotsen van de golven tot me door die beukten
op de rotsige kust. Toen ik de lichten in de zee gewaar werd van een
snel-varende stoomboot welde het verlangen bij me op om aan boord
te stappen van dat vaartuig, dat me zou wegvoeren van deze plaats
waarheen ik was meegenomen en waar ons misschien vreeselijke dingen
boven het hoofd hingen.
Terwijl ik in gepeins stond verzonken en naar het schip in de verte
tuurde, voelde ik plotseling een stomp, die me een sprong in de lucht
deed maken.
"Ga mee; de kust is vrij," zei Burns. Dit wilde hij tenminste zeggen,
maar er waren een paar woorden die hij zoo moeilijk uitsprak, en zoo
lang bleef hij dan ook aan het stotteren, dat ik een oogenblik dacht
dat de een of andere schrik zijn spraakvermogen geheel had verstoord.
Ik wilde een laatste poging wagen. "Zou het niet beter zijn als--als--"
vroeg ik aarzelend.
"Je hebt het beloofd," zei Burns wederom, waarop hij mijn arm greep
en me bijna sleurde door een tuinhek, over een pad met krakende
kiezelsteenen en een steenen stoep op, tot voor een mooie, deftige
deur met glazen paneelen.
De bel was een van die nare, akelige dingen die ervoor bedanken om
eenig geluid te geven als je er bescheiden en vriendelijk aan trekt,
maar dan ineens een lawaai maken of een brandklok wordt geluid. Het
was Burns die kwaad was geworden. "Zal je n-nou overgaan, ellendig
ding," had hij geroepen, waarop hij een krachtigen ruk had gegeven. Een
oogenblik stond hij echter zelf versteld van het oorverdoovend lawaai
dat de schel nu maakte. "W-wel l-lieve deugd," mompelde hij.
Een dienstmeisje kwam aandraven om ons open te doen. Ik moest het
woord voeren, dus nu was het oogenblik aangebroken waarop ik zou
moeten beginnen. "Is mijnheer--mijnheer--" begon ik: den naam had ik
een paar maal in den trein herhaald, maar in mijn verwarring was die me
plotseling ontschoten. "Is mijnheer thuis?" vroeg ik toen maar alleen.
"Ja, hij is thuis," antwoordde het dienstmeisje snibbig, terwijl ze
het hoofd nijdig in den nek wierp, "maar jullie hoeft niet te luiden
of er brand is."
"Kunnen we hem spreken?" vroeg ik.
"Hij moet eerst klaar zijn met eten," antwoordde ze. "Waarom komen
jullie? Je bent toch geen zangers met Kerstliedjes; het is nog veel
te lang voor het Kerstmis is en we moeten trouwens niets van die
lui hebben."
De gedachte dat Burns Kerstliedjes zou aanheffen, dat werd me al
te machtig. Ik kon mijn lachen niet inhouden en proestte het zacht
uit. Burns wierp me een verwijtenden blik toe; hij nam nu zelf het
woord met zoo'n vuur dat hij op de vloermat stond te stampen zoodat
de stof in wolken opvloog: hoe hij zijn best echter ook deed, hij
kon alleen maar klanken en geen woorden uitbrengen.
"Van m'n mat af!" riep het dienstmeisje; "ik bedank voor al die stof
in het voorhuis!"
"Ik zal het wel vertellen," begon ik.
"Hij heeft zeker een toeval!" riep het dienstmeisje. "Heeft ie dat
wel meer?"
"Wat is dat voor drukte," riep een zware stem in de verte.
Toen ik in de richting keek vanwaar dat diepe geluid kwam werd ik onder
de ganglamp een langen dikken man gewaar met een kaal hoofd en zware
onderkin; zijn lichaam was rond en gewelfd als een aardrijkskundige
globe; de glinsterende horlogeketting deed denken aan een gedeelte
van den equator.
"Het zijn een paar Kerstmis-zangers," antwoordde het dienstmeisje
haastig en gejaagd; haar stem klonk nu heel bedeesd en eerbiedig.
"Dat zijn we niet," riep ik met nadruk; "we kwamen hier, omdat we u
wilden spreken, mijnheer."
