We waren die verlichte plek nu voorbij; als vanzelf hadden we ons

naar dat venster begeven en keken naar buiten.

"Een vreemde nacht," zei Bob fluisterend.

"Ja," antwoordde ik; "en komt het huisje ook niet vreemd voor? Het

verwondert me niets dat de menschen zeggen--" Ik sprak den zin

niet uit.

Doordat het raam naar voren uitstak konden we den donkeren voorgevel

in zijn geheel overzien, en terwijl ik die laatste woorden zei,

had mijn blik in die richting getuurd.

"Wat is er?" vroeg Bob fluisterend.

"Ik zag licht."

"Waar?"

"Halverweg den muur," antwoordde ik, terwijl ik de richting met den

vinger aanduidde. "Heb jij het niet gezien?"

Zelfs in het schemerlicht zag ik dat Bob van kleur verschoot.

"Och kom," zei hij heel zacht; "je hebt je zeker vergist; het is

natuurlijk de maan geweest."

"Nee. Waarom keek je zelf dan niet goed uit je oogen?"

"Ik zag juist naar een anderen kant."

We bleven nu turen op den voorgevel van het gebouw.

"Misschien komt het niet meer terug," zei Bob fluisterend. "Was het

op de eerste verdieping?"

"Ja; blijf maar goed kijken."

Een wolk trok langs de maan en het werd nu heel donker. We bleven

geruimen tijd wachten, naar het ons toescheen; misschien waren echter

slechts enkele minuten verstreken toen we een oogenblik een lichtstraal

gewaar werden achter een van de gesloten vensters. We kregen een

gevoel alsof iemand die dood is gewaand plotseling eenig teeken van

leven geeft; dezelfde gewaarwording welt op als we het bewustzijn bij

een drenkeling zien terugkeeren; beiden waren we diep onder den indruk.

Ik hoorde Bob zwaar adem halen, toen ik krampachtig zijn arm greep.

"Heb je het nu gezien?" vroeg ik fluisterend.

"Ja."

"Wat is het?"

"Het is iemand die met een licht in de hand langs het raam loopt. Is

er daar een gang?"

"Nee, zoover ik me kan herinneren zijn het kamers die in elkaar

loopen."

"Kunnen we daarheen?" fluisterde hij.

"Misschien; ik denk dat de deur die toegang geeft op slot zit."

"Laten we het probeeren. Toe ga mee."

"Willen we maar niet liever teruggaan?"

Hij had zich intusschen al weer op weg begeven, en ik volgde hem op den

voet, want voor geen geld zou ik daar alleen zijn achtergebleven. Ik

hoopte echter vurig dat we den toegang tot het onbewoonde gedeelte

van het gebouw zóó versperd zouden vinden alsof het een vesting was

geweest of een gevangenis.

HOOFDSTUK VI.

ONZE TOCHT.

Toen we geruischloos verder liepen kwamen we weldra aan het einde van

de gang, of beter gezegd, aan een groote stevige deur van donker hout,

die in de gang was aangebracht.

"Zoo, we kunnen niet verder," mompelde Bob, die het schijnsel van

zijn lantaren op de deur liet vallen.

"Dat dacht ik wel," zei ik fluisterend; een pak was me van het hart

gevallen; "je ziet dat ze op slot zit."

Bob had de hand reeds op den deurknop dien hij omdraaide. Hij duwde

en duwde, maar tevergeefs.

"Dat dacht ik wel," zei ik; "laten we maar terug gaan."

Bob stak zijn lamp in den zak, en zonder een woord te zeggen begaf

hij zich naar het raam links van de deur.

"Ik geloof niet dat er knippen op zitten," mompelde hij. "We zullen

het eens probeeren." Dit zeggend greep hij het handvat en schoof

het raam op--een zwaar, log venster, dat een oogenblik weerstand

bood. Toen weerklonk even een gekraak als van opgedroogde verf die

uit elkaar werd gerukt en daarna vloog het raam omhoog.

Op dit oogenblik kwam de maan achter een wolk te voorschijn; met een

kouden luchtstroom drong het licht naar binnen.

Bob had het hoofd al naar buiten gestoken om poolshoogte te nemen.

