De heer Horner had vroeger dikke zwarte bakkebaarden die gri

BRAVO, BOB!

DE PADVINDER UIT CANADA

VAN

ANDREW HOME

Schrijver van: "Tom en Jack", "De Spion op School",

"Jaap en Ben", "Het Geheim van een Schooljongen",

"Dick en zijn Vrienden", "Jakob de Vondeling",

"Door dik en dun", "Jacob Rensum"

DOOR

A. DE GRAAFF

MET PLATEN

TWEEDE DRUK

AMSTERDAM

H. J. W. BECHT

INHOUD.

Hoofdstuk. Bladz.

I. Ik kom aan 1

II. Bob 7

III. Nadere kennismaking met Bob 13

IV. Ik vertel 18

V. Het spookhuis 27

VI. Onze tocht 33

VII. Wat heeft Bob gezien? 39

VIII. Ik ga naar school 42

IX. Het geval met Burns 49

X. Hoe ik begon 60

XI. Wij maken kennis met Stenford, Kien en Compagnie 67

XII. Mijn verder optreden als nieuweling 80

XIII. Ik maak kennis met Brunton 88

XIV. De studeerkamer van Norman 95

XV. De padvinders aan 't werk 103

XVI. De toren 114

XVII. Het klokketouw 124

XVIII. Wat ik vernam 132

XIX. Zwemmen en duiken 139

XX. Jim Juniper zegt me de waarheid 151

XXI. Het vuurwerk van Kien 161

XXII. Het slachtoffer der wetenschap 173

XXIII. Ik ga naar Bob 186

XXIV. Ik leid den opstand 195

XXV. Het legaat van Brunton 204

XXVI. In de ziekenzaal 214

XXVII. De specialiteit 222

XXVIII. Gered 230

XXIX. Slot 242

HOOFDSTUK I.

IK KOM AAN.

Toen de trein stil stond met dien bekenden ruk die zoo'n aangename

gewaarwording geeft en ik "Ootlie! Ootlie!" op het perron hoorde

roepen, toen wist ik dat ik moest uitstappen. Ik deed mijn best om

alle sombere gedachten van me af te zetten, nam mijn boeltje bij

elkaar en stapte uit.

Ik bleek de eenige reiziger voor Ootlie te zijn. Ik was hier geheel

vreemd; mijn blik ontmoette slechts één ouden kennis waarop ik me

terstond in die richting begaf. De bewuste kennis was mijn koffer die

uit den goederenwagen was gezet; in mijn neerslachtige stemming bleef

ik er naast staan alsof het een vriend was bij wien ik troost zocht,

al was het een vriend aan wiens gezelschap ik bedroefd weinig had.

Het was een avond in September; over een uur zou de zon ondergaan. De

kleine trein stoomde weg na even te hebben gestopt; de laatste

zonnestralen beschenen het bruine houtwerk en deden het koper van

de locomotief glinsteren; de trein zag er dan ook zoo aardig en

vriendelijk uit, zooals hij daar wegstoomde langs den dijk door

het dal, dat een gevoel van spijt bij me opwelde toen hij door een

kromming van den weg aan het oog werd onttrokken.

Juist was de laatste waggon in de verte verdwenen toen ik een man

gewaar werd met een boersch uiterlijk die met zijn zware laarzen

langzaam naar me toeliep over het perron. Het was een groote bejaarde

kerel met een ernstig gezicht en een baard die begon te grijzen;

hij kon een tuinman zijn, of een landbouwer, of een schaapherder,

of iets dergelijks.

Hij deed alles even lijzig en toen hij eindelijk vóór me stond kneep

hij zijn oogen dicht en stak hij zijn gezicht vooruit alsof hij nog

nooit een jongen van veertien jaar had gezien--het zeldzame avontuur

dat hem op dezen dag overkwam. Hij keek nu eens naar mij en dan naar

mijn koffer; eindelijk bleef zijn blik rusten op het adres dat op

zijde aan het handvat was gebonden.

In plaats dat hij zich bukte om het adres te lezen wat blijkbaar

de bedoeling was, greep hij den koffer--een geducht zwaar

vrachtje--sjouwde dien mee tot de omheining van het perron waar

hij hem overeind zette en met één hand liet draaien, terwijl hij

langzaam spelde: M-a-r, mar; t-i-n, tin; Martin; E-l, el; l-i-n-g,

ling; h-e-m, hem--Ellinghem.

"Ben jij dat?" vroeg hij.

Ik knikte van ja.

"Dat dacht ik wel," zei hij, terwijl de zweem van een glimlach zijn

gelaat in rimpels trok. "Je hebt zeker wel van Tetsjer gehoord?"

Ik had nooit van Tetsjer gehoord, maar hij vond dit blijkbaar een

uitgemaakte zaak en wachtte niet mijn antwoord af.

"Ga maar mee," zei hij. "Ik heb wagen en paard van Wilkins geleend;

in een wip zijn we thuis."

Hij nam den koffer op zijn schouder met een gemak of het een veertje

was en verliet het station; buiten stond een oud voertuig op twee

wielen met een paard ervoor dat uitstekend bij dit karretje paste.

Ik verbeeldde me dat de beambte die mijn kaartje afnam me eenigszins

nieuwsgierig aanzag; ik dacht dat hij wat tegen me wilde zeggen,

maar toen we in het karretje klommen na den koffer stevig achterop

te hebben bevestigd riep hij ons alleen maar na: "Laat Dobbin er maar

niet met jullie vandoor gaan, Tetsjer, anders krijg je de lui van de

Weeskamer op je dak."

Ik begreep niet wat de Weeskamer met mij, of met Tetsjer, of met het

oude paard had te maken; ik wist eigenlijk niet eens wat de Weeskamer

was, al hoorde ik later genoeg hierover spreken. Wel begreep ik al

heel gauw dat de beambte den gek had gestoken met Dobbin, want het

zou misschien moeilijk zijn geweest om een tweede paard te vinden

dat zoo over den weg kroop.

"Nu zijn we in een wip thuis," zei Tetsjer nog eens, terwijl hij aan

de teugels rukte. "Dobbin loopt eerst altijd langzaam, maar als hij

aan den gang is dan draaft ie van belang."

Dat het paard langzaam was begonnen was een feit, maar wat het draven

betrof, toen we een halven kilometer hadden gereden scheen Dobbin

dit nog altijd als het begin van den tocht te beschouwen.

"Hoe ver is het ook weer?" vroeg ik om maar wat te zeggen. "Dat ben

ik vergeten."

"Vijf kilometer," antwoordde de heer Tetsjer. "Wacht maar tot ie

eenmaal aan den gang is, dan zijn we er wel binnen het uur."

Nu volgde een lange stilte.

"Hoe maken de Horners het?" vroeg ik eindelijk.

"O heel goed," antwoordde Tetsjer tamelijk onverschillig; "ze maken

het best; allebei."

Wederom een pauze; toen wierp hij me een zijdelingschen blik toe en

zei: "Gesloten, hè?"

Ik keek hem vragend aan. Toen ik geen antwoord gaf, hernam Tetsjer

op geheimzinnig fluisterenden toon:

"Gesloten zijn ze, of het zijn leeperds; je kan gewoon geen woord

uit ze krijgen."

"Zoo," zei ik, want deze mededeeling liet me tamelijk onverschillig.