Burns had me plotseling bij den arm gegrepen; hij fluisterde me wat
in, of beter gezegd, hij trachtte me wat in te fluisteren--maar ik
kon er geen woord van verstaan.
"Ga dan maar mee," zei de dikke heer met de zware basstem.
Ik liep achter hem aan, Burns trok me echter telkens terug om me iets
mede te deelen; hij kon echter niet uit zijn woorden komen. Weldra
bevonden we ons in een vertrek waar het heel erg naar eten rook;
de mijnheer met de onderkin liet zich met een plof neervallen op een
stoel voor een glas met donkerrooden wijn; toen keek hij ons aan over
de wijnkaraffen die op tafel stonden.
Nu moest ik het woord nemen. In den trein had ik van buiten geleerd
wat ik zou zeggen; dit had de goedkeuring van Burns weggedragen die
me natuurlijk de punten had opgegeven en ik gevoelde dat als ik het
er goed afbracht, de zaak nog wel in het reine kon komen.
Ik was echter lang niet op mijn gemak toen ik het woord
nam. "Mijnheer," begon ik, "deze jongen is een vriend van me"
(heelemaal waar was dit natuurlijk niet, maar deze aanhef was toch de
beste in de gegeven omstandigheden); "hij heeft echter een spraakgebrek
en daarom heeft hij mij gevraagd of..."
"Wacht 's even," zei de heer met de onderkin, die een dikken vinger
ophief om mijn woordenstroom te stuiten; "wat voor een spraakgebrek
heb je?"
"Ik-h h-heb g-geen s-spraakgebrek," riep Burns opgewonden; "d-dat is
het-t n-niet!"
"Dat is het wèl," hernam de zwaarlijvige heer die zijn halve glas
wijn met één teug uitdronk. "Ik vraag je of je een spraakgebrek
hebt," hernam hij met een kleur van kwaadheid, "omdat ik de woorden
van je vriend door jezelf wil hebben bevestigd; hij zegt dat je een
spraakgebrek hebt en jij beweert van niet en ik hoor aan je gestotter
dat het wèl zoo is. Je vriend spreekt dus de waarheid en jij bent
een leugenaar."
Hoe vleiend die uitspraak voor mij uitviel, wist ik nu toch wel genoeg
van Burns om te kunnen verklaren dat hij iemand geen leugens op de mouw
spelde. Een stilte ontstond; ik vond het nu geraden om door te gaan
met mijn verhaal, doch als ik maar een mond open deed achtte Burns
blijkbaar het oogenblik gekomen om ook een woordje mee te praten,
ofschoon hij had beloofd mij rustig te laten uitspreken.
"Ik moet nu zijn partij opnemen--," begon ik wederom.
"Het-t is n-niet...," bracht Burns stotterend uit, terwijl hij me
bij den arm greep.
"En ik zeg je dat het wèl zoo is," riep de dikke heer. "Ben je een
leugenaar of niet?"
Die vraag klonk op den man af; ik dacht dan ook dat een kort en bondig
antwoord hierop zou volgen, maar "neen" was een heel lastig woord
voor Burns om uit te spreken en "ja" heel gemakkelijk daarentegen,
zoodat ik al had opgemerkt dat hij al de zinnen met "ja" begon,
daar dit kleine woordje hem zoo gemakkelijk van de lippen vloeide.
"Ja; m-maar--" begon hij dan ook, doch de dikke heer viel hem
onmiddellijk in de rede.
"Ja, ja, juist; je erkent het nu zelf," hernam hij. "Ga door, jongen,"
zei hij tegen mij; "jij schijnt de waarheid te spreken."
Ik nam wederom het woord:
"Mijn vriend heeft een ongeluk gehad den dag voor de vacantie--met
een cricketbal--"
"H-houd je mond!" riep Burns wanhopig uit, terwijl hij me zoo in mijn
arm kneep, dat ik het had kunnen uitschreeuwen; "het is n-niet--"
Ik dacht dat de jongen volslagen krankzinnig was geworden, want in
den trein had hij me woord voor woord laten herhalen wat ik moest
zeggen. Zou hij me voor den gek hebben gehouden?