"Weet je hoe we het 'm kunnen leveren?" vroeg hij fluisterend, toen

hij zijn hoofd weer terug had getrokken.

"Hoe we wàt kunnen leveren," zei ik, terwijl ik me nu ook over het

vensterkozijn heenboog.

"Kijk daar 's naar beneden."

Ik dacht dat hij iets in den tuin meende, maar ik kon niets zien dan

struiken die heen en weer bewogen in den wind, en donkere grasperken

die door kiezelpaden waren gescheiden.

"Ik zie niets bijzonders," zei ik.

"Jij bent ook geen slimmerd," antwoordde hij lachend. "Je ziet toch

wel die lijn van steenen die hier uitsteekt--vlak bij, bedoel ik."

"Ja; dat noemen ze een kroonlijst, niet?"

"Best mogelijk. Het komt er weinig op aan hoe ze het noemen; maar

zoo'n dingetje hadden we juist noodig."

"Je wilt daar toch niet langs loopen?"

"Jawel, dat wil ik wel."

"Als je uitglijdt en valt zou je leelijk te pas komen."

"Maar ik denk er niet aan om te vallen. Je kan heel gemakkelijk uit

het raam erop stappen--kijk zoo."

In een oogwenk was hij over den drempel geklauterd en op de kroonlijst

beland; zijn hoofd en schouders waren gelijk met het open raam,

zoodat het leek alsof hij op een ladder stond.

"Pas toch op," zei ik; "misschien kan dat ding je niet houden."

"Of het! Het gaat best; ik zal er langs loopen met mijn rug plat

tegen den muur, omdat dit de eenige manier is om het er goed af te

brengen. Dan ben ik in een wip bij het volgende raam dat je van hier

kunt zien."

"En wat dan? Toe, Bob, laat het maar."

"Van buiten kan ik dat raam dan gemakkelijk opschuiven."

"Behalve als de knippen er van binnen opzitten," merkte ik op.

"Ja natuurlijk; dan kan ik niets beginnen, maar als dat niet het geval

is, dan schuif ik het beestje netjes de hoogte in, en dan ben ik in

het andere gedeelte van het huis beland, al zit die zware houten deur

ook honderdmaal op slot."

"Toe, Bob, doe het niet," zei ik smeekend. "Laten we weer naar bed

gaan. Het spijt me dat ik je heb geroepen. Ik wed dat je zal vallen

of dat die steenen richel zal afbrokkelen als je het raam naar boven

wilt schuiven."

"Maak je maar niet bezorgd," antwoordde hij heel bedaard; "als ik

eenmaal iets ben begonnen, geef ik het niet graag op."

Hij had zich al omgedraaid en stond nu met den rug naar den

muur. De steenen richel was zoo smal dat zijn teenen over den rand

heenkwamen. Langzaam en voorzichtig schoof hij langs den muur. Ik

bleef hem nakijken door het open raam; elke beweging van Bob volgde

ik met de grootste spanning. Hij drong zich zoo dicht en krachtig

tegen de steenen aan dat ik zijn jas er langs hoorde schrapen, toen

hij kaarsrecht en stokstijf al verder en verder schoof en de afstand

tusschen ons steeds grooter werd.

Halverwege de beide ramen liep een dikke regenwaterpijp van het dak

naar beneden. Een paar centimeters stak die uit buiten den muur; in

de smalle richel was een gat aangebracht om ze door te laten. Dit was

natuurlijk het moeilijkste punt om overheen te komen en toen Bob hier

was beland en bleef stilstaan, toen dacht ik dat hij de onmogelijkheid

ging inzien om over de pijp te stappen en den tocht te vervolgen.

"Bob, het kan niet, het is gekkewerk," riep ik hem toe, zonder dat

ik de stem echter durfde uitzetten. "Kom toch terug."