"Ja," hernam hij, "maar vertel hun niet dat ik dit heb gezegd! Al doe

ik nu niet veel karweitjes voor ze, ik zou ze toch niet graag missen,

zie je."

Ik verzekerde hem dat hij op mijn geheimhouding kon rekenen en toen

zwegen we wederom; ik vroeg me af waarom de Horners zoo gesloten en

geheimzinnig deden, terwijl Tetsjer zijn best deed om het plichtsgevoel

van Dobbin aan te wakkeren door aan de teugels te rukken.

Ik verzonk in gepeins en dacht na over hetgeen in de onmiddellijke

toekomst met me zou gebeuren; we sloegen nu op zijde af en reden

verder langs een weg die zich lang en recht voor ons uitstrekte als

een smal wit lint; het pad liep tusschen hooge heggen en struiken

over den heuvel; op den stoffigen grond was geen enkel spoor te zien

van wagens of voetgangers.

Ik zei tegen mezelf dat ik wel in een heel eenzame streek was beland,

toen ik in de verte een zwart stipje aan den horizon gewaar werd. Zelfs

op dien afstand kon ik zien dat het iets was dat met groote snelheid

naderde, en toen ik nauwkeuriger keek kon ik een paard en het een of

andere voertuig onderscheiden.

"Kijk 's!" riep ik tegen Tetsjer, terwijl ik met den vinger wees

naar het paard dat nu den heuvel afdraafde. "Die gaat er ook vlug

vandoor. Een halve minuut geleden waren ze nog op den top van den

heuvel."

Tetsjer, die met de teugels in de hand zat te knikkebollen, werd

nu ineens klaar wakker en tuurde voor zich uit in de aangeduide

richting. De ruk dien hij aan de leidsels had gegeven toen hij

plotseling overeind rees, had tot gevolg dat Dobbin was blijven stil

staan. Het hoefgetrappel en het gekraak van de wielen had opgehouden;

in de stilte die nu volgde drong een ander geluid tot ons door.

"Dat is alleen maar een kar en paard," zei Tetsjer. "Je kan het wel

hooren, niet?--Maar ze zetten er een geduchte vaart achter," voegde

hij er bij.

"Dat dunkt me ook," hernam ik; "ze kwamen als de wind den heuvel af. We

moeten ze zoo weer zien, als ze den volgenden heuvel zijn opgeklommen."

Nauwelijks had ik dit gezegd of we werden een stofwolk gewaar, terwijl

we een vervaarlijk geratel van wielen vernamen en het getrappel van

een paard dat in dollen galop voortrende.

Tetsjer stiet een kreet van verbazing uit. "Wel, heb ik van m'n leven,"

riep hij, "het is op hol! Er zit niemand in de kar; het paard is

op hol geslagen! Hij zal tegen ons aanbonzen, en waar moeten we ons

dan bergen?"

De weg waarop we ons bevonden was heel smal; aan weerszijden bevond

zich slechts een strook gras; in gewone omstandigheden zouden twee

wagens met moeite rakelings langs elkaar hebben kunnen gaan. Maar nu

dat rijtuig dwars over den weg zwaaide en nu eens op het eene wiel

en dan op het andere overhelde, nu zagen we beiden in hoe onmogelijk

het was om een botsing te vermijden, zelfs al zouden we ons karretje

in de struiken hebben gereden.

Een eind voor ons uit werd de grasstrook iets breeder waar zich aan den

linkerkant een hek bevond dat toegang gaf tot een veld. Als we dit maar

bijtijds konden bereiken! Maar Dobbin was geen paard dat zich tot spoed

liet aanzetten; we waren nog een heel eind van het hek verwijderd,

toen we begrepen dat we dit nooit bijtijds zouden kunnen bereiken.

"Willen we eruit springen?" vroeg ik.

Tetsjer schonk geen aandacht op deze woorden. "Och, lieve deugd!" zei

hij met een diepen zucht; "we zullen worden vermorzeld: allemaal." Hij

trok Dobbin nu heelemaal in de struiken, maar toen stond een van de

wielen nog bijna midden op het pad, en een klein kind kon begrijpen

wat er zou gebeuren.

Eén ding was in ons voordeel. Wij bevonden ons juist op den top

van een steilen heuvel en als het hollende paard die helling was

opgeklommen, dan zou het dier dat toch al zeker vermoeid was, de

vaart wel verminderen.

Plotseling werd ik een gedaante gewaar die halverweg den heuvel uit

de struiken te voorschijn kwam. De gestalte teekende zich scherp af

tegen den witten weg; eerst dacht ik dat het een man was, maar ik kon

nu duidelijk zien dat het een tamelijk lange jongen was die met de

hand begon te wuiven zoodra hij ons was gewaar geworden en ons iets

toeriep dat we niet konden verstaan.

Toen hij onzen plompen wagen midden op het pad had ontdekt, had hij

natuurlijk terstond begrepen welk lot ons boven het hoofd hing; het

drong echter in dit hachelijk oogenblik noch tot mij, noch tot Tetsjer

door wat hij van plan was te doen. Alles ging zoo snel in het werk dat

we ons eigenlijk van niets juist rekenschap konden geven. Toen ik hem

echter den arm zag uitsteken riep ik: "Hij wil het paard tegenhouden!"

Op hetzelfde oogenblik schreeuwde Tetsjer hem toe: "Uit den weg! Hij

zal je dood trappen!"

Een sekonde later zagen we hem verdwijnen in een opkronkelende stofwolk

tusschen woest ronddraaiende wielen en spartelende paardenhoeven,

waarop ik de oogen sloot om dit vreeselijke tooneel niet langer

te aanschouwen.

HOOFDSTUK II.

BOB.

Toen ik tot het besef kwam dat het rumoer op den weg was bedaard,

sloeg ik de oogen op en zag ik denzelfden jongen die in zoo hachelijk

gevaar had verkeerd kaarsrecht en blijkbaar ongedeerd op eenige meters

afstand van ons. Hij had het groote zwarte paard tot staan gebracht

en hield het stevig bij de teugels. Het dier was hevig bezweet en

met schuim bespat en stond te beven of het de koorts had, zoodat het

wagentje ervan trilde.

Tetsjer krabbelde nu uit ons karretje. "Bravo!" riep hij op een toon

die voor hem buitengewoon geestdriftig klonk; "bravo, dat heb je

kranig gedaan!"

Ik stapte nu ook uit; mijn hoofd voelde nog raar en duizelig; beiden

liepen we op den jongen toe.

Tetsjer greep haastig naar de teugels, alsof hij bang was dat het

paard wederom op hol zou slaan.

De jongen lachte toen hij dit zag. "Laat maar," zei hij; "hij zal

zich nu wel een beetje kalm houden, want hij is op." Dit zeggend liet

hij de teugels zakken en trad een paar stappen achteruit om zijn

pet op te rapen die op den grond was gevallen. Het was een flinke,

gespierde jongen met blond haar; hij leek me iets ouder dan ikzelf,

want ik zou hem wel ruim vijftien jaar hebben gegeven. Hij had een

open, eerlijken blik en een eigenaardigen trek om den mond, waardoor

hij terstond den indruk maakte van groote wilskracht.