Wederom werd de wijsvinger opgestoken.
De dikke heer keerde zich naar Burns en zei: "Heb jij op den laatsten
dag voor de vacantie een ongeluk gehad met een cricketbal, of is dat
niet zoo?"
"Jawel," antwoordde Burns; "maar--"
"En je durft het ontkennen!" riep de dikke heer, die zijn glas weer
vol schonk en opnieuw een kleur kreeg van kwaadheid.
"N-nee," stiet Burns met moeite uit; "d-dat-d-doe ik niet."
"Je schijnt geen onderscheid te kunnen maken tusschen leugen en
waarheid," hernam de dikke heer, wiens zware kin op- en neerschudde
van verontwaardiging. "Vertel jij maar door, jongen," zei hij tegen
mij op vriendelijken toon.
"Hij brak een paar ruiten van uw serre," hernam ik haastig en gejaagd,
want ik wilde nu niet weer in de rede worden gevallen, "en toen is
hij hard weggeloopen en daarvan heeft hij spijt; hij wil de schade
graag betalen en hoopt dat u geen klacht zult indienen bij den chef,
omdat het dan misschien op zijn rapport komt te staan, en als zijn
tante dit zou hooren zou ze zeker heel boos op hem worden; hij had
dadelijk naar u toe willen gaan, maar hij moest den trein halen en--"
"Wacht 's even!" riep de dikke heer; "wanneer is dat ongeluk gebeurd?"
"Zoowat twee maanden geleden," antwoordde ik.
"En ik woon hier pas zes weken," verklaarde de dikke heer met plechtige
stem. "Toen ik hier kwam, heb ik alle ramen en vensters in goede orde
bevonden; nergens heb ik een kapotte ruit ontdekt."
"Ik-k w-wou straks z-zeggen dat u het n-niet was," viel Burns uit;
"m-maar u w-wou n-niet luisteren."
"Wel lieve deugd, sinds jullie hier voor me staat heb ik niet anders
gedaan dan geluisterd," riep de dikke heer die nu hoe langer hoe
kwader werd. "Ik geloof geen woord van het heele verhaal. Jullie
denkt zeker dat ik verantwoordelijk ben voor hetgeen is gebeurd met
een vroegeren huurder."
"Ik w-wist n-niet," begon Burns, die er nu beteuterd en bedremmeld
bij stond.
"Och kom! Wat wist je niet!" riep de dikke heer; "ik voor mij geloof
dat je dit wel degelijk wist. Ik houd het ervoor dat jullie samen
een complot hebt gesmeed om mijn maaltijd te komen verstoren, onder
voorwendsel dat je Kerstliedjes wou zingen. Maar ik zal je leeren;
dan zal je het een volgend keer wel laten om ordentelijke huishoudens
in de war te sturen!"
Hij was nu zóó kwaad en de aderen op zijn voorhoofd waren zóó
opgezwollen, dat ik het maar geraden vond om te zwijgen. Burns wilde
zich verdedigen van die Kerstliedjes-beschuldiging, maar dit bood
zulke onoverkomelijke moeilijkheden voor hem dat hij zoo lang stond
te stotteren, tot de dikke heer van zijn stoel opsprong en met zijn
vuist op de tafel sloeg, zoodat het wijnglas werd omgegooid.
"Houd je mond!" riep hij. "Ik verwed er wat om, dat je even goed als
een ander kunt spreken en dat je met dat gehakkel me alleen maar
voor den gek wilt houden. Maar ik zal den chef hiervan in kennis
stellen. De heer Kolman van St. Martin zal alles vernemen. Jullie
bent daar allebei op school?" vroeg hij nijdig.
Wij gaven een bevestigend antwoord.
"Je naam?" Hij haalde een opschrijfboek te voorschijn.--"Hoe heet
je? En geen gestotter alsjeblieft!"
Aldus aangemaand deed de jongen met het roode haar zijn uiterste
best, en werkelijk slaagde hij erin om er heel behoorlijk: "Robert"
uit te brengen.