Het was duidelijk dat hij nog meer dan ikzelf besefte hoe hachelijk

dit oogenblik was, want hij gaf geen antwoord en keek zelfs niet mijn

kant uit. Ik dacht niet anders dan dat hij door die vooruitstekende

punt weg zou worden geduwd en zijn evenwicht verliezen, zoodat hij

naar beneden zou moeten springen om geen leelijken val te doen. De

hoogte waarop hij zich bevond was echter van dien aard dat hij toch

heel leelijk moest te pas komen, en op zijn minst verwachtte ik dat

hij zijn enkel zou breken. Ik zei tegen mezelf dat hij misschien weken

zou moeten liggen: het was zelfs best mogelijk dat hij zijn heele

leven kreupel zou blijven en daarvan zou ik dan de schuld dragen. Ik

zag dat hij nu de pijp vastgreep met de rechterhand waarna hij zich

bliksemsnel omdraaide zoodat hij een oogenblik het gezicht naar den

muur had gekeerd en toen had zijn linkerhand de pijp vast, waarop

hij evenals straks langzaam en voorzichtig verder schoof langs den

muur. Nog eenmaal draaide hij zich zoo snel om toen hij het raam had

bereikt zonder dat hij--zoover als ik kon zien--iets had om zich aan

beet te grijpen; toen draaide hij voor de eerste maal het hoofd om

in mijn richting en liet wederom dat eigenaardige fluitje hooren.

Ik slaakte een zucht van verlichting. Als hij zich blijkbaar zoo

op zijn gemak gevoelde, dan behoefde ik me toch niet zoo angstig en

bezorgd te maken.

"Knap gedaan," mompelde ik. "Maar je bent er nog niet in," voegde ik

er bij mezelf aan toe.

Ik zag hoe hij met beide handen pogingen deed om het raam op te

schuiven; het gelukte, want ik hoorde het venster omhoog gaan en op

hetzelfde oogenblik scheen hij door de opening naar binnen te vallen;

ik kon zijn beenen nog even zien spartelen en toen was hij verdwenen.

Een sekonde later stak zijn hoofd naar buiten. "Kom nou," riep hij

zoo zacht mogelijk; "nu het raam open is, is er niets geen kunst aan."

Ik schudde ontkennend het hoofd maar toen vond ik mezelf zoo flauw

en laf dat ik het toch in elk geval wilde probeeren. Ik klom over

de vensterbank; maar toen ik een blik naar beneden wierp gaf ik het

onmiddellijk op, en in een wip was ik weer terug.

"Wacht maar," zei Bob lachend.

Even later hoorde ik het slot van de gangdeur omdraaien; dit gebeurde

zoo gauw dat Bob wel had moeten draven; de deur ging open en in de

schemering zag ik mijn nieuwen vriend voor me staan.

"De sleutel stak erin," zei hij grinnekend. "Maar het slot draaide

zoo gemakkelijk om dat die deur meer wordt gebruikt dan je zou denken."

Bob was zeker bang dat ik op het laatste oogenblik zou terugkrabbelen,

want hij stak een hand uit om me door de deur te trekken die hij weer

zacht achter ons sloot; daar stonden we nu in den onbewoonden vleugel

van het groote huis, niet bij machte om menschelijke hulp te halen

als we die noodig zouden hebben, en misschien waren we op het punt

de een of andere vreeselijke ontdekking te doen.

We bevonden ons in een lang, smal vertrek, een soort van galerij die

ik me nog flauw herinnerde uit mijn kinderjaren. Voor de ramen hingen

geen gordijnen; het maanlicht dat naar binnen viel wierp zonderlinge

schaduwen op den vloer en op de muren. Ik wist dat hier mannen stonden

in hun harnas en dat die er zoo griezelig levend uitzagen, en de

groote portretten aan de muren keken ons aan met zulke starende oogen

als ze door de stralen van de maan werden beschenen dat het precies

was alsof levende menschen in die lijsten zaten en naar ons tuurden.

"We moeten het raam dicht doen," zei Bob fluisterend. "Ik kan nu niet

zeggen dat ik het hier in m'n eentje dol-leuk zou vinden. 't Is goed

dat we met z'n beiden zijn. Het ruikt hier nog al muf en benauwd."

"Pas op, de vloer is zoo glad," zei ik, toen Bob uitgleed en zich

aan mij vast greep om niet te vallen.

"Hè, daar is een ijsveld nog niets bij," antwoordde hij, "en wat

maakt alles een lawaai!"