"Ik zeg maar bravo!" zei Tetsjer wederom. "Zoo'n kranig stukje heb

ik van mijn leven nog niet gezien; ik zeg je dat ik het nooit zelf

zou hebben durven doen, voor geen duizend gulden, want wat heb

je aan duizend gulden als je onder den voet raakt en wordt dood

getrapt? En ik dacht niet anders of dat was met jou het geval,"

voegde hij erbij, terwijl hij veelbeteekenend het hoofd schudde en

den jongen aankeek. "Maar je hebt ons het leven gered, dat zeg ik!"

De jongen die het stof van zijn jas sloeg kreeg een kleur, daar

hij het blijkbaar onaangenaam vond om zoo in de hoogte te worden

gestoken. "Luister 's," zei hij, "als je op die manier voortgaat,

dan maak ik dat ik weg kom." Zijn adem ging nog hijgend op en neer

na de hevige krachtsinspanning waarmede hij het paard tot staan had

gebracht, en zijn handen beefden toen hij zijn pet opzette en zijn

jas recht trok.

Tot dusver had ik gezwegen, maar nu zei ik: "Ik begrijp nog niet hoe

je dat hebt gedaan."

"Och, zoo moeilijk was het niet," antwoordde hij. "Ten eerste ben ik

gewend om met paarden om te gaan; en hij werd wat moe, zoodat hij de

vaart al wat had verminderd; en dan moest ie den heuvel op zoodat ik

wel begreep dat hij stil zou staan als ik met mijn volle gewicht aan

de teugels ging hangen, en zoo is het gebeurd ook. De eerste greep,

die was wat lastig en daarop kwam het natuurlijk aan. Als het dan ook

berg af was geweest en niet berg op--daaraan heb ik het eigenlijk te

danken," voegde hij er bij terwijl hij de schouders ophaalde.

Zijn stem klonk me eenigszins vreemd in de ooren; ik was echter nog

te onervaren om zijn accent terstond thuis te kunnen brengen.

Tot mijn verbazing toonde vriend Tetsjer meer doorzicht dan ik op

dit punt. "Neem me niet kwalijk," begon hij, "maar het komt me voor

dat je een vreemdeling bent--zeker Amerikaansch, hè?"

De jongen begon te lachen. "Ik ben een volbloed Engelschman,"

antwoordde hij. "Nee, een Amerikaan ben ik niet, maar ik kom uit

Canada." Hij sprak dit woord uit op een toon alsof hij hierop met

reden trotsch mocht zijn, terwijl hij fier het hoofd oprichtte als een

soldaat die in positie gaat staan. "Ik ben naar Engeland overgestoken

om daar school te gaan," hernam hij; "ik ben hier pas een jaar; daarom

valt mijn accent jullie nog op. Maar ik zal het wel kwijt raken."

"Als jullie er daar nog meer dergelijke lui op nahouden, stuur ze dan

maar hierheen," zei Tetsjer; "die kunnen we best gebruiken. De meeste

menschen hier zouden zoo'n beest met geen hand durven aanraken. Maar

jullie land is zeker niet zoo groot als bij ons, wel?"

"Nee, dat scheelt een heele boel," antwoordde de jongen, in wiens

oogen nu een schalksche uitdrukking verscheen.

"Dat hindert ook eigenlijk niet," hernam Tetsjer bemoedigend; "klein

of groot, dat doet er weinig toe. Alle landen kunnen toch niet even

groot zijn als Engeland."

De jongen begon nu zoo hard te lachen dat hij ternauwernood op zijn

beenen kon blijven staan. Toen keek hij mij aan om te zien of ik mijn

aardrijkskunde beter kende dan vriend Tetsjer.

Dit bleek het geval en we schaterden het nu beiden uit.

"Jullie land is zoo groot dat ik ben verdwaald," zei de Canadees,

terwijl hij zich omkeerde tot den verbaasden Tetsjer die van die

vroolijkheid niets begreep. "Den heelen dag ben ik al op 't pad. Ik ben

de richting kwijt geraakt en voelde me juist wat gedrukt en moedeloos,

toen ik jullie zag aankomen. Weten jullie misschien waar Màllorie

ligt of Mallòrie?"

Een schok voer door me heen. Ik vond het zoo vreemd en toevallig,

dat hij op weg bleek te zijn naar het huis dat mij toebehoorde.

"Wij spreken van Màllorie," antwoordde Tetsjer, "maar als je niet

aan zoo'n groot land bent gewend, dan is het best te begrijpen dat

je wat in de war raakt met al die namen."

"Ga met ons mee," zei ik, "want wij zijn op weg naar Mallorie. Daar

wonen we--of beter gezegd, daar woon ik."

De jongen keek me nu oplettend aan, alsof hij plotseling levendig

belang stelde in mijn persoon.

"Ik geloof dat het anders te laat voor me zou worden om vanavond nog

terug te zijn," zei hij.

"Plaats genoeg," riep Tetsjer; "met ons drieën kunnen we er gemakkelijk

in; we zijn er in een wip."

De Canadees hielp ons om een plaats beschikbaar te maken voor nummer

drie; mijn koffer stond achter in het wagentje, en toen zijn blik

daarop viel, of liever gezegd op het adres dat aan het handvat zat

bevestigd, toen floot hij even op een eigenaardige manier--in muziek

zou dit kunnen worden beschreven als van g tot c met vijf strepen.

"Zoo heet ik," zei ik, daar ik vond dat ik toch iets moest zeggen;

"mijn naam staat op het adres: Martin Ellinghem."

Hij knikte mij vriendelijk toe, en toch kon ik zien dat hij zich over

iets verbaasde.

"Ik heet Kitsjin," zei hij; "Bob Kitsjin. Jouw naam klinkt mooier,

maar ik zal het maar met den mijne moeten doen."

Hij scheen op het punt nog iets te zeggen, nadat hij wederom een blik

had geworpen op mijn koffer, doch hij scheen zich te bedenken en zweeg.

Die eigenaardige, vastberaden trek was opnieuw om zijn mond verschenen

en wederom keek hij me oplettend aan. Het was zoo duidelijk dat de een

of andere vraag hem op de lippen had gezweefd, dat ik lust gevoelde hem

ronduit te vragen wat hij had willen zeggen. Als ik gehoor had gegeven

aan die opwelling, dan zou alles zoo geheel anders zijn geloopen en

dan zou ik mijzelf althans heel wat verdriet hebben bespaard.

Ik liet het oogenblik voorbij gaan om opheldering te vragen; toen

werden onze gedachten afgeleid en eerst geruimen tijd later zou het

geval tot klaarheid komen.

De afleiding werd veroorzaakt doordat de eigenaar van het hollende

paard kwam opdagen: een opgewonden mannetje met rood haar, dat een

eind had mogen mederijden in den postwagen, die ons nu was genaderd.

Tetsjer hield nog altijd de teugels van het paard vast, alsof hij

degeen was die er zich op mocht verhoovaardigen het dier tot staan

te hebben gebracht; het kleine, rossige mannetje scheen echter in

niets belang te stellen dan in de omstandigheden die de oorzaak

waren geweest dat het paard op hol was geslagen. Hij scheen te

denken dat wij hierin evenzeer belang stelden en daarom haalde hij

een plattengrond van den weg te voorschijn, waarop hij met een stok

de plek aanwees waarop de wagen zich had bevonden en waar de straat

lag en waar de brievenbus stond en waar de stoomrol--de stoomrol die

al het onheil had gesticht; hij vond het blijkbaar noodzakelijk ons

het heele geval tot in de kleinste bijzonderheden duidelijk te maken,

zoodat hij denken deed aan een schoolmeester die de Ezelsbrug uitlegt

voor een klasse die les krijgt in Euclides.