"En hoe verder! Vooruit! Je hebt toch twee namen zou ik denken?" zei
de dikke heer ongeduldig.
Burns maakte een geluid als iemand die bellen blaast onder water. Dat
was de B, en de rest kwam er uit met de vaart van een kurk die van
een champagne-flesch springt.
De heer gooide zijn boekje neer.
"Robert Burns!" [2] riep hij kwaad. "Maak dat een ander wijs. Je
vriend zal straks zeker beweren dat hij Charles Dickens heet of
Olivier Cromwell!"
"Zoo heet hij werkelijk," merkte ik schuchter op.
"Zoo," hernam hij op honenden toon. "En jouw naam is?"
Ik gaf mijn naam op en dankte den hemel dat nooit een beroemd man
een gelijkluidenden naam had gedragen.
Hij keek me aan; op zijn gelaat verscheen nu een andere
uitdrukking. "Zoo," zei hij toen: "Ellinghem? En waar kom je vandaan?"
Ik noemde de streek en den naam van het landgoed.
"Martin Ellinghem: Mallorie," herhaalde hij. "Leeft je moeder nog?"
Ik antwoordde van neen.
"En je vader?"
Wederom moest ik ontkennend antwoorden, waarop hij me nog haastig
een paar vragen stelde die ik naar waarheid beantwoordde.
"Ken je een jongen die Kitsjin heet?" zei hij.
Ik was bang dat Bob door mij in deze zaak zou worden betrokken,
maar toch moest ik zeggen dat ik Bob kende.
"Zoo," zei hij wederom, waarna hij met zijn vingers op tafel trommelde,
terwijl hij zat na te denken. De man was nu zoo kalm en bedaard dat we
niet konden begrijpen wat die plotselinge ommekeer had kunnen teweeg
brengen. "Jullie kunt gaan," zei hij plotseling.
Daar we niet wisten hoe lang die kalme bui zou duren, maakten we ons
als de wind uit de voeten, zoodat we al de deur uit waren voordat
het dienstmeisje was verschenen om ons uit te laten. We slaakten
beiden een zucht van verlichting toen we wederom buiten stonden in
de duisternis en in den storm.
HOOFDSTUK X.
HOE IK BEGON.
"Het bezoek is afgeloopen," zei ik, toen we de villa een heel eind
achter den rug hadden.
Hoe "nieuw" ik me ook nog gevoelde, voor Burns was ik geen zier bang;
ik was integendeel diep verontwaardigd op hem.
"Het-t s-spijt me v-vreeselijk," zei het jonge mensch. "I-k-k w-wist
n-niet dat d-die a-akelige vent w-weg was."
"Als je de zaak maar met rust had gelaten, dan zou er niets zijn
gebeurd," hernam ik. "De man bij wien je de ruiten hebt ingegooid
is de stad uit, en de man die er nu woont wist van niets en denkt
nou natuurlijk dat we hem voor den gek hebben gehouden. We zullen
het misschien geducht aan den stok krijgen met den chef." Een paar
school-uitdrukkingen had ik opgepikt, waardoor ik op de jongens den
indruk zou maken van niet zoo groen te zijn als ik misschien leek.
"Het s-spijt me v-vreeselijk," herhaalde Burns, en toen het licht
van een straatlantaren hem bescheen, kon ik aan de uitdrukking van
zijn gezicht zien dat die spijt niet was geveinsd.
"En dan schijnt die man bovendien nog het een of ander van me te
weten," zei ik, "dus het is best mogelijk dat hij er me nog leelijker
laat indraaien." Op wat voor manier hij dit zou kunnen doen, dat
kon ik niet vermoeden. "Hij scheen mijn naam te kennen," ging ik
voort. "Hoe heet hij?"
"W-weet n-niet," mompelde Burns die in een diep neerslachtige stemming
naast me liep; "die andere m-man heette Blenkinsop. Ik-k heb ook-k
altijd p-pech."
Ik zei bij mezelf dat ik hartelijk hoopte dat hij in het vervolg mij
buiten al zijn "pech" zou laten.
"Het is al verschrikkelijk laat," zei ik; "zouden we een standje
krijgen?"