Hoe we het geluid van onze voetstappen ook smoorden, onze schreden

maakten een hol geluid dat tot achter in de zaal weerklonk.

"Pantoffels zijn een prachtige uitvinding, maar op kousen gaat het

toch beter," hernam Bob lachend; "en dan zijn de dingetjes die jij

zoo vriendelijk was me te leenen een beetje klein voor mij. Ik zal ze

maar uittrekken," voegde hij er bij, terwijl hij ze uitschopte. "Nu

kan ik even geruischloos sluipen als de geest in Hamlet."

Hij scheen zich alweer op zijn doode gemak te voelen, terwijl ik

die gedrukte stemming en dat gevoel van angst maar niet van me kon

afzetten. In een cirkel stond hij om me heen te draaien, en zwaaide

met de armen en trok gekke gezichten, terwijl ik naar hem stond te

kijken en wenschte dat ik de dingen even luchtig en gemakkelijk kon

opnemen als hij.

Eindelijk kwam hij op me af alsof hij me wilde uitnoodigen om een

wedstrijd in het boksen te beginnen; even raakte hij mijn schouder

aan en zei: "Vooruit, Martin! We moeten nu op verkenning uit!"

Nauwelijks had hij dit gezegd of een geluid drong tot ons door dat

mij onmiddellijk den tocht deed staken--we hadden den doffen slag

vernomen van een zware deur die dreunend dichtviel en die zelfs den

houten vloer scheen te doen trillen van de zaal waar wij ons bevonden.

HOOFDSTUK VII.

WAT HEEFT BOB GEZIEN?

Dit geluid had weerklonken in den onbewoonden vleugel van het gebouw;

onmiddellijk was ik achteruit gedeinsd.

"Heb je er genoeg van?" vroeg Bob zacht, terwijl hij me een

eigenaardigen blik toewierp.

"Ja, ik durf niet verder," bracht ik stamelend uit. "Als--als we eens

iets vreeselijks zagen."

"Vindt je dan goed dat ik er maar alleen op uittrek? Het is jouw huis,

zie je."

"Je mag gerust van mijn part. Maar ik wou het liefst dat je mee

terug ging."

Al dien tijd luisterde ik in de grootste spanning of we niet wederom

een verdacht geluid zouden vernemen.

"Geesten zijn het dus niet," zei Bob. We stonden nu op eenigen afstand

van elkaar, want toen ik van schrik achteruit was gesprongen had hij

geen voet verzet. "Een geest zou niet zoo'n kabaal maken. Spoken doen

alles even stil."

Hij veronderstelde dus blijkbaar dat er dieven in huis waren; ik kon

dan ook niet nalaten om een schichtigen blik om me heen te werpen.

"Zeg 's, ga jij maar naar bed," hernam hij; "dan wil je wel mijn

pantoffels meenemen, of beter gezegd jouw pantoffels--ik trek er

liever op uit zonder die dingetjes."

Met een vaart liet hij ze glijden over den vloer in mijn richting.

"Ik zal hier op je blijven wachten," zei ik, terwijl ik hem nakeek

toen hij door de zaal liep en in de verte verdween. Hij maakte nu zelf

den indruk van een spookverschijning zooals hij daar geruischloos

voortschreed nu eens in het donker, dan weer beschenen door het

maanlicht dat door de ramen naar binnen viel.

Een oogenblik zag ik het schijnsel flikkeren van zijn electrische

zaklantaren, waaruit ik opmaakte dat hij het einde van de zaal had

bereikt; ik begreep dat hij nu de deur opende, want hooren kon ik

dit niet; een oogenblik later was hij verdwenen: ik was alleen.

Ik had gezegd dat ik hier op hem zou blijven wachten, doch ik gevoelde

onmiddellijk dat me dit niet mogelijk zou zijn. Dat gezegde van

die spookverschijningen die zwijgend rondwaren, had me nog meer van

streek gemaakt, zoodat ik er naar snakte om weer veilig in mijn bed

te liggen. Wat had ik een berouw dat ik er uit was gestapt!