Eerst toen hij er stellig van was overtuigd, dat we geheel op de

hoogte waren van de wijze waarop de zaak zich had toegedragen, maakte

hij aanstalten om zijn tocht te vervolgen. Met Tetsjer had hij heel

wat moeite gehad, daar die maar niet kon vatten waar de brievenbus

en de stoomrol hadden gestaan. En eigenlijk geloof ik dat het hem

niet duidelijk was geworden, bij welken hoek van de straat het paard

was geschrikt.

Tetsjer was het geval langzamerhand zoo hoogst belangrijk gaan vinden,

dat hij gedurende den verderen rit over niets anders meer kon spreken,

zoodat hij me op het laatst gruwelijk verveelde met zijn brievenbus

en stoomrol en hoeken van straten. Bob Kitsjin had eerst aandachtig

geluisterd naar het drukke gepraat van Tetsjer en het rossige mannetje;

maar toen we eindelijk weer zouden doorrijden zag ik hem wederom een

blik werpen naar het adres van mijn koffer en toen naar mij, waarop hij

blijkbaar in gepeins verzonk; geen woord sprak hij meer, tot we door

de poort reden van het oude landgoed en voor Mallorie stil hielden.

"Waarom komt mijn naam hem zoo vreemd voor," zei ik bij mezelf. Deze

gedachte werd echter onmiddellijk afgeleid doordat de oude Horner naar

buiten kwam, zoodra hij het geratel van wielen had vernomen. Hij had

natuurlijk gedacht dat er maar twee menschen in het karretje zouden

zitten, zoodat hij dan ook een vragenden blik wierp naar den derden

man dien hij niet had verwacht. Plotseling werd hij doodsbleek, hij

struikelde tegen het oude blok dat als opstap diende om te paard

te stijgen en viel bewusteloos neer op de steenen treden van de

stoep. Juffrouw Horner kwam gillend naar buiten loopen, en het werd

nu zoo'n drukte en herrie dat ik me in mijn eigen gedachten niet meer

kon verdiepen.

HOOFDSTUK III.

NADERE KENNISMAKING MET BOB.

"Hij is flauw gevallen," riep de jongen uit Canada, die in een oogwenk

uit het wagentje was gesprongen.

Juffrouw Horner trachtte al gillend en jammerend haar man op te tillen.

"Leg hem plat neer," beval Bob, die de patiënt onder de schouders

beet pakte--"hij moet languit op den grond liggen; dat is de manier

om iemand weer bij te krijgen."

"O, o, hoe vreeselijk!" riep de juffrouw al hijgend uit.

"Weet u hoe u doen moet?" vroeg Bob.

"Nee, nee, wat moet ik doen?" zei ze.

"Wacht maar, ik zal hem wel zien bij te krijgen. Eerst heelemaal

plat op den grond. Juist zoo. Nee, niets onder zijn hoofd. Trek zijn

voeten wat op; juist zoo. Het zou me al heel erg verwonderen als hij

niet dadelijk bij kwam. Kijk, hij slaat de oogen al op. Prachtig. Nee

mijnheer--uw naam weet ik nog niet--maar u moet nog even stil blijven

liggen. Dan bent u in een wip klaar. Het bloed stijgt u nu naar het

hoofd met de vaart van een sneltrein.--Juist, alles gaat naar wensch,"

voegde hij er lachend bij, alsof het heele geval een kostelijke

grap was geweest. "Hoe kwam het dat hij flauw viel?" vroeg hij toen,

terwijl hij zich naar juffrouw Horner keerde.

"Dat zou ik u niet kunnen zeggen," antwoordde juffrouw Horner met

een diepen zucht; "we hebben alleen paddenstoelen gegeten; misschien

hebben die het hem gedaan."

"Voel je je nu wat beter, Horner," vroeg ze, terwijl ze zich

over Horner heenboog. "Denk je dat het die paddenstoelen zijn

geweest?" Zonder dat ze zijn antwoord afwachtte ging ze voort:

"En we hebben nog niets gezegd tegen jongeheer Martin die zóó is

gegroeid dat we hem niet meer zouden hebben herkend!--Tetsjer, haal

den koffer eens uit den wagen. Door die flauwte van Horner ben ik

heelemaal de kluts kwijt."

De heer Horner herkreeg langzamerhand het bewustzijn; hij richtte

zich overeind en keek met een verwezen blik om zich heen, terwijl Bob

hem allerlei raadgevingen gaf wat hij moest doen om zich nog beter

te gaan gevoelen. Intusschen had ik gelegenheid om de omgeving eens

goed op te nemen.

Ik was nog zoo'n heel klein jongetje toen ik Mallorie verliet,

dat ik niet anders dacht of in al die jaren zouden wijzigingen zijn

aangebracht. Dit bleek echter geenszins het geval. Zoodra we onder

de hooge poort doorreden maakte het groote huis weer dien somberen,

naargeestigen indruk op me. Die lange rijen van gesloten vensters

met luiken gaven iets doodsch aan het gebouw; de muren strekten zich

zoo kaal en recht uit; het lange dak met de grillige vormen had

tallooze vensters en een menigte schoorsteenen waaruit geen enkel

rookwolkje omhoog kronkelde; de hooge tuinmuren die het buitengoed

afsloten deden aan een klooster denken--dit alles herinnerde ik me

uit vroeger jaren, en ik kwam nu tot de ontdekking dat geen enkele

wijziging was aangebracht.

Het kleine gedeelte van het groote gebouw dat bewoond werd, maakte

natuurlijk een minder doodschen indruk. Hier had ik mijn eerste

levensjaren gesleten met het echtpaar Horner, tot ik bij een leeraar in

huis was gedaan. Mijn kamer was boven; het raam was voorzien van open

traliewerk en bood uitzicht op het binnenplein en den ingang van den

stal, waar de oude Tetsjer nu een kamer had tegenover den hooizolder,

en waar mijn pony in een hoekje stond van de ruime, verlaten stallen.

Wat de Horners betreft, die waren zoo heelemaal eender gebleven,

dat ik me een oogenblik verwonderd afvroeg, of ik hen werkelijk in

zooveel jaren niet had gezien, en toen vergeleek ik hen bij mezelf

met zoo'n mannetje en vrouwtje van een weerglas, die beurtelings naar

buiten komen en wier uiterlijk voorkomen nimmer verandert.

De heer Horner had vroeger dikke zwarte bakkebaarden die grijs begonnen

te worden, en nu waren die bakkebaarden grijs met hier en daar een

donkere plek; verder was hij echter hetzelfde drukke, kaalhoofdige

mannetje met een glimmend gezicht; hij droeg altijd een net zwart

pak en een gouden horloge met ketting en een omgeslagen opstaanden

boord met zwarte das; zijn heele voorkomen en de wijze waarop hij

sprak deden onmiddellijk begrijpen dat hij vroeger heereknecht was

geweest in de allereerste families.