"N-niet den eersten avond," antwoordde Burns, "maar hoe eerder we er
zijn, d-des t-te beter."
We zetten het nu op een loopen en renden de spaarzaam-verlichte stad
door; toen klommen we den heuvel op en bereikten een groot gebouw met
een massa ramen die hel werden beschenen. Het ging hier blijkbaar
druk en bedrijvig toe. Onderweg had Burns me al stotterend nuttige
inlichtingen verschaft over school-aangelegenheden; nu en dan gaf hij
me dezelfde raadgevingen als Bob Kitsjin, doch de overige waren nieuw
voor me en deze waren geput uit de rijke ervaring van Robert Burns.
Volgens dit heerschap konden de jongens in twee soorten worden
verdeeld: "leuke jongens" en "ellendelingen".
"Wat is die Kitsjin er voor een?" vroeg ik.
"D-die is heel l-leuk," antwoordde Burns zonder een oogenblik te
aarzelen; "die J-Jim J-Juniper ook," voegde hij erbij, "de jongen
dien j-je s-straks zag. M-maar d-dat zijn groote l-lui; w-we z-zullen
n-niet veel v-van ze z-zien."
"Nee, natuurlijk niet," antwoordde ik, hoewel die mededeeling me
geducht teleurstelde, want ik had gehoopt dat Bob altijd voor me in
de bres zou kunnen springen.
"W-wij z-zitten l-lager," hernam Burns. "Er is een ellendeling op
school; d-die heet Dester."
"O ja?" zei ik.
"L-laat je n-niet op je k-kop zitten door hem," ried Burns aan.
"Nee," antwoordde ik eenigszins weifelend.
"Er is ook-k een l-lummel d-die B-Brunton heet," hernam hij; "ik-k
heb z-zoo'n hekel aan-n d-dien v-vent."
"O ja?" zei ik wederom.
"Hij zal je z-zeker als feg [3] te pakken z-zien te krijgen."
"Is dat zoo'n nare kerel?" vroeg ik zacht.
"Nou, of ie," antwoordde Burns; "en D-Dester is k-koek en ei met hem."
We hadden nu onder een poort doorgeloopen die uitkwam op een vierkant
plein; het kiezel kraakte onder onze voeten. We staken het plein dwars
over en hielden stil voor een groote deur; een portier met een norsch
gezicht deed open.
"Jullie bent laat," zei hij bij wijze van begroeting.
"De anderen z-zijn er zeker al allemaal," fluisterde Burns. "Ga mee,
dan k-krijgen we n-nog wel t-thee; ik heb honger, j-jij ook?"
Na eenige besprekingen met den nurkschen portier over onze bagage
konden we onzen weg vervolgen.
"Zullen we een standje krijgen?" fluisterde ik, toen we nergens een
jongen gewaar werden.
"'k Denk het n-niet," antwoordde Burns. "Het k-kan zijn dat Wilson
k-kwaad is."
Ik wist dat dit de naam was van een der leeraren; doch mijn eerste
onaangename ondervinding op St. Martin kwam van een anderen kant.
Toen we een hoek omsloegen waar de gang een bocht maakte en waar
een lamp hing die een helder schijnsel afwierp renden we bijna een
jongen tegen het lijf, die ongeveer even groot was als ik, hoewel
hij me ouder leek. Hij had blond haar, een stompneus en sproeten. Ik
hoorde Burns een klappend geluid met de tong maken en vroeg me af
of die blonde jongen volgens dit heerschap tot de "leuke jongens"
of tot de "ellendelingen" zou behooren.
Ik begreep weldra wat voor iemand ik voor me zag.
Hij bleef staan toen hij me gewaar werd en versperde me den weg. "Zoo,
een nieuweling?" zei hij op een toon alsof hij dit feit als een
persoonlijke beleediging beschouwde.
"Ja," zei ik, terwijl ik opmerkte dat Burns onrustig op zijn beenen
stond te draaien, alsof hij verlangde om dit gezelschap zoo spoedig
mogelijk kwijt te raken.
"Zoo," hernam de jongen met den stompen neus, die me nu zoo onbeschaamd
aankeek dat ik driftig werd.