Ik vond het laf en gemeen van mezelf om hem in den steek te laten,

maar al was Bob mijn gast en wat voor lot hem ook boven het hoofd hing,

ik rende als een haas terug naar mijn kamer en stak de kaars aan--wat

was ik dankbaar toen ik weer licht zag--en zoo bleef ik opzitten in

bed om de terugkomst van den avonturier af te wachten.

Ik gevoelde me nog altijd angstig en gejaagd; nog steeds vernam ik

dat dreunend geluid dat me zoo hevig had doen ontstellen; en dan was

ik heilig en zeker overtuigd dat--iets--in mijn kamer was gekomen

toen ik lag te slapen.

De eene minuut verstreek na de andere. Wat duurde het lang eer hij

terugkwam! Wat was die Bob een eigenaardige jongen! Het leek wel of

we elkaar al jaren kenden en dienzelfden dag hadden we pas kennis

gemaakt. Nee, den vorigen dag.

Bim, bam, liet de stalklok hooren. Kwam hij dan nooit terug?

Plotseling werd mijn deur met zulk een vaart open gegooid dat een

schok door me heenvoer. Bob liep regelrecht naar me toe; onmiddellijk

werd ik gewaar dat hij het een of ander had gezien.

"O, ben je er al?" zei hij op een toon die me heel zonderling in de

ooren klonk.

"Ja," antwoordde ik met een kleur van schaamte.

"Nou, ik ben ook weer veilig beland," hernam hij. Hij deed of hij

moest geeuwen en slaap had gekregen; toen keerde hij zich om en

wilde heengaan.

"Bob," riep ik hem na, "--je--je hebt toch niet--" begon ik.

"Nee, niets van beteekenis, hoor," antwoordde hij met een poging om

te glimlachen.

Ik brandde van verlangen om te weten te komen wat er was gebeurd,

maar om zijn mond was zulk een besliste trek verschenen dat ik niet

verder durfde vragen en zonder meer een woord te zeggen, begaf hij

zich naar zijn kamer.

HOOFDSTUK VIII.

IK GA NAAR SCHOOL.

Drie weken later zat ik werkelijk in den trein die me naar St. Martin

zou brengen. Na mijn komst op Mallorie en dezen dag was zooveel gebeurd

dat ik me soms verwonderd afvroeg of ik heusch dezelfde Martin was

die toen in zulk een gedrukte, neerslachtige stemming te Ootlie

was uitgestapt.

Bob Kitsjin had de zaak van het begin af aan flink aangepakt; we

leken wel advocaat en cliënt. De brief aan Finsberie & Koster was met

gunstigen uitslag bekroond; de heer Finsberie behoorde toevallig tot

de aandeelhouders van de school--eigenlijk begreep ik niet goed wat

dit wilde zeggen--en aan hem was het te danken dat ik onmiddellijk

als leerling werd aangenomen.

"Maar nu moeten we geducht aan het werk om je klaar te krijgen,"

zei Bob, toen we het goede nieuws hadden gehoord. Op Mallorie was

hij maar één nacht gebleven, doch hij had niet gerust voor hij me had

overgehaald om een tijd lang mijn intrek te nemen op de hoeve waar hij

zijn vacantie doorbracht; een repetitor die zijn leerlingen voor een

examen africht zou met geen grooter ijver zich van zijn plicht hebben

kunnen kwijten dan Bob, toen hij me klaar maakte voor St. Martin. Niet

wat het leeren betreft, want ik was niet achter bij jongens van mijn

leeftijd, maar Bob had gelijk dat het treurig was gesteld met mijn

"algemeene kennis" waar het schoolzaken betrof. Hij onderwees me in de

beginselen van het voetbalspel; uren lang stond hij tegen me te bowlen,

hoewel het nog eenige maanden zou duren voor wederom cricket zou worden

gespeeld; hij waarschuwde me voor al de voetangels en klemmen die een

nieuweling worden gelegd, gevaren die mij zeer zeker boven het hoofd

zouden hangen, omdat ik nog nooit school had gegaan. Hij leerde me

zwemmen, een kunst waarin ik het nimmer tot eenige hoogte heb gebracht,

en onderwees me in alle mogelijke lichaamsoefeningen. Hij was er vóór

alles op uit om mijn spierkracht te ontwikkelen en mijn borstkas te

verbreeden. Hij inspecteerde mijn kleeding en nam mijn zaakjes zóó ter

harte, dat ik mijn tekortkomingen als schooljongen volkomen besefte,

toen de vacantie voorbij was en het groote oogenblik was aangebroken

om de reis naar St. Martin te ondernemen.