Juffrouw Horner herinnerde ik me met twee kinnen, maar nu had ze

er drie. Ze was echter dezelfde glimlachende, moederlijk-bezorgde

persoonlijkheid gebleven; ze was niet minder dik dan haar echtgenoot en

altijd was ze hijgend en blazend druk in de weer, en ik wist nog heel

goed dat ze me altijd meer wilde laten eten dan ik met mogelijkheid

naar binnen kon krijgen.

Voordat de oude Horner wèl genoeg was om in huis te worden gebracht,

had ik zijn vrouw onderwijl verteld op welke wijze we kennis hadden

gemaakt met mijn nieuwen vriend, en zij had toen voorgesteld dat ik

hem wat kleeren zou leenen; hij kon een bed krijgen in het kamertje

naast mij en ze zei dat er zeker wel thee en eten genoeg klaar stond

voor twee menschen.

"Bekommer u maar niet over mij," zei Bob, die zich hier al heelemaal

op zijn gemak gevoelde. "Ik kan op een hooiberg slapen of waar ook. Ik

kan ook buiten kampeeren daar ben ik aan gewend."

Bij dit denkbeeld alleen stiet juffrouw Horner een angstig verbaasden

kreet uit.

Terwijl ze met mij bepraatte en overlegde hoe we het zouden inrichten,

merkte ik op dat de oude Horner telkens een onrustigen blik wierp

naar Bob, dien hij voortdurend met de oogen volgde, daar de een of

andere herinnering uit het verleden hem blijkbaar angstig maakte en

ongerust. "Hoe heet je ook weer?" vroeg hij eindelijk aan Bob die nu

dicht bij hem stond. "Ik heb je naam niet goed verstaan."

"Kitsjin--Bob Kitsjin," antwoordde het jonge mensch heel kalm en

bedaard.

"O ja, ja--ja juist," zei Horner, en een oogenblik meende ik werkelijk

dat hij opnieuw het bewustzijn zou verliezen. "Martha, is de thee

nog niet klaar voor de heeren?" vroeg hij toen.

De thee stond voor de heeren gereed in een aardig, klein vertrek,

dat vroeger mijn kinderkamer was geweest; op tafel waren zooveel

dingen gezet, dat ik even een kreet van verbazing slaakte en Bob liet

wederom dat eigenaardige gefluit hooren, om uiting te geven aan zijn

gevoel van aangename verrassing.

"In de provisiekamer is nog een massa meer," zei juffrouw Horner, wier

gelaat door een breeden glimlach werd verhelderd. "Als ik geweten had

dat u met je tweeën waart, dan--Maar zooals ik zei, in de provisiekamer

is nog een massa meer; u heeft maar aan de bel te trekken en dan zal

Marietje het brengen, als ze tenminste den boel niet laat vallen,

wat heel waarschijnlijk is, want ze is pas veertien en ze is blij

dat ze hier mag leeren dienen voor niets." Ze schonk de thee voor

ons in en liet ons alleen. Toen ze de kamer uitging zei ze tot slot:

"Als u nog iets wil hebben, jongeheer Martin, vraag het dan gerust,"

waarop ze druk en bedrijvig verdween.

"Zeg 's jongeheer Martin," zei Bob lachend, nadat we ons hadden

gewasschen en opgefrischt en de beste maatjes samen waren geworden--"me

dunkt dat we wel genoeg zullen hebben voor ons beiden. Ik dacht dat

wij er daar in Canada flinke magen op nahielden, maar ik zie nu dat

jullie hier in Engeland ook niet afkeerig zijn van eten. Jij bent

anders niet dik uitgevallen!"

"Ik ben ook blij dat je wilt helpen om de tafel eer aan te doen,"

zei ik. "Maar je denkt toch niet, dat het bij mijn voogd ook allen

dag zoo'n overdaad was?"

"O, heb je bij hem ingewoond? Maar zeg 's, wat is dit voor een ding?"

"Het ziet er uit als een pastei van kalfsvleesch en ham. Snijd ze

maar aan. Ik weet dat juffrouw Horner die zelf maakt. Ja, toen ik

hier vandaan ging, ben ik bij mijn voogd gekomen; daar ben ik al die

jaren geweest."

"En wanneer was dit, Martin?" zei Bob Kitsjin die de oogen strak hield

gericht op zijn mes en vork waarmee hij zat te spelen. "Zie je, ik

ben een lastige vraagal; als je liever niet antwoordt, doe het dan

maar niet."

"Maar ik antwoord heel graag," hernam ik; "ik ben blij dat ik eens

tegen iemand over mezelf kan spreken, want ik weet eigenlijk niet

goed wat ik zal beginnen. Ik was vijf jaar toen ik hier vandaan ging."

"En in al dien tijd ben je hier niet geweest?"

"Neen."

"En al die jaren ben je bij dien ouden voogd gebleven? Maar de man

is misschien niet oud?"

"Jawel, dat is hij wel," antwoordde ik. "Ik ben bij niemand anders

geweest."

"In de vacanties ging je dus niet naar huis?"

"Neen."

"Maar je hadt toch familie die--Och, maar ik doe misschien onbescheiden

vragen."

"Vraag maar gerust door; ik ben blij dat ik eens met iemand kan

praten. Dat overkomt me bijna nooit. Toe, neem nog wat van die pastei."

"Die juffrouw Horner is een kraan: dat zeg ik! Ik rammel van den

honger. Maar wat ik zeggen wou: je familie wilde je toch zeker nu en

dan bij zich hebben?"

"Och, ik--ik--ik heb geen familie," bracht ik stamelend uit.

Bob liet zijn mes en vork uit de hand vallen en wierp me een hoogst

verbaasden blik toe. In zijn oogen was nu wederom diezelfde zonderlinge

uitdrukking verschenen, die ik daarin het eerst had gelezen, toen

hij mijn naam op mijn koffer had zien staan. Hij scheen zich een

oogenblik niet op zijn gemak te voelen. Hij kreeg even een kleur en

zei: "Het is een beetje erg zooals ik je zit uit te vragen! Je zal

nog gaan denken dat we daar in Canada ongelikte beren zijn. Zeg 's,

laat ik nog eens een stuk voor jou snijden."

"Wees niet bang dat je onbescheiden bent, Bob," antwoordde ik;

"ik verzeker je dat ik je graag mijn levensgeschiedenis vertel."

HOOFDSTUK IV.

IK VERTEL.

"Toen ik nog een kleine hummel was, gevoelde ik me hier overgelukkig,"

begon ik. "Uit dien tijd herinner ik me niet veel, maar ik weet wel

dat het huis er toen niet zoo doodsch en somber uitzag als nu; het

maakte een vroolijken, gezelligen indruk en de ramen waren niet met

luiken gesloten."

"Ja, zoo op het eerste gezicht ziet het er naargeestig uit," erkende

Bob openhartig.

"Ik had juist een pony gekregen," hernam ik, "en elken dag trok ik er

met mijn moeder op uit. Ik was nog wel heel klein om paard te rijden,

maar mijn pony zat met een teugel vast aan haar paard en we schenen

heusch nog al hard te rijden. Toen ik mijn paardje een korten tijd

had gebeurde er iets vreeselijks."

"Zeg 's, jongen, als je het akelig vindt om dat allemaal op te halen,

vertel dan maar niet door; je maakt er jezelf maar naar mee."

"Nee," zei ik; "ik heb dit nog nooit aan iemand verteld en het doet

me juist goed. Eens was moeder te paard uitgereden--dien dag had ze

me niet meegenomen--en haar paard stortte neer bij het springen over

een heg; het viel op haar--en ze werd thuis gebracht. Ik zag haar

thuis brengen."

"Was ze--dood?" vroeg Bob zacht.

"Ja."

Bob schraapte zich even de keel en ik zag dat hij verbleekte. "Ik heb

ook geen moeder," zei hij kortaf. "Ze stierf--niet op die manier,

maar toen we vier jaar geleden in Toronto waren kreeg ze hevige

koortsen waaraan ze bezweek. Ik weet er dus alles van."

Een diepe ontroering had zich van hem meester gemaakt; hij stond

op en begon wat heen en weer te loopen om zijn zelfbeheersching

te herkrijgen. "Als ik soms lui over hun ouders hoor praten," viel

hij plotseling uit met een heftigheid die me verbaasd deed opzien,

"alsof die alleen maar goed genoeg zijn om geld van ze te halen--dan

word ik zoo woest dat ik me maar uit de voeten maak, omdat ik ze

anders zou kunnen aanvliegen. Ze weten niet wat het is om ..."

Hij brak den zin af omdat juffrouw Horner met veel drukte en

bedrijvigheid binnen kwam om te zien of we geen honger leden, en ik

geloof dat we beiden blijde waren dat ons gesprek werd gestoord. Toen

ze zag dat er nog wel genoeg voorraad voor zes jongens op tafel stond

was ze gerust gesteld en verdween.

"En na dien tijd liep alles mis," ging ik voort met mijn verhaal,

alsof ik geregeld mijn levensloop had vervolgd zonder in de rede

te zijn gevallen; "een jaar zoowat na--na--je weet wel--toen--toen

gebeurde er hier een vreeselijk ongeluk. Het was een ongeluk."

Bob knikte.

"Maar vader is daarna weggegaan--niemand wist waarheen en niemand is

dit ooit te weten gekomen; en nooit is taal of teeken meer van hem

gehoord," voegde ik er bij terwijl ik de stem liet dalen.

Tot mijn verbazing zag ik dat Bob Kitsjin weer op het punt stond

iets te vragen of te zeggen, maar de woorden die hem op de lippen

lagen hield hij in; om zijn mond was wederom die eigenaardige trek

verschenen.

"Wat wou je zeggen," vroeg ik.

"Is het lang geleden?" zei hij; maar ik begreep heel goed dat hij

iets anders had willen vragen.

"O ja, jaren geleden."

"Dus, dat wil zeggen dat hij ... één ding is maar mogelijk, is het

niet Ellinghem?"

"Ja," antwoordde ik kortaf, "dat zeiden de advocaten ook. Die kwamen

er natuurlijk bij te pas; ze spraken van een vermoedelijken dood;

maar er waren een massa lastige quaesties te regelen; het was me een

herrie van belang. Het huis en de grond kwam aan de Weeskamer. Weet

je wat dat is?"

"Jawel," zei Bob, terwijl een glimlach zijn gelaat verhelderde. "Ik

weet wel wat dat is, al houden we er bij ons in Canada zoo'n ding

niet op na."

"Nu ze bemoeiden zich met mij," hernam ik, "en ze bemoeien zich zeker

nog met me, want als ze eenmaal iets op zich nemen ..."

"Dan laten ze je zoo gauw niet los," vulde Bob aan.

"In elk geval wordt het goed beheerd en ze keeren jaarlijks een som

uit voor mij; ze deden me aan huis bij mijn voogd en daar zouden ze

me zeker hebben gelaten als hij niet ergens in Egypte een betrekking

had gekregen en toen trok ik hierheen. Onderweg ontmoette ik jou."

"Het is gek," zei Bob op peinzenden toon; "het is wel heel gek en

zonderling--dat we op die manier moesten kennis maken."

"Waarom lijkt je dat zoo vreemd?" vroeg ik.

"Och, misschien ook niet," antwoordde hij; toen scheen hij een ander

onderwerp van gesprek te willen aanroeren en vroeg wie of eigenlijk

het landgoed bestuurde.

"Dat weet ik niet," zei ik; "het zijn advocaten die geen steek om me

geven. Ik weet alleen dat ze elk jaar een som geld voor mij uitkeeren

en dat ze de Horners betalen die ze hier als rentmeesters hebben

aangesteld. Die worden door hen betaald. Tetsjer natuurlijk ook."

"En ze zullen zichzelf ook wel betalen voor hun moeite," viel Bob

in. "Als ik jou was, Martin, dan zou ik het huis verhuren; je krijgt

dan ieder jaar een flinke som geld; dat is toch veel beter dan om

den boel maar op slot te laten zitten."

"Zelf kan ik niets doen," antwoordde ik; "het rechte weet ik er

eigenlijk niet van, maar ik weet wel dat mijn geld vast zit en dat

ik er niet aan kan raken, al zou ik dit willen. Maar waarom was jij

eigenlijk op weg naar Mallorie?"

Bob verschoot een weinig van kleur. "Och, zoo maar," zei hij; hij

verstond echter slecht de kunst om ergens om heen te draaien; ik

begreep dan ook heel goed dat hij me de reden niet wilde zeggen. "Ik

ben een tijdje geweest op een boerderij in Holming met nog een paar

lui, maar die gingen allemaal naar huis voordat de school weer begint;

daarom trok ik er maar in mijn eentje op uit, snap je?"

"Waar ga je op school?" vroeg ik, daar ik een andere wending aan het

gesprek wilde geven, want ik kon zien dat Bob zich niet op zijn gemak

gevoelde. "Ik zal bij een leeraar worden gedaan of misschien sturen

ze me naar school. Ik zou wel naar die van jou willen. Waar ben jij?"

"Op St. Martin," antwoordde Bob; "het is er best, hoor," voegde hij

er bij; blijkbaar was hij trotsch op zijn school.

Ik had wel van St. Martin gehoord, doch kende de school alleen

van naam.

"Zeg 's," hernam Bob op ernstigen toon, "je zorgt maar dat die lui je

bij ons doen. Ik kan wel zien dat je al veel te lang bij dien voogd

hebt gezeten. Je zat natuurlijk met je neus in de boeken als je buiten

had moeten spelen. Je ziet er slap uit; je spieren deugen niet. Houd

je arm 's krom. Zie je wel, dat lijkt naar niets. We zullen je flink

onder handen moeten nemen. Van voetballen kan je zeker niet veel?"

Ik dacht aan het jonge meisje aan wie werd gevraagd of ze viool

kon spelen.

"Voetballen," herhaalde ik. "Dat weet ik niet. Ik heb het nooit

gedaan."

"Wel lieve deugd!" riep Bob, op wiens gezicht een ontsteld-verbijsterde

uitdrukking was verschenen; "daar word ik nou raar van. Nee, dan

moet je zeker op St. Martin komen; maar eerst moet je er wat van

kennen. Als ik je een week of twee onder mijn leiding had, dan zou

je al een aardig eind op streek zijn."