Na dien bewusten nacht dien we samen op Mallorie hadden doorgebracht,

had Bob nooit een woord gerept van het zonderlinge avontuur dat hem

toen was overkomen, en ik had er hem niet naar durven vragen. Het

echtpaar Horner hadden we er buiten gelaten, maar ik gevoelde dat

de Horners het een opluchting vonden toen Bob den volgenden morgen

afscheid nam en vertrok. Eerst heel veel later heb ik vernomen wat Bob

in dien onbewoonden vleugel van het gebouw had gezien en gedaan. Toen

ik Mallorie verliet was het geheim niet opgelost, en ik was blij dat

ik het sombere oord zoo spoedig weer kon verlaten. Telkens en telkens

nam ik me voor om Bob over dit punt te ondervragen, maar zoodra ik

dit onderwerp voorzichtig aanroerde verscheen wederom die eigenaardige

besliste trek om zijn mond en gaf hij haastig een andere wending aan

het gesprek, zoodat ik het eindelijk maar opgaf. Geen oogenblik kwam

het in me op om zelf een onderzoekingstocht te ondernemen; ik gevoelde

me toch al niet op mijn gemak in dit huis dat zoo iets geheimzinnigs

en griezeligs had.

Het was een lange tocht; eerst had Tetsjer me in een wagentje

gebracht naar het station; na heel wat overstappen zou ik tegen den

avond komen aanboemelen op de plaats waar ik moest wezen; toen het

nu avond werd had ik al gemerkt dat ik me in een heel andere streek

bevond; de menschen om me heen spraken met een eigenaardigen tongval;

het landschap zag er ook zoo onbekend uit; zelfs de locomotieven die

ons voorbij snorden deden een snerpend gefluit hooren dat me vreemd

in de ooren klonk; ik begon me dan ook eenzaam te gevoelen.

Langzamerhand werd mijn stemming hoe langer hoe gedrukter. Ik begon

er nu verschrikkelijk tegen op te zien om mijn intrede te doen

op een groote school, waar die massa's jongens misschien vijandig

waren gezind jegens een nieuweling. Wat zou ik graag Bob Kitsjin bij

me hebben gehad om me moed in te spreken en op te beuren, maar die

kwam regelrecht uit Londen; ik kon alleen hopen en wenschen dat hij

tegelijk met mij op St. Martin zou aankomen.

Tot mijn verbazing had ik nog geen andere jongens in den trein ontmoet;

toen ik echter voor den laatsten keer was overgestapt belandde ik

in een coupé waarin twee St.-Martinjongens zaten; de een was klein

en dik en had rood haar; telkens wierp hij een schichtigen blik om

zich heen. De ander was lang en mager en had een eigenaardig maar

geen onvriendelijk gezicht.

Ik begreep dat de jongen die zoo schuw rondkeek, op het punt was

geweest om dien langen jongen het een of ander in vertrouwen mede te

deelen, want hij zat onrustig heen en weer te schuiven en stotterde

van belang. Ik had echter maar een paar woorden kunnen opvangen,

want toen ik binnen kwam was het gesprek onmiddellijk gestaakt.

"Hoor 's, Burns, vertel me dat later maar eens," zei de lange jongen

die blij was, naar het me voorkwam, dat hij er een eind aan kon

maken. "Tijd genoeg, kerel."

"N-n-nee," wierp de jongen met rood haar tegen, maar de ander had

het hoofd al uit het portierraam gestoken om een jongen te begroeten

die op het perron heen en weer liep. "Zeg ik moet even Brys spreken,"

zei hij, terwijl hij het hoofd terug trok. "Ik wou hem vragen of hij

captain wil worden van het tweede elftal. Ik zal een eindje meerijden

in zijn coupé; dan kom ik straks weer terug. Hola, Brys, wacht even!"