"Was het maar waar," zei ik. "Wat zou ik graag met je meegaan naar

St. Martin. Ik zal naar Finsberie & Koster schrijven--zoo heeten de

advocaten. In Zwitserland heb ik een oom die ook zoowat voogd is,

maar die kijkt niet naar me om; de advocaten bedisselen alles. Ik

zal aan ze schrijven; anders sturen ze me nog naar een school die

lang zoo goed niet is."

"Dat zouden ze zeker," riep Bob lachend; "geen enkele school kan

in de schaduw staan bij St. Martin. Er zijn puike kerels bij; in de

eerste plaats het hoofd van de school: Norman--Dick Norman. Dat is

een kraan van een jongen. Hij zou een Canadees kunnen zijn!" riep

Bob opgewonden uit.

Na dien laatsten uitroep begonnen we allebei te lachen; ik kreeg een

gevoel alsof de toekomst er rooskleuriger voor mij ging uitzien.

"Luister 's," zei Bob, "als je het een of ander van plan bent, dan

moet je dit onmiddellijk doen en niet uitstellen. Schrijf nu terstond

aan die lui; anders komt je brief misschien te laat."

Ik zag er een weinig tegen op omdat ik nog nooit aan Finsberie &

Koster had geschreven, en zei dat het toch niet juist vandaag behoefde

te gebeuren.

"Jawel," zei Bob heel beslist; "je moet het nù doen; dan zullen we

den brief samen opmaken. Anders dring je er misschien niet krachtig

genoeg op aan."

Hij stelde den brief zoo flink en krachtig op (want ik schreef

precies neer wat hij me voorzei), dat ik bang was dat Finsberie &

Koster me kwalijk zouden nemen dat ik zoo rondweg voor mijn meening

durfde uitkomen; Bob liet me echter niet met rust voordat Tetsjer

met den brief was weggestuurd om dien te posten.

Toen we met genoemden Tetsjer een gesprek aanknoopten, welde opnieuw

de gewaarwording bij me op, dat het groote huis iets geheimzinnigs

over zich had; hetzelfde onbestemde gevoel van vagen angst kwam

wederom bij me op als een uur geleden, toen we de hooge poort waren

ingereden. In de vroolijk verlichte kamer toen we zaten te eten en

te drinken, terwijl Bob van zijn school zat te vertellen, toen had

ik eigenlijk vergeten waar we waren; maar zoodra we buiten kwamen in

de schemering en ik het lange, donkere gebouw zag met de kale muren

die zich afteekenden tegen den donkeren hemel, toen gevoelde ik weer

dienzelfden angst dien ik me nog uit mijn kinderjaren herinnerde,

toen al dat leed over ons kwam--en een huivering voer door me heen.

Zelfs Bob scheen onder den indruk van de sombere omgeving. "Het ziet

er doodsch uit, vindt je ook niet, Martin?" vroeg hij, terwijl hij

even rilde en een gebaar met het hoofd maakte in de richting van het

onbewoonde gedeelte van het huis.

Tetsjer stond vlak bij ons en had deze woorden verstaan. "Ja, dat zegt

meer dan een," zei hij op geheimzinnig fluisterenden toon, terwijl

het oude verweerde gezicht vooruit stak dat nu werd beschenen door

de stal-lantaarn, die hij juist had aangestoken. "Er zijn er niet

veel in het dorp die hier 's avonds zouden durven komen."

"Spookt het dan?" vroeg Bob ongeloovig.

Tetsjer liet de stem nog meer dalen en antwoordde: "Ik weet alleen

dat er licht is gezien en dat er geluiden zijn gehoord. Voor geen

geld zou ik onder dat dak willen slapen."

"Och wat--" begon ik, want ik vond het tamelijk onaangenaam, dat

een gast die den nacht in dit huis zou doorbrengen deze woorden

moest aanhooren.

"Nou maar, ik zal je niet bang maken," hernam Tetsjer bemoedigend;

"in die paar kamers van het gedeelte waar de Horners wonen, daar

zal het wel veilig zijn; de Horners beweren trouwens altijd dat er

niets van aan is. Daarom moeten jullie tegen hen geen woord hiervan

zeggen; ze zouden me misschien dadelijk wegsturen. Doe maar of ik

niets heb verteld."

Hij slofte weg in de richting van het dorp, terwijl hij met de lantaren

zwaaide. Zwijgend keken we den man achterna die om den hoek van het

huis verdween; juffrouw Horner verscheen nu op den drempel van de

voordeur om ons wat toe te roepen en we gingen naar binnen, zonder

dat we iets tegen elkaar hadden kunnen zeggen over hetgeen Tetsjer

ons had medegedeeld.

Of het de woorden van Tetsjer waren die indruk op ons hadden gemaakt,

zou ik niet kunnen zeggen, doch wel weet ik dat Bob en ik dat gedrukte

gevoel maar niet van ons konden afzetten. We bleven nog een tijd lang

in de gezellige, vroolijke kamer zitten en begonnen nu en dan een

gesprek, maar dit wilde niet vlotten; telkens zaten we zwijgend te

luisteren naar het slaan van de klok en het knappen van het haardvuur.

"Laten we maar naar bed gaan," zei Bob eindelijk. "Ik ben doodmoe. En

jij?"

Ik antwoordde dat ik ook heel moe was; tien minuten later lagen we

beiden in bed; mijn nieuwe vriend sliep in de kamer naast mij.

Ik had gedacht dat ik slaap had, maar zoodra het donker was in de

kamer strekte ik de beenen lang uit en begon te denken. Nu ik Bob

van mijn vroeger leven had verteld, stonden de herinneringen uit mijn

kinderjaren me weer zoo levendig voor den geest; het gevoel dat ik me

nu opnieuw bevond in dat groote, verlaten, geheimzinnige huis waaraan

zulk een sombere geschiedenis was verbonden, maakte me hoe langer

hoe onrustiger zoodat ik den slaap niet kon vatten en voortdurend

lag te woelen.

Ik hoorde nog heel lang beneden praten; daarna werden deuren gesloten

en vernam ik het kraken van houten vloeren; toen heerschte zulk

een diepe stilte dat ik mijn hart hoorde kloppen. Ik stelde me voor

hoe doodsch en verlaten dit groote huis nu opdoemde in den donkeren

nacht; nergens eenig teeken van leven, noch buiten, noch in de gangen,

of in de leege onbewoonde kamers. Hoe had Tetsjer dan met zoo groote

zekerheid kunnen zeggen dat daar geheimzinnige geluiden gehoord werden

en dat er licht was gezien? Het waren natuurlijk maar dorpspraatjes;

van een huis dat leeg staat wordt zoo gauw gezegd dat het er spookt.

De stalklok sloeg de uren en kwartieren met een hard onaangenaam

geluid dat ik me nog herinnerde van vroeger. Ik hoorde het nog kwart

voor twaalf slaan. Toen moet ik in slaap zijn gevallen.

Misschien is dat eigenaardige gevoel den lezer bekend als we weten

dat iemand in de kamer is, zonder dat we dien persoon zien of hooren.

Ik ontwaakte--ik wist niet hoe laat het was; het was nog donker--doch

ik wist stellig en zeker dat ik wakker was geworden doordat iemand

zich in de kamer bevond!

HOOFDSTUK V.

HET SPOOKHUIS.