"M-maar, Jim...." riep nu de jongen met rood haar op smeekenden toon.

"Tijd genoeg!" antwoordde Jim onverschillig. "Zoo'n vaart zal het

niet loopen, wel?" met een sprong was hij uit de coupé en draafde

het perron af.

"Ja-w-w-el!" riep Burns die het roode hoofd nu uit het raampje stak

en met een droefgeestigen blik den langen jongen nazag die nu in een

andere coupé stapte.

Het was onmogelijk dat Jim (hoe hij verder heette wist ik nog niet),

dien laatsten kreet had vernomen, doch in elk geval sloeg hij geen

aandacht hierop. Een oogenblik dacht ik dat Burns hem achterna wilde

rennen, maar de chef gaf het signaal; de trein zette zich in beweging

en rolde langzaam het station uit.

Burns trok het hoofd terug; hij ging nu tegenover me zitten en keek

me aan met een gezicht waarop een diepe smart stond te lezen. We

bevonden ons alleen in de coupé; toch geloof ik niet dat ik uit

mezelf een gesprek zou zijn begonnen. U moet niet vergeten dat ik nog

nooit had school gegaan; ik gevoelde me tamelijk schuw en verlegen

en die mengeling van angst en neerslachtigheid die zich van me had

meester gemaakt was nu niet bepaald bevorderlijk om een gesprek te

doen vlotten.

Ik zag echter weldra in dat Burns zóó in zak en assche zat dat hij

iemand in zijn vertrouwen moest nemen, al was die iemand dan ook maar

een onbekende.

Nadat hij me een tijd lang had zitten aankijken, vroeg hij stotterend:

"G-g-ga je naar St. Martin?" Hij had het adres gezien dat aan mijn

koffer hing, zoodat die vraag me overbodig leek.

"Ja," antwoordde ik; "jij ook?"

"Ik was w-wel op w-weg," zei hij; "m-maar ik g-ga niet."

Dit antwoord leek me tamelijk vreemd en zonderling, maar het spreken

kostte den jongen blijkbaar zoo'n moeite, dat ik maar geen vragen

stelde, om niet te veel inspanning van hem te vergen.

Een lange stilte ontstond waarin we elkaar bleven zitten aankijken. Hij

leek me een heel geschikte jongen en ik kreeg medelijden met hem. Het

was duidelijk dat er iets verschrikkelijks met hem was gebeurd,

maar toch wist ik niet wat ik tegen hem zou zeggen.

"Z-z-zeg 's," begon hij, "b-b-en jij w-wel 's weggeloopen van school?"

Daar ik nog nooit school had gegaan kon ik met een gerust hart een

ontkennend antwoord geven op die vraag.

"Ik b-ben dit nu van p-plan," stotterde hij, terwijl hij me een

somberen blik toewierp.

Ik keek hem heel verbaasd aan en zei toen: "Maar we gaan toch allemaal

naar St. Martin." Ik begreep wel dat je eerst op school moest zijn

geweest voordat je weg kon loopen, maar wat de jongen eigenlijk van

zins was werd me niet recht duidelijk.

"N-nog een half uur," bracht hij met moeite uit.

"Kan je niet een station eerder uitstappen als je denkt dat je weg

moet loopen?" vroeg ik.

"Ik w-wou het juist aan J-J-Juniper vertellen," zei hij; "aan J-Jim

die zoo p-pas uit den trein stapte."

Ik knikte hem toe. De jongen kwam zoo lastig uit zijn woorden dat

ik hem maar geen vragen stelde om hem de moeite te besparen van die

te beantwoorden.

"Ik d-dacht d-dat hij me zou k-kunnen helpen," hernam hij; "Jim is

zoo k-knap en weet er altijd w-wat op te v-vinden."

Ik had slechts een glimp van den heer Juniper gezien, maar de woorden

van Burns trok ik geen oogenblik in twijfel. "Hij lijkt me heel flink,"

zei ik op een toon van ontzag, want voor dien St.-Martinjongen die

zeker een paar jaar ouder was dan ik, gevoelde ik diepen eerbied.

Bravo, Bob! De padvinder uit Canada · 第 2 / 15 段