Ik had wel eens gehoord dat iemand die ligt te slapen wakker wordt als

een ander den blik voortdurend en onafgebroken op hem houdt gericht;

toen ik langzamerhand tot bezinning kwam wist ik dan ook heel zeker

dat iemand zich over mijn bed had gebogen en me had aangestaard. Ik

durfde mijn oogen niet opslaan en bleef rillend en bevend liggen,

terwijl alle mogelijke verhalen van spoken en geestverschijningen

mij te binnen schoten.

Als iemand met een lamp of kaars in de kamer was gekomen zou ik dit

wel hebben gemerkt. Ik wist dat het maanlicht door het open raam

naar binnen viel toen ik naar bed ging; het vertrek werd zeker nog

flauw beschenen.

Ik had wel eens gehoord van menschen die zich dood hielden als ze door

wilde dieren werden overvallen en zoo doende hun leven hadden gered;

en daarom bleef ik roerloos liggen, niet wetend of ik eigenlijk adem

haalde of niet, maar wel vroeg ik me af hoe lang ik dit zou kunnen

volhouden.

Ik gevoelde nu dat iets in de kamer bewoog. Vernam ik eenig geluid,

of hoorde ik alleen wat in mijn verbeelding? De verschijning verdween

echter; ik gevoelde dat de kamer was bevrijd van dat rondwarende,

geheimzinnige wezen.

Ik slaakte een zucht van verlichting. Na eenigen tijd raapte ik mijn

moed bij elkaar en opende de oogen; nog was ik bang vreeselijke dingen

te zullen zien.

De kamer was leeg. In het schemerlicht kon ik de omtrekken van al de

meubels onderscheiden: de stoelen, de kleedtafel, een hooge kast in

den hoek, de waschtafel waarvan het aardewerk opglinsterde in het

halfdonker, en al de andere meubels en voorwerpen die ik ook had

gezien voordat ik in bed stapte. Ik werd niets bijzonders gewaar, en

toch was ik er zeker van dat iemand of iets in de kamer was geweest

en zoo juist was verdwenen.

Ik dacht aan Bob. Zou ik hem gaan vragen of hij in mijn kamer

was gekomen? Maar dan zou ik mijn bed moeten verlaten en de gang

oversteken waar ik misschien--ja, ik durfde er niet aan denken--wat

ik daar zou zien?

Zou ik, of zou ik niet, vroeg ik mijzelf voortdurend af en eindelijk

gevoelde ik zulk een hevig verlangen om met iemand te praten dat ik

besloot ten minste dit punt te zien opgehelderd. Ik snakte naar het

gezelschap van Bob; ik had maar een paar stappen door de gang te doen

en ik wist dat hij zijn deur niet op slot had gedaan.

Ik liet me uit mijn bed glijden; koud en huiverig stond ik een

oogenblik aarzelend met den deurknop in de hand, voor ik den moed had

dien om te draaien en me in de gang te wagen. Stil als een muis sloop

ik weg en toen ik de deur van Bob had bereikt stormde ik binnen met

zoo'n vaart dat hij onmiddellijk met een schok overeind rees.

"Wat is er?" vroeg hij, terwijl hij slaperig met de oogen knipte,

zoodat ik terstond begreep dat hij niet uit zijn bed was geweest en

eerst nu door mij was wakker geworden.

"Ik ben het, Bob," stiet ik hijgend uit.

"Ja, dat zie ik," antwoordde hij, want ik werd door het maanlicht

beschenen. "Maar wat is er gebeurd?" vroeg hij terwijl hij nog slaperig

met de oogen knipte. "Staat het huis in brand?"

Ik greep zijn arm krachtig beet en riep: "Bob, er is iemand of iets

in mijn kamer geweest!"

Ik zag dat mijn woorden eenigen indruk maakten; toch klonk zijn stem

heel gewoon en beslist toen hij antwoordde: "De Horners en ik zijn

toch alleen maar hier in huis. Een van ons drieën zou het dan moeten

zijn geweest."

"Neen, het was iemand anders," zei ik, terwijl ik ontkennend het

hoofd schudde.

"Laten we dan eens gaan onderzoeken wie het wèl is geweest," hernam

Bob. "Als het inbrekers zijn, dan moeten we de menschen waarschuwen,

maar als we loos alarm maken, dan slaan we een mal figuur. Als--"

Hij brak den zin af en wierp me een eigenaardig nieuwsgierigen blik

toe. "Maar het is beter dat we die oude menschen met rust laten,"

zei hij; "we kunnen er wel zelf op uittrekken. Misschien heb je je

alles maar verbeeld."

Intusschen had hij met ongelooflijke vlugheid eenige kleedingstukken

aangeschoten.

"Doe ook wat aan," zei hij, "dan trekken we er samen op af. Zeg,

Martin, je staat te beven als een riet. Heb je wat gezien?" voegde

hij er bij, terwijl hij de stem liet dalen.

"Neen," bracht ik stamelend uit; "maar het was er."

We gingen samen naar mijn kamer, waar Bob om zich heen keek, terwijl

ik me haastig aankleedde. Tot nu toe hadden we geen andere verlichting

gehad dan de bleeke stralen van de maan; een schok voer door me heen

toen een hoek van de kamer plotseling hel werd beschenen; op hetzelfde

oogenblik kwam ik echter tot de ontdekking dat Bob een electrische

zaklantaren te voorschijn had gehaald en op den knop drukte.

Hij lachte toen ik een gesmoorden kreet slaakte. "Schrok je?" vroeg

hij. "Je bent heelemaal van streek; anders zou dit dingetje je niet

zoo hebben doen ontstellen. Ik heb er kort geleden een nieuwe batterij

in gedaan; daarom geeft ze nu een prachtig licht. Ben je klaar?"

Ik antwoordde van ja en op onze pantoffels begaven we ons geruischloos

op weg.

"Hoe minder lawaai we maken, des te beter," zei Bob fluisterend. "Nu

de Horners niet wakker zijn geworden toen jij straks bij mij kwam

binnen stormen, nu behoeven we wel niet bang te zijn dat ze zullen

komen aanzetten, maar we moeten toch voorzichtig zijn; het is veel

beter dat we het met z'n beiden klaar spelen."

Toen we ons echter in de donkere gang bevonden en langzaam en

geruischloos verder liepen, toen zonk de moed me in de schoenen,

al was de dappere Bob in mijn nabijheid.

"Zeg," begon ik, "geloof je heusch dat we--"

"Dat we wat?"

"Dat we er op uit moeten trekken?" bracht ik stamelend uit.

"Weet je zeker dat iemand in je kamer is geweest?"

"Ja."

"Laten we dan te weten komen wie het was. Misschien was het de oude

Horner of zijn vrouw."

"Neen, geen sprake van."

"Willen we aan hun deur gaan kloppen om het hun te vragen?" stelde

Bob lachend voor.

Toen hij dit zei hadden we juist aan het einde van de gang een rond,

uitstekend raam bereikt met een breede vensterbank. Het maanlicht,

dat hoe langer hoe bleeker werd, daar voorbijdrijvende wolken de

stralen voortdurend onderschepten, gleed naar binnen door de glazen

ruiten en bescheen een plek op den houten vloer die deed denken aan

de een of andere landkaart met vage, onbestemde grenzen.

Bravo, Bob! De padvinder uit Canada · 第 1 / 15